← België

ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090127.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 27 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090127.1 Rolnummer: 2004AR1891 Rechtsgebied: Overige - Burgerlijk recht - Handelsrecht - Belastingrecht Invoerdatum: 2009-01-29 Raadplegingen: 121 - laatst gezien 2026-07-02 19:03 Fiche Art. 442bis WIB. Overdracht van een handelszaak, middels tussenkomst van een notaris. Het niet ter kennis brengen aan partijen van de actuele wettekst en het toepassen van de tekst die sinds anderhalf jaar niet meer van toepassing was, maakt een onzorgvuldigheid uit die niet verzoenbaar is met het gedrag van een normaal zorgvuldige notaris in dezelfde omstandigheden. Ten onrechte beroept in casu de notaris zich op de haast waarmee hij heeft moeten werken, of op de bijstand van een boekhouder aan partijen, of op de kennis van het recht in hoofde van een partij. Dat alles ontslaat de notaris immers niet van zijn verplichting om partijen in te lichten over de actueel geldende wetgeving. In casu laat de notaris gelden dat zijn opdracht beperkt was tot 'authentificatie' van de reeds gesloten overeenkomst, en dat hij de tekst slechts letterlijk heeft overgenomen, maar een notaris wordt in dat geval niet een tekstverwerker zonder adviesplicht. Dit geldt des te meer gelet op het belang van de bepaling in kwestie, die voor de overnemer zeer ernstige gevolgen kan hebben. Uit het bovenstaande volgt in casu dat zonder de fout van de notaris) wel een regelmatige kennisgeving zou zijn gebeurd overeenkomstig artikel 442bis WIB. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Hoger beroep (gerechtelijk recht) - Voorwaarden hoger beroep - Algemeen GERECHTELIJK RECHT - NOTARIAAT - Ambt GERECHTELIJK RECHT - TAALGEBRUIK GERECHTSZAKEN - Taalgebruik in hoger beroep BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Rechtstreekse aansprakelijkheid - Fout - de daad - Zorgvuldigheid HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - HANDELSZAAK - Overdracht FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Rechten - voorrechten Schatkist - Aansprakelijkheid openbare ambtenaar e.a. Vrije woorden: I. Artikel 24 Wet van 15 juni

  1. Eentaligheid: begrip en draagwijdte. Sanctie. Toepassing van art. 40, lid
  2. Geen impact op conclusietermijnen. II. Ontvankelijkheid van het hoger beroep. Verkeerde melding van de datum van het vonnis a quo. III. Notaris. Aansprakelijkheid. Overdracht van een handelszaak. Fiscale verplichtingen. Toepassing door de notaris van de oude wet i.p.v. de nieuwe wet. Art. 442bis WIB
  3. Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2009/ A.R. nr. 2004/AR/1891-2005/AR/285 taalwet gerechtszaken - aansprakelijkheid notaris - overdracht handelsfonds - artikel 422bis WIB 1992 INZAKE VAN : 1) De naamloze vennootschap D.I.T., waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 1060 BRUSSEL, ...ingeschreven in het handelsregister te Brussel onder het nummer 644.231, 2) De heer E. D., en 3) Mevrouw V. B., appellanten tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op op 24 mei 2004, vertegenwoordigd door Meester Christian MAHIEUX, advocaat te 1180 BRUSSEL, Guy d'Arezzoplein 18, en door Meester Sirikit YSERBYT, advocaat te 1000 BRUSSEL, Dageraadstraat 2, 1ste kamer TEGEN : 1) De heer X. Z., notaris, wonende te eerste geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Stien VAN DER AUWERA loco Meester Jan STIJNS, advocaat te 3001 LEUVEN, Ubicenter, Philipssite 5, 2) De C.V.B.A. VERZEKERINGEN VAN HET NOTARIAAT, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 1000 BRUSSEL, Bergstraat 34, ingeschreven in het handelsregister te Brussel onder het nummer 78.313, tweede geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Antoine DELFORGE loco Meester Jean GOEMAERE, advocaat te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 32 bus 33-34,
