← België

ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090217.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 17 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090217.1 Rolnummer: 2005AR1949 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-02-18 Raadplegingen: 118 - laatst gezien 2026-07-02 19:12 Fiche UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ERFRECHT - Erfrecht - Onderscheiden orden - Langstlevende echtgenoot Vrije woorden: Artikel 745quater, §1 en artikel 745sexies B.W. I. Omzetting van het erfrechtelijk vruchtgebruik van de langstlevende echtgenoot in samenloop met kinderen. Facultatief karakter van de omzetting: vriteria voor het gerechtelijk al of niet toelaten van de omzetting. II. Wijze van omzetting van dit vruchtgebruik. Draagwijdte van artikel 832 B.W. in dit verband. Mogelijke toepassing van de gerechtelijke verkoping, hetzij op basis van art. 1211 Ger. W., hetzij op basis van art. 1220 Ger. W. III. Waardebepaling van het erfrechtelijk vruchtgebruik van de langstlevende echtgenoot bij kapitalisatie ervan. Toepassing van artikel 745sexies, § 3 B.W.: criteria. Quid art 21 Wetb. Succ. R. Quid de gebruikelijke tabellen bij het notariaat? Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2009/ A.R. nr. 2005/AR/1949 INZAKE VAN : De heer K. B. X., appellant tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 10 juni 2002, vertegenwoordigd door Meester DE KEERSMAECKER François, advocaat te 2800 MECHELEN, Paardenstraatje 35, 1ste kamer TEGEN : 1) Mevrouw M. C. S., eerste geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Nathalie HEREMANS loco Meester Dirk TILLEMANS, advocaat te 3000 LEUVEN, Bondgenotenlaan 132, 2) Mevrouw V. X., , tweede geïntimeerde, in persoon verschijnende, Gelet op de procedurestukken: · de voor eensluidend verklaarde afschriften van de vonnissen uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 10 juni 2002 en 30 mei 2005, beslissingen waarvan geen akte van betekening wordt overgelegd; · het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 18 juli 2005; · de conclusie van eerste geïntimeerde neergelegd ter griffie op 22 september 2005; · de conclusie van appellant neergelegd ter griffie op 14 december 2005; · de aanvullende conclusie van eerste geïntimeerde neergelegd ter griffie op 18 januari 2006. Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 8 december 2008 en gelet op de stukken die zij neerlegden. I. Voorwerp van de vorderingen. 1.1. Bij verzoekschrift neergelegd op 19 februari 2002 (toepassing van artikel 745 sexies, §2 B.W.) vroeg huidige eerste geïntimeerde, M. S.,

(1)de omzetting van haar vruchtgebruik in de volle eigendom op de activa van de nalatenschap met uitzondering van de preferentiële goederen, zijnde de gezinswoning gelegen te Y., V271 en de stofferende inboedel,
(2)haar akte te verlenen van haar aanbod om aan elk van de naakte eigenaars, ten titel van afkoop, een provisioneel bedrag van 1 euro te zullen betalen, onder voorbehoud van vermeerdering of vermindering en
(3)alvorens ten gronde te beslissen, notaris T. Vermeire met standplaats te Hoeilaart, aan te stellen met als opdracht zijn advies uit te brengen omtrent de vordering tot omzetting van het vruchtgebruik in volle eigendom, met uitzondering van de preferentiële goederen, conform de procedure voorzien in de artikelen 1207 - 1255 Ger.W. alsook een tweede notaris aan te stellen om de weigerende of niet - verschijnende partij te vertegenwoordigen. 1.2. X. K., huidige appellant, verzette zich tegen de aanstelling van notaris Vermeire en vroeg bij wijze van tegeneis,
(1)de woning gelegen te Y. mee te betrekken in de procedure van omzetting gezien mevrouw S. daar inmiddels niet meer verbleef als gevolg waarvan die woning niet meer kon genieten van de bescherming als gezinswoning,
(2)een deskundige aan te stellen met als opdracht over te gaan tot de schatting van de goederen afhangende van de nalatenschap en waarvan de omzetting gevraagd werd en
