id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 22 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090122.3 Rolnummer: 2003/AR/42 Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2009-03-20 Raadplegingen: 107 - laatst gezien 2026-07-02 19:01 Fiche UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE (B.T.W.) - Tarief van de belasting Vrije woorden: ‘ambtswoning' minister-president - restauratiewerken/werk in onroerende staat - toepasselijk BTW tarief - voorwaarden verlaagd tarief 6% - bestemming na renovatie als privé-woning - hoofdzakelijk hetzij uitsluitend gebruik als privé-woning - werkelijke gebruikstoestand doorslaggevend begrip privé-bewoning - hoedanigheid gebruiker - rechtspersoon - niet relevant hoofdzakelijk gebruik als ontvangst- , receptie- en vergaderruimte - gebruik minstens hoofdzakelijk als privé-woning - niet bewezen - voorwaarden verlaagd BTW tarief niet vervuld - louter aanwezigheid accommodatie privé-bewoning niet doorslaggevend voor daadwerkelijk gebruik Tekst van de beslissing HOF van BEROEP te BRUSSEL Zesde fiscale kamer Nr. van de zaak : 2003/AR/42 Openbare terechtzitting van IN ZAKE VAN : 1.HET VLAAMSE GEWEST, 2.DE VLAAMSE GEMEENSCHAP, beide vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, ten verzoeke van de Minister-President van de Vlaamse Regering, waarvan het kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Martelaarsplein 19, appellant, vertegenwoordigd door Meester Katelijne Ronse, advocaat ( 1050 Brussel, Louizalaan 523) TEGEN : DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, BTW-administratie, in de persoon van de ontvanger van het BTW, Ontvangstkantoor Brussel IV, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 1000 Brussel, Jozef Stevenstraat 7, 16 de verdieping, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mter Blyweert loco J. Houthuys, advocaat, ( 1500 Halle, Suikerkaai 7) ***** Het hof, na beraad, spreekt in openbare terechtzitting volgend arrest uit : R. EINDARREST - ongegrond 2003/AR/42 2 zesde fiscale kamer DE PROCEDURE Gelet op de stukken van de rechtspleging inzonderheid : 1.het vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel van 28 juni 2002 op tegenspraak uitgesproken, volgens de verklaring van partijen niet betekend aan één van hen; 2.het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het Hof op 8 januari 2003; 3.de besluiten en de stukken van appellanten, het Vlaams Gewest en de Vlaamse Gemeenschap; 4.de besluiten en stukken van de Belgische Staat. Gehoord de advocaten van partijen ter zitting van het Hof op 27 november 2008 en gelet op de stukken die zij neerlegden. A. Procedure in eerste aanleg Bij exploot met verzet tegen dwangbevel houdende dagvaarding van de Belgische Staat voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel, vorderde huidige eerste appellant, het Vlaamse Gewest, zijn vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren en te zeggen voor recht dat de tenuitvoerlegging van het dwangbevel op 11 oktober 1999 betekend door geïntimeerde, nietig is, geïntimeerde te veroordelen tot de terugbetaling van ten onrechte geïnde bedragen, de kosten van het geding, rechtsplegingvergoeding inbegrepen en het vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling. De Vlaamse Gemeenschap, huidige tweede appellante, kwam tussen in de procedure bij wege van vrijwillige verschijning en sloot zich aan bij de vordering van het Vlaams Gewest. 