id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 23 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090223.10 Rolnummer: 2006AR3447 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2013-06-28 Raadplegingen: 230 - laatst gezien 2026-07-02 19:15 Fiche De uitoefening van een rechtsmiddel is tergend, niet alleen wanneer het met kwaadwillige bedoelingen of uit boosaardigheid geschiedt of wanneer een partij het oogmerk heeft een andere partij te schaden, maar ook wanneer deze partij haar recht om in rechte op te treden uitoefent op een wijze die de perken van de normale uitoefening van dat recht door een voorzichtige en zorgvuldige persoon kennelijk te buiten gaan. De uitoefening van dat rechtsmiddel is roekeloos, wanneer zij lichtvaardig geschiedt. Het fundamentele recht om aanspraken en betwistingen voor te leggen aan de rechter, doet niets af aan de plicht van iedere normaal zorgvuldige gedingpartij om het debat op serene wijze en te goeder trouw te voeren. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Begrippen - Vordering (eis) - Tusseneis GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Tussengeschillen - Tusseneis GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Bewijs (gerechtelijk recht) - Schriftonderzoek GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Algemeen (rechtsmiddelen - gerechtelijk recht en cassatie) GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Hoger beroep (gerechtelijk recht) - Incidenteel hoger beroep GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Hoger beroep (gerechtelijk recht) - Gevolgen hoger beroep - Schadevergoeding en boete Vrije woorden: Rechtsmiddelen. Hoger beroep. Tergend en roekeloos. Beroep gesteund op een vals geschrift. Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2009/ A.R. nr. 2006/AR/3447 INZAKE VAN : De heer N. V., wonende te appellant tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 12 oktober 2006, vertegenwoordigd door Meester Tine DE HANDSETTERS loco Meester Ann VLEMINCKX, advocaat te 3000 LEUVEN, Vital Decosterstraat 46 bus 6 1ste kamer TEGEN : Mevrouw S. G., geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Rudi BEEKEN, advocaat te 3390 TIELT-WINGE, Kraasbeekstraat 41, De uitoefening van een rechtsmiddel is tergend, niet alleen wanneer het met kwaadwillige bedoelingen of uit boosaardigheid geschiedt of wanneer een partij het oogmerk heeft een andere partij te schaden, maar ook wanneer deze partij haar recht om in rechte op te treden uitoefent op een wijze die de perken van de normale uitoefening van dat recht door een voorzichtige en zorgvuldige persoon kennelijk te buiten gaan. De uitoefening van dat rechtsmiddel is roekeloos, wanneer zij lichtvaardig geschiedt. Het fundamentele recht om aanspraken en betwistingen voor te leggen aan de rechter, doet niets af aan de plicht van iedere normaal zorgvuldige gedingpartij om het debat op serene wijze en te goeder trouw te voeren. De rechter vermag te beslissen, zonder dat een schriftonderzoek overeenkomstig de art. 883 e.v. Ger.W. is bevolen, over de echtheid van het geschrift dat is ontkend door degene tegen wie het is ingeroepen op grond dat hij daartoe voldoende zekerheid heeft door de overgelegde gegevens en hun bewijswaarde. *********** I. DE PROCEDURE In deze zaak oordeelt het hof over het hoger beroep dat ingesteld is tegen een vonnis, gewezen na tegenspraak door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Leuven, op 12 oktober 2006 (A.R. 05/2484/A). Overeenkomstig artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken wordt voor de rechtspleging de Nederlandse taal gebruikt. De zaak wordt behandeld en berecht na tegenspraak. De partijen verklaren ter zitting van 15 december 2008 dat het bestreden vonnis niet werd betekend. Er ligt ook geen akte van betekening voor. Het hoger beroep werd ingesteld door de heer N. V. op 20 december