(3)indien de woning te Y. niet betrokken zou worden in de procedure van omzetting, in elk geval een deskundige aan te stellen met als opdracht de staat te beschrijven waarin dit onroerend goed zich bevond. 1.3. Bij tussenvonnis uitgesproken op 10 juni 2002 werd(en): -
(1)de hoofdeis en de tegeneis ontvankelijk verklaard; -
(2)de hoofdeis gegrond verklaard en de tegeneis deels gegrond; -
(3)de vordering van M. S. strekkende tot omzetting van haar vruchtgebruik in volle eigendom op de activa van de nalatenschap, met uitzondering van de preferentiële goederen, zijnde de gezinswoning te Y. en de stofferende inboedel, gegrond verklaard en werd haar akte verleend van haar aanbod om aan elk van de oorspronkelijke verweerders een provisie van 1 euro te betalen ten titel van afkoop; -
(4)M. S. veroordeeld tot betaling aan elk van de oorspronkelijke verweerders van een provisie van 1 euro ; -
(5)de partijen verzonden naar notaris Simonart met standplaats te Leuven teneinde de vordering tot omzetting uit te werken conform de procedure voorzien in de artikelen 1207 t.e.m. 1225 Ger.W.; -
(6)de instrumenterende notaris aangemaand een voorstel voor te leggen aan de partijen na de waarde van de met vruchtgebruik belaste goederen te hebben vastgesteld; -
(7)de heer Talloen met standplaats te Leuven aangesteld als tweede notaris overeenkomstig artikel 1209, lid 3 Ger.W.; -
(8)de heer W. D. aangesteld als deskundige met o.m. als opdracht de staat van het onroerend goed gelegen te Y. te beschrijven alsmede tot schatting over te gaan van een appartement gelegen in Z.,... -
(9)de heer C. M. aangesteld als deskundige met o.m. als opdracht zijn advies te verlenen nopens de financiële activa van de nalatenschap van wijlen Y1 X.; -
(10)de beslissing over de kosten aangehouden. Deskundigen D. en M. legden hun deskundigenverslag respectievelijk neer op 1 april 2004 en 7 april
  1. Het P.V. van de opening van de werkzaamheden, de staat van omzetting, het P.V. van beweringen en zwarigheden en het daarop volgend advies van notaris Simonart werden neergelegd op 27 oktober
  2. 1.
  3. Huidige appellant wierp voor de notaris hierna volgende bezwaren op: " 1/ De heer X. verzet zich formeel tegen de waardebepalingen zoals vastgesteld door de door de rechtbank aangestelde deskundige. Onder voorbehoud van al zijn rechten dienaangaande stelt hij dat de openbare verkoping van het appartement gestaan en gelegen te Z., ... dient door te gaan. De voornoemde gevorderde verkoop van het kwestieuze appartement is een gevolg van de houding ingenomen door de heer X. K. van in den beginne waarbij hij zich verzet heeft tegenover de vordering tot omzetting van het vruchtgebruik. 2/ De heer X. is van oordeel dat enkel en alleen mevrouw S. verantwoordelijk is voor het verlies van de aandelen van de BVBA X.. Na het overlijden van de heer X. heeft zij inderdaad het bestuur over de voornoemde vennootschap waargenomen zodanig dat het faillissement dat daarin tussenkwam enkel en alleen het gevolg is van haar handelen. Het spreekt vanzelf dat de waarde van de aandelen had moeten berekend worden op het ogenblik van het overlijden van de vader van K. en het vanzelfsprekend niet opgaat dat, gelet op het faillissement, de heer X. dienaangaande geen rechten zou kunnen laten gelden. " Deze werden alle weerlegd door de instrumenterende notaris. 1.
  4. Aan de rechtbank vroeg appellant: - de openbare verkoop te bevelen van het pand te Z.,..., appartement nr. ... en autostandplaats ...; - ondergeschikt te zeggen voor recht dat genoemd pand dient geraamd te worden aan huidige waarde en dienaangaande een nieuwe schatting te bevelen; - te zeggen voor recht dat de waarde van de aandelen van de BVBA X. dient opgenomen te worden aan een bedrag van 1.214.166 BEF of 30.098,39 euro . Bij eindvonnis gewezen op 30 mei 2005 heeft de eerste rechter de staat van notaris Simonart dd. 6 oktober 2004 gehomologeerd conform artikel 1224 Ger.W. In dit vonnis werd geen uitspraak gedaan over de gerechtskosten. 1.