2003/AR/42 3 zesde fiscale kamer Bij vonnis van 28 juni 2002 verklaarde de eerste rechter, de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel, de vordering van appellanten ontvankelijk, doch ongegrond. Het Vlaams Gewest en de Vlaamse Gemeenschap werden veroordeeld tot de kosten van het geding. B.Procedure voor het Hof Voor het Hof vragen appellanten het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, het vonnis van de eerste rechter te vernietigen, het oorspronkelijk verzet tegen het dwangbevel ontvankelijk en gegrond te verklaren en te zeggen voor recht dat het dwangbevel op 11 oktober 1999 betekend, nietig is en geen gevolgen kan teweeg brengen en de Belgische Staat te veroordelen tot terugbetaling van alle ten onrechte geïnde bedragen, meer de intresten en tot betaling van de kosten van het geding, rechtsplegingvergoeding inbegrepen. Het hoger beroep werd tijdig en regelmatig ingesteld. Het is derhalve ontvankelijk. De Belgische Staat besluit tot de ontvankelijkheid, doch ongegrondheid van het hoger beroep, de bevestiging van het eerste vonnis en de veroordeling van appellanten tot de kosten van beide aanleggen, rechtsplegingvergoeding inbegrepen. C. Relevante feitelijke gegevens en voorgaanden Bij authentieke akte van 22 maart 1994 verwierven het Vlaams Gewest en de Vlaamse Gemeenschap een onroerend goed, gelegen te 1000 Brussel, Koningsstraat
- Het gaat om het zogenaamde "Hotel Errera". De verwerving geschiedde met het oog op de creatie van een ambtswoning voor hun minister-president. Zij voerden belangrijke renovatiewerken uit aan dit onroerend goed. 2003/AR/42 4 zesde fiscale kamer Op 2 mei 1994 richtten appellanten aan de Centrale Administratie van de B.T.W. een brief met daarin de volgende vraag (stuk 5 van appellanten) : "... De Vlaamse gemeenschap bereidt momenteel de restauratie voor van het Hotel Errera, Koningsstraat nr. 14 te Brussel. Dit gebouw is eigendom van de Vlaamse Gemeenschap en zal onder leiding van haar diensten gerestaureerd worden. Na restauratie zal dit pand gebruikt worden als ambtswoning voor de Vlaamse Minister-President. Volgens de Fiscale Documentatie Vandewinckele (art. 37/17, 70bis) bedraagt het B.T.W.-tarief voor werken aan ambtswoningen van regeringen 6 % in plaats van 20,5 %. Rekening houdend met deze gegevens, zijn wij van mening dat voor de vermelde restauratiewerken aan het Hotel Errera eveneens het B.T.W.-tarief van 6 % van toepassing is. Mogen wij U verzoeken ons te laten weten of U dit standpunt kan bijtreden. ..." Op 30 mei 1994 antwoordde de Centrale Administratie van de B.T.W., registratie en domeinen in de volgende zin (stuk 6 van appellanten) : "... Werk in onroerende staat dat de renovatie van een gebouw tot voorwerp heeft, kan het verlaagde B.T.W.-tarief van 6 pct. genieten wanneer alle voorwaarden van tabel A, rubriek XXXI van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20, inzake B.T.W.-tarieven, vervuld zijn. Zoals bepaald in paragraaf 1, 2 van deze rubriek XXXI, bestaat één van de voorwaarden voor de toepassing van het verlaagde B.T.W.-tarief van 6 pct. erin dat de onroerende handelingen betrekking hebben op een woning die, na de uitvoering van die handelingen, hetzij uitsluitend, hetzij hoofdzakelijk, als privé-woning wordt gebruikt. 2003/AR/42 5 zesde fiscale kamer Een overheidsgebouw dat uitsluitend of hoofdzakelijk wordt gebruikt voor de huisvesting (d.w.z. dag- en nachtverblijf) van een minister, of, meer algemeen, van een persoon die een ambt bekleedt of die aangesteld is in openbare dienst, wordt voor de toepassing van het verlaagde B.T.W.-tarief van 6 pct. op grond van tabel A, rubriek XXXI, van de bijlage bij het bovengenoemde koninklijk besluit nr. 20, aangemerkt als een woning in de zin van het vorige lid. ..." Bij brief van 14 juni 1994, doorgezonden aan geïntimeerde door appellanten op 21 juni 1994, bevestigde de Heer Luc Van den Brande, toen minister-president van de Vlaamse regering, het volgende : "... Naar aanleiding van de brief van 30 mei 1994 van de heer L. Van Der Westen, auditeur-generaal van de centrale administratie van de B.T.W. Registratie en domeinen van het Ministerie van Financiën, kan ik u bevestigen dat het hotel Errera hoofdzakelijk zal worden gebruikt voor de huisvesting van een minister of van een persoon die een ambt bekleedt of die aangesteld is in openbare dienst. ..." Bij de restauratie- en renovatiewerken aan het voormelde Hotel Errera werd door de respectievelijke aannemers op de door hen aan appellanten uitgereikte facturen klaarblijkelijk het verlaagd tarief van 6 % toegepast, bedoeld in rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij het Koninklijk Besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en diensten bij die tarieven, genomen ter uitvoering van artikel 37 van het B.T.W.