← België

ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090223.11

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 23 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090223.11 Rolnummer: 2008kr250 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2013-06-28 Raadplegingen: 92 - laatst gezien 2026-07-02 19:15 Fiche Het vereiste van belang in de zin van de artikelen 17 en 18 Ger. W. omvat ieder stoffelijk of zedelijk voordeel dat de eiser kan trekken uit de vordering die hij instelt, op het ogenblik dat hij ze aanhangig maakt. Relevant is het procesrechtelijke belang, dit is het belang dat de eiser heeft bij het voeren van een geding van een bepaalde aard en het verkrijgen van een rechterlijke uitspraak van een bepaalde aard, ongeacht de gegrondheid van de eis. Het omvat met andere woorden het nut van de procedure en de rechterlijke uitspraak op zich. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Rechtsvordering - Belang GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Materiële bevoegdheid - Voorzitter rechtbank - Kort geding (bevoegdheid voorzitter) Vrije woorden: Art. 17 en 18 Ger. W. Vereist belang: definitie Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2009/ A.R. nr. 2008/KR/250 INZAKE VAN : 1) De heer G. V. en zijn echtgenote 2) Mevrouw V. D., samenwonende te 8490 SNELLEGEM, Bosweg 35, appellanten tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 17 juli 2008, vertegenwoordigd door Meester Hans CAREME loco Meester Peter LUYPAERS, advocaat te 3001 HEVERLEE, Industrieweg 4 bus 1, 1ste kamer TEGEN : 1) Het OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN van BRUGGE, afgekort O.C.M.W. BRUGGE, vertegenwoordigd door de OCMW-voorzitter, waarvan de burelen gevestigd zijn te 8000 BRUGGE, Ruddershove 4, eerste geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Koen ALIET loco Meester Luc COUCKE, advocaat te 8000 BRUGGE, Cordoeanierstraat 17-19, 2) Het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, voor wie optreedt de Vlaamse Minister bevoegd voor openbare werken, energie, leefmilieu en natuur, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1000 BRUSSEL, Graaf de Ferrarisgebouw, Koning Albert II-laan 20 bus 2, tweede geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Jan BERGE, advocaat te 3000 LEUVEN, Naamsestraat 165, Het vereiste van belang in de zin van de artikelen 17 en 18 Ger. W. omvat ieder stoffelijk of zedelijk voordeel dat de eiser kan trekken uit de vordering die hij instelt, op het ogenblik dat hij ze aanhangig maakt. Relevant is het procesrechtelijke belang, dit is het belang dat de eiser heeft bij het voeren van een geding van een bepaalde aard en het verkrijgen van een rechterlijke uitspraak van een bepaalde aard, ongeacht de gegrondheid van de eis. Het omvat met andere woorden het nut van de procedure en de rechterlijke uitspraak op zich. ¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨¨ Gelet op de procedurestukken:  de voor eensluidend verklaard afschrift van de beschikking uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 17 juli 2008, beslissing die, volgens de partijen, niet betekend werd;  het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 21 augustus 2008;  de beroepsconclusie van de heer en mevrouw V.-D. neergelegd ter griffie op 7 november 2008;  de beroepsconclusie en vervangende syntheseconclusie in hoger beroep van het VLAAMSE GEWEST neergelegd ter griffie op respectievelijk 10 oktober en 20 november 2008; Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 15 december 2008 en gelet op de stukken die zij neerlegden. Het hoger beroep van de heer en mevrouw V. - D. werd regelmatig naar vorm en termijn ingesteld en is ontvankelijk. I. Voorwerp van de vorderingen. Op 3 april 2008 stelden de heer en mevrouw V. - D. een inleidende vordering in tegen het OCMW BRUGGE en het VLAAMSE GEWEST er toe strekkende te horen zeggen voor recht dat de uitvoering van de verkoopsovereenkomst die tussen het OCMW BRUGGE en het VLAAMSE GEWEST m.b.t. de percelen grond van 8ha 5a 77ca gelegen aan de Woudweg naar Zedelgem te Snellegem, kadastraal gekend onder sectie C, nrs. 618, 619b, 615a, 622a, 623a, 624a, 625a, 626a, 