← België

ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090210.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 10 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090210.3 Rolnummer: 2006AR2883 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-02-11 Raadplegingen: 119 - laatst gezien 2026-07-02 19:08 Fiche Volgens de theorie van de rechtsverwerking wordt de titularis van een recht of een bevoegdheid (bv. een schuldvordering) de mogelijkheid ontnomen om dat recht of die bevoegdheid uit te oefenen wanneer de titularis vrijwillig een houding aanneemt welke onverenigbaar is met de uitoefening van dat recht of die bevoegdheid en indien de wederpartij, bij het bepalen van haar eigen gedrag, in rechtmatig vertrouwen op de houding van de andere partij is afgegaan . Het louter stilzitten, wat inhoudt niets ondernemen in het uitoefenen van een recht of bevoegdheid, doet geen rechtsverwerking intreden. Rechtsverwerking mag immers geen afbreuk doen aan het wettelijk stelsel van de bevrijdende verjaring (= een rechtsfiguur die het niet - uitoefenen van een recht speciaal op het oog heeft). Bij de toepassing van de leer van de rechtsverwerking dient nagegaan te worden of het optreden van de schuldeiser - in dit specifieke geval - een misbruik van recht of van bevoegdheid uitmaakt. Hieruit volgt in casu dat het louter stilzitten van geïntimeerde - wat appellante juist verwijt aan geïntimeerde - op zich onvoldoende is om gewag te kunnen maken van enig rechtsmisbruik in hoofde van geïntimeerde en om derhalve toepassing te kunnen maken van de leer van de rechtsverwerking. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERJARING (BURGERLIJK RECHT) - Algemeen (verjaring (burgerlijk recht)) Vrije woorden: Verjaring- rechtsverwerking - rechtsmisbruik - bevrijdende verjaring Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2009/ A.R. nr. 2006/AR/2883 INZAKE VAN : De B.V.B.A. NEW FACOM, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 1700 DILBEEK, Tuinbouwlaan 3, ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 0417.317.655, appellante tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van koophandel te Brussel 20 september 2006, vertegenwoordigd door Meester Karla WILLEGEMS loco Meester Alain BOUTEILLE, advocaat te 1700 DILBEEK, Kaudenaardestraat 13, 1ste kamer TEGEN : De B.V.B.A. WOONDECORATIE WALRAVENS, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 1731 ZELLIK, Brusselsesteenweg 596, ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 0445.945.127, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Marie-Paule DERVEAUX, advocaat te 1853 GRIMBERGEN (Strombeek-Bever), Kasteelstraat 124, Gelet op de procedurestukken: · het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van koophandel te Brussel op 20 september 2006, beslissing waarvan geen akte van betekening wordt overgelegd; · het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 23 oktober 2006; · de conclusie van appellante neergelegd ter griffie op 8 maart 2007; · de aanvullende en syntheseconclusie van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 20 april 2007. Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 19 januari 2009 en gelet op de stukken die zij neerlegden. Het hoger beroep werd regelmatig naar vorm en termijn ingesteld en is bijgevolg ontvankelijk. I. Voorwerp van de vorderingen. 1.1. De oorspronkelijk eis van geïntimeerde strekte ertoe appellante te horen veroordelen tot betaling van een bedrag van 2.200,95 euro in hoofdsom + 858,37 euro ten titel van contractuele intresten + 450 euro , ten titel van vergoeding van kosten + de gerechtelijke intresten op 2.200,95 euro en 450 euro . 1.2. Bij vonnis uitgesproken op 4 november 2005 werd appellante bij verstek veroordeeld tot betaling van 2.200,95 euro plus de contractuele intresten herleid tot 9,5% vanaf de vervaldag van de facturen en van 400 euro ten titel van herleide invorderingskosten vermeerderd met de gerechtelijke intresten op het bedrag van 2.600,95 euro . 1.3. Bij P.V. van vrijwillige verschijning werd verzet aangetekend tegen voornoemd verstekvonnis. Appellante stelde in deze procedure een tegeneis in en vroeg de veroordeling van geïntimeerde tot betaling van een bedrag van 1.250 euro wegens het instellen van een tergend en roekeloos geding. 1.4. De eerste rechter heeft in het bestreden vonnis

(1)het verzet ontvankelijk doch ongegrond verklaard,
(2)het vonnis waartegen verzet bevestigd in al zijn beschikkingen en
(3)de tegeneis ontvankelijk doch ongegrond verklaard. 1.
