← België

ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090210.30

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 10 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090210.30 Rolnummer: 1999AR1196 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2013-10-03 Raadplegingen: 91 - laatst gezien 2026-07-02 19:10 Fiche Dat de bijstand van de advocaat in casu voornamelijk zou bestaan hebben uit lobbying sluit niet het verschuldigd zijn van erelonen uit. Dergelijke tussenkomsten zijn immers niet onverenigbaar met het beroep van advocaat en komen derhalve voor vergoeding in aanmerking. Het feit dat enkel lobbyingwerk zou gepresteerd zijn, kan enkel als gevolg hebben dat het in een dergelijk geval niet opportuun zou zijn het advies in te winnen van de Nederlandse Orde van Advocaten gelet op het specifiek karakter van de geleverde prestaties die niet onmiddellijk aanleunen bij een gebruikelijk optreden van een advocaat. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BALIE - Rechten en plichten advocaten GERECHTELIJK RECHT - BALIE - Rechten en plichten advocaten - Algemeen GERECHTELIJK RECHT - BALIE - Rechten en plichten advocaten - Ereloon Vrije woorden: Adocaten. Werkzaamheden. Lobbying. Ereloon. Bedrag. Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2009/ A.R. nr. 1999/AR/1196 INZAKE VAN : De naamloze vennootschap EEG-SLACHTHUIZEN L.A.R., waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 8780 OOSTROZEBEKE, Ingelmunstersesteenweg 153, ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 430.565.677, ingeschreven in het handelsregister te Kortrijk onder het nummer 112.468, appellante tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 4 maart 1999, vertegenwoordigd door Meester Jacqueline RIMBAUT, advocaat te 8760 MEULEBEKE, Ingelmunstersteenweg 15, 1ste kamer TEGEN : 1) Mevrouw C. D., 2) De heer H. D., geïntimeerden, vertegenwoordigd door Meester Dieter VERBEKE loco Meester Helena DE BACKER, advocaat te 1050 BRUSSEL, Blanchestraat 15 bus 9, Dat de bijstand van de advocaat in casu voornamelijk zou bestaan hebben uit lobbying sluit niet het verschuldigd zijn van erelonen uit. Dergelijke tussenkomsten zijn immers niet onverenigbaar met het beroep van advocaat en komen derhalve voor vergoeding in aanmerking. Het feit dat enkel lobbyingwerk zou gepresteerd zijn, kan enkel als gevolg hebben dat het in een dergelijk geval niet opportuun zou zijn het advies in te winnen van de Nederlandse Orde van Advocaten gelet op het specifiek karakter van de geleverde prestaties die niet onmiddellijk aanleunen bij een gebruikelijk optreden van een advocaat. De omvang van de erelonen dient dus bepaald te worden in functie van wat effectief gepresteerd werd door de advocaat. Gelet op de procedurestukken: • het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 4 maart 1999, beslissing waarvan geen akte van betekening wordt overgelegd; • het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 29 april 1999; • de conclusie van appellante neergelegd ter griffie op 17 augustus 2006; • de (tweede) conclusie van appellante neergelegd ter griffie op 18 december 2006; • de syntheseconclusie van geïntimeerden neergelegd ter griffie op 18 januari 2007. Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 8 december 2008 en gelet op de stukken die zij neerlegden. Het hoger beroep en het incidenteel beroep werden regelmatig naar vorm en termijn ingesteld en zijn bijgevolg ontvankelijk. I. Voorwerp van de vorderingen. 1.1. De oorspronkelijke eis van eerste geïntimeerde strekte ertoe appellante te horen veroordelen tot betaling van een bedrag van 2.146.674 BEF, ten titel van achterstallige erelonen, plus de wettelijke intresten vanaf 30 augustus 1990 (dagvaarding betekend bij exploot van 7 oktober 1991). Bij verzoekschrift neergelegd op 20 september 1993 kwam tweede geïntimeerde vrijwillig tussen in het geding 1.2. De eerste rechter heeft

(1)de hoofdvordering en de vordering op tussenkomst ontvankelijk verklaard,
(2)de vordering ingesteld door eerste geïntimeerde gegrond verklaard ten beloop van een provisie van 250.000 BEF of de tegenwaarde ervan in euro, plus intresten,
(3)eerste geïntimeerde uitgenodigd bijkomende stukken en elementen toe te voegen aan haar dossier teneinde te kunnen overgaan tot een beoordeling van de geleverde prestaties en
(4)de zaak voor het overige verwezen naar de bijzondere rol. 1.3. Het hoger beroep van appellante beoogt
(1)in hoofdorde, de integrale afwijzing te horen bekomen van de ingestelde vorderingen en
(2)in ondergeschikte orde, alvorens uitspraak te doen ten gronde, het advies in te winnen van de Nederlandse Orde der Advocaten. 1.