  5. Het hoger beroep van appellant - ingesteld tegen zowel het tussenvonnis van 10 juni 2002 als tegen het eindvonnis van 30 mei 2005 - beoogt: -
(1)in hoofdorde, de oorspronkelijke vordering van M. S. ontvankelijk te horen verklaren doch integraal te horen afwijzen als ongegrond; -
(2)in ondergeschikte orde, voor zover de vordering van M. S. strekkende tot omzetting van haar vruchtgebruik in volle eigendom op het activa van de nalatenschap met uitzondering van de preferentiële goederen, zijnde de gezinswoning gelegen te Y. en de stofferende inboedel, gegrond zou worden verklaard: (
  1. a)de openbare verkoop te horen bevelen van het appartement gelegen in Z. samen met de bijhorende autostandplaats; (
  2. b)een notaris te horen aanstellen gelast met de bewerkingen van deze openbare verkoop; (
  3. c)de staat van notaris Simonart dd. 6 oktober 2004 te horen vernietigen; (
  4. d)een andere notaris te horen aanstellen met het oog op het opstellen van een nieuwe staat; (
  5. e)te horen zeggen voor recht dat de aangestelde notaris rekening dient te houden met alle wettelijke criteria voor de bepaling van de waarde van het vruchtgebruik van M. S.; (
  6. f)te horen zeggen voor recht dat de aangestelde notaris de waarde van het vruchtgebruik dient te bepalen aan de hand van de techniek van de gekapitaliseerde rente; (
  7. g)te horen zeggen voor recht dat de aandelen in de BVBA ... dienen te worden gewaardeerd op het ogenblik van het openvallen van de nalatenschap van Y1 X.; (
  8. h)te horen zeggen voor recht dat geen rekening mag worden gehouden met de bedragen bekomen uit hoofde van de schuldsaldoverzekering, aangegaan m.b.t. de hypothecaire lening aangaande de onroerende goederen afhangende van de nalatenschap gelegen in Z.. 1.7. Eerste geïntimeerde vraagt het hoger beroep niet ontvankelijk minstens ongegrond te verklaren en dienvolgens de beide bestreden vonnissen integraal te willen bevestigen. 1.8. Tweede geïntimeerde legde geen conclusie neer. II. De Feiten. 2.1. De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis. 2.2. Samengevat komt het hierop neer dat Y1 X., echtgenoot van eerste geïntimeerde en vader van appellant en tweede geïntimeerde, op 13 maart 1999 testamentloos is overleden. Y1 X. en M. S. waren gehuwd onder het stelsel van zuivere scheiding van goederen en er was bovendien een contractuele erfstelling bedongen ten voordele van de langstlevende voor wat het grootste beschikbaar deel betreft. De nalatenschap van Y1 X. kwam derhalve toe voor 1/3 in volle eigendom en 2/3 in vruchtgebruik aan M. S. en voor 1/3 in naakte eigendom aan elk van de beide kinderen. De nalatenschap omvatte o.a. de helft in volle eigendom van een appartement met autostandplaats in Z. waarvan de andere helft eigendom is van M. S. alsmede financiële activa, waaronder 245 aandelen in de BVBA X. . De oorspronkelijke aangifte van nalatenschap van 5 augustus 1999 werd ondertekend door de weduwe en de beide kinderen doch de aanvullende aangifte van 10 oktober 2001 werd niet ondertekend door de zoon, huidige appellant. III. Wat de ontvankelijkheid betreft van het hoger beroep tegen het tussenvonnis van 10 juni 2002: 3.1. Appellant tekende hoger beroep aan tegen zowel het tussenvonnis van 10 juni 2002 als tegen het eindvonnis van 30 mei 2005. Geïntimeerde is de mening toegedaan dat het hoger beroep ingesteld tegen het tussenvonnis niet ontvankelijk is omdat appellant berust zou hebben in deze beslissing. 3.2. Het tussenvonnis van 10 juni 2002 maakt integraal deel uit van het P.V. houdende de opening van de werkzaamheden dd. 4 november 2002. Uit voornoemd P.V. blijkt dat appellant (vrijwillig) verschenen is bij de opening van de werkzaamheden. Dit P.V. vermeldt bovendien ook nog het volgende: " Die de notaris verzocht hebben (= broer en zus) te acteren dat zij heden verschenen zijn om te voldoen aan de aanmaningen en over te gaan tot de aanvang van de bewerkingen. Ingaand op het voorafgaand verzoek heeft ondergetekende Notaris verklaard de desbetreffende bewerkingen aan te vatten. Daartoe uitgenodigd hebben alle verschijners verklaard ermee akkoord te gaan dat de Notaris de deskundigen