  4. De procedure In dit arrest oordeelt het hof verder over hogere beroepen tegen een vonnis dat na tegenspraak is gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 24 mei 2004 (AR 03/16640). Bij arrest van 29 april 2008 heeft het hof de heropening der debatten bevolen, om partijen toe te laten zich te verdedigen met betrekking tot de ambtshalve aan te voeren exceptie uit de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Het hof heeft daarbij beklemtoond dat de heropening beperkt is tot dit enkele punt. Het hof heeft de gevoegde zaken vastgesteld op 17 juni
  5. Op die zitting zijn op vraag van partijen bijkomende conclusietermijnen vastgelegd en zijn de zaken vastgesteld op de zitting van 1 december
  6. Daar zijn ze gepleit en in beraad genomen. Het arrest wordt gewezen na tegenspraak. Toepassing is gemaakt van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder artikel
  7. VERZEKERINGEN VAN HET NOTARIAAT heeft geen conclusie genomen na de heropening. De conclusie van appellanten neergelegd op 30 mei 2008 en 3 juni 2008 bestaat enkel uit een vrije vertaling van in het Frans gestelde gedeelten uit hun eerder genomen conclusie en vervangende conclusie. In hun conclusie van 13 juni 2008 en 15 oktober 2008 vragen appellanten de vraag van Z. tot het weren van hun conclusies te verwerpen, en ondergeschikt de neerlegging toe te laten van hun conclusie na heropening van de debatten, en de conclusies van Z. van 29 oktober 2004, 21 februari 2005, 29 maart 2005, 28 juni 2005, 4 juni 2008 en 12 augustus 2008 nietig te verklaren wegens inbreuken op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. In hun conclusie van 13 juni 2008 hernemen zij bovendien heel hun argumentatie ten gronde, maar dan wel in het Nederlands. In zijn conclusie van 5 juni 2008 vraagt Z. de conclusie van appellanten van 31 januari 2005 en hun vervangende conclusies in de zaken AR 04/1891 en 05/285 nietig te verklaren en te weren.
  8. De wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken Met betrekking tot de conclusie van appellanten voor AR 04/1891, neergelegd op 31 januari 2005, en de vervangende conclusie van appellanten (neergelegd op 13 juni 2005) heeft het hof vastgesteld dat delen daarvan in het Frans gesteld zijn . Naar luid van artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken wordt voor de rechtspleging in hoger beroep de taal gebruikt waarin de bestreden beslissing is gesteld. Geen enkel element laat het hof toe te besluiten dat de in een andere taal gestelde passages in de conclusies niet deel uitmaken van de grieven van appellanten. Het hof is genoodzaakt deze conclusies nietig te verklaren met toepassing van artikel 40 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Ten onrechte laten appellanten gelden dat deze conclusies de conclusietermijnen stuiten en dat daaruit volgt dat zij het recht hebben om de nietig verklaarde conclusies te hernemen (zonder de inbreuken op de taalwetgeving). Er anders over denken zou elke betekenis ontnemen aan het begrip conclusietermijn; het neerleggen van om het even wat binnen de termijn zou dan het recht verlenen om nadien een andere conclusie te nemen die geacht zou worden te zijn genomen binnen de termijn. Overigens heeft het hof zoals vermeld in het arrest van 29 april 2008 de heropening der debatten bevolen om partijen toe te laten zich te verdedigen met betrekking tot de ambtshalve aan te voeren exceptie uit de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, en heeft het hof daarbij beklemtoond dat de heropening beperkt is tot dit enkele punt. De conclusies van appellanten neergelegd op 30 mei 2008 en 3 juni 2008 bevatten geen argumenten met betrekking tot die exceptie; het hof weert ze uit de debatten. Hetzelfde geldt voor het gedeelte van de conclusie van appellanten neergelegd op 13 juni 2008 dat de eerdere conclusies herneemt, zij het nu zonder de inbreuk op de taalwetgeving. Met betrekking tot de conclusies van Z. laten appellanten gelden dat zij nietig moeten verklaard worden, omdat zij delen bevatten die in het Frans gesteld zijn, zonder vertaling of weergave van de inhoud. Het gaat echter enkel om de