id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 10 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090210.2 Rolnummer: 2005AR280 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2009-02-11 Raadplegingen: 111 - laatst gezien 2026-07-02 19:09 Fiche UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BESLAG EN EXECUTIE - Bewarend beslag - Bewarend beslag onder derden GERECHTELIJK RECHT - BESLAG EN EXECUTIE - Omzetting naar uitvoerend beslag Vrije woorden: Art. 1543 Ger. W. Bewarend beslag onder derden. Omzetting naar uitvoerend beslag onder derden. Toepassing van artikel 1543 Ger. W. Welke is bij deze omzetting de juiste volgorde van de diverse te verrichtingen formaliteiten door de schuldeiser? Bij deze omzetting is geen beslag meer nodig: de omzetting geschiedt door middel van het bevel van betaling. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 1543 Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2009/ A.R. nr. 2005/AR/280 Onrechtmatige daad - derdenbeslag - omzetting bewaren in uitvoerend beslag - afgifteplicht derde beslagene INZAKE VAN : De naamloze vennootschap INTERVEST OFFICES, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 2600 ANTWERPEN (BERCHEM), Uitbreidingsstraat 18, ingeschreven in het handelsregister van Antwerpen onder het nummer 346.132, ingeschreven in de kruispuntbank der ondernemingen onder het nummer 0458.623.918, als rechtsopvolger van de naamloze vennootschap INTERVEST MANAGEMENT in vereffening, met maatschappelijke zetel gevestigd te 2600 ANTWERPEN (BERCHEM), Uitbreidingsstraat 18, ingeschreven in het handelsregister van Antwerpen onder het nummer 336.258, ingeschreven in de kruispuntbank der ondernemingen onder het nummer 0458.057.176 appellante tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van koophandel te Brussel op 8 november 2004, vertegenwoordigd door Meester Kim PIRA loco Meester Dirk CAESTECKER, advocaat te 2600 BRUSSEL, Uitbreidingsstraat 2, en loco Meester Joris DE VOS, advocaat te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 106, 1ste kamer TEGEN : De naamloze vennootschap KBC BANK, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 1080 BRUSSEL, Havenlaan 2, ingeschreven in de kruispuntbank der ondernemingen onder het nummer 0462.920.226, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Michel VAN DIEVOET, advocaat te 1000 BRUSSEL, Boomstraat 14 bus 3,
- De procedure In dit arrest oordeelt het hof over het hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank van koophandel te Brussel van 8 november
- De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder art. 24, zijn nageleefd. Het arrest wordt gewezen na tegenspraak. Partijen verklaren dat het vonnis niet werd betekend. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld.
- De feiten De eerste rechter heeft de relevante feiten weergegeven als volgt: "
- De vordering van eiseressen strekt ertoe om vergoeding te bekomen van schade die beweerdelijk het gevolg zou zijn van door verweerster begane fouten in het kader van een beslag onder derden.
- Bij beschikking d.d. 7 oktober 2002 werden eiseressen door de Beslagrechter bij de Rechtbank van eerste Aanleg te Leuven gemachtigd om lastens de NV LANT bewarend beslag onder derden te leggen in handen van verweerster tot beloop van een bedrag van euro 79.965,29 in hoofdsom, meer de moratoire rente aan 0,83 % per begonnen maand vertraging vanaf 1 september 2002 tot de dag der effectieve en algehele betaling en een provisie van euro 7.900,00 voor de interesten en de kosten (stuk 1 van de bundel van eiseressen).
- In haar verklaring van derde-beslagene d.d. 17 oktober 2002 deelde verweerster mee dat de NV LANT bij haar houder was van een rekening met een saldo van euro 42.883,93 (stuk 2 van de bundel van eiseressen).
- Bij akte van 21 oktober 2002 werd nogmaals bewarend beslag in handen van verweerster gelegd (stuk 3 van de bundel van eiseressen).
- In haar tweede verklaring van derde-beslagene d.d. 24 oktober 2002 deelde verweerster mee dat de rekeningstand van de NV LANT inmiddels euro 74.347,37 bedroeg (stuk 4 van de bundel van eiseressen).