627a, 627/2, 631h, 638a, 639a, 640a, 641a, 642a, 643a, is tot stand gekomen, wordt geschorst en dat aan het VLAAMSE GEWEST, Agentschap Natuur en Bos, het verbod wordt opgelegd om over voormelde percelen te beschikken, deze met zakelijke rechten te belasten, deze te verhuren of te verpachten of deze te bebouwen of beplanten, zulks totdat met een in kracht van gewijsde getreden beslissing zal zijn geoordeeld over het rechtsgeldig karakter van de kwestieuze verkoopsovereenkomst. Het VLAAMSE GEWEST besloot vooreerst tot de onbevoegdheid van de kortgedingrechter en vervolgens samen met het OCMW BRUGGE tot de niet ontvankelijkheid, minstens ongegrondheid van de vordering. De eerste rechter heeft bij beslissing van 17 juli 2008 de vordering van de heer en mevrouw V. - D. afgewezen als ongegrond. In hoger beroep hernemen de heer en mevrouw V. - D. hun oorspronkelijke vordering, maar thans onder verbeurte van een dwangsom van 250.000 euro per overtreding. Het VLAAMSE GEWEST besluit de vordering, indien ontvankelijk, als ongegrond af te wijzen. Op de inleidingszitting van 12 september 2008 verscheen niemand voor het OCMW BRUGGE en werd door de heer en mevrouw V. - D. verstek gevorderd, hetgeen vastgesteld werd, tegen het OCMW BRUGGE. Er werden conclusietermijnen bepaald voor de heer en mevrouw V. - D. en het VLAAMSE GEWEST. De zaak werd vervolgens vastgesteld op de zitting van 15 december

  1. Op deze zitting verschenen alle partijen. De heer en mevrouw V. - D. hebben zich niet verzet tegen de verschijning van het OCMW BRUGGE op deze zitting, zodat het op de inleidingszititng vastgestelde verstek geacht moet worden gezuiverd te zijn. Ter zitting heeft het VLAAMSE GEWEST zich geëngageerd om de aangekochte goederen niet te beplanten, niet te verpachten enz. tot aan de uitspraak van huidig geding. I. De Feiten. De heer en mevrouw V. - D. zijn eigenaar van een woning in opbouw met aanpalende gronden aan de W.weg naar Z. te S.. Bij beslissing van 5 oktober 2007 besloot de Raad van het OCMW Brugge over te gaan tot verkoop van een perceel grond van 8ha 5a 77ca gelegen aan ..., kadastraal gekend onder sectie C, nrs. 618, 619b, 615a, 622a, 623a, 624a, 625a, 626a, 627a, 627/2, 631h, 638a, 639a, 640a, 641a, 642a, 643a aan het VLAAMSE GEWEST voor de prijs van 128.925 euro. Dit perceel is thans weiland en is gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. De toezichthoudende overheid heeft zich niet verzet tegen de tenuitvoerlegging van de raadsbeslissing. De akte van akte van aankoop werd gesloten op 13 december
  2. Deze akte werd geregistreerd op 15 januari 2008 en overgeschreven in het hypotheekkantoor te Brugge op 12 februari
  3. De heer en mevrouw V. - D. stellen interesse te hebben in de kwestieuze percelen die aan de overzijde van de straat zijn gelegen en welke zij wensen aan te wenden als weide voor hun dieren. Zij stellen wegens de gebrekkige publiciteit van het OCMW BRUGGE niet in kennis te zijn gesteld van het feit dat het OCMW BRUGGE voormelde percelen wenste te verkopen. De heer en mevrouw V. - D. hebben op 16 juni 2008 een procedure ten gronde ingeleid bij de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel ertoe strekkende de koop/verkoop tussen het OCMW BRUGGE en het VLAAMSE GEWEST te horen vernietigen. Deze zaak ten gronde is nog hangende. In afwachting van deze beslissing ten gronde vorderen zij voorlopge en bewarende maatregelen bij hoogdringendheid. II. De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van partijen. Betreffende de ontvankelijkheid van de oorspronkelijke vordering
  4. Het VLAAMSE GEWEST stelt dat de vordering niet ontvankelijk is, gezien de heer en mevrouw V. - D. niet zouden beschikken over het nodige belang overeenkomstig artikel 17 en 18 Ger.W. om huidige kortgedingprocedure in te stellen. Volgens het VLAAMSE GEWEST tonen de heer en mevrouw V. - D. niet aan dat zij tot aankoop van meer dan 8 ha weiland wensen over te gaan ten behoeve van een professionele exploitatie van een veeteeltinrichting, noch dat zij enig voordeel zouden kunnen halen uit een schorsing van de verkoopovereenkomst in kort geding, nu zij een procedure in nietigverklaring ten gronde hebben ingeleid.