straatnaam van het adres van D. I.T., gelegen in een gemeente van de Brusselse agglomeratie. Dat doet geen afbreuk aan de eentaligheid van de procedure . Z. en VERZEKERINGEN VAN HET NOTARIAAT werpen op dat de akte van hoger beroep neergelegd op 19 juli 2004 (in de zaak met AR 2004/1891) nietig is wegens schending van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. De akte bevat een adres van D. I.T. in het Frans, wat zoals hierboven vermeld zonder belang is. De akte vermeldt echter ook de datum van inleiding en de kamer van het hof in het Frans, in strijd met de eentaligheid van de procedure en met artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Het hof is genoodzaakt deze akte nietig te verklaren met toepassing van artikel 40 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gelet op de nietigheid van de akte van hoger beroep, is het hoger beroep in de zaak met AR 2004/1891 niet ontvankelijk. Naar luid van artikel 40, 3de lid van de taalwet gerechtszaken stuiten de nietig verklaarde akten de verjaring en de termijnen van rechtspleging toegekend op straffe van verval. De nieuwe termijn begint te lopen vanaf huidig arrest dat de nietigheid vaststelt, zodat de tweede akte van hoger beroep van appellanten, neergelegd op 31 januari 2005 (met AR 05/285), is neergelegd binnen de termijn van artikel 1051 van het Gerechtelijk Wetboek. Het hoger beroep is dus ontvankelijk.
  9. De feiten De eerste rechter heeft de feiten correct en volledig weergegeven als volgt: " De Heer D. richtte, samen met zijn echtgenote Mevrouw B., op 25 september 1998 de BVBA SOCOBUR op. In deze vennootschap bevonden zich twee handelsfondsen, zijnde enerzijds een handelsfonds met betrekking tot informatica en anderzijds een handelsfonds genaamd "SOCOBUR" welk zich bezighield met import en export. Op een bepaald ogenblik werd beslist om de BVBA SOCOBUR om te vormen tot een naamloze vennootschap. De Heer D. deed hiervoor een beroep op de heer Nagels van het boekhoudkundig kantoor "Raad Group" welke hem een wettelijke fiscale opportuniteit voorstelde bestaande in volgende operaties: - De Heer D. verkocht als enige aandeelhouder van de BVBA SOCOBUR alle aandelen van de BVBA SOCOBUR aan een zekere heer B
  10. en dit voor een totale prijs van 14.800.000 BF. Deze onderhandse overeenkomst wordt ondertekend op 07.10.
  11. - De Heer D. richt op 11 augustus 2000 een naamloze vennootschap op onder de benaming DELINTRA, met een kapitaal van 2.500.000 BF. - Deze NV DELINTRA koopt op haar beurt het handelsfonds genaamd "SOCOBUR" van de BVBA SOCOBUR en dit voor een totale prijs van 9.000.000 BF. Deze onderhandse overeenkomst wordt ondertekend op 07.10.
  12. Middels de tussenkomst van het boekhoudkundig kantoor "Raad Group" wordt op 09.10.2000 aan Notaris Z. gevraagd om beide onderhandse overeenkomsten te verlijden in authentieke akten en dit voor 10.10.2000 om 17.00 uur. Op 10.10.2000 worden de twee authentieke akten verleden in het kantoor van Notaris Z.. Deze twee authentieke akten worden op 13.10.2000 in M. geregistreerd. De BVBA SOCOBUR ondergaat vervolgens verschillende naamswijzigingen, om tenslotte de BVBA SOLIDTRADE te worden. Deze BVBA SOLIDTRADE wordt in maart 2003 in faling verklaard. Mter DEBRUS wordt als curator aangesteld. In januari 2003 wordt de NV DELINTRA in gebreke gesteld door de belastingontvanger om een bedrage van 24.947,81 euro te betalen op basis van artikel 442 bis WIB
  13. In mei 2003 worden de heer D. en Mevrouw B. in gebreke gesteld door de curator van de BVBA SOLIDTRADE voor de volstorting van het kapitaal ten bedrage van 12.394,67 euro. Eisers zijn de mening toegedaan dat Notaris Z. verschillende beroepsfouten heeft begaan en dagvaarden hem en zijn verzekeraar in december
  14. "
  15. Het onderwerp van de vordering Het hof herneemt de uiteenzetting op dit punt uit het arrest van 29 april 2008, met weglating van de elementen uit de procedure met AR 2004/1891, en van de elementen uit de nietig verklaarde of geweerde conclusies van appellanten. 4.