- II. DE FEITEN Partijen hebben enige tijd een relatie gehad. Volgens mevrouw G. was er enkel sprake van een "goede vriendschappelijke" relatie. Volgens de heer V. vormden ze een koppel. Er worden geen gegevens bijgebracht nopens de duur van deze relatie, noch wanneer deze een einde heeft genomen. Er bestaat geen betwisting tussen partijen dat de heer V. twee betalingen uitvoerde via overschrijving van zijn rekening, op 25 maart 2004 (637,17 euro) en 7 april 2004 (660,51 euro) aan Belgacom Mobile en dit in betaling van telefoonrekeningen van mevrouw G.. Mevrouw GOETRHUYS beweert dat er een onderlinge afspraak bestond tussen partijen dat elk de helft van deze GSM rekeningen zou betalen en zij het door haar aldus verschuldigde bedrag in contanten overhandigde aan de heer V.. De heer V. brengt een document bij, getiteld "overeenkomst" en vermeldende dat op 30 april 2004 tussen partijen het volgende werd overeengekomen: " G. S. VERKLAART HIERBIJ 15000 EURO TE HEBBEN ONTVANGEN VAN N. V. EN DIT ALS PERSOONLIJKE LENING. HET ONTLEENDE BEDRAG ZAL ZO SNEL MOGELIJK AAN V. N. TERUGBETAALD WORDEN. DOCH TEN LAATSTE HET VOLLEDIGE BEDRAG VOOR 31/12/
- V. N. ZAL GEEN INTREST AANREKENEN VOOR DE ONTLEENDE SOMMEN. G. S. VERKLAART HIERBIJ EVENEENS DE TELEFOONREKENINGEN VAN BELGACOM MOBILE DIE V. N. VOOR HAAR BETAALDE, TEN BEDRAGE VAN 637,17 EURO EN 660,51 EURO VOOR DEZE DATUM TE ZULLEN TERUGBETALEN." Mevrouw G. stelt deze overeenkomst niet te hebben opgesteld, noch ondertekend te hebben. Zij betwist tevens de inhoud van dit stuk. De raadsman van de heer V. stelde mevrouw G. in gebreke op 17 juni en 8 juli 2005 tot terugbetaling van het beweerd ontleende bedrag van 15.000 euro. Hierop kwam geen reactie vanwege mevrouw G.. III. DE VORDERINGEN EN DE BESTREDEN BESLISSING a. Eerste aanleg Op 14 november 2005 stelde de heer V. een inleidende vordering in tegen mevrouw G. ertoe strekkende betaling te bekomen van : 15.000 euro ten titel van leningsbedrag, plus intresten vanaf 1 januari 2005; 637,17 euro en 660,51 euro ten titel van voorgeschoten telefoonkosten, plus intresten vanaf 1 januari 2005; 1.250 euro (provisioneel) ten titel van verdedigingskosten de gerechtskosten In ondergeschikte orde, vorderde hij 4 feiten te mogen bewijzen met alle middelen van recht, getuigenbewijs inbegrepen. Mevrouw G. besloot in hoofdorde voor recht te zeggen dat de handtekening op het document getiteld "overeenkomst" van 30 april 2004 niet door haar werd gezet, in ondergeschikte orde alle dienstige onderzoeksmaatregelen te treffen om vast te stellen of de handtekening op het op 30 april 2004 opgestelde document met als titel "overeenkomst" al dan niet door haar gezet werd. Vervolgens besloot mevrouw G. tot de ongegrondheid van de vordering en stelde een tegeneis in ertoe strekkende de heer V. te horen veroordelen tot betaling van 16.297,68 euro uit hoofde van tergend en roekeloos geding. De eerste rechter verklaarde de vorderingen van partijen ontvankelijk, maar ongegrond en veroordeelde elk van de partijen tot de helft van de gerechtskosten. b. Hoger beroep De heer V. stelt hoger beroep in en herneemt zijn oorspronkelijke vorderingen en vordert