  5. De vraag of de heer en mevrouw V. - D. overeenkomstig artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek het vereiste belang bezitten om hun oorspronkelijke vordering tegen het VLAAMSE GEWEST in te stellen, dient te worden beoordeeld op het ogenblik van het instellen van de vordering. De heer en mevrouw V. - D. stellen interesse te hebben in de aankoop van de kwestieuze percelen gelegen aan de overzijde van de straat waar ze wonen om deze te gebruiken als weiland voor hun dieren. Zij tonen aan dat zij in de onmiddellijk buurt wonen en dieren houden.
  6. De vereiste van ‘belang' omvat ieder stoffelijk of zedelijk voordeel dat de eiser kan trekken uit de vordering die hij instelt, op het ogenblik dat hij ze aanhangig maakt. Relevant is het procesrechtelijke belang, dit is het belang dat de eiser heeft bij het voeren van een geding van een bepaalde aard en het verkrijgen van een rechterlijke uitspraak van een bepaalde aard, ongeacht de gegrondheid van de eis. Het omvat met andere woorden het nut van de procedure en de rechterlijke uitspraak op zich. De heer en mevrouw V. - D. houden voor dat het VLAAMSE GEWEST de kwestieuze percelen wenst te bebossen hetgeen zij met huidige procedure in kort geding willen verhinderen en aldus een wachttoestand beogen waarbij de uitvoering van de verkoopovereenkomst wordt geschorst tot over de grond van de zaak zal worden geoordeeld. Zij stellen dat indien HET VLAAMSE GEWEST overgaat tot het bebossen van de kwestieuze percelen of deze omvormt tot natuurreservaat, dit een onomkeerbare situatie teweegbrengt, waardoor deze percelen niet meer bruikbaar zullen zijn voor het doel van weiland voor dieren. Aangezien het VLAAMSE GEWEST geenszins aanvoert dat de heer en mevrouw V. - D. de door hen gevorderde maatregel buiten de rechter om zouden kunnen bekomen, is het procesrechtelijke belang van de heer en mevrouw V. - D. om zich tot de rechter te wenden teneinde een rechterlijke uitspraak te verkrijgen, te dezen op evidente wijze aanwezig. De oorspronkelijke vordering van de heer en mevrouw V. - D. tegen het VLAAMSE GEWEST is bijgevolg ontvankelijk. Betreffende de hoogdringendheid van de gevorderde maatregel en de ogenschijnlijke rechten van partijen
  7. De heer en mevrouw V. - D. hebben in het gedinginleidend exploot laten gelden dat de vordering hoogdringend is vermits het VLAAMSE GEWEST op elk ogenblik over de percelen kan beschikken of deze kan bebossen. Aldus is de kortgedingrechter principieel bevoegd om de grond van de zaak te onderzoeken. Het onderzoek naar het bestaan van de daadwerkelijkheid van de ingeroepen urgentie behoort tot de grond van de zaak (vergelijk: Cass. AR 535, 11 mei 1990, Pas. 1990, I, 1045 en Cass. AR 537, 11 mei 1990, R.W. 1990-91, 987, noot J. LAENENS).
  8. Naar luid van artikel 584 Ger. W. doet de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, in gevallen die hij spoedeisend acht, bij voorraad uitspraak in alle zaken, behalve die welke de wet aan de rechterlijke macht onttrekt. Er is urgentie in de zin van art. 584, eerste lid Ger.W. telkens wanneer de vrees voor een schade van een bepaalde omvang of voor ernstige ongemakken het nemen van een onmiddellijke beslissing noodzakelijk maakt.
  9. De heer en mevrouw V. - D. vorderen in kort geding de schorsing van de verkoopovereenkomst van 13 december 2007 tussen het OCMW BRUGGE en het VLAAMSE GEWEST. wegens de onwettigheid en onrechtmatigheid van de daaraan voorafgaande administratieve rechtshandeling (raadsbesluit van het OCMW BRUGGE van 5 oktober 2007). Zij stelden ten gronde een vordering tot nietigverklaring in van deze verkoopovereenkomst, bewerende dat de kwestieuze verkoopsovereenkomst een ongeoorloofde oorzaak heeft, met name strijdigheid met de grondwet en de wet.
  10. Bij beslissing van het OCMW BRUGGE van 5 oktober 2007 werd beslist over te gaan tot verkoop van de kwestieuze percelen aan het VLAAMSE GEWEST tegen de prijs van 128.925 euro. De akte van aankoop werd gesloten op 13 december
  11. Deze akte werd geregistreerd op 15 januari 2008 en overgeschreven in het hypotheekkantoor te Brugge op 12 februari
  12. Uit stuk 10 blijkt dat de heer en mevrouw V. - D. minstens sedert 25 februari 2008 in kennis zijn van de raadsbeslissing van 5 oktober
  13. De dagvaarding is van 3 april 2008 (amper een maand na kennisname), zodat niet kan gesteld worden dat de heer en mevrouw V. - D. getalmd hebben om de procedure in kort geding op te starten.