  16. Voor de eerste rechter vorderden appellanten de veroordeling van geïntimeerden, hoofdelijk, tot de betaling aan hen van 249.670,99 EUR, plus de "wettelijke en gerechtelijke" intresten en de kosten. Geïntimeerden concludeerden tot de niet-ontvankelijkheid van de vordering voor wat betreft B., en voor het overige de ongegrondheid. 4.
  17. De eerste rechter verklaarde de vordering niet ontvankelijk in hoofde van B., en ongegrond in hoofde van D. I.T. NV en E. D.. 4.
  18. In hun akte van hoger beroep vragen appellanten de hervorming van het vonnis. Zij vragen om de oorspronkelijke vordering van geïntimeerden niet ontvankelijk minstens ongegrond te verklaren; geïntimeerden hadden voor de eerste rechter nochtans geen vordering ingesteld. Verder hernemen zij hun oorspronkelijke vordering tot veroordeling van geïntimeerden, zij het niet meer hoofdelijk, tot de betaling aan hen van 249.670,99 EUR, plus de "wettelijke en gerechtelijke" intresten en de kosten van het geding. Z. werpt op dat het hoger beroep laattijdig is en dus niet ontvankelijk. Ondergeschikt concludeert hij tot de ongegrondheid van het hoger beroep. Hij vraagt appellanten hoofdelijk of in solidum te veroordelen tot de kosten. VERZEKERINGEN VAN HET NOTARIAAT concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep.
  19. De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen 5.
  20. De ontvankelijkheid van het hoger beroep Z. werpt op dat het hoger beroep niet ontvankelijk is omdat in de akte van hoger beroep het beroepen vonnis wordt gedateerd op 19 april 2004 in plaats van 24 mei 2004, maar dit is evident slechts een materiële vergissing. Het is duidelijk dat het hoger beroep gE.ht is tegen het vonnis gewezen ten aanzien van partijen van 24 mei
  21. 5.
  22. De grieven Als grieven laten appellanten gelden: De eerste rechter oordeelde ten onrechte dat de notaris geen fout heeft begaan bij het opstellen van de authentieke akte met betrekking tot de overdracht van het handelsfonds. De eerste rechter hield geen rekening met het bestaan van een nieuwe versie van artikel 442bis WIB 1992, dat bepaalt dat de notaris de overdracht van het handelsfonds ter kennis moet brengen van de ontvanger. De notaris heeft een oude versie voorgelegd aan de overnemer. Appellanten voeren aan dat zij de notaris hebben geraadpleegd om zekerheid te hebben met betrekking tot de wettelijkheid van de overdrachten en de eerbiediging van de fiscale wetgeving; indien de notaris niet genoeg tijd had, had hij zijn tussenkomst maar moeten weigeren. Appellanten stellen dat het onjuist is dat SOCOBUR fiscale schulden had; indien de ontvanger op de hoogte was gehouden, dan was de schuld niet zo hoog geweest; omdat de schuld alleen voor 2000 zou zijn aangerekend, en de schuld is vooral in 2001 ontstaan. 5.
  23. Beoordeling 5.3.
  24. De vorderingen van B. en van D. De grieven van appellanten hebben alleen betrekking op de gevolgen van artikel 442bis WIB 1992, en niet op de gevolgen van de vraag tot volstorting van de aandelen in de BVBA SOLIDTRADE. Het hof ziet geen ambtshalve aan te voeren middelen voor een hervorming van het eerste vonnis op dit punt. De vordering van B. blijft dus niet ontvankelijk, en de vordering van D. ongegrond. 5.3.