zou verzoeken om hun opdracht uit te voeren zoals in voormeld vonnis voorzien, en met inachtneming van de voorschriften van de artikelen 962 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek. De Heer X. K. heeft mij verzocht te noteren dat hij formeel voorbehoud maakt voor het feit dat hij eveneens de omzetting van het vruchtgebruik vordert wat betreft het goed te Y...., De instrumenterende notaris verzoekt beide partijen uiterlijk op vier december tweeduizend en twee hem alle stukken te bezorgen die van enig nut zouden kunnen zijn om huidige omzetting van vruchtgebruik te bewerkstelligen. Met de stukken die niet binnen de gestelde termijn worden bezorgd, zal er geen rekening gehouden worden. ... (volgen de handtekeningen) " (onderstreping toegevoegd). In het P.V. van 12 augustus 2004 houdende de zwarigheden van appellant werd verder geacteerd dat de voornoemde gevorderde verkoop van het kwestieuze appartement een gevolg is van de houding ingenomen door de heer K. X. van in den beginne waarbij hij zich verzet heeft tegenover de vordering tot omzetting van het vruchtgebruik. Appellant heeft van bij de aanvang van de notariële verrichtingen een voorbehoud geformuleerd voor wat de woning in Y. betreft die hij niet meer als de gezinswoning beschouwde en dus niet als een preferentieel goed beschouwde, stelling die niet werd gevolgd door de eerste rechter. Eén van de door hem geuite zwarigheden is dat hij zich nog steeds verzet tegen een omzetting van het vruchtgebruik. Door een dergelijke houding aan te nemen, toont appellant aan dat hij niet berust heeft in het bestreden tussenvonnis. De stilzwijgende berusting kan alleen worden afgeleid uit bepaalde en met elkaar overeenstemmende akten of feiten waaruit blijkt dat de partij het vaste voornemen heeft haar instemming te betuigen met de beslissing. De stilzwijgende berusting kan enkel volgen uit handelingen of feiten die wijzen op een zekere en ondubbelzinnige instemming met de beslissing. De zelfs spontane tenuitvoerlegging door de veroordeelde partij van een niet uitvoerbare beslissing maakt geen berusting uit, indien niet blijkt dat deze partij de zekere en vaste bedoeling had zich bij het vonnis neer te leggen. Uit het feit dat eerste geïntimeerde de handelwijze van appellant kwalificeert als een " deloyale procesvoering " kan evenmin afgeleid worden dat appellant in het voornoemd tussenvonnis berust zou hebben en het hoger beroep om deze reden niet ontvankelijk zou zijn. 3.4. Zowel het hoger beroep gericht tegen het tussenvonnis van 10 juni 2002 als tegen het eindvonnis van 30 mei 2005 zijn ontvankelijk. III. Beoordeling. 3.1. Wat het verzoek tot omzetting van het vruchtgebruik betreft (= voorwerp van het tussenvonnis): 3.1.1. Appellant betwist in hoofdorde de beslissing van 10 juni 2002 waarbij ingegaan werd op het verzoek van M. S. om haar vruchtgebruik om te zetten in volle eigendom. Indien deze vordering toch gegrond zou worden verklaard, vraagt appellant de (openbare) verkoop van het appartement met bijhorende autostandplaats gelegen in Z.. 3.1.2. Krachtens artikel 745 quater, §1 B.W. kan, wanneer de blote eigendom behoort aan de afstammelingen van de vooroverleden echtgenoot - wat in deze het geval is -, aan zijn geadopteerde kinderen of aan afstammelingen van dezen, de langstlevende echtgenoot of één van de blote eigenaars vorderen dat het vruchtgebruik geheel of ten dele wordt omgezet, hetzij in volle eigendom, hetzij in een geldsom, hetzij in een geïndexeerde rente. Er kan niet betwist worden dat eerste geïntimeerde aan de voorwaarden voorzien in voornoemd artikel voldoet en zij derhalve overeenkomstig deze wetsbepaling de omzetting van haar vruchtgebruik kan vorderen. Wanneer echter - zoals in deze - de vordering uitgaat van de langstlevende en deze in samenloop komt met afstammelingen, is de rechter niet verplicht om deze omzetting toe te staan . In een dergelijk geval dient immers onderzocht te worden of een dergelijke vordering gegrond kan verklaard worden, rekening houdende met de billijkheid en de belangen van alle in de zaak betrokken partijen. De omzetting mag immers niet als gevolg hebben dat aan één partij een onverantwoord voordeel wordt toegekend of tot nadeel van een partij strekt. Appellant wordt bijgevolg gevolgd in zijn redenering dat de eerste rechter deze omzetting toestond zonder nadere motivering en zodoende zonder nader onderzoek aangaande de belangen van alle betrokken partijen. 