-wetboek. Na een onderhoud tussen ambtenaren van beide partijen, richtte een ambtenaar van geïntimeerde aan appellanten op 17 november 1998 een brief, met in bijlage een regularisatieopgave (stuk 1 van geïntimeerden). In die brief stelde deze ambtenaar van geïntimeerde het volgende : 2003/AR/42 6 zesde fiscale kamer " ... Alhoewel het gebouw officieel als ambtswoning van de Vlaamse Regering fungeert, strekt het vooral de uitstraling en de representatie van de Vlaamse Gemeenschap naar buiten toe als doel. Ofschoon het residentiële karakter van dit gebouw overweegt op het zuiver ambtelijke, is het aspect van de privébewoning of huisvesting, uitsluitend of hoofdzakelijk, niet aanwezig. Dit laatste aspect is één van de voorwaarden opdat het verlaagd B.T.W.-tarief van 6 pct. zou kunnen worden toegepast. Indien aan deze voorwaarde niet is voldaan dient bijgevolg het normaal B.T.W.-tarief te worden toegepast. In bijlage vindt U een regularisatie-opgave inzake B.T.W. met een opgave van de facturen m.b.t. de rehabilitatie- en renovatiewerken. Het zijn de facturen waarop het verlaagd B.T.W.-tarief van 6 pct. werd toegepast die het voorwerp uitmaken van een regularisatie inzake B.T.W. ..." In de in bijlage gevoegde regularisatieopgave wordt vermeld dat op de bedoelde facturen de volgende tarieven van toepassing zijn : voor het jaar 1993 : 19,5 pct.; voor de jaren 1994 en 1995 : 20,5 pct.; voor de jaren 1996, 1997 en 1998 : 21 pct. Appellanten verklaarden zich niet akkoord met de inhoud van deze regularisatieopgave. Uit de stukken voorgelegd door ieder der partijen, blijkt dat het Hotel Errera een historisch gebouw is, dat oorspronkelijk een abdij was, dat het verkocht werd in de jaren na de Franse Revolutie als "nationaal goed", dat het in handen kwam van rijke, dan wel adellijke families, en uiteindelijk van de familie Errera die het "hotel" gebruikte als huis. In 1980 kwam het gebouw in handen van de Belgische Staat, en uiteindelijk, zoals hiervoor uiteen gezet van appellanten. 2003/AR/42 7 zesde fiscale kamer Partijen voeren in se geen betwisting over het uitzicht van de binnenkant van het gebouw en de indeling van de kamers. Uit de stukken voorgelegd door partijen blijkt dat het gaat om een gebouw met verschillende historische kamers en zalen , "salons", "suites", "zalen" en "kamers" genoemd. In het hoofdgebouw (stuk 9 van geïntimeerden) bevinden zich - op het gelijkvloers kamers en zalen met luchters, stoelen, tafels en een kamer genaamd "bijkeuken"; - op de eerste verdieping kamers en zalen met luchters, clubzetels, salontafels, tafels, stoelen en een kamertje met een frigo en microgolfoven; - op de tweede verdieping eveneens dergelijke zalen en kamers, alsook 3 badkamers, doch geen bedden; - op de derde verdieping eveneens een dergelijke zaal, met o.a. windmolens, schermen en 1 groot tv-scherm, alsook een toilet met massagedouche; - in de kelderverdieping twee keukens uitgerust met vele keukenmaterialen. In het eerste bijgebouw bevinden zich : - op het gelijkvloers een vergaderzaal; - op de eerste verdieping een kamer, twee tolkkamers en een volledig bemeubeld appartement met 3 plaatsen een salon, een slaapkamer, een keuken en een douche. In het tweede bijgebouw bevindt zich een volledig bemeubeld appartement met een eetplaats, een salon, een slaapkamer, een keuken, een badkamer, een computer en een fax. Op 16 maart 1999 -de bedragen uit een navolgend p.v. van 29 september 2000 werden blijkbaar niet weerhouden- stelde