  25. De vordering van D. I.T. Alleen D. I.T. NV (verder aangeduid als DELINTRA) is aangesproken door de belastingontvanger als hoofdelijk aansprakelijke voor de belastingschulden van SOLIDTRADE op basis van artikel 442 bis WIB
  26. Artikel 442 bis WIB 1992 luidt als volgt: "§
  27. Onverminderd de toepassing van de artikelen 433 tot 440, is de overdracht in eigendom of in vruchtgebruik, van een geheel van goederen, samengesteld uit onder meer elementen die het behoud van de clientèle mogelijk maken, die voor de uitoefening van een vrij beroep, ambt of post of een industrieel, handels- of landbouwbedrijf worden aangewend, evenals de vestiging van een vruchtgebruik op dezelfde goederen, niet tegenstelbaar aan de ontvangers van de belastingen dan na verloop van de maand die volgt op die waarin een met het origineel eensluidend afschrift van de akte tot overdracht of vestiging ter kennis is gebracht van de ontvanger van de woonplaats of van de maatschappelijke zetel van de overdrager. §
  28. De overnemer is hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de belastingschulden verschuldigd door de overdrager na verloop van de in § 1 vermelde termijn, tot beloop van het bedrag dat reeds door hem is gestort of verstrekt, of van een bedrag dat overeenstemt met de nominale waarde van de aandelen die in ruil voor de overdracht zijn toegekend vóór de afloop van de voornoemde termijn. §
  29. De §§ 1 en 2 zijn niet van toepassing indien de overdrager bij de akte van overdracht een certificaat voegt dat uitsluitend met dit doel is opgemaakt door de in § 1 bedoelde ontvanger van de belastingen binnen dertig dagen die de kennisgeving van de overeenkomst voorafgaan. De uitreiking van dit certificaat is afhankelijk van een door de overdrager ingediende aanvraag in tweevoud bij de bevoegde ontvanger van de belastingen van de woonplaats of maatschappelijke zetel van de overdrager. Het certificaat wordt geweigerd door de ontvanger indien op de dag van de aanvraag een aanslag ten laste van de overdrager werd gevestigd die een zekere en vaststaande schuld vormt of indien de aanvraag is ingediend na de aankondiging van of tijdens een belastingonderzoek of na het verzenden van een vraag om inlichtingen met betrekking tot zijn belastingstoestand. Het certificaat wordt ofwel uitgereikt ofwel geweigerd binnen een termijn van dertig dagen na de indiening van de vraag van de overdrager. §
  30. Niet onderworpen aan de bepalingen van dit artikel zijn de overdrachten die worden uitgevoerd door een curator, een commissaris inzake opschorting of in geval van fusie, splitsing, inbreng van de algemeenheid van goederen of van een tak van werkzaamheid verricht overeenkomstig de bepalingen van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen. §
  31. De in dit artikel bedoelde aanvraag en het in dit artikel bedoelde certificaat worden opgemaakt overeenkomstig de door de Minister van Financiën vastgestelde modellen." Anders dan voor de eerste rechter voert DELINTRA niet meer aan dat notaris Z. in gebreke is gebleven een certificaat zoals bedoeld in artikel 442bis §3 te vragen bij de bevoegde ontvanger van de belastingen van de woonplaats of maatschappelijke zetel van de overdrager. Ten overvloede herneemt het hof op dit punt de overweging van de eerste rechter dat een fiscaal certificaat niet had kunnen afgeleverd worden gelet op de fiscale schuld van SOCOBUR op dat ogenblik. Anders dan voor de eerste rechter voert DELINTRA niet meer aan dat notaris Z. haar niet heeft gewezen op artikel 442bis WIB