3.1.3. Een analyse van het dossier toont echter aan dat er geen redenen voorhanden zijn om niet in te gaan op het verzoek van eerste geïntimeerde tot omzetting van haar vruchtgebruik. Vooreerst dient in herinnering te worden gebracht dat de ratio legis van het omzettingsrecht enerzijds gelegen is in het ondervangen van de (soms) zware economische nadelen die verbonden zijn aan het vruchtgebruik, omdat met vruchtgebruik bezwaarde goederen geïmmobiliseerd zijn en anderzijds in het ondervangen van de spanningen tussen vruchtgebruiker en blote eigenaars o.m. wat betreft de bijdragen in de kosten van de met vruchtgebruik belaste goederen. In deze zaak kan niet ontkend worden dat de relatie tussen moeder en zoon verstoord is en de relatie vruchtgebruiker - blote eigenaar enkel nog tot grotere moeilijkheden aanleiding kan geven wanneer het erop aankomt de bijdragen in de onkosten onderling te regelen. Bovendien was het de wil van echtgenoot/vader dat de langstlevende zou blijven beschikken over de goederen behorende tot de nalatenschap en dit tot beloop van het grootst mogelijk beschikbaar deel. Als gevolg hiervan is eerste geïntimeerde immers reeds voor 1/3de volle eigenaar van het appartement aan de kust en appellant slechts tot beloop van 1/6e blote eigenaar. Uit de staat van 12 augustus 2004 blijkt verder dat de nalatenschap overwegend bestaat uit het appartement aan de kust - buiten de gezinswoning - dat bovendien belast is met een hypothecair krediet bij Fortis waarvan het openstaand saldo op 18 mei 2004 nog 15.341,93 euro bedroeg en verder nog wat gelden en tegoeden die echter eerder beperkt van omvang zijn. Volledigheidshalve wordt hieraan toegevoegd dat eerste geïntimeerde na haar echtgenoot op vrij vroege leeftijd te hebben verloren na diens overlijden ook nog geconfronteerd werd met het faillissement van de BVBA X. die zij destijds met haar man uitbaatte zodat redelijkerwijze kan aanvaard worden dat het appartement aan zee een emotionele connotatie voor haar meebrengt. Appellant toont niet aan in de gegeven omstandigheden welk concreet nadeel de omzetting van het vruchtgebruik voor hem zou kunnen meebrengen. Hij ontvangt thans een tegenwaarde in geld waarover hij onmiddellijk kan beschikken. Het feit dat hij tevens emotionele banden heeft met het bewuste appartement is ondergeschikt aan de wil van zijn vader om eerst aan zijn echtgenote een ruim genots - en/of beschikkingsrecht toe te kennen over de goederen van zijn nalatenschap. Volledig ten overvloede wordt hieraan toegevoegd dat een regeling tussen moeder en zoon het mogelijk kan maken dat betrokkenen verder kunnen blijven genieten van het bewuste appartement aan zee. 3.1.4. Het hof bevestigt derhalve het bestreden (tussen)vonnis van 10 juni 2002 waarin de omzetting werd toegestaan op grond weliswaar van een objectieve belangenafweging die ontbreekt in gezegde beslissing. 3.1.5. In dit verband zal appellant verder inroepen dat het ingediende verzoekschrift op grond van artikel 745 secties, §2 B.W. bovendien geen precieze eis bevatte met betrekking tot de gevorderde wijze van omzetting en de eerste rechter in zijn tussenvonnis zonder verdere precisering de omzetting van het vruchtgebruik in volle eigendom heeft toegekend. In tegenstelling met wat appellant voorhoudt, blijkt wel degelijk dat eerste geïntimeerde de omzetting vroeg van haar vruchtgebruik in volle eigendom (= conform één van mogelijke wijze bepaald in artikel 745 quater, §1 B.W.) en niet in een geldsom of in een rente . Appellant houdt verder voor dat de eerste rechter de wijze van omzetting had dienen te bepalen. Wat hij hiermee precies bedoelt, is echter niet duidelijk. De eerste rechter heeft in zijn tussenvonnis wel degelijk bepaald dat de omzetting van het erfrechtelijk vruchtgebruik diende te gebeuren bij wijze van een omzetting in volle eigendom