← België

ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090127.10

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 27 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090127.10 Rolnummer: 2007kr348 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2013-10-03 Raadplegingen: 107 - laatst gezien 2026-07-02 19:03 Fiche Het belang in de zin van artikel 17 Ger. W. is elk materieel of moreel voordeel dat wie een eis instelt of verweer voert, op het ogenblik van de rechtsingang mag verwachten en waardoor zijn huidige rechtstoestand gewijzigd en verbeterd kan worden. Het belang moet reeds verkregen en dadelijk zijn, persoonlijk en rechtstreeks, rechtmatig en beschermenswaardig. Een eiser die enkel het behoud van een toestand in strijd met de openbare orde nastreeft, heeft geen rechtmatig belang; zijn vordering is ontoelaatbaar. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Rechtsvordering - Belang Vrije woorden: I. Rechtmatig belang (art. 17 Ger. W.). II. Art. 154 Doro: omvorming van een paardenstal naar een wooncomplex. Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2009/ A.R. nr. 2007/KR/348 INZAKE VAN : De heer A. V., appellant tegen een beschikking uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 13 juni 2007 vertegenwoordigd door Meester Pieter JONGBLOET en Meester Leen VAN BRABANT, advocaten te 1000 BRUSSEL, Jan Jacobsplein 5, 1ste kamer TEGEN : Het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, in de persoon van de Minister President van de Vlaamse Regering, wiens kantoren gevestigd zijn te 1000 BRUSSEL, Koolstraat 35, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Philippe DECLERCQ, advocaat te 3000 LEUVEN, J.P. Minckelersstraat 33, ARTIKEL 17 GER. W. - VERBOUWING VAN EEN PAARDENSTAL NAAR EEN WOONCOMPLEX Het belang in de zin van artikel 17 Ger. W. is elk materieel of moreel voordeel dat wie een eis instelt of verweer voert, op het ogenblik van de rechtsingang mag verwachten en waardoor zijn huidige rechtstoestand gewijzigd en verbeterd kan worden. Het belang moet reeds verkregen en dadelijk zijn, persoonlijk en rechtstreeks, rechtmatig en beschermenswaardig. Een eiser die enkel het behoud van een toestand in strijd met de openbare orde nastreeft, heeft geen rechtmatig belang; zijn vordering is ontoelaatbaar. ____________________________________________________________ Gelet op de stukken van de rechtspleging, inz.: - het bevelschrift van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, na tegenspraak uitgesproken op 13 juni 2007, waarvan geen betekening wordt voorgelegd; - het verzoekschrift tot hoger beroep, op 16 oktober 2007 ter griffie van het hof neergelegd; - de conclusie, aanvullende conclusie en (synthese)conclusie van appellant; - de conclusie, aanvullende conclusie, tweede aanvullende conclusie en syntheseconclusie van geïntimeerde. Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzittingen van 16 december 2008 en gelet op de stukken die zij neerlegden. I. Procedure in eerste aanleg 1. Bij exploot van 7 maart 2007 heeft A. V. een vordering ingesteld bij de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel tegen het Vlaamse Gewest, zetelend in kort geding conform art. 154, laatste lid, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (DRO). De vordering strekte ertoe de opheffing te horen bevelen van de opgelegde maatregel, en met name het bevel tot onmiddellijke staking (van 14 februari 2007), en "de aanplakking te vernietigen". 2. Het Vlaamse Gewest, dat het rechtmatig belang van de eiser betwistte, besloot tot de ongegrondheid van de vordering. 3. Het bestreden vonnis verklaarde de vordering ontvankelijk doch ongegrond; A. V. werd in alle gerechtskosten veroordeeld. II. Procedure voor het hof 4. Voor het hof vraagt appellant het bestreden vonnis te hervormen en, opnieuw rechtsprekende, zijn oorspronkelijke vordering in te willigen, met veroordeling van geïntimeerde in de gerechtskosten van beide aanleggen. Bij zijn conclusie en aanvullende conclusie heeft appellant zijn vordering uitgebreid als volgt: Appellant vraagt bovendien te verklaren dat op grond van art. 159 van de Grondwet, het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse dat zijn eigendom in natuurgebied opneemt, buiten toepassing valt en zonder enig effect is voor wat zijn eigendom betreft, gelegen te Dilbeek, 1ste afdeling, sectie E, nummer 9 D. Hij vraagt hem akte te verlenen voor het inleiden van een vordering tot schadevergoeding lastens het Vlaamse Gewest wegens onbehoorlijke inmenging in zijn eigendomsrecht en tot terugbetaling van alle geldboetes en aanhorigheden. Hij vordert in ondergeschikte orde dat aan het Vlaamse Gewest conform art. 877 van het Gerechtelijk Wetboek zou bevolen worden bepaalde stukken neer te leggen, met name

(1)het verslag van de juridische dienst van het Vlaamse Gewest van 10 mei 1993 waarvan sprake in het arrest nr. 161.911 van de Raad van State
(2)het p.v. van 23 mei 1989 "lastens verweerder"
(3)de notulen van de herstelvordering bij het parket van 22/12/1989 en
(4)de notulen van de vergaderingen van het Ministerieel Comité voor Vlaamse Aangelegenheden evenals de bezwaren van de particulieren en de opmerkingen en adviezen van de gemeenteraden en de bestendige deputatie voorafgaande aan het K.B. van 7 maart 1977 houdende de vaststelling van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse. Appellant vordert tenslotte de veroordeling van geïntimeerde tot betaling van zijn verdedigingskosten begroot op 5.000 euro . Er wordt rekening gehouden met artikel 748bis van het Gerechtelijk Wetboek. De laatste conclusie van appellant vormt een syntheseconclusie die alle vorige conclusies en de beroepsakte vervangt (zie ook p.v. van terechtzitting van 9 juni 2008).