bijkomend in meest ondergeschikte orde akte te nemen van de vordering tot schriftonderzoek in zijnen hoofde met betrekking tot de handtekening door mevrouw G. op het document op basis waarvan thans de terugbetaling wordt gevorderd. Mevrouw G. besluit tot de niet ontvankelijkheid van het hoger beroep, minstens tot de ongegrondheid ervan, in ondergeschikte orde herneemt zij haar vordering tot het stellen van alle dienstige onderzoeksmaatregelen om vast te stellen of de handtekening op het document getiteld "overeenkomst" van 30 april 2004 al dan niet door haar werd gezet. Zij stelt incidenteel hoger beroep in en herneemt haar oorspronkelijke tegeneis in betaling van 16.297,68 euro uit hoofde van tergend en roekeloos geding, plus gerechtelijke intresten. De heer V. besluit tot de niet-ontvankelijkheid van het incidenteel hoger beroep, minstens tot de ongegrondheid ervan. IV. DE GRONDEN VAN DE BESLISSING EN HET ANTWOORD OP DE MIDDELEN VAN DE PARTIJEN Betreffende de ontvankelijkheid van de hogere beroepen
- Uit de betaling op 7 november 2006 door mevrouw S. G. van de te haren laste gelegde gerechtskosten in het bestreden vonnis en de aanvaarding hiervan door de heer N. V. zonder enig voorbehoud, kan niet worden afgeleid dat de heer N. V. het vaste voornemen heeft gehad zijn instemming te betuigen met de bestreden beslissing. Integendeel ging de heer N. V. over tot het neerleggen van een beroepsverzoekschrift op 20 december 2006, zodat er van een stilzwijgende berusting in zijnen hoofde geen sprake is.
- Overeenkomstig artikel 1054 van het Gerechtelijk Wetboek kan de gedaagde in hoger beroep, in casu mevrouw S. G., te allen tijde incidenteel beroep instellen tegen alle partijen die in het geding zijn voor de rechter in hoger beroep, zelfs indien hij het vonnis zonder voorbehoud heeft betekend of er vóór de betekening in berust heeft. Het hoger beroep en het incidenteel hoger beroep zijn ontvankelijk. Betreffende de vordering van de heer V.
- De heer V. vordert enerzijds de terugbetaling van 15.000 euro uit hoofde van een beweerde lening toegestaan aan mevrouw G. en anderzijds terugbetaling van voorgeschoten telefoonkosten.
- De beweerde lening van 15.000 euro - De heer V. moet bewijzen dat hij een bedrag van 15.000 euro heeft overhandigd aan mevrouw G., die er zich toe verbonden zou hebben dit bedrag ten laatste op 31 december 2004 terug te betalen. De heer V. stelt uitdrukkelijk zijn vordering te steunen op een geschreven overeenkomst tussen partijen van 30 april
- Samen met de eerste rechter wordt gesteld dat een onderhandse akte slechts bewijskracht heeft indien hij erkend wordt door diegene tegen wie men er zich op beroept of indien hij wettelijk voor erkend wordt gehouden (artikel 1322 B.W.). Mevrouw G. ontkent op stellige wijze het door de heer V. voorgelegde stuk getiteld "overeenkomst" ondertekend te hebben.
- De heer V. blijft in gebreke aan te tonen dat de handtekening op het stuk wel degelijk de handtekening is van mevrouw G.. De door hem hiertoe bijgebrachte kopie van een werkloosheidskaart volstaat hiertoe niet, nu ook deze handtekening door mevrouw G. wordt ontkent. Bovendien stemt deze kopie niet overeen met het door mevrouw G. aan de RVA opgevraagde duplicaat van de werkloosheidskaart voor de maand april
- Er werden op deze kopie andere vakantiedagen aangeduid dan op het duplicaat. Ten overvloede is het eveneens eigenaardig dat de datum van de kopie van de stempelkaart zoals bijgebracht door de heer V. gedeeltelijk overlapt is met een zwarte vlek.