zoals overigens ook gevraagd werd. Dit hoefde overigens zelfs niet eens. De rechtbank kon immers de zaak zonder meer naar de notaris verwijzen opdat deze dan zou kunnen voorstellen welke in casu de meest adequate of opportuun de beste wijze van omzetting was. De boedelnotaris heeft inmiddels aangetoond dat een omzetting van het vruchtgebruik in volle eigendom mogelijk en opportuun was zodat hieromtrent geen verder debat meer moet worden gevoerd. In tegenstelling met de beweringen van appellant hoefde de eerste rechter evenmin de verkoop van de goederen die niet gevoeglijk konden worden verdeeld te bevelen en miskende hij dus niet de werking van artikel 1211 Ger.W. In deze is zowel artikel 1211 Ger.W. als artikel 1220 Ger.W. van toepassing. Dit houdt in dat de rechtbank wettelijk beschikt over twee instrumenten, zijnde ofwel onmiddellijk de openbare verkoop bevelen (= toepassing van artikel 1211 Ger.W.) ofwel in de loop van de vereffening overgaan tot het bevelen van die openbare verkoop (= toepassing van artikel 1220 Ger.W.). Het staat bijgevolg aan de rechter vrij om niet onmiddellijk de openbare verkoop te bevelen en het resultaat van de verrichtingen bij de notaris af te wachten. In artikel 745 sexies, § 2 B.W. wordt overigens vermeld dat de rechtbank in voorkomend geval de verkoop kan gelasten van de volle eigendom van het geheel of van een deel der goederen die met vruchtgebruik belast zijn. Uit de staat van de notaris blijkt - zoals reeds vermeld werd - dat de omzetting in volle eigendom mogelijk was in die zin dat de langstlevende echtgenote de blote eigendom verkrijgt van bepaalde goederen van de nalatenschap mits afstand te doen van haar vruchtgebruik op andere goederen van de nalatenschap waardoor zowel de langstlevende echtgenote als haar twee kinderen finaal elk goederen in volle eigendom uit de nalatenschap verwerven. Het is dan ook ten onrechte dat appellant aan de eerste rechter verwijt in de gegeven omstandigheden niet te zijn overgegaan tot het bevelen van de verkoop van het appartement met autostandplaats aan zee. Appellant maakt tenslotte een oneigenlijke toepassing van artikel 832 B.W. Dit artikel bepaalt dat om het verbrokkelen van erven en het splitsen van bedrijven zo veel mogelijk te vermijden men, zo mogelijk, in elke kavel een gelijke hoeveelheid roerende goederen, onroerende goederen, rechten of schuldvorderingen van gelijke aard en gelijke waarde dient op te nemen. Hieruit leidt appellant ten onrechte af dat elke erfgenaam, ter voldoening van zijn rechten, evenveel goederen toekomt van dezelfde soort en derhalve in huidige zaak diende overgegaan te worden tot de verkoop van het bewuste appartement opdat er dan zou kunnen worden overgegaan tot een verdeling van enkel gelden tussen alle erfgenamen. De voorschriften van artikel 832 B.W. houden alleen richtlijnen in voor de rechter die, met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, moet oordelen over de vraag of de betrokken onroerende goederen genoeglijk kunnen worden verdeeld. De tekst van de wet, met de woorden " zoveel mogelijk " en " zo mogelijk " geeft te kennen dat de rechter ter zake vrij oordeelt . In deze zaak bestaat de nalatenschap enkel uit gelden enerzijds en een onroerend goed anderzijds zodat het vormen van kavels met goederen van gelijke aard in se uitgesloten is. De verkoop van het onroerend goed is in deze echter niet aan de orde gezien inmiddels gebleken is dat de goederen afhangende van de nalatenschap wel degelijk gevoeglijk konden verdeeld worden, een verdeling in natura steeds de voorkeur geniet boven een (openbare) verkoop en mede gelet op de wil van de overledene om buiten het erfrechtelijk deel tevens het grootst mogelijk beschikbaar deel van zijn nalatenschap na te laten aan de langstlevende. De eerste rechter heeft in het bestreden tussenvonnis bijgevolg terecht de omzetting toegekend van het vruchtgebruik in volle eigendom en is terecht niet overgegaan tot het bevelen van de verkoop van het appartement met aanhorigheden. 