  1. Bij incidenteel beroep wordt gevraagd: - in hoofdorde, appellante te veroordelen tot betaling aan eerste geïntimeerde van het bedrag van 2.146.674 BEF of 53.214,66 euro ; - in ondergeschikte orde, appellante te veroordelen tot betaling aan elk van de geïntimeerden van de helft van dit bedrag, hetzij elk 26.607,33 euro ; - in meer ondergeschikte orde, appellante te veroordelen tot betaling aan eerste geïntimeerde van het bedrag van 2.146.674 BEF of 53.214,66 euro en tweede geïntimeerde te bevelen het door hem van appellante ontvangen bedrag van 26.607,33 euro onmiddellijk na ontvangst door te betalen aan eerste geïntimeerde; - in meest ondergeschikte orde het verschuldigde ereloon te herleiden tot 1.576.500 euro - wat BEF moet zijn - , hetzij 39.080,41 euro ; - in alle gevallen appellante te veroordelen tot de intresten op de hoofdsom vanaf 30 augustus
  2. II. De feiten. 2.
  3. De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis. 2.
  4. Samengevat betreft het een geschil over de ereloonstaat van Meester H. D., medegedeeld aan appellante bij schrijven van 30 augustus 1990 t.b.v. 2.146.674 BEF. Op 14 januari en 1 februari 1991 werden rappelbrieven gestuurd door het " Advocatenkantoor D. ". Op deze brieven komt de naam van H. D. niet meer voor gezien hij inmiddels de balie verlaten had. Bij schrijven van 13 februari 1991 liet appellante aan het " Advocatenkantoor D. " weten dat de commissie van de Europese gemeenschappen haar de bijstand t.b.v.20.528.537 BEF nog niet verleend had, verwees zij verder naar haar brief van 5 februari 1988 waarin gesteld werd dat nog een overeenkomst moest gesloten worden i.v.m. de staat van kosten en ereloon en zij niet akkoord ging met een eenzijdige bepaling van de verschuldigde erelonen door het advocatenkantoor. Op 27 februari 1991 liet Meester C. D. weten dat zij in opvolging van Meester H. D., die de balie inmiddels verlaten had, verder zou instaan voor de afhandeling van het dossier. Bij schrijven van 6 juni 1991 drong Meester C. D. aan op de betaling van de verschuldigde erelonen gezien de Commissie van de Europese Gemeenschappen op 21 mei 1991 overging tot de effectieve betaling van de gevraagde bijstand. Bij exploot betekend op 7 oktober 1991 ging Meester C. D. dan over tot het dagvaarden van geïntimeerde na hiervoor toelating te hebben bekomen van de Stafhouder. III. Beoordeling. 3.