  14. Het behoort niet aan de kortgedingrechter om in de beoordeling ten gronde te treden van de rechten die zowel de heer en mevrouw V. - D. als het OCMW BRUGGE, als HET VLAAMSE GEWEST menen te kunnen laten gelden. Zijn beoordelingsbevoegdheid is begrensd door de voorlopige aard van de maatregelenen die hij kan bevelen en door de vereiste urgentie van zijn tussenkomst om schade van een bepaalde omvang dan wel ernstige ongemakken te voorkomen.
  15. De heer en mevrouw V. - D. beweren dat ten onrechte geen openbare verkoop werd georganiseerd door het OCMW BRUGGE en deze na een uiterst beperkte publiciteit is overgegaan tot onderhandse verkoop aan het VLAAMSE GEWEST. Zij beweren niet in kennis te zijn gesteld van het voornemen van het OCMW BRUGGE om kwestieuze gronden te verkopen.
  16. Luidens de omzendbrief B.A.-G.-89/15 van 6 september 1989 (B.S. 14 oktober 1989) is bij verkoop van onroerende goederen door de gemeenten de openbare verkoop de regel en de onderhandse verkoop de uitzondering. Het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel, betrokken op de verkoop van onroerende goederen door een gemeente, verplicht het bestuur er principieel toe de weg van de openbare verkoop te volgen. Dergelijke verkoop houdt immers de garantie in dat potentiële kopers hun belangen kunnen doen gelden en dat de gemeente alle gegadigden op dezelfde wijze behandelt. Het gelijkheidsbeginsel sluit echter niet uit dat van die principiële verplichting wordt afgeweken, met name door te beslissen een goed onderhands te verkopen, voor zover de gemeenteraad daarvoor over preciese redenen beschikt die in feite juist en in rechte aannemelijk zijn. (vgl. R.v.St. nr 66.428 van 28 mei 1997)
  17. In casu werd door het OCMW BRUGGE besloten onderhands te verkopen. Op het eerste gezicht bevat de raadsbeslissing van 5 oktober 2007 geen duidelijke motivering nopens de rechtvaardiging om tot onderhandse verkoop over te gaan. Het aanwenden van de opbrengst van de verkoop voor het uitvoeren van belangrijke werken van sociale aard houdt prima facie geen motivatie in waarom eerder onderhands dan openbaar verkocht diende te worden. Het OCMW BRUGGE, welke in huidige procedure geen beroepsbesluiten heeft opgesteld, blijft eveneens in gebreke de juiste en aannemelijke redenen uit een te zetten welke de toepassing van de uitzonderingsmogelijkheid van onderhandse verkoop in casu zouden motiveren. Het VLAAMSE GEWEST kan het door haar beoogde doel van algemeen belang hiervoor normaliter niet in de plaats stellen. De heer en mevrouw V. - D. maken aldus prima facie aannemelijk dat de raadsbeslissing van 5 oktober 1997 mogelijks het gelijkheidsbeginsel schendt en dat deze onwettigheid en onrechtmatigheid de rechtsgeldigheid van de daaruit voortvloeiende verkoopsovereenkomst kan aantasten. Het is overbodig de overige aangehaalde middelen van de heer en mevrouw V. - D. aangehaald ter staving van de onwettigheid of onrechtmatigheid van de raadsbeslissing van 5 oktober 1997 in het kader van huidige kortgedingprocedure verder te onderzoeken.
  18. De gevorderde schorsing van de uitvoering van de verkoopsovereenkomst is thans niet meer terzake, gezien de verkoopsovereenkomst reeds definitief gesloten is en de verkoopsakte van 13 december 2007 reeds is overschreven op het hypotheekkantoor. Enkel de gevorderde bewarende maatregelen kunnen de heer en mevrouw V. - D. tot nut strekken.