3.2.Wat de omzetting van het vruchtgebruik betreft m.b.t. de woning te Y. (= voorwerp van het tussenvonnis): 3.2.1. Appellant houdt voor dat ingeval dat omzetting toegestaan wordt de woning in Y. hierbij betrokken moet worden omdat geïntimeerde daar inmiddels niet meer zou wonen en die woning zodoende niet meer kan beschouwd worden als de gezinswoning. 3.2.2. Artikel 745 quater, §4 B.W. bepaalt dat het vruchtgebruik van het onroerend goed dat bij het openvallen van de nalatenschap het gezin tot voornaamste woning diende, en van het daarin aanwezige huisraad, niet kan worden omgezet dan met instemming van de langstlevende echtgenoot. Gelet op de wijze waarop eerste geïntimeerde haar verzoek tot omzetting steeds geformuleerd heeft (zie hoger) is duidelijk dat zij als langstlevende echtgenoot nooit akkoord is gegaan met de omzetting wat de gezinswoning betreft. Appellant bewijst verder niet dat op het ogenblik van het openvallen van de nalatenschap de woning in Y. niet meer als gezinswoning fungeerde. In de aangifte van nalatenschap en in alle overige notariële stukken wordt als verblijfplaats van eerste geïntimeerde steeds Y., .... vermeld. 3.2.2. Het is dan ook terecht dat de eerste rechter in voornoemd tussenvonnis de woning te Y. en de inboedel ervan als preferentiële goederen beschouwde die als zodanig uitgesloten werden uit de regeling inzake omzetting. 3.3. Wat de waardebepaling van het appartement gelegen in Z. betreft (= eerste bezwaar geuit door appellant) 3.3.1. Appellant verwerpt de schatting uitgevoerd door deskundige D. omdat deze ruim onder de commerciële handelswaarde zou liggen. Hij verwijt aan de deskundige bij de waardebepaling enkel rekening gehouden te hebben met de waarde van de goederen en niet met de overige 3 criteria opgesomd in artikel 745sexies, §3 B.W. 3.3.2. Artikel 745sexies, § 3 B.W. waarnaar appellant verwijst, houdt volgende principes in: · Het vruchtgebruik wordt berekend volgens de waarde op de dag van de omzetting (en dus a contrario niet met de waarde op de dag van het overlijden; · Bij die waardering wordt - volgens de tekst van de wet - onder meer en naargelang van de omstandigheden rekening gehouden : § met de waarde, § met de opbrengst, § met de eraan verbonden schulden en lasten, § met de vermoedelijke levensduur. De wetgever verplicht dus niet rekening te houden met al deze vier criteria samen. Appellant preciseert in casu niet waarom (= om welke concrete omstandigheden eigen aan de zaak) met welk criterium/criteria er nog rekening zou gehouden moeten worden. 3.3.3. Deskundige D. heeft integendeel op oordeelkundige wijze de waarde van het appartement in kwestie geraamd op 163.238 euro en het hof schaart zich achter de bevindingen van deze deskundige. Terloops wordt overigens opgemerkt dat appellant niet eens opmerkingen formuleerde op het voorverslag waarin tot dezelfde conclusie gekomen werd. Er is dan ook geen reden voorhanden om tot een nieuwe schatting over te gaan. 3.3.4. Derhalve kan het desbetreffende bezwaar geuit door appellant niet aangenomen worden en is er geen reden waarom de boedelnotaris zijn staat zou dienen aan te passen. Het bestreden eindvonnis wordt op dit punt dan ook bevestigd. 3.4. Wat de waarde van de aandelen betreft (= tweede bezwaar geuit door appellant): 3.4.1. Appellant betwist eveneens de schatting van de aandelen in de BVBA X. Verlichting. Hij is de mening toegedaan dat de waarde van deze aandelen diende geschat te worden op het ogenblik van het overlijden van vader omdat vanaf dat ogenblik zijn moeder het zaakvoerderschap van de vennootschap op zich nam wat uiteindelijk geleid heeft tot een faillissement. Hij argumenteert verder dat zijn moeder ingevolge haar slecht beheer de waarde van de aandelen zelf heeft beïnvloed en hij hiervan niet de " dupe " mag zijn. 3.4.2. Een dergelijke stelling kan niet aangenomen worden. Artikel 745sexies B.W. verwijst uitdrukkelijk naar de waarde op het ogenblik van de omzetting. Het is bovendien in deze niet bewezen dat door een fout of onregelmatigheid van zijn moeder, de waarde sinds het overlijden verminderd is. 3.4.3. De boedelnotaris dient zijn staat op dit punt evenmin aan te passen. Het bestreden eindvonnis wordt desbetreffend eveneens bevestigd. 