  5. Wat de ontvankelijkheid betreft van de oorspronkelijke vordering: 3.1.
  6. Op 23 januari 1989 hebben de consorten D. een vennootschapsovereenkomst afgesloten waarbij ieder van de partijen "hun kennis en hun activiteiten in gemeenschap brachten", hieronder te verstaan hun respectieve vorderingen van kosten en erelonen. De vennootschap die door betrokkenen werd opgericht, heeft echter niet de vorm aangenomen van een handelsvennootschap en bezit dus geen rechtspersoonlijkheid. De burgerlijke vennootschap kan derhalve niet in rechte optreden. In een burgerlijke vennootschap hebben elk van de vennoten in gelijke mate de bevoegdheid om afzonderlijk rechtshandelingen te stellen namens de vennootschap voor zover de andere vennoot volmacht heeft gegeven of indien de zaak tot voordeel van de vennootschap strekt (= oud artikel 1864 B.W.). Het spreekt voor zich dat het vorderen van erelonen tot voordeel van de vennootschap strekt. Bovendien bepaalt artikel 7 van de vennootschapsovereenkomst dat ieder der vennoten bevoegd is namens de vennootschap handelingen te verrichten die passen binnen het kader van de normale dagelijkse praktijkoefening conform het doel van de vennootschap. Het invorderen van een staat van kosten en ereloon behoort tot het dagelijks beheer. H. D. heeft dan ook volkomen terecht zijn ereloonstaat medegedeeld aan geïntimeerde in naam en voor rekening van de burgerlijke vennootschap (zolang hij hiervan deel uitmaakte). De brief van appellante van 13 februari 1991 (waarbij appellante het eenzijdig vaststellen van de erelonen betwist) is eveneens gericht aan het " Advocatenkantoor D. " wat inhoudt dat zij kennis had van de inmiddels opgerichte vennootschap en deze erkende als titularis van een schuldvordering. 3.1.
  7. Meester H. D. verliet in de loop van 1990/91 de balie - en dus de vennootschap - als gevolg waarvan de burgerlijke vennootschap bij toepassing van (het oude) artikel 1865, 5° B.W. van rechtswege ontbonden werd. Hierop heeft H. D. een verklaring opgesteld waarin hij bevestigde dat hij, na zijn uittreden uit de burgerlijke vennootschap, al zijn rechten en vorderingen in zijn hoedanigheid van advocaat en medevennoot t.o.v. de burgerlijke vennootschap overdroeg aan Meester C. D.. Op 27 februari 1991 liet Meester C. D. overigens aan appellante weten dat zij in opvolging van H. D. - die de balie inmiddels verlaten had - het dossier verder zou afhandelen. Deze verklaring maakt een impliciete verwijzing uit naar de artikelen 1872 (oud) B.W., samen te lezen met artikel 883 B.W., die bepalen dat ingeval van ontbinding de andere vennoot geacht wordt alleen en onmiddellijk te zijn opgevolgd in het deel dat haar door medevennoot H. D. werd toegewezen. Meester C. D. is derhalve gerechtigd in haar naam de rechten uit te oefenen van de ontbonden vennootschap en dus in haar naam achterstallige erelonen te vorderen verschuldigd aan die voormalige vennootschap. Geïntimeerde werd van die opvolging expliciet - vòòr de dagvaarding - op de hoogte gesteld en hierop kwam van harentwege geen reactie (zie brief van eerste geïntimeerde dd. 27 februari 1991). 3.1.
  8. Meester C. D. beschikt bijgevolg over de vereiste hoedanigheid en vanzelfsprekend het vereiste belang om desbetreffende vordering in te stellen. Als ex-medevennoot en als toenmalige raadsman van appellante beschikt H. D. eveneens over de vereiste hoedanigheid en vanzelfsprekend het vereiste belang. Of hij al dan niet gerechtigd is om in de gegeven omstandigheden deze erelonen te vorderen, belangt de grond van de zaak aan en heeft geen uitstaans met de ontvankelijkheid van de ingestelde vordering. 3.1.
  9. Appellante zal desbetreffend verder opwerpen dat zij zich nooit akkoord verklaard heeft met een opvolging van hun toenmalige raadsman door C. D.. Zij beroept zich op het recht van eenieder om vrij zijn raadsman te kiezen. Het dossier was volledig afgehandeld toen H. D. de balie verliet. Enkel het gevraagde ereloon diende nog betaald te worden. Er is in deze zaak dan ook geen sprake van opvolging van de ene raadsman door de andere. Het betreft hier enkel een betwisting over erelonen die thans gevorderd worden door Meester C. D. als ex-vennoot van de voorheen bestaande burgerlijke vennootschap. Er werd overigens hoger reeds herhaaldelijk onderlijnd dat appellante vóór de dagvaarding op de hoogte werd gesteld dat H. D. de balie had verlaten en het dossier verder zou behandeld worden door Meester C. D. en dat dit geen onmiddellijke reactie vanwege appellante uitlokte. 3.1.