  1. Het hoger beroep van appellante beoogt de oorspronkelijke hoofdeis ontvankelijk doch ongegrond te horen verklaren en haar oorspronkelijke tegeneis ontvankelijk en gegrond. 1.
  2. Geïntimeerde vraagt de bevestiging van het bestreden vonnis. II. De Feiten. 2.
  3. De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis. 2.
  4. Het geschil heeft betrekking op schilderwerken die geïntimeerde uitgevoerd heeft bij appellante in de loop van januari/april
  5. In uitvoering van deze werken werden 3 facturen uitgeschreven, met name een factuur nr. 2002/0007 dd. 12 januari 2002 voor een bedrag van 8.391,34 euro , een factuur nr. 2002/0068 dd. 21 maart 2002 voor een bedrag van 9.705,41 euro en een derde factuur nr. 2002/0144 dd. 14 mei 2002 voor een bedrag van 2.724,75 euro . De twee eerste facturen werden betaald, de derde niet. Ingevolge een rappelbrief van 28 juni 2002 liet appellante op 15 juli 2002 weten dat nog een aantal retouches dienden te gebeuren en een aantal zaken verder moesten afgewerkt worden. Bij fax van 13 januari 2003 liet appellante aan geïntimeerde weten: " Wij nemen er nota van dat Pascal morgen komt afwerken. Wij verwachten uw kredietnota in verband met de mislukte werken in de keuken. " Hierop antwoordde geïntimeerde het volgende op 15 januari 2003: " betreft: algemene schilderwerken in de keuken. Voorstel van kredietnota voor een bedrag van 176,75 euro . Graag ontvangen wij zo spoedig mogelijk een seintje. " Bij fax van diezelfde dag verklaarde appellante zich akkoord met de voorgestelde kredietnota indien andere afgesproken retouches gedaan worden. De kredietnota t.b.v. 176,75 euro werd door geïntimeerde uitgeschreven op 17 januari
  6. Bij schrijven van 22 april 2005 liet geïntimeerde weten dat appellante nog steeds een bedrag verschuldigd was van 2.724,74 euro Bij fax van 31 mei 2005 liet appellante weten een kredietnota te hebben ontvangen van 176,75 euro , ingestemd te hebben met deze kredietnota op voorwaarde dat alle andere retouches zouden worden uitgevoerd wat niet gebeurde, zij afzag van de uitvoering van de resterende werken en hiervoor een bijkomende kredietnota wenste. Geïntimeerde protesteerde tegen voormeld schrijven op 13 juni
  7. Zij wierp hierbij op dat de onvolkomenheden waarvan appellante gewag maakte deels betrekking hadden op werkprestaties die zonder enig protest vanwege appellante betaald werden, buiten deze van de keuken en de slaapkamer. Geïntimeerde stelde verder voor een bijkomende kredietnota uit te schrijven van 347,05 euro voor de post " plamuurwerken in de slaapkamer " en langs te zullen komen op 22 juni 2005 voor nazicht van de aangehaalde onvolkomenheden in de slaapkamer. Appellante weigerde echter nog enige tussenkomst vanwege geïntimeerde gezien inmiddels 3 jaar verlopen was. Geïntimeerde stelde dan een vordering in ten beloop van 2.200,95 euro rekening houdende met de inmiddels uitgeschreven kredietnota's van 176,75 euro en van 347,05 euro . III. Beoordeling. 3.
  8. Wat de rechtsverwerking betreft: 3.1.
  9. Appellante beroept zich op de leer van rechtsmisbruik. Zij werpt op dat gelet op het stilzitten van geïntimeerde en het tijdsverloop dat zij heeft laten voorbijgaan appellante er terecht mocht op vertrouwen dat niets meer verschuldigd was aan geïntimeerde. Appellante verwijt concreet aan geïntimeerde na het opsturen van de derde factuur van 14 mei 2002 haar slechts voor het eerst bijna drie jaar later bij brief van 22 april 2005 in gebreke te hebben gesteld om die factuur te betalen wat onmiddellijk geprotesteerd werd en na het ontvangen van de fax van 15 juli 2002 opnieuw drie jaar gewacht heeft om hierop te reageren. 3.1.