- De rechter vermag te beslissen, zonder dat een schriftonderzoek overeenkomstig de art. 883 e.v. Ger.W. is bevolen, over de echtheid van het geschrift dat is ontkend door degene tegen wie het is ingeroepen op grond dat hij daartoe voldoende zekerheid heeft door de overgelegde gegevens en hun bewijswaarde.(vgl. cass. 7 maart 2002, R.W. 2004-05, 508) Uit de vergelijking van de door mevrouw G. bijgebrachte kopie van haar rijbewijs en identiteitskaart blijkt afdoende dat de handtekening op de beweerde overeenkomst (en deze op de kopie van de werkloosheidskaart) niet dezelfde is als deze van mevrouw G. aangebracht op officiële documenten, zoals haar rijbewijs en identiteitskaart.
- Het door de heer V. gevorderde getuigenbewijs omtrent het feit dat tussen partijen een document is opgesteld en door hen beiden ondertekend is, waarin het bedrag en de terugbetalingsmodaliteiten zijn opgenomen en omtrent het feit dat mevrouw G. ten bewijze van haar handtekening, bij de ondertekening van de kwestieuze leningsovereenkomst dd. 30/04/2004 haar werkloosheidskaart heeft voorgelegd is in casu derhalve niet meer dienstig.
- Het voorgelegde stuk getiteld "overeenkomst" heeft geen enkele bewijskracht. De eerste rechter heeft terecht geoordeeld dat met dit stuk geen rekening kan worden gehouden.
- De heer V. bewijst niet dat hij aan mevrouw G. een bedrag van 15.000 euro heeft overhandigd en nog minder dat deze laatste er zich toe verbonden zou hebben dit bedrag terug te betalen. Het door de heer V. aangeboden getuigenbewijs hieromtrent is niet dienstig. Het enkele feit een geldsom te hebben overhandigd bewijst niet het bestaan van een lening. Noch de lening op zich, noch de teruggaveplicht van mevrouw G. kunnen worden bewezen met het door de heer V. voorgestelde getuigenbewijs. Het getuigenverhoor zoals gevorderd door de heer V. is niet dienstig en werd terecht afgewezen door de eerste rechter.
- Ook de niet gedateerde schriftelijke verklaring van de heer Kristian Bruyninckx is in casu niet dienstig, nu deze niet eigenhandig is opgemaakt door deze persoon. De heer Bruyninckx ondertekende een voorgetypte tekst (met hetzelfde lettertype als de litigieuze "overeenkomst" en dezelfde paginanummering), zodat deze niet als onafhankelijke getuige kan aanzien worden en onvoldoende waarborg biedt betreffende de geloofwaardigheid van de bijgebrachte getuigenis.
- De terugvordering van de betaalde telefoonkosten - De heer V. kan zich evenmin steunen op het stuk getiteld "overeenkomst" voor de terugvordering van de telefoonkosten en moet derhalve bewijzen dat hij deze betaald heeft en dat mevrouw G. deze moet terug betalen. Mevrouw G. erkent dat de heer V. deze telefoonkosten heeft betaald, hetgeen eveneens bewezen wordt door het attest van de KBC bank van 26 oktober
- Mevrouw G. zet uiteen, zonder hierover tegengesproken te worden door de heer V., dat tijdens hun relatie deze laatste regelmatig gebruik mocht maken van haar GSM en er een afspraak bestond dat elk de helft van de aanzienlijke rekening zou betalen. Zij stelt dat de heer V. de volledige som betaalde voor de maanden maart en april 2004 via zijn bankrekening, waarbij zij hem telkens de helft in contanten gaf. Mevrouw G. betwist dat er in deze sprake was van een lening en zij nog 637,17 euro en 660,51 euro terug moet betalen.
- Het treft dat enerzijds de heer V. reeds op 26 oktober 2004 een attest liet opmaken bij de KBC-bank, terwijl in de stelling van de heer V., mevrouw G. tot 31 december 2004 zou gehad hebben om deze bedragen terug te betalen. De twee ingebrekestellingen door de raadsman van de heer V. van 17 juni 2005 en 8 juli 2005 betreffen bovendien enkel en alleen de litigieuze lening en maken geen gewag van enige terugvordering van de door de heer V. betaalde telefoonrekeningen. Deze feitelijke gegevens ondersteunen de stelling van mevrouw G. dat deze telefoonrekeningen reeds lang en waarschijnlijk nog tijdens de relatie van partijen werden geregeld.