  1. Geïntimeerde besluit tot de ongegrondheid van het hoger beroep, "zo ontvankelijk", met veroordeling van appellant in de gerechtskosten. Bij zijn aanvullende conclusie (en laatste syntheseconclusie) houdt het Vlaamse Gewest voor dat appellant geen rechtmatig belang bij zijn vordering heeft omdat de vordering ertoe strekt "een illegale toestand te laten voortduren". III. Relevante feitelijke gegevens
  2. Appellant is eigenaar van een "woon- en sportcomplex" te Dilbeek, Hongerveldstraat, gekadastreerd 1ste afdeling, sectie E, nummer 9 D, vroeger 9 B, dat uit een twintigtal verhuurde gemeubelde kamers bestaat. Al op 23 mei 1989 werd door de diensten van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap een p.v. van vaststelling van bouwovertreding opgesteld wegens "het omvormen van paardenstallen tot studentenverblijf zonder vergunning" en "het oprichten van een fietsenstalplaats zonder vergunning" op het goed dat bij het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse onder natuurgebied wordt gerangschikt. Appellant betwist niet deze "functiewijziging" (en ermee gepaard gaande verbouwing) van paardenstal naar wooncomplex te hebben doorgevoerd en beëindigd in het jaar
  3. Appellant diende een aanvraag tot regularisatie in strekkende tot "het verbouwen van een paardenstal tot wooncomplex". Het schepencollege van de gemeente Dilbeek, steunende op het advies van de gemachtigde ambtenaar, wees op 19 november 1993 de aanvraag af. Het advies d.d. 26 oktober 1993 luidde: "De aanvraag voorziet de regularisatie van de verbouwing van een paardenstal tot wooncomplex. Een bestemmingswijziging met dergelijke impact op de omgevende open ruimte is strijdig met de voorschriften van bovenvermeld artikel en schaadt de goede ruimtelijke uitbouw aldaar; ONGUNSTIG". Het beroep van 15 december 1993 van appellant werd door de bestendige deputatie van de Provincie Vlaams-Brabant afgewezen (beslissing 8 juni 1995). Op 15 februari 2007 werd een p.v. van vaststelling en staking van het gebruik nr. BR.66.RW.200021/2007 door een ambtenaar van het Agentschap Inspectie RWO opgesteld. Het proces-verbaal, dat verwijst naar het vroegere p.v. van 23 mei 1989, stelt vast dat "het wooncomplex gebruikt (wordt) en in stand gehouden en derhalve in overtreding (is) met de bepalingen van art. 99, § 1, van het DRO van 18 mei 1999". Een schriftelijk stakingsbevel werd ter plaatse aangebracht. De gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur bekrachtigde op 22 februari 2007 het stakingsbevel. De beslissing vermeldt, kennelijk ingevolge een materiële fout, het stakingsbevel van "14 februari 2007". Het p.v. vermeldt: "Het perceel is gelegen in natuurgebied (Gewestplan Halle - Vilvoorde - Asse - K.B. van 7 maart 1977, B.S. 15 april 1977). Op dit perceel bevindt zich een gebouw, oorspronkelijk vergund als paardenstal (vergunning van de gemeente Dilbeek, d.d. 1 maart 1974), maar omgevormd tot wooncomplex met 23 kamers. Het wooncomplex wordt verhuurd aan de hierboven beschreven huurders. Van deze inbreuk werd reeds proces-verbaal opgemaakt op 23 mei