  19. De belangen van partijen afwegend moet vastgesteld worden dat het nadeel van de heer en mevrouw V. - D. beweren te lijden bij het verhuren, verpachten, bebouwen en/of beplanten van de kwestieuze percelen door het VLAAMSE GEWEST, waardoor de percelen aldus onbruikbaar zouden worden gemaakt voor het doel dat zij voor ogen hebben, zeker opweegt tegen de eventuele nadelen in hoofde van het VLAAMSE GEWEST wegens het behoud van de huidige situatie totdat er door de rechter ten gronde een beslissing wordt getroffen. Het VLAAMSE GEWEST zet immers uiteen dat zij overging tot aankoop van deze percelen met het oog op de uitbreiding van het bestaande Vlaams natuurreservaat 'Vloethemveld' samen met de gronden die domeinbos zijn, nadat zij eigenaar zal zijn geworden van het militaire domein. Het VLAAMSE GEWEST geeft geen preciese datum aan waarop dit zal gebeuren. Verder stelt het VLAAMSE GEWEST dat de geplande maatregelen van natuurherstel nog niet waren uitgevoerd en ook niet in de onmiddellijke toekomst zouden worden uitgevoerd. Thans zijn deze percelen "weiland". Het VLAAMSE GEWEST toont niet aan dat zij schade lijdt ingevolge het behoud van deze percelen in hun huidige toestand. De heer en mevrouw V. - D. tonen voldoende aan dat het de bedoeling is van het VLAAMSE GEWEST om de percelen te bebossen, zodat het voor de hand ligt dat het herstel van de percelen in hun huidige toestand, aanleiding kan geven tot grote moeilijkheden.
  20. Het VLAAMSE GEWEST beschikt sedert 1 oktober 2008 over de kwestieuze percelen en heeft de bedoeling deze om te vormen tot natuurreservaat en te bebossen. Begin november 2008 werden door het VLAAMSE GEWEST werken gestart, met name de aanplanting van een haag jonge bomen (volgens de heer en mevrouw V. - D. "honderden bomen"), welke onmiddellijk na betekening van de beschikking van 5 november 2008 op eenzijdig verzoekschrift van de heer en en mevrouw V. - D. werden weggehaald.
  21. De gevorderde voorlopige en bewarende maatregelen zijn dringend en gegrond.
  22. De heer en mevrouw V. - D. vorderen de verbeurte van een dwangsom van 250.000 euro per overtreding. In casu wordt niet aangetoond door de heer en mevrouw V. - D. dat er een werkelijke vrees bestaat dat huidige beschikking niet zal worden nageleefd door het VLAAMSE GEWEST, zodat er thans geen reden is om een dwangsom op te leggen. Betreffende de gerechtskosten Sedert 1 januari 2008 is de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat en het K.B. van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding in werking getreden. De kosten van eerste aanleg werden correct begroot door de eerste rechter. Enkel de in het gelijk gestelde partij, in casu de heer en mevrouw V. - D., kan aanspraak maken op een rechtsplegingsvergoeding, welke in hoger beroep kan worden begroot op het basisbedrag voor niet in geld waardeerbare vorderingen, hetzij 1.200 euro. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Hervormt de bestreden beslissing, behoudens in de mate de oorspronkelijke vordering van de heer en mevrouw V. - D. ontvankelijk werd verklaard en de gerechtskosten werden begroot; Opnieuw recht sprekend voor het overige; Verklaart de oorspronkelijke vordering van de heer en mevrouw V. - D. in de volgende mate gegrond; Zegt voor recht dat verbod wordt opgelegd aan het VLAAMSE GEWEST, Agentschap Natuur en Bos, om over de percelen grond van 8ha 5a 77ca gelegen aan de Woudweg naar Zedelgem te Snellegem, kadastraal gekend onder sectie C, nrs. 618, 619b, 615a, 622a, 623a, 624a, 625a, 626a, 627a, 627/2, 631h, 638a, 639a, 640a, 641a, 642a, 643a, zoals aangekocht van het OCMW BRUGGE blijkens aankoopakte van 13 december 2007 voorlopig te beschikken, deze met zakelijke rechten te belasten, deze te verhuren of te verpachten of deze te bebouwen of beplanten, zulks totdat een rechterlijke beslissing zal zijn genomen over het rechtsgeldig karakter van de kwestieuze verkoopsovereenkomst. Veroordeelt het VLAAMSE GEWEST en het OCMW BRUGGE tot de gerechtskosten van beide aanleggen, deze van eerste aanleg zoals begroot in het vonnis a quo en deze van het hoger beroep, begroot in hoofde van de heer en mevrouw V. - D. op 1.386 euro (186 rolrecht + 1.200 rechtsplegingsvergoeding). Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 23/2/2009 waar aanwezig waren en zitting hielden : Nathalie DE RIJCK, Raadsheer, Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS N. DE RIJCK Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.