  32. Ten overvloede bevestigt het hof de overweging van de eerste rechter, die vaststelt dat de overdrager van het handelsfonds bij het verlijden van de akten een door Z. voorgelegde tekst over artikel 442bis heeft ondertekend, en die daaruit afleidt dat bij het verlijden van de akten is gesproken over deze bepaling. DELINTRA beklemtoont wel dat de notaris geen kennis had van de wijziging van artikel 442bis, ten gevolge waarvan de notaris de overdracht van het handelsfonds ter kennis moet brengen van de ontvanger, en zij stelt dat de notaris de overdracht wel heeft laten registreren bij de ontvanger te M., maar dat hij de overdracht had moeten laten registreren bij de ontvanger te Brussel, die territoriaal bevoegd was voor de BVBA SOCOBUR. Het klopt dat de tekst die Z. bij het verlijden van de akte met betrekking tot artikel 422bis heeft voorgelegd (stuk 8 van Z.), betrekking had op de tekst van de wet geldend vóór de wijziging door de wet van 22 december
  33. De tekst van toepassing tot 1 april 1999 bepaalde: "De overdracht van een algemeenheid van goederen of van een tak van werkzaamheid is slechts tegenstelbaar aan de Staat, Administratie der directe belastingen, na afloop van de tweede maand die volgt op die waarin de akte tot overdracht of aanwijzing, waarvan deze overdracht geheel of gedeeltelijk het voorwerp uitmaakt, onderworpen werd aan de formaliteit van de registratie die vereist is door artikel 19, eerste lid, 1° of 7°, of door artikel 31, eerste lid, 1° ter, van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten onverminderd de toepassing van de artikelen 433 tot 440 van het Wetboek. De overnemer is hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de fiscale schulden verschuldigd door de overdrager bij de afloop van de in de eerste alinea bedoelde termijn, ten belope van het bedrag dat reeds door hem gestort of door de kredietinstelling of het kredietorganisme die in de financiering van de verrichting tussenkomen, overgemaakt is, of ten belope van het bedrag dat overeenstemt met de nominale waarde van de aandelen die in ruil voor de overdracht zijn toegekend voor de afloop van de voornoemde termijn. (...)" In het oude systeem van de wet (tot april 1999) werd dus voldaan aan de kennisgeving door middel van de verplichting tot registratie. In casu heeft Z. laten registreren, maar heeft hij niet een afschrift overgemaakt aan de ontvanger van de woonplaats of van de maatschappelijke zetel van de overdrager, zoals bepaald in artikel 422bis zoals gewijzigd en van toepassing vanaf 1 april
  34. DELINTRA schrijft zoals vermeld dat Z. niet alleen had moeten laten registreren bij de ontvanger te M., maar ook bij de ontvanger te Brussel, die territoriaal bevoegd was voor de BVBA SOCOBUR. De registratie van de authentieke akte (in toepassing van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten) staat (in artikel 422bis versie april 1999) nochtans niet gelijk met de kennisgeving van de akte (authentiek of onderhands) door middel van een eensluidend afschrift. De registratie impliceert uiteraard kennisgeving, maar het blijkt niet dat de kennisgeving sinds april 1999 moet gebeuren door middel van een (tweede) registratie. Een verplichting van de notaris tot kennisgeving aan de ontvanger van een overdracht van handelsfonds staat niet uitdrukkelijk in artikel 442 bis WIB
  35. Die bepaling maakt echter deel uit van titel VII, hoofdstuk 9, afdeling 4 van het WIB 1992, getiteld "aansprakelijkheid en plichten van sommige ministeriële officieren, openbare ambtenaren en andere personen". Verder blijkt uit het gebruik door Z. van de oude tekst van artikel 442bis dat hij de partijen op 10 oktober 2000 heeft ingelicht over de toepassing van de oude wet, en hen niet heeft gewezen op de nieuwe tekst die van toepassing was sinds 1 april 1999, noch op de draagwijdte ervan. Dit is een tekortkoming aan zijn verplichting om de partijen die op zijn ambt een beroep doen, raad te geven. Uit de feiten is ook duidelijk dat Z. de oude versie heeft toegepast; hij heeft laten registreren te M., wat