  10. Volgens de theorie van de rechtsverwerking wordt de titularis van een recht of een bevoegdheid (bv. een schuldvordering) de mogelijkheid ontnomen om dat recht of die bevoegdheid uit te oefenen wanneer de titularis vrijwillig een houding aanneemt welke onverenigbaar is met de uitoefening van dat recht of die bevoegdheid en indien de wederpartij, bij het bepalen van haar eigen gedrag, in rechtmatig vertrouwen op de houding van de andere partij is afgegaan . Het louter stilzitten, wat inhoudt niets ondernemen in het uitoefenen van een recht of bevoegdheid, doet geen rechtsverwerking intreden. Rechtsverwerking mag immers geen afbreuk doen aan het wettelijk stelsel van de bevrijdende verjaring (= een rechtsfiguur die het niet - uitoefenen van een recht speciaal op het oog heeft). Bij de toepassing van de leer van de rechtsverwerking dient nagegaan te worden of het optreden van de schuldeiser - in dit specifieke geval - een misbruik van recht of van bevoegdheid uitmaakt. 3.1.
  11. Hieruit volgt dat het louter stilzitten van geïntimeerde - wat appellante juist verwijt aan geïntimeerde - op zich onvoldoende is om gewag te kunnen maken van enig rechtsmisbruik in hoofde van geïntimeerde en om derhalve toepassing te kunnen maken van de leer van de rechtsverwerking. Uit de stukken blijkt bovendien o.a. het volgende: - De betwiste factuur dateert van 14 mei 2002; - Op 28 juni 2002 stuurt geïntimeerde een rappel; - Hierop reageert appellante met een fax van 15 juli 2002 waarin sprake is van een aantal "retouches" die nog zouden moeten uitgevoerd worden en waarin gevraagd wordt naar een oplossing voor dit probleem; - Bij fax van 13 januari 2003 neemt appellante er nota van dat "morgen" iemand langskomt voor het uitvoeren van de herstellingen en laat zij weten een kredietnota te verwachten; - Op 15 januari 2003 gaat appellante akkoord met het voorstel van geïntimeerde, zijnde het ontvangen van een kredietnota t.b.v. 176,75 euro m.b.t. de schilderwerken in de keuken plus het uitvoeren van de andere retouches; - Deze kredietnota wordt uitgeschreven op 17 januari 2003; - Op 22 april 2005 nemen de partijen opnieuw contact met elkaar op volgens die brief omdat de heer Walraevens niet op de hoogte was dat de werken nog niet betaald waren en dat er een probleem was of nog steeds is; Tot dan heeft appellante evenmin iets ondernomen teneinde geïntimeerde eraan te herinneren dat nog enkele "retouches" moesten uitgevoerd worden; - Bij fax van 31 mei 2005 volgt een reactie van appellante die hierbij gewag maakt van verschillende telefonische contacten die inmiddels gepleegd werden teneinde een oplossing te vinden; Vanaf dan weigert appellante resoluut dat geïntimeerde de schilderwerken verder zou afwerken niettegenstaande geïntimeerde op 13 juni 2005 voorstelde om langs te komen op 22 juni. Eén en ander wijst er niet op dat geïntimeerde zou zijn overgegaan tot een onredelijke rechtsuitoefening op een wijze die kennelijk de grenzen van een normale rechtsuitoefening te buiten gaat en waarbij appellante op haar beurt er mocht van uitgaan bevrijd te zijn van haar betalingsverplichting. 3.1.
  12. De eerste rechter is dan ook terecht op grond van oordeelkundige motieven, die het hof hierbij, voor zoveel als nodig, herneemt, tot de conclusie gekomen dat in deze geen sprake is van enig rechtsmisbruik in hoofde van geïntimeerde en er bijgevolg geen aanleiding is tot toepassing van de leer van de rechtsverwerking. Het bestreden vonnis wordt op dit punt bevestigd. Alle overige ter zake ingeroepen grieven zijn niet dienend in het licht van wat voorafgaat. 3.