een ambtenaar van geïntimeerde een proces-verbaal inzake B.T.W. op waarin werd volgehouden dat het verlaagd tarief van 6 % inzake B.T.W. op de facturen betreffende de rehabilitatie- en renovatiewerken niet van toepassing was dit omdat, volgens de stelling van de ambtenaar van geïntimeerde, de voorwaarde van gebruik als privé-woning, niet vervuld is. 2003/AR/42 8 zesde fiscale kamer In dit proces-verbaal wordt volgehouden dat appellanten verschuldigd zijn aan de Belgische Staat, geïntimeerde : - als B.T.W. : 38.108.778 BEF; - als wettelijke geldboete krachtens artikel 70, paragraaf 1 W.B.T.W. : het dubbel van de verschuldigde rechten of 76.217.556 BEF, verminderd overeenkomstig rubriek IV, tweede streepje, van tabel G van de bijlage bij het K.B. nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op stuk van de B.T.W., zoals gewijzigd bij K.B. van 21 oktober 1993, genomen ter uitvoering van artikel 70 W.B.T.W., verminderd tot 3.810.877 BEF en overeenkomstig artikel 4, paragraaf 1 K.B. B.T.W. nr. 41 afgerond tot 3.810.000 BEF. Op 23 september 1999 werd door een ambtenaar van geïntimeerde een dwangbevel uitgevaardigd, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 8 oktober 1999 waarin van appellanten de volgende bedragen gevorderd worden : - als B.T.W. : 38.108.778 BEF; - als geldboete krachtens artikel 70, paragraaf 1 W.B.T.W. : 3.810.000 BEF; vermeerderd met : - de moratoire intresten krachtens artikel 91 paragraf 4 W.B.T.W. over de nog verschuldigde B.T.W. en geldboeten vanaf de kennisgeving van het dwangbevel; - de vervolgingskosten. Het voormeld verzet van appellanten tegen dit dwangbevel werd door het bestreden vonnis van 28 juni 2002 afgewezen. Het beroep van appellanten, houdende de hoger uiteengezette vorderingen, is gericht tegen dit bestreden vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel van 28 juni
- 2003/AR/42 9 zesde fiscale kamer D. In rechte : Hotel Errera als ambtswoning : privé-bewoning ? De standpunten van partijen Krachtens Tabel A, rubriek XXXI, paragraaf 1, punt 2° van de bijlage bij het Koninklijk Besluit B.T.W. nr. 20, is werk in onroerende staat met betrekking tot privé-woningen voor de jaren thans ter discussie onderworpen aan een tarief van 6 %, voor zover de handelingen betrekking hebben op een woning die, na de uitvoering van de werken, hetzij uitsluitend, hetzij hoofdzakelijk, als privé-woning wordt gebruikt. In het geding is of het Hotel Errera aan die voorwaarde van uitsluitend of hoofdzakelijk gebruik als privé-woning, voldoet. Volgens appellanten is het Hotel Errera een ambtswoning voor de Vlaamse Minister-President. Zij houden vol een publiekrechtelijke rechtspersoon te zijn die beschouwd moet worden als een eindverbruiker voor de toepassing van het verlaagd tarief van 6 % inzake B.T.W. voor renovatie- en rehabilitatiewerken. Volgens appellanten vereist voormelde bepaling geen fulltime bezetting van het gebouw en kan ook een ambtswoning of conciërgewoning voldoen aan de voorwaarde van gebruik als privé-woning. Verder stellen zij dat, om van het voormeld verlaagd tarief te kunnen genieten, - het volstaat dat het gebouw effectief bestemd is hoofdzakelijk te dienen als woning; - het Hotel Errera de bestemming "woonst" heeft en deze affectatie ook na de uitvoering van de werken heeft bekomen; - het hoofdzakelijk gebruik als woning niet betekent dat het gebouw de uitsluitende of hoofdzakelijke privéwoning van de gebruiker zou moeten zijn; - het Hotel Errera ter beschikking wordt gesteld van de Minister-President voor huisvesting; - het feit dat het Hotel Errera voorzien is van vergaderzalen, vergaderfaciliteiten en vertalingfaciliteiten irrelevant is daar de Minister-President gasten kan ontvangen, wat niet belet dat hij het huis hoofdzakelijk gebruikt als woning; 2003/AR/42 10 zesde fiscale kamer - 16,67 % van de nettoruimte van het volume van het Hotel Errera effectief door