- De heer V. bewijst niet afdoende dat mevrouw G. de bedragen van 637,17 euro en 660,51 euro moet terugbetalen. Het hoger beroep van de heer V. is ongegrond. Betreffende de oorspronkelijke tegenvordering van mevrouw G. wegens tergend en roekeloos geding.
- Mevrouw G. stelt incidenteel hoger beroep in voorzover haar oorspronkelijke tegenvordering wegens tergend en roekeloos geding werd afgewezen door de eerste rechter. De uitoefening van een rechtsmiddel is tergend, niet alleen wanneer het met kwaadwillige bedoelingen of uit boosaardigheid geschiedt of wanneer een partij het oogmerk heeft een andere partij te schaden, maar ook wanneer deze partij haar recht om in rechte op te treden uitoefent op een wijze die de perken van de normale uitoefening van dat recht door een voorzichtige en zorgvuldige persoon kennelijk te buiten gaan (zie Cass. 31 oktober 2003, C020602F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031031.4, www.cass.be). De uitoefening van dat rechtsmiddel is roekeloos, wanneer zij lichtvaardig geschiedt.
- In casu blijkt uit bovenstaande motieven dat de heer V. een rechtsvordering instelde tegen mevrouw G. op basis van een stuk, waarvan de handtekening van mevrouw G. onecht werd bevonden. De heer V. moest weten dat het gebruik van een dergelijk stuk hem geen enkele kans op slagen bood. Het fundamentele recht om aanspraken en betwistingen voor te leggen aan de rechter, doet niets af aan de plicht van iedere normaal zorgvuldige gedingpartij om het debat op serene wijze en te goeder trouw te voeren. Door het instellen van een vordering in de bovengeschetste omstandigheden neemt deze proceshandeling het karakter van een onrechtmatige daad aan die, overeenkomstig het gemeen recht, de verplichting doet ontstaan om de schadelijke gevolgen ervan te vergoeden. De schadelijke gevolgen kunnen niet met zekerheid worden begroot, maar staan vast. In die omstandigheden raamt het hof, rekening gehouden met de ook toegekende rechtsplegingsvergoeding, deze schade in billijkheid op 500, EUR. Betreffende de gerechtskosten
- Sedert 1 januari 2008 is de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat en het K.B. van 26 oktober 2007 dat de nieuwe tarieven van de rechtsplegingsvergoeding bepaalt, van toepassing. Mevrouw G. is in casu de in het gelijkgestelde partij en kan aldus aanspraak maken op een rechtsplegingsvergoeding. Het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding bedraagt 1.100 euro voor een geschil dat betrekking heeft op vorderingen voor een bedrag van 10.000,01 euro tot 20.000 euro. Er bestaat in casu geen reden tot afwijking van het basisbedrag. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart de hogere beroepen ontvankelijk, maar enkel het incidenteel hoger beroep gegrond als volgt; Hervormt het bestreden vonnis in zoverre het de tegenvordering van mevrouw S. G. als ongegrond heeft afgewezen en elk van de partijen heeft veroordeeld tot de helft van de gerechtskosten; Opnieuw rechtsprekend enkel over deze punten en binnen de perken van het hoger beroep; Verklaart de oorspronkelijke tegenvordering van mevrouw S. G. gegrond; Veroordeelt de heer N. V. tot betaling aan mevrouw S. G. van VIJFHONDERD EURO (500 euro) uit hoofde van tergend en roekeloos geding; Veroordeelt de heer N. V. tot de gerechtskosten van beide aanleggen, deze van eerste aanleg zoals begroot door de eerste rechter en deze in hoger beroep begroot : - in hoofde van de heer N. V. op 186 euro (rolrecht beroep) en - in hoofde van mevrouw S. G. op 1.100 EUR rechtsplegingsvergoeding; Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 23/2/2009 waar aanwezig waren en zitting hielden : Nathalie DE RIJCK, Raadsheer, Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS N. DE RIJCK Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031031.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div