  13. Wat de uitvoering van de tussen partijen afgesloten overeenkomst betreft: 3.2.
  14. Ondergeschikt werpt appellante op dat geïntimeerde de schilderwerken - meer bepaald deze in de keuken en de slaapkamer - niet heeft uitgevoerd volgens de regels van de kunst. Zij verwijst verder naar haar fax van 15 juli 2002 waarin gewag wordt gemaakt van retouches vocht in bureau, idem kamer + hechtingen raam + radiator + uitplamuren, stukje plint in badkamer dat ontbreekt + loskomen van papier langs het bad, radiator en chambranle in keuken en stuc in de hall die mislukt is. 3.2.
  15. De door appellante betwiste factuur van 14 mei 2002 heeft enkel betrekking op algemene schilderwerken in slaapkamer en keuken. De facturen van 22 januari 2002 en 21 maart 2002 hebben betrekking op de overige schilderwerken. Voor de gebreken in de keuken werd een eerste kredietnota uitgeschreven op 17 januari 2003 t.b.v. 176,75 euro . Voor de plamuurwerken in de slaapkamer werd een tweede kredietnota uitgeschreven t.b.v. 347,05 euro . Behalve het vocht in het bureau en het loskomen van papier gaat het om gebreken waarvoor ofwel een kredietnota werd uitgeschreven of die niet het voorwerp uitmaken van de factuur van 14 mei 2002 maar wel van de twee vorige facturen die zonder enig protest voldaan werden door appellante. Het is bovendien ten onrechte dat appellante voorhoudt dat het om gebreken zou gaan die ontdekt werden na betaling van de twee eerste facturen (een stukje plint dat vergeten zou zijn, had onmiddellijk kunnen opgemerkt worden enz.). De oorzaak van de vochtproblemen en van het loskomen van papier kan niet onmiddellijk in verband worden gebracht met de schilderwerken die door geïntimeerde uitgevoerd werden. Er is overigens nooit een deskundige ter plaatse gekomen en de aanstelling van een deskundige hangende de procedure was blijkbaar zinloos gezien het pand inmiddels verkocht werd. 3.2.
  16. Appellante bewijst derhalve niet dat de werken die het voorwerp uitmaken van de betwiste factuur van 14 mei 2002 en die niet het voorwerp uitmaken van één van de kredietnota's niet volgens de regels van de kunst zouden zijn uitgevoerd. 3.2.
  17. Appellante meent dat geïntimeerde bovendien faalde als aannemer in haar verplichtingen om het bestelde werk volledig en tijdig te volbrengen. Desbetreffend wordt verwezen naar punt 3.
  18. van huidig arrest. 3.2.
  19. Het bestreden vonnis wordt hierbij bevestigd en de oordeelkundige motieven van de eerste rechter worden, voor zoveel als nodig, als volledig hernomen beschouwd. 3.
  20. Wat de rechtsgeldigheid betreft van de uitgeschreven factuur van 14 mei 2002: 3.3.
  21. Nog meer ondergeschikt meent appellante niet gehouden te zijn om de factuur van 14 mei 2002 te voldoen omdat deze op een onrechtmatige wijze zou zijn uitgeschreven. Zij meent dat geïntimeerde slechts een factuur kon uitschrijven nadat de werken waren uitgevoerd wat in deze niet het geval zou zijn. Appellante heeft geïntimeerde nooit verweten dat de werken niet zouden zijn uitgevoerd. In haar fax van 15 juli 2002 en 15 januari 2003 heeft zij het steeds over bepaalde "retouches" die nog moeten uitgevoerd worden. Dit wijst enkel op bepaalde onvolkomenheden in de uitgevoerde werken en niet op een niet - beëindigen van die werken op zich zelf. 3.3.
  22. De factuur van 14 mei 2002 werd dan ook op rechtsgeldige wijze uitgeschreven. 3.
  23. Wat de conventionele intresten en de invorderingskosten betreft: 3.4.
  24. Uiterst ondergeschikt verzoekt appellante geen conventionele intresten toe te kennen gelet op het absurd lange tijdsverloop door de eenzijdige houding van geïntimeerde en evenmin de invorderingskosten t.b.v. 400 euro toe te kennen omdat niet wordt aangetoond dat deze kosten noodzakelijk veroorzaakt werden door haar fout. 3.4.