volstond onder het oud artikel 442bis, de tekst die hij klaarblijkelijk beschouwde als zijnde van toepassing. Daaruit mag afgeleid worden dat ook Z. de toepassing van artikel 442bis beschouwde als zijn taak. Het niet ter kennis brengen aan partijen van de actuele wettekst en het toepassen van de tekst die sinds anderhalf jaar niet meer van toepassing was, maakt een onzorgvuldigheid uit die niet verzoenbaar is met het gedrag van een normaal zorgvuldige notaris in dezelfde omstandigheden. Ten onrechte beroept Z. zich op de haast waarmee hij heeft moeten werken, of op de bijstand van een boekhouder aan partijen, of op de kennis van het recht in hoofde van de heer D.. Dat alles ontslaat hem immers niet van zijn verplichting om partijen in te lichten over de actueel geldende wetgeving. Z. laat gelden dat zijn opdracht beperkt was tot "authentificatie" van de reeds gesloten overeenkomst, en dat hij de tekst slechts letterlijk heeft overgenomen, maar een notaris wordt in dat geval niet een tekstverwerker zonder adviesplicht. Dit geldt des te meer gelet op het belang van de bepaling in kwestie, die voor de overnemer zeer ernstige gevolgen kan hebben. Uit het bovenstaande volgt dat zonder de fout van Z. wel een regelmatige kennisgeving zou zijn gebeurd overeenkomstig artikel 422bis WIB. Over de gevolgen hiervan is minder duidelijkheid. Zonder kennisgeving aan de ontvanger te Brussel, territoriaal bevoegd voor de BVBA SOCOBUR, overdrager, was de overdracht in beginsel niet tegenwerpbaar aan de ontvangers van de belastingen. De ontvangers konden dan voor de belastingschulden van de overdrager blijven uitvoeren op de overgedragen handelszaak, alsof die niet was overgedragen (met toepassing van artikel 422bis §1 WIB). Indien ter kennis was gebracht aan de ontvanger te Brussel, was de overdracht wel tegenwerpbaar, maar was de overnemer na verloop van een maand na die kennisgeving hoofdelijk aansprakelijk voor de schulden van de overdrager die dan bestonden, en tot beloop van de voor de overdracht betaalde prijs (met toepassing van artikel 422bis §2 WIB). In de praktijk maakt het voor de overnemer weinig verschil of hij te maken krijgt met uitvoerend beslag op zijn goederen voor de belastingschuld van de overdrager, dan wel met een schuldvordering van de ontvanger op hem voor de belastingschuld van de overdrager. Wel is de toepassing van de hoofdelijkheid van artikel 422bis §2 WIB beperkt tot de prijs, en tot de fiscale schulden die bestaan op het ogenblik waarop de niet-tegenwerpbaarheid van de overdracht aan de ontvanger stopt. In casu staat vast dat er geen kennisgeving is gebeurd aan de ontvanger te Brussel, zodat de overdracht in beginsel niet tegenwerpbaar was. Z. vermeldt dat de fiscus op de hoogte werd gebracht op 26 maart 2003 (samenvattende beroepsconclusie p. 14). De kennisgeving leidt in beginsel tot toepassing van artikel 422bis §2 WIB, maar dat maakt in casu weinig uit, omdat SOLIDTRADE in maart 2003 failliet werd verklaard (de precieze datum wordt niet vermeld). Het hof stelt echter vast dat de ontvanger DELINTRA heeft aangesproken als hoofdelijk aansprakelijke voor de schuld van de overdrager, tot beloop van de prijs van overdracht. Dat blijkt minstens uit de brief van de ontvanger Brussel 3 aan DELINTRA van 13 januari 2003 (stuk 12 van DELINTRA). De ontvanger schrijft daar uitdrukkelijk dat er geen kennisgeving is geweest, maar houdt DELINTRA even uitdrukkelijk hoofdelijk aansprakelijk, alsof er dus wel kennisgeving is geweest. De vermelde brief heeft overigens betrekking op het bevel dat op 3 januari 2003 is betekend aan DELINTRA tot betaling van 24.947,81 EUR, uit hoofde van vennootschapsbelasting en voorafbetalingen over aanslagjaren 1999 en 2000 (stukken 9 en 12 DELINTRA). Het is dus niet onmogelijk dat DELINTRA voor die belasting, bestaand bij de overdracht, had moeten instaan in geval van correcte kennisgeving. Appellanten laten in hun akte van hoger beroep inderdaad gelden dat ingeval van kennisgeving aan de ontvanger de schuld beperkt zou zijn gebleven tot die van