3.5. Wat de opbrengst van de levensverzekering betreft (= derde bezwaar geuit door appellant): 3.5.1. Appellant meent dat de boedelnotaris ten onrechte stelt dat aangezien mevrouw S. alleenbegunstigde was van de levensverzekeringen door haar kinderen een vergoeding dient betaald te worden in functie van hun gerechtigheden in de nalatenschap. De uitgekeerde bedragen (= 883.593 BEF + 1.299.083 BEF) werden in rekening gebracht op de hypothecaire lening die een gemeenschappelijke schuld was. 3.5.2. Appellant legt echter geen stukken neer die de zienswijze van de boedelnotaris weerlegt. Volgens eerste geïntimeerde, hierin gevolgd door de boedelnotaris, bevatte de levensverzekeringen, destijds afgesloten bij de ASLK, een duidelijk en uitdrukkelijk beding enkel ten hare voordele. 3.5.3. De boedelnotaris dient zijn staat op dit punt evenmin aan te passen. Het bestreden eindvonnis wordt desbetreffend eveneens bevestigd. 3.6. Wat de bepaling van de waarde van het vruchtgebruik betreft (= vierde bezwaar geuit door appellant): 3.6.1. Appellant verwijt de boedelnotaris een techniek te hebben toegepast voor het bepalen van de waarde van het vruchtgebruik die niet alleen duister is doch ook niet correct. De notaris overwoog desbetreffend: " Bij toepassing van artikel 745secties §3 B.W. kan de waarde van het vruchtgebruik van mevrouw S., in functie van haar leeftijd (51 jaar) geschat worden op 68,25 % van de volle eigendom, overeenkomstig de in het notariaat algemeen toegepaste omzettingstabellen. " 3.6.2. De wetgever schrijft geen precieze criteria voor, m.b.t. de kapitalisatie van de waarde van het vruchtgebruik. Hij heeft dat, uitdrukkelijk, niet willen doen, bij de totstandkoming van de wet van 1981 over de erfrechten van de langstlevende echtgenoot. De wetgever heeft enkel de levensduurtabellen vervat in het wetboek der successierechten uitdrukkelijk niet als maatstaf aangehouden en vertrouwde voor het overige op de toepassing van recente levensduurtabellen, gebruikelijk in de praktijk. Die ene verwijzing van appellant naar één enkele auteur volstaat echter niet, om de door de notaris aangewende methode te verwerpen, nu hij de berekening deed overeenkomstig de in het notariaat algemeen toegepaste omzettingstabellen. Appellant haalt geen overtuigende argumenten aan tegen deze werkwijze van de notaris die een man van het vak is in dergelijke aangelegenheden. 3.6.3. Ook op dat punt wordt het standpunt van de boedelnotaris gevolgd. 3.7. Wat de gerechtskosten betreft: 3.7.1. Partijen hebben ter zitting van 8 december 2008 om de toepassing gevraagd van het basistarief wat de rechtsplegingsvergoeding betreft en dit voor vorderingen die niet in geld waardeerbaar zijn, hetzij 1.200 euro . 3.7.2. Deze rechtsplegingsvergoeding komt toe aan eerste geïntimeerde als de in het gelijk gestelde partij. Tweede geïntimeerde werd nooit bijgestaan door een raadsman en heeft tijdens de ganse procedure nooit enige vordering ingesteld zodat haar geen rechtsplegingsvergoeding toekomt. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk in zoverre gericht tegen de beide bestreden vonnissen doch ongegrond. Bevestigt de bestreden vonnissen (weliswaar op grond van andere motieven wat het tussenvonnis betreft), behoudens voor wat de kosten betreft (waarover geen uitspraak werd gedaan). Veroordeelt appellant in de kosten van beide aanleggen, begroot - in hoofde van hemzelf op euro 1.793,78 (349,53 rechtsplegingsvergoeding + 58,25 aanvullende rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg + 186 rolrecht + 1.200 rechtsplegingsvergoeding beroep), - in hoofde van eerste geïntimeerde op euro 1.813,10 (52 rolrecht + 349,53 rechtsplegingsvergoeding + 58,25 aanvullende rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg + 14,25 uitgifte + 139,07 betekening + 1.200 rechtsplegingsvergoeding beroep), en - in hoofde van tweede geïntimeerde op NIHIL; Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 17/2/09 waar aanwezig waren en zitting hielden : Astrid DE PREESTER, Raadsheer d.d. Voorzitter, Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer, Marc DEBAERE, Raadsheer, Viviane DE VIS, Griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.