een conciërge wordt bewoond; - drie appartementen op de tweede en derde verdieping, 25,87 % van het totale volume beslaan en bestemd zijn voor logement; - aldus van het Hotel Errera 52,54 % daadwerkelijk bestemd is voor logement; - mits samentelling van de gemeenschappelijke delen van het gebouw, ook noodzakelijk om die ruimten voor logement te bereiken, zelfs 51,10 % bestemd is voor logement; - aan de vereiste van hoofdzakelijk gebruik voor privé-bewoning derhalve voldaan is; - in andere ambtswoningen (van de Belgische Eerste Minister, de burgemeester van Amsterdam, de ambtswoningen van de Duitse president, zoals toegelicht door appellanten met stukken) ook vergaderfaciliteiten zijn. De Belgische Staat, geïntimeerde brengt hiertegen in dat - voor het Hotel Errera de vereiste van bewijs van uitsluitend of hoofdzakelijk gebruik als privé-woning, niet is voldaan; - een ambtswoning weliswaar aan de vereiste van gebruik als privé-woning kan voldoen, voor zover dit betrekking heeft op de huisvesting, in dag- en nachtverblijf, van de Minister-President van de Vlaamse Regering, voorwaarde die in casu niet voldaan is; - een eigen publicatie van appellanten, meer bepaald een brochure, stelt dat het Hotel Errera aanzien moet worden als een "Huis van de Vlaamse Regering" en de secretarissen-generaal, de leidend ambtenaren van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en de Vlaamse Openbare Instellingen, evenals derden, van dit huis volgens deze publicatie gebruik kunnen maken; - uit de facturen zelf blijkt dat de uiteindelijke bestemming van het Hotel Errera geen privé-woning is, met name uit die facturen die betrekking hebben op het installeren van een inkombalie, vertaalinfrastructuur, een micro-inbouwtafel, tolkeninfrastructuur en aansluitingen voor media; 2003/AR/42 11 zesde fiscale kamer - geen hoofdzakelijke bestemming van privé-bewoning voorhanden is, nu de stukken voorgelegd door appellanten niet aantonen dat in de appartementen behorend tot het gebouw, slaapgelegenheid bestaat; - om dezelfde reden de conciërgewoning, als deel van het gehele Hotel Errera, een verlengstuk van de hoofdbestemming "ontvangst van delegaties, houden van werkvergaderingen en recepties" behelst; - appellanten hun bewijslast derhalve niet invullen. Beoordeling In deze draagt geïntimeerde de bewijslast van het feit dat niet voldaan is aan de voorwaarden om van het verlaagd B.T.W.-tarief inzake werk in onroerende staat voor woningen te genieten (cfr. Brussel 5 december 2007, T.F.R. 2008, noot J. Vanden Branden). Om van voormeld verlaagd tarief van 6 % te kunnen genieten, is het noodzakelijk, doch voldoende dat het gebouw na de uitvoering van de werken een bestemming als privé-woning kreeg en na voltooiing van de werken op betekenisvolle wijze aldus wordt gebruikt, dit uitsluitend of hoofdzakelijk (cfr. Vraag nr. 1161 Olivier 4 juli 1994, Vr. en Antw. Kamer 1993-94, nr. 120, 12603; Aanschrijving nr. 6 B.T.W. dd. 2 augustus 1986 verlaagd tarief in de onroerende sector vanaf 1 augustus 1986, B.T.W. Aanschr. afl. 9 december 1992, nr. 6/1986, www.fisconet.be). De werkelijke toestand inzake gebruik als privé-bewoning is daarbij maatgevend, niet de vraag wie eigenaar is van het gebouw, noch of het om dezelfde rechtspersoon of natuurlijke persoon gaat die het gebouw uitsluitend of hoofdzakelijk voor privé-bewoning aanwendt. Tussen partijen is niet in het geding dat het verbouwde gebouw in oorsprong aanzien kon worden als woning. 2003/AR/42 12 zesde fiscale kamer Tussen partijen bestaat wel betwisting over de vraag of het Hotel Errera, na de renovatie en rehabilitatie, aanzien moet worden als een "woning die, na de uitvoering ervan (noot van het hof : bedoeld zijn de renovatiewerken) hetzij uitsluitend, hetzij hoofdzakelijk, als een privé-woning wordt gebruikt", zoals voorgeschreven door voormeld punt XXXI, paragraaf 1, punt 2 van tabel A bij K.B. B.T.W. nr.