  36. Het hof kan uit de voorgelegde stukken niet uitmaken voor welk bedrag DELINTRA uiteindelijk is aangesproken door de ontvangers, en voor welk bedrag DELINTRA Z. en VERZEKERINGEN VAN HET NOTARIAAT aanspreekt. In een brief van 27 juni 2003 stelt de ontvanger Brussel 3 aan de raadsman van DELINTRA dat DELINTRA hoofdelijk gehouden is tot in hoofdsom 183.919,13 EUR, dat er al 10.000 EUR betaald is, en dat het aan de ontvanger te Ukkel toekomt om de hoofdelijkheid al of niet te realiseren (stuk 42 DELINTRA). Uit een brief van 9 januari 2004 van de ontvanger Brussel 3 aan 2de BTW-controle Vorst begrijpt het hof dat DELINTRA op dat ogenblik hoofdelijk gehouden is tot in hoofdsom 161.155,30 EUR (stuk 51 DELINTRA). Uit een brief van de ontvanger Brussel 3 aan de raadsman van DELINTRA van 28 januari 2004 ten slotte (stuk 56 DELINTRA) blijkt dat DELINTRA dan 5.000 EUR/maand afbetaalt, en dat ook de BTW-teruggaves worden ingehouden bij wijze van uitvoering. De inventaris van stukken van DELINTRA vermeldt een stuk waarin mogelijk nog recentere gegevens worden vermeld (een brief van 10 januari 2005 van de ontvanger Brussel 3 aan de raadsman van DELINTRA, stuk 75), maar het stuk in het dossier onder nr. 75 is identiek aan stuk 12 (de reeds vermelde brief van de ontvanger Brussel 3 aan DELINTRA van 13 januari 2003). Ook de geïntimeerden vermelden verschillende bedragen. VERZEKERINGEN VAN HET NOTARIAAT heeft het in conclusie over een vordering van de fiscus van 183.924,13 EUR (syntheseconclusie p.4); dat is ook het bedrag vermeld in een brief van de advocaat van DELINTRA aan die van Z. van 4 juni 2003 (stuk 40 van DELINTRA). Z. van zijn kant vermeldt een belastingschuld van SOLIDTRADE voor 199.776,32 EUR (samenvattende beroepsconclusie p. 4). Samengevat is het geheel onduidelijk welke toepassing is gemaakt van artikel 422bis §1 dan wel §2, en wat DELINTRA heeft betaald. Het past de heropening van de debatten te bevelen om partijen toe te laten standpunt in te nemen over de schade geleden door DELINTRA en het verband tussen fout en schade, in het licht van bovenstaande beslissingen en overwegingen. De heropening is beperkt tot die punten. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart volgende procedurestukken nietig: - de akte van hoger beroep in de zaak met AR 2004/1891, en - de conclusie van appellanten in AR 04/1891, neergelegd op 31 januari 2005, en - de vervangende conclusie (in AR 04/1891 en AR/05/285) van appellanten neergelegd op 13 juni 2005; Weert uit de debatten: - de conclusies van appellanten neergelegd op 30 mei 2008 en 3 juni 2008 in AR 04/1891 en AR/05/285; Verklaart het hoger beroep in de zaak met AR 2004/1891 niet ontvankelijk. Verklaart het hoger beroep in de zaak met AR/05/285 ontvankelijk, en ongegrond met betrekking tot de vorderingen van E. D. en V. B.; Beveelt de heropening van de debatten, om boven vermelde redenen, en stelt de zaak vast voor verdere behandeling op 15 september 2009 om 9.00 uur (90 minuten). En zegt dat partijen daarover conclusie zullen nemen en neerleggen ten laatste op: - voor DELINTRA : 23 maart 2009 - voor Z. : 27 april 2009 - voor VERZEKERINGEN VAN HET NOTARIAAT : 25 mei
  37. Houdt de beslissing over de kosten aan. Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op waar aanwezig waren en zitting hielden : Astrid DE PREESTER, Raadsheer d.d. Voorzitter, Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer, Marc DEBAERE, Raadsheer, Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS M. DEBAERE E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.