  4. Het wooncomplex wordt gebruikt en in stand gehouden en is derhalve in overtreding met de bepalingen van artikel 99, § 1 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening. (...)" Appellant stelde huidige vordering voor de eerste rechter in (exploot van 7 maart 2007). Appellant, woonachtig in Frankrijk (te ...), stelde dat het stakingsbevel "van 14 februari 2007" noch tijdig noch regelmatig bekrachtigd werd door de stedenbouwkundig inspecteur en bijgevolg nietig is. Hij beriep zich bovendien op het feit dat de paardenstallen tot wooncomplex "eind jaren ‘80" werden omgevormd en dat hij hiervoor een verkavelingsvergunning bij de bestendige deputatie op 19 februari 1987 heeft bekomen. De kavels hebben bijgevolg het statuut van bouwgrond gekregen. Appellant houdt ook voor het slachtoffer te zijn van pesterijen vanwege de gemeente Dilbeek en "de zeer actieve investeringsmaatschappij Haviland". Een nieuw stakingsbevel werd bij p.v. 001611/07 van 4 april 2007 gegeven en op 17 april 2007 bekrachtigd. Een administratieve geldboete van 5.000 euro werd op 23 april 2007 opgelegd. Een nieuw stakingsbevel werd bij p.v. BR.66.RW.200068/2007 van 8 juni 2007 gegeven en op 14 juni 2007 bekrachtigd en een nieuwe administratieve geldboete van 5.000 euro op 25 juni 2007 opgelegd. Appellant diende op 22 juni 2007 een bezwaarschrift tegen het stakingsbevel en de opgelegde geldboete in. Een aanvullend verzet werd op 9 juli 2007 aangetekend. De stedenbouwkundig inspecteur verklaarde het verzet onontvankelijk (besluit van 24 juli 2007) Er volgde nog een stakingsbevel bij PV nr. BR.LC.004141/2007 d.d. 3 september 2007, bekrachtigd op 27 september 2007 en een administratieve geldboete van 5.000 euro op 10 oktober
  5. Uit het debat ter zitting is gebleken dat appellant in december 2008 een vordering ten gronde zou hebben ingesteld. Stukken hierover werden niet neergelegd. IV. Bespreking 1°. Ontvankelijkheid van de vordering - rechtmatig belang
  6. Geïntimeerde betwist dat appellant bij het inleiden van zijn vordering een rechtmatig belang heeft. Appellant zou immers de bedoeling hebben om via de tussenkomst van de rechter in kort geding een onwettige toestand te bestendigen en te verhinderen dat het Vlaamse Gewest artikel 154 van het decreet van 18 mei 1999 zou toepassen. Het belang in de zin van artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek is elk materieel of moreel voordeel dat wie een eis instelt of verweer voert, op het ogenblik van de rechtsingang mag verwachten en waardoor zijn huidige rechtstoestand gewijzigd en verbeterd kan worden. Het belang moet reeds verkregen en dadelijk zijn, persoonlijk en rechtstreeks, rechtmatig en beschermenswaardig . Een eiser die enkel het behoud van een toestand in strijd met de openbare orde nastreeft, heeft geen rechtmatig belang; zijn vordering is ontoelaatbaar. De procespartij die beweert houder te zijn van een subjectief recht, heeft hoedanigheid en belang om de vordering in te stellen, ook al wordt dit recht betwist. Het onderzoek naar het bestaan of de draagwijdte van het subjectief recht dat door de eiser wordt ingeroepen, betreft niet de ontvankelijkheid maar de gegrondheid van de vordering . Te dezen stelde de heer V. in zijn dagvaarding dat het bouwcomplex op zijn eigendom principieel vergund was en dat het stakingsbevel strijdig was met de bepalingen, van het decreet houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en diende opgeheven te worden. Hij haalde dan ook een subjectief recht aan dat de rechter dient te onderzoeken. Appellant gaf blijk van een rechtmatig belang om de vordering in te stellen. De eerste rechter heeft bijgevolg terecht de vordering ontvankelijk verklaard.