- Met reden voeren appellanten aan dat werk in onroerende staat uitgevoerd voor en op vraag van een rechtspersoon, niet uitgesloten is van de toepassing van het voormeld verlaagd B.T.W.-tarief van 6 %. Ten onrechte evenwel houden appellanten voor dat nu de gebruiker in casu een rechtspersoon is, het begrip "privé-bewoning" de inhoud zou moeten krijgen van "bewoning" en "gebruik" door een rechtspersoon zoals zijzelf, en derhalve "ontvangst" en "vergaderen" aanzien zou moeten worden als "privé-bewoning" in de zin zoals bedoeld in voormeld punt XXXI, paragraaf 1, punt 2 van tabel A bij K.B. B.T.W. nr.
- Om de redengevingen aangehaald door de eerste rechter, die hier herhaald en hernomen worden door het hof, kan aan het begrip privé-woning geen andere inhoud gegeven worden dan die bedoeld in voormelde bepaling, namelijk het dagelijkse en nachtelijke leven in huiselijke sfeer, onderworpen aan de vereisten van behoud en bescherming van de privacy van de bewoners, waar op grond van de gastvrijheid en de wil tot het onderhouden van een sociaal leven en behoud van vriendschappen of zakelijke contacten, of uit hoofde van de vereisten van het door de bewoners uitgeoefende beroep, zij het een door één van hen bekleed ambt, mensen met spijs en drank en door het verlenen van tijdelijk onderdak, ontvangen kunnen worden. In weerwil van hetgeen voorgehouden door appellanten kan dit begrip niet anders dan aldus ingevuld worden en wordt daaronder geen specifieke betekenis begrepen van "privé-bewoning" door een rechtspersoon die gasten ontvangt en vergaderingen organiseert. 2003/AR/42 13 zesde fiscale kamer Met reden voeren appellanten aan dat een ambtswoning wel degelijk aan deze vereiste van gebruik als privé-bewoning kan voldoen, doch evenzeer met reden voert geïntimeerde aan dat dergelijk gebruik als privé-woning in hoofdzakelijke zin in casu voor het Hotel Errera niet bewezen is of vastgesteld kon worden. De stukken voorgelegd door partijen, waarvan de inhoud door appellanten niet wordt betwist, tonen ten genoegen van recht aan dat het Hotel Errera na uitvoering van de renovatiewerken en rehabilitatiewerken waarop de facturen inzake werk in onroerende staat in casu slaan, hoofdzakelijk gebruikt wordt als ontvangst-, receptie- en vergaderruimte, en slechts in aanvullende en ondergeschikte zin, als een gebouw waarin ruimten aanwezig zijn waarin verbleven kan worden en baden genomen kunnen worden. Het door appellanten te leveren tegenbewijs, met name dat de verblijfs-, bad- en kookruimten in het gebouw en het daadwerkelijk gebruik ervan, van dermate overwegend belang zijn, dat zij toelaten aan te nemen dat het Hotel Errera beschouwd moet worden als een woning die, minstens hoofdzakelijk, als privé-woning wordt gebruikt, wordt niet geleverd. Er zijn indicaties dat in dit gebouw banketten kunnen bereid worden, gelet op de aanwezigheid van een keuken in de kelder, en dat in dit gebouw kort verbleven kan worden in enkele van de vele ruimten, er in die enkele ruimten kleine maaltijden bereid en verbruikt kunnen worden en dat erin gebaad en mogelijk geslapen kan worden (hoewel onduidelijk is gebleven op basis van de voorliggende stukken of er ook bedden zijn), doch het geheel van voorliggende gegevens en stukken waarop het hof acht kan slaan, heeft het hof niet toegelaten te besluiten dat op grond van die indicaties, deze ruimtes te beschouwen zijn als "privé-woningen", daartoe daadwerkelijk met die bestemming in gebruik en dit in hoofdzaak, wat het geheel van het gebouw Errera betreft, in de zin van tabel A, titel XXXI, paragraaf 1, punt 2 bijlage K.B. B.T.W. nr.
- 2003/AR/42 14 zesde fiscale kamer In weerwil van hetgeen appellanten voorhouden, blijkt niet dat geïntimeerde volhoudt dat een fulltime bezetting als privé-woning vereist zou zijn, zodat geïntimeerde geen voorwaarde toevoegt aan voormelde wettelijke bepaling. In weerwil van hetgeen volgehouden door appellanten, leveren zij niet het bewijs dat het Hotel Errera als "ambtswoning" voor de Minister-President door hem of haar in gebruik is, begrepen in de zin van een "privé-woning" als bedoeld in voormelde bepaling in de bijlage bij K.B. B.T.W. nr.