- Op 19 november 2002 bekwamen eiseressen een vonnis van de Vrederechter van het tweede kanton te Leuven, waarbij de NV LANT veroordeeld werd om hen de provisie van euro 100.000,00 te betalen. Dit vonnis werd uitvoerbaar verklaard bij voorraad, spijts alle verhaal en zonder borgstelling (stuk 5 van de bundel van eiseressen).
- Bij deurwaardersexploot genaamd "Betekening - bevel van een vonnis en omzetting van bewarend beslag onder derden in uitvoerend beslag onder derden" d.d. 3 december 2002 dat zowel aan de NV LANT als aan verweerster werd betekend, zijn eiseressen overgegaan tot omzetting van het bewarend beslag onder derden in handen van verweerster naar een uitvoerend beslag onder derden (stuk 7 van de bundel van eiseressen).
- De beslagen gelden werden door verweerster op 13 januari 2003 aan de instrumenterende gerechtsdeurwaarder overgemaakt, nadat zij daartoe in gebreke werd gesteld door de raadsman van eiseressen door middel van een schrijven van dezelfde datum (stuk 8 van de bundel van eiseressen).
- Bij vonnis van de Rechtbank van Koophandel te Leuven d.d. 24 januari 2003 werd de NV LANT failliet verklaard en werd mr. S. NYSTEN als curator aangesteld. Bij schrijven van 27 januari 2003 verzocht de curator van de NV LANT de instrumenterende gerechtsdeurwaarder tot het vrijgeven van het bedrag van euro 74.347,37 aan de failliete boedel (stuk 12 van de bundel van eiseressen). "
- Het onderwerp van de vordering 3.
- Voor de eerste rechter vorderden INTERVEST OFFICES en INTERVEST MANAGEMENT de veroordeling van KBC BANK tot de betaling aan haar van 74.347,37 EUR, plus "de wettelijke intrest ad 7 %" vanaf 20 december
- KBC BANK concludeerde tot de ongegrondheid van de vordering. 3.
- De eerste rechter verklaarde de vordering ongegrond, en veroordeelde INTERVEST OFFICES en INTERVEST MANAGEMENT tot betaling van de kosten. 3.
- INTERVEST OFFICES en INTERVEST MANAGEMENT hebben hoger beroep aangetekend. Op 30 juni 2005 heeft INTERVEST MANAGEMENT, ondertussen in vereffening gesteld, de vordering die voorwerp is van dit geding overgedragen aan INTERVEST OFFICES. De vereffening van INTERVEST MANAGEMENT werd afgesloten op 9 augustus
- KBC BANK betwist de overdracht op zich niet. In hoger beroep herneemt INTERVEST OFFICES haar oorspronkelijke vordering. KBC BANK concludeert tot de tot de ongegrondheid van het hoger beroep.
- De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen INTERVEST OFFICES stelt dat KBC BANK met toepassing van artikel 1543 van het Gerechtelijk Wetboek reeds op 20 december 2002 de beslagen gelden had moeten afgeven, in plaats van pas op 13 januari 2003, en dat dit een fout uitmaakt in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, ten gevolge waarvan INTERVEST OFFICES niet de betaling heeft ontvangen van het voorwerp van het beslag, de 74.347,37 EUR. KBC BANK laat gelden dat zij de betaling heeft opgeschort omdat ze niet in kennis was gesteld van de aanzegging van het beslag aan de schuldenaar. Artikel 1543 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt: "Ten vroegste twee dagen na het verstrijken van die termijn van vijftien dagen te rekenen van de aanzegging van het beslag aan de persoon of aan de werkelijke of gekozen woonplaats van de beslagen schuldenaar, is de derde beslagene wiens schuld vaststaande en eisbaar is, ertoe gehouden, overeenkomstig zijn verklaring, op overlegging van het exploot van aanzegging, afgifte te doen in handen van de gerechtsdeurwaarder, van het bedrag van het beslag, bij gebreke waarvan hij daartoe zal veroordeeld worden op dagvaarding door de beslaglegger, voor de beslagrechter. Slaat het derden-beslag op zaken dan worden deze te gelde gemaakt zoals in zake uitvoerend beslag op roerend goed. In geval van verzet door de beslagen schuldenaar, neemt de verplichting van de derde