  25. Er kan niet ontkend worden dat geïntimeerde deze zaak - als handelaar - slordig heeft opgevolgd. Uit de brief van 22 april 2005 blijkt overigens dat geïntimeerde zelfs niet meer wist dat een deel van de uitgevoerde schilderwerken niet betaald was. Het komt nog steeds aan een schuldeiser toe om de nodige stappen te ondernemen om een schuldenaar ertoe te brengen zijn schuld te betalen en niet omgekeerd. In die omstandigheden worden de conventionele intresten herleid in die zin dat zij toegekend worden vanaf de vervaldag van de factuur tot 15 maart 2003 en opnieuw vanaf 22 april 2005 tot de dag van de dagvaarding waarna vermeerderd met de gerechtelijke intresten aan de wettelijke intrestvoet. 3.4.
  26. Wat de gevraagde invorderingskosten betreft dekken deze volgens geïntimeerde enerzijds de kosten verbonden aan het versturen van aanmaningsbrieven en anderzijds de kosten en ereloon van de advocaat in het kader van de gerechtelijke recuperatieprocedure ingevolge de niet - betaling. De wet van 21 april 2007 en het K.B. van 26 oktober 2007 voorzien in een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaten d.m.v. het toekennen van een rechtsplegingsvergoeding. Deze kosten en erelonen kunnen bijgevolg het voorwerp niet meer zijn van een afzonderlijke begroting vanaf 1 januari 2008, datum waarop beide voornoemde reglementering van kracht werd op alle alsdan nog hangende gerechtszaken. Voor de berekening van de invorderingskosten kunnen enkel nog de verzonden aanmaningsbrieven in rekening worden gebracht. Deze post wordt in alle redelijkheid begroot op 75 euro . 3.4.
  27. Het bestreden vonnis wordt op deze beide punten hervormd. 3.
  28. Wat de oorspronkelijke tegeneis betreft: 3.5.
  29. Appelante vraagt een schadevergoeding t.b.v. 1.250 euro wegens het instellen van een tergende en roekeloze vordering. 3.5.
  30. Geïntimeerde wordt overwegend in het gelijk gesteld wat aantoont dat zijn vordering geenszins een tergend of roekeloos karakter heeft. 3.5.
  31. Het bestreden vonnis wordt op dit punt bevestigd. 3.
  32. Wat de rechtsplegingsvergoeding betreft: 3.6.
  33. Beide partijen hebben ter zitting van 19 januari 2009 om de toepassing gevraagd van het basistarief. Gelet op het door geïntimeerde gevorderde bedrag in hoofdsom (2.200,95 euro + 400 euro ) bedraagt het basisbedrag 650 euro . 3.6.
  34. Dit bedrag komt ten beloop van 9/10den toe aan geïntimeerde als overwegend in het gelijk gestelde partij. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond in de hierna bepaalde mate. Bevestigt het bestreden vonnis mits de enkele wijzigingen dat: - op het bedrag van 2.200,95 euro conventionele intresten worden toegekend aan 9,5 % per jaar vanaf de vervaldag van de factuur tot 15 maart 2003 en opnieuw vanaf 22 april 2005 tot de dag van de dagvaarding waarna vermeerderd met de gerechtelijke intresten aan de wettelijke intrestvoet; - een bedrag van 75 euro wordt toegekend ten titel van herleide invorderingskosten, meer de gerechtelijke intresten vanaf de datum van de dagvaarding aan de wettelijke intrestvoet. Veroordeelt appellante tot 9/10den en geïntimeerde tot de overige 1/10de van de kosten in hoger beroep, in hun geheel begroot - in hoofde van appellante op euro 836 (186 rolrecht + 650 rechtsplegingsvergoeding), en - in hoofde van geïntimeerde op euro 650 rechtsplegingsvergoeding. Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 10/2/2009 waar aanwezig waren en zitting hielden : Astrid DE PREESTER, Raadsheer, Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS A. DE PREESTER Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.