- Evenmin leveren zij het bewijs dat de plaatsen in het gebouw waar volgens hun zeggen aan "logement" gedaan kan worden, "privé-woningen" zijn in de zin van voormelde bepaling, zoals hierboven aangehaald, waarnaar hier wordt verwezen. Er wordt niet aangetoond dat een persoon die een ambt bekleedt het Hotel Errera als privé-woning gebruikt. In weerwil van hetgeen voorgehouden door appellanten, bevestigde een ambtenaar van geïntimeerde in de brief van 2 mei 1994, hoger aangehaald, niet zonder meer dat de renovatie van het Hotel Errera tegen het voormeld verlaagd B.T.W.-tarief van 6 % kon geschieden, doch herhaalde deze dat zulks kon onder de voorwaarde dat het gebouw na voltooiing van de werken, hoofdzakelijk gebruikt zou worden als privé-woning (stuk 6 van appellanten). Tot slot beroepen appellanten zich onterecht op de situatie inzake ambtswoningen van de federale eerste minister, de burgemeester van Amsterdam en de president van de Duitse Bondsrepubliek, nu de bijlage bij K.B. B.T.W. nr. 20, tabel A, XXXI, paragraaf 1, 2 voor de toepassing van het in het geding zijnde verlaagd B.T.W.-tarief van 6 % voor dergelijk werk in onroerende staat, te lokaliseren in België, als voorwaarde stelt dat het gerenoveerde gebouw in hoofdzaak gebruikt wordt, na de werken, als "privé-woning", en niet als "ambtswoning", en derhalve renovatiewerken, of, algemener, werk in onroerend staat aan een in de federale staat België gelegen "ambtswoning" slechts onderworpen kunnen 2003/AR/42 15 zesde fiscale kamer worden aan het voormeld verlaagd B.T.W.-tarief van 6 %, zo zij, wat de bestemming en het navolgend eigenlijk gebruik van de ambtswoning, minstens in hoofdzaak voldoet aan de vereisten van kwalificatie van "privé-woning" in de zin van voormelde bepaling. Het feit dat het woonbeleid geregionaliseerd is, doet geen afbreuk aan het voorgaande. De belasting over de toegevoegde waarde is een rijksbelasting en de gemeenschappen of gewesten hebben geen bevoegdheid tot het bepalen van het tarief inzake deze belasting (cfr. art. 3 e.v., 6 e.v. en 11 Bijz. W. 16.1.1989). Het eerste vonnis moet derhalve bevestigd worden en de vordering van appellanten moet worden afgewezen. Aangaande de kosten Gelet op het voorgaande, moeten appellanten veroordeeld worden tot de kosten, waarbij moet opgemerkt worden dat ter zitting partijen zich akkoord verklaarden omtrent het basisbedrag van 15.000 euro inzake de rechtsplegingvergoeding, uitsluitend toe te kennen inzake het hoger beroep. OM DEZE REDENEN, HET HOF, rechtsprekend na tegenspraak, Gelet op art 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep van appellanten ontvankelijk, doch ongegrond, Bevestigt het eerste vonnis, 2003/AR/42 16 zesde fiscale kamer Veroordeelt appellanten tot de kosten, begroot op 15.000,00 EUR voor appellanten en op 15.000,00 EUR voor geïntimeerde. Aldus gevonnist door : - P. Vandermotten, raadsheer dd voorzitter, - G. De Coninck, raadsheer, - C. Vanderkerken, raadsheer, magistraten van de zesde fiscale kamer van het hof van beroep te Brussel die aan de beraadslaging hebben deelgenomen overeenkomstig art 778 van het Gerechtelijk Wetboek, en, gezien de wettelijke verhindering van mevrouw C. Vanderkerken, raadsheer, uitgesproken in openbare terechtzitting van dezelfde kamer op overeenkomstig de beschikking van de heer Eerste Voorzitter van en dit bij toepassing van art 779 van het Gerechtelijk Wetboek, waar aanwezig waren : - P. Vandermotten, raadsheer dd voorzitter, - G. De Coninck, raadsheer, - R. Vaes, plaatsvervangend raadsheer, - C. De Nollin, griffier. C. De Nollin. R. Vaes. G. De Coninck. P. Vandermotten. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div