  10. Appellante beroept zich tenslotte op artikel 2276bis §2 B.W. t.a.v. H. D.. Zij argumenteert dat gezien tweede geïntimeerde geen verrichtingen meer presteerde na januari 1988 zijn vordering, ingesteld bij verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst neergelegd op 20 september 1993, verjaard zou zijn. Bij toepassing van artikel 2244 B.W. wordt de verjaring gestuit door een dagvaarding. Een dagvaarding werd betekend aan appellante ten verzoeke van eerste geïntimeerde bij exploot van 7 oktober 1991 die de verjaring stuit. Een dagvaarding voor het gerecht stuit niet alleen de verjaring van de vordering die zij inleidt, maar tevens van de vorderingen die virtueel daarin begrepen zijn. De vordering van tweede geïntimeerde is virtueel begrepen in de vordering die door eerste geïntimeerde werd ingesteld. Het gaat telkens om de invordering (van hetzelfde) ereloon verschuldigd aan een inmiddels ontbonden burgerlijke vennootschap ingevolge waarvan C. D. thans afzonderlijk optreedt. De vordering is dan ook niet verjaard t.a.v. tweede geïntimeerde. 3.1.
  11. Het bestreden vonnis wordt bevestigd in zoverre hierin de vordering van beide geïntimeerden ontvankelijk werd verklaard en niet vervallen door verjaring. Alle overige door partijen aangevoerde middelen desbetreffend zijn niet terzake dienend in het licht van wat hieraan voorafgaat. 3.
  12. Wat de grond van de zaak betreft: 3.2.
  13. Appellante beweert dat zowel de kosten als de erelonen reeds betaald werden. Zij verwijst naar een betaling van 200.000 BEF die op 5 september 1986 werd uitgevoerd en naar een tweede betaling van 200.000 BEF die op 1 september 1988 geschiedde alsmede naar een overeenkomst die zij afsloot met een zekere Wastiau die blijkbaar architect is. Uit een schrijven van 29 januari 1988 uitgaande van H. D. en de antwoordbrief van appellante ontvangen op 10 februari 1988 blijkt dat tussen partijen een overeenkomst werd bereikt over het feit dat de staat van onkosten vervat lag in de ereloonstaat van de architect dewelke met uitbetaling werd gelast ten voordele van het advocatenkantoor. De betalingen waarvan gewag wordt gemaakt, dekken derhalve enkel de kosten. Over de omvang van de erelonen zelf bestaat geen eensgezindheid tussen partijen. In het schrijven van 29 januari 1988 beweert tweede geïntimeerde dat overeengekomen werd de staat van erelonen te berekenen op 7,5% van de aan de vennootschap toegekende steun door de Vlaamse Gemeenschap en de Europese Commissie. In de brief ontvangen op 10 februari 1988 stelt appellante echter dat i.v.m. de staat van erelonen nog geen overeenkomst werd gesloten. In een schrijven van 13 februari 1991 tenslotte herhaalt appellante dat aangaande de staat van erelonen nog geen overeenkomst werd afgesloten en dat zij zich niet akkoord kan verklaren met een eenzijdige bepaling van de hoogte van het bedrag van de verschuldigde erelonen. Er staat bijgevolg afdoend vast dat tussen partijen geen definitieve afspraken werden gemaakt over de wijze waarop het ereloon diende berekend te worden. 3.2.
  14. Het is echter niet omdat tussen partijen geen regeling werd getroffen over de wijze van berekenen van de ereloonstaat dat er helemaal geen erelonen verschuldigd zouden zijn. Er kan niet ernstig betwist worden dat tweede geïntimeerde appellante wel degelijk heeft bijgestaan als raadsman teneinde bepaalde financiële tegemoetkomingen te verkrijgen vanwege de overheid en/of de Europese Commissie. Dat deze bijstand voornamelijk zou bestaan hebben uit lobbying sluit niet het verschuldigd zijn van erelonen uit. Dergelijke tussenkomsten zijn immers niet onverenigbaar met het beroep van advocaat en komen derhalve voor vergoeding in aanmerking. Het feit dat enkel lobbyingwerk zou gepresteerd zijn, kan enkel als gevolg hebben dat het in een dergelijk geval niet opportuun zou zijn het advies in te winnen van de Nederlandse Orde van Advocaten gelet op het specifiek karakter van de geleverde prestaties die niet onmiddellijk aanleunen bij een gebruikelijk optreden van een advocaat. 3.2.