beslagene een aanvang, in voorkomend geval, op de dag waarop de beslissing op het verzet hem is betekend, onverminderd de werking van de voorzieningen tegen die beslissing." De afgifte is dus verplicht, "op overlegging van het exploot van aanzegging" van het beslag aan de beslagen schuldenaar. De aanzegging is de verwittiging aan de beslagen schuldenaar; het derdenbeslag zelf wordt in beginsel gelegd bij deurwaardersexploot betekend aan de derde beslagene . In beginsel zal dus eerst de derde beslagene kennis krijgen van het beslag, en dan pas, door de aanzegging, de beslagen schuldenaar. Bij omzetting van bewarend naar uitvoerend beslag is echter geen nieuw beslag nodig. De omzetting gebeurt door middel van het bevel tot betalen aan de schuldenaar (artikel 1491 en 1497 van het Gerechtelijk Wetboek; zie E. DIRIX en K. BROECKX, ‘Beslag' in A.P.R., Antwerpen, Kluwer, 2001, 784). De schuldenaar neemt in dat geval kennis van het uitvoerend beslag door het bevel. De aanzegging aan de beslagen schuldenaar bestaat dus uit dat bevel zelf. De derde beslagene is dus in dat geval overeenkomstig artikel 1543 van het Gerechtelijk Wetboek gehouden tot afgifte na vijftien plus twee dagen na de betekening van het bevel aan de schuldenaar. KBC BANK stelt dat zij uit de aan haar op 3 december 2002 betekende akte niet kon opmaken of er reeds een aanzegging was gebeurd aan de beslagen schuldenaar. Zij wijst er op dat de kopie die de gerechtsdeurwaarder bij haar heeft achtergelaten alleen is ondertekend door de aangestelde van KBC BANK, en dat de ruimte voorzien voor de handtekening van de schuldenaar blanco is, en dat de wijze van betekening ook niet is aangeduid door middel van schrapping van de voorgedrukte en niet toegepaste mogelijkheden. INTERVEST OFFICES daarentegen meent dat de aanzegging aan de beslagen schuldenaar blijkt uit het origineel exploot dat is ondertekend door een aangestelde van KBC BANK, en door (een aangestelde van) de beslagen schuldenaar. Bepalend is niet de inhoud van de kopie van de akte waarover KBC BANK beschikt, maar wel de kopie van het origineel exploot (stuk 7 van INTERVEST OFFICES). Het origineel exploot is immers de authentieke akte waarin de gerechtsdeurwaarder verslag doet van zijn handelingen en dat dus het bewijs vormt van die handelingen. Uit dat exploot blijkt wel degelijk dat de gerechtsdeurwaarder op 3 december 2002 het vonnis heeft betekend aan de schuldenaar, en bevel tot betalen heeft gedaan aan de schuldenaar, en hem heeft verklaard dat het bewarend beslag werd omgezet in uitvoerend beslag. Met betrekking tot KBC BANK vermeldt het exploot "En tevens heb ik ondergetekende gerechtsdeurwaarder kopij betekend aan hiernagenoemde derdebeslagene", en dat de gerechtsdeurwaarder ook aan KBC BANK heeft verklaard dat het bewarend beslag werd omgezet in uitvoerend beslag. Uit het exploot blijkt aldus niet dat de gerechtsdeurwaarder eerst het vonnis heeft betekend en bevel tot betalen heeft gedaan aan de schuldenaar en dan pas aan KBC BANK die betekening en bevel heeft betekend. Zoals INTERVEST OFFICES betoogt, is dat wel de logische volgorde. Bij omzetting gebeurt het beslag door het bevel aan de schuldenaar en niet door betekening aan de derde beslagene. Het beslag moet dan niet worden "aangezegd" aan de schuldenaar. Het moet ook niet worden betekend aan de derde beslagene; die moet alleen het exploot overgelegd krijgen zodat hij kennis krijgt van de termijn waarna zijn afgifteplicht aanvangt (artikel 1543 van het Gerechtelijk Wetboek). Het is dus de logische volgorde, maar het blijkt niet uit het exploot. Dat vermeldt immers dat de gerechtsdeurwaarder "tevens" heeft betekend aan KBC BANK, en niet "vervolgens". Ook het feit dat in de tekst de betekening aan de schuldenaar eerst komt en dan de betekening aan de derde beslagene