  7. De huidige vordering werd voor de rechter in kort geding ingeleid op grond van artikel 154, laatste lid, van het decreet van 18 mei 1999 (DRO). De bevoegdheid van de rechter in kort geding is beperkt tot de opheffing van het bevel van staking. Dit impliceert dat de uitbreiding van de vordering van appellant om op grond van artikel 159 van de Grondwet te verklaren dat het gewestplan buiten toepassing valt en zonder effect is wat hem betreft, niet tot de bevoegdheid van het hof maar wel van de bodemrechter behoort. Dit punt dient alleen maar onderzocht te worden in het kader van een verweer tegen de stelling van geïntimeerde partij in zoverre zij zich op de planologische bestemming van het goed beroept. 2° Ten gronde - over de wettigheid van het stakingsbevel
  8. Volgens appellant schendt het stakingsbevel het karakter van de preventieve maatregel zoals bedoeld in artikel 154, eerste lid, van het decreet van 18 mei 1999, nu het bouwcomplex sinds 19 jaar bestaat en bewoond wordt. De preventieve en voorlopige maatregel zou misbruikt worden Te dezen werd - vooralsnog - geen herstelmaatregel opgelegd zodat het stakingsbevel wel een preventief karakter behoudt. Het behoort het hof in het kader van huidig geschil niet uit te maken of al dan niet de overheid thans nog een herstelmaatregel kan instellen
  9. Verder is de betwisting van appellant over het tegenwerpelijke karakter van de bestemming natuurgebied eigenlijk niet de grond van de zaak. Het stakingsbevel van 15 februari 2007 werd te dezen genomen omdat appellant werken zonder vergunning heeft uitgevoerd en in stand hield; het bevel werd gegeven wegens een vastgestelde inbreuk; zoals de eerste rechter terecht oordeelt, betreft het bevel als dusdanig niet rechtstreeks het feit dat het wooncomplex zich in een natuurgebied zou bevinden. Gelet op de bepalingen van het uitvoeringsbesluit van 23 februari 1994 houdende bepaling van de normatieve en niet normatieve delen van het definitief vastgestelde gewestplan (B.S. 24 maart 1994), is de kritiek van appellant over de publiciteit en de bekendmaking van het gewestplan ook eigenlijk achterhaald: de bestemming natuurgebied is thans wel degelijk tegenwerpelijk. De door appellant doorgevoerde omvorming van paardenstallen naar wooncomplex, inhoudende niet alleen de functiewijziging maar ook de kennelijk aanzienlijke verbouwingswerken, maakte bijgevolg een inbreuk zoals bedoeld in artikel 146 van het DRO uit. Dit verklaart overigens waarom appellant een regularisatieaanvraag indiende die echter verworpen werd.
  10. De door appellant aangehaalde verkavelingsvergunning van 19 februari 1987 kan onmogelijk impliceren dat de door hem doorgevoerde functiewijziging en uitgevoerde verbouwingswerken niet vergunningsplichtig waren. De vermelde verkavelingsvergunning werd bovendien op verzoek van appellant zelf bij besluit van 19 december 1988 gewijzigd "houdende het afsplitsen van het achterin gelegen gedeelte van de bestaande kavel tot lot 2, mits dit gedeelte als natuurgebied uit te sluiten uit de verkaveling" . Dit sluit duidelijk een omvorming in wooncomplex op het lot 2 uit.
  11. Uit de hierboven uiteengezette elementen volgt dat het bevel tot staking dat aan appellant werd gegeven en dat betrekking heeft op een uitgebreid wooncomplex, niet onwettig is en niet berust op enige machtsoverschrijding of machtsafwending. Het behoort het hof niet om de opportuniteit van deze maatregel te onderzoeken . Het stakingsbevel maakt overigens geen kennelijk onredelijke maatregel uit rekening gehouden met het feit dat appellant al jaren op de hoogte is van de gepleegde inbreuk en desondanks in gebreke blijft de wederrechtelijke toestand te regulariseren. De omstandigheid dat de overheid alerter had kunnen reageren na de afwijzing van de regularisatieaanvraag maakt de inbreuk in hoofde van appellant niet ongedaan. Voor het overige verwijst het hof naar de oordeelkundige overwegingen van de eerste rechter met betrekking tot de rechtsgeldigheid van het stakingsbevel zowel naar vorm als in het licht van de toepasselijke beginselen van behoorlijk bestuur.
  12. Het hof beschikte over alle dienstige stukken om ter zake te beslissen. Het hoger beroep is ongegrond. 3°. Nopens de gerechtskosten
  13. Partijen hebben ter zitting verklaard hun rechtsplegingsvergoeding te begroten op het basistarief voor niet in geld waardeerbare zaken (1.200 euro ) zoals vastgesteld bij het K.B. van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in art. 1022 Ger. W. en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de art. 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat. OM DEZE REDENEN, HET HOF, Rechtsprekende na tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Veroordeelt appellant tot betaling van de gerechtskosten van het hoger beroep, begroot - in hoofde van hemzelf op euro 1.339 (139 rolrecht + 1.200 rechtsplegingsvergoeding), en - in hoofde van geïntimeerde op euro 1.200 rechtsplegingsvergoeding . Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op waar aanwezig waren en zitting hielden : Astrid DE PREESTER, Raadsheer d.d. Voorzitter, Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer, Marc DEBAERE, Raadsheer, Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS M. DEBAERE E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.