  15. De omvang van de erelonen dient dus bepaald te worden in functie van wat effectief gepresteerd werd door tweede geïntimeerde. Desbetreffend stelde de eerste rechter dat het door (huidige) geïntimeerden voorgelegde dossier weinig elementen bevat ter beoordeling van de ware prestaties van tweede geïntimeerde. Om die reden beval hij de heropening van de debatten teneinde huidige geïntimeerden toe te laten bijkomende stukken en elementen bij hun dossier te voegen. Het dossier dat thans wordt neergelegd bevat behalve een opsomming van prestaties zonder meer (stuk 19) enkel wat boekhoudkundige stukken en andere gegevens die verzameld werden (stukken 20). Er is tevens sprake van veelvuldige vergaderingen (kabinet van landbouw, gemeentebesturen, banken enz.) waarvan geen spoor terug te vinden is in het dossier. Hetzelfde geldt voor wat de opgesomde briefwisseling betreft. Het dossier bevat overigens enkel stukken die volgens geïntimeerden ten exemplatieve titel worden bijgebracht. In de gegeven omstandigheden wordt het ereloon dan ook ex aequo et bono en in alle redelijkheid begroot op 2.000 euro . Het bestreden vonnis wordt op dit punt hervormd. 3.2.
  16. Er wordt tenslotte andermaal verwezen naar de verklaring van tweede geïntimeerde waarin hij stelde al zijn rechten en vorderingen uit zijn hoedanigheid van advocaat en medevennoot t.o.v. de burgerlijke vennootschap te hebben overgedragen aan mevrouw C. D. (zie verder ook wat uiteengezet werd in punt 3.
  17. van huidig arrest). Eerste geïntimeerde is derhalve als enige partij gerechtigd om deze erelonen te ontvangen. Welke onderlinge afspraken tussen geïntimeerden werden gemaakt m.b.t. deze erelonen is niet duidelijk en maakt overigens niet het voorwerp uit van huidig debat zodat de vordering enkel gegrond is in hoofde van eerste geïntimeerde. 3.2.5.Ter zitting van 8 december 2008 hebben beide partijen wat de rechtsplegingsvergoeding om de toepassing gevraagd van het basistarief. Gelet op de door geïntimeerden in hun laatste conclusie gevorderde bedrag (= 53.214,66 euro in hoofdsom) bedraagt de rechtsplegingsvergoeding 2.500 euro . Dit bedrag komt ten beloop van 6/10den toe aan geïntimeerden als (deels) in het gelijk gestelde partij. 4/10den van dit bedrag blijft te hunner laste. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis in zoverre hierin de hoofdvordering en de vordering in tussenkomst ontvankelijk werden verklaard en hervormend voor het overige, Veroordeelt de N.V. EEG Slachthuizen L.A.R. tot betaling aan mevrouw C. D. van een bedrag van TWEEDUIZEND EURO (2.000 euro ), plus de moratoire intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf 30 augustus 1990 tot op de datum van huidig arrest waarna vermeerderd met de gerechtelijke intresten aan dezelfde intrestvoet. Veroordeelt appellante tot 6/10 van de kosten in beide aanleggen en geïntimeerden tot de overige 4/10, in hun geheel begroot - in hoofde van appellante op euro 2.998,27 ( 312,35 rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg + 185,92 rolrecht beroep + 2.500 rechtsplegingsvergoeding beroep), en - in hoofde van geïntimeerden op euro 2.995,92 ( 123,38 dagvaarding + 59,49 rolrecht + 312,35 rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg + 2.500 rechtsplegingsvergoeding beroep). Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 10/2/2009 waar aanwezig waren en zitting hielden : Astrid DE PREESTER, Raadsheer d.d. Voorzitter, Marc DEBAERE, Raadsheer, Thierry TAFFIJN, Plaatsvervangend Raadsheer, Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS Th. TAFFIJN M. DEBAERE A. DE PREESTER Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.