vormt geen bewijs dat inderdaad eerst aan de schuldenaar is betekend, en dat vervolgens daarvan betekening is gedaan aan de derde beslagene. Overigens vermeldt het exploot ook niet waarvan kopij is betekend: van de uitgifte van het vonnis, of van de betekening van het vonnis en van het bevel, of van beide. Uit het origineel exploot kan dus niet opgemaakt worden dat de gerechtsdeurwaarder aan KBC BANK een kopie heeft afgegeven van het exploot van omzetting. In het exploot vermeldt de gerechtsdeurwaarder weliswaar dat hij aan de schuldenaar en aan KBC BANK heeft verklaard dat het bewarend beslag werd omgezet in uitvoerend beslag, maar die verklaring maakt niet de overlegging uit zoals vereist door artikel 1543 van het Gerechtelijk Wetboek. Ook de kopie die de gerechtsdeurwaarder bij KBC BANK heeft achtergelaten, laat niet toe vast te stellen dat de omzetting (de betekening van het vonnis en het bevel) reeds was gebeurd: die kopie draagt immers alleen de handtekening van de aangestelde van KBC BANK. In die kopie zijn de vermeldingen van de wijze van betekening aan de schuldenaar niet ingevuld of geschrapt; het typeformulier was daarop dus nog niet verwerkt tot een volledige verklaring van de gerechtsdeurwaarder. De bij KBC BANK achtergelaten kopie is dus geen kopie van de betekening aan de schuldenaar (want daar zou de handtekening van de schuldenaar op staan, of een vermelding dat de gerechtsdeurwaarder een kopie heeft achtergelaten overeenkomstig artikel 38 of 44 van het Gerechtelijk Wetboek). Het blijkt dus niet dat een kopie van de betekening van de omzetting (de betekening van het vonnis en het bevel) is achtergelaten. KBC BANK wijst er terecht op dat zij bij brief van 19 december 2002 aan de gerechtsdeurwaarder heeft gevraagd een bewijs voor te leggen van de betekening van het vonnis ten gronde aan de schuldenaar en een kopie van het vonnis (stuk 4 KBC BANK), en dat zij pas op 13 januari 2003 een faxbericht heeft gekregen van (de raadsman van) INTERVEST OFFICES met een kopie van de betekening en van het vonnis (stuk 5 KBC BANK). Zoals vermeld in de uiteenzetting van de feiten heeft KBC BANK die zelfde dag de tegoeden overgemaakt aan de gerechtsdeurwaarder. KBC BANK heeft dus nog voor het aflopen van de termijn van artikel 1543 van het Gerechtelijk Wetboek (vijftien plus twee dagen) gemeld dat zij nog geen exploot van betekening aan de schuldenaar had ontvangen; bij onmiddellijke reactie had KBC BANK onmiddellijk na die termijn afgifte kunnen doen. Gelet op het bovenstaande was KBC BANK dus niet gehouden tot afgifte voor 13 januari 2002, datum van overlegging van het exploot overeenkomstig artikel 1543 van het Gerechtelijk Wetboek. Zij heeft dus afgifte gedaan in overeenstemming met die bepaling. INTERVEST OFFICES bewijst geen fout en de vordering is ongegrond.
- De kosten Alle partijen verklaren ter zitting dat zij voor de rechtsplegingsvergoeding de toepassing vragen van het basisbedrag. Met toepassing van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 bedraagt dat basisbedrag gelet op de waarde van de vordering 3.000,00 EUR. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep van INTERVEST OFFICES ontvankelijk maar ongegrond. Het veroordeelt INTERVEST OFFICES tot de betaling van de kosten van het hoger beroep, begroot - in hoofde van appellante op euro 3.186 (186 rolrecht + 3.000 rechtsplegingsvergoeding), en - in hoofde van geïntimeerde op euro 3.000 rechtsplegingsvergoeding. Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 10/2/2009 waar aanwezig waren en zitting hielden : Astrid DE PREESTER, Raadsheer dd. Voorzitter, Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer, Marc DEBAERE, Raadsheer, Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS M. DEBAERE E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div