← België

ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090223.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 23 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090223.2 Rolnummer: 2002AR2199 Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-02-24 Raadplegingen: 121 - laatst gezien 2026-07-02 19:16 Fiche I. De wederbeleggingsvergoeding bij onteigening is bedoeld om de kosten van registratie, overschrijving en notaris bij de eventuele aankoop van een nieuwe eigendom te dekken en dient bijgevolg geraamd te worden in functie van de registratierechten en kosten bij openbare verkoop. De toepassing van een forfait beantwoordt niet aan het principe dat de onteigende recht heeft op een billijke vergoeding wat elke verrijking in hoofde van de onteigende uitsluit. Een forfait houdt geen rekening met de reële gegevens op basis waarvan het percentage moet worden bepaald opdat de bijkomende vergoeding billijk zou zijn. De toepassing van het notarieel degressief tarief is derhalve de meest billijke en adequate oplossing voor de berekening van de wederbeleggingsvergoeding. II. De wachtintrest strekt tot vergoeding van het verlies aan opbrengst van de onteigeningsvergoeding zolang zij niet is wederbelegd en kan bovendien enkel worden toegekend op de waarden die gewoonlijk inkomsten opbrengen. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Rechten en vrijheden - Vrijheid - Onteigening, verbeurdverklaring - art. 16-17 PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Onteigening (verwezenlijking plan) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - ONTEIGENING - Andere (onteigening) Vrije woorden: I. Onteigening ter wezenlijking van het stedebouwkundig plan. Artikel 25, Stedenbouwwet van 29 maart

  1. II. Artikel 16 van de Grondwet inzake onteigening. Concrete toepassing. III. Misbruik van machtpositie door Interleuven? Art. 3 van de mededingingswet van 1 juli 1999 en art. 82 EEG-Verdrag. IV. Vergoeding bij onteigening. Grondwaarde. Toepasselijke criteria bij de vaststelling van de grondwaarde. Oud art. 31 stedenbouwwet en art. 72, §1 DORO inzake de 'planologische neutraliteit', en draagwijdte van het arrest van het Arbitragehof van 25 maart
  2. V. Wederbelggingsvergoeding. Twee systemen. Forfaitair percentage of degressief barema zoals bij openbare verkopingen te Brussel? In casu optie voor het degressief barema. VI. Voorwaarden voor de toepassing van wachtintresten. Wettelijke bepalingen: Wet - 20-03-1992 - Art. 25 Grondwet 1994 - Art. 16 Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2009/ A.R. nr. 2002/AR/2199 INZAKE VAN : 1) De heer A. V., en zijn echtgenote 2) Mevrouw Y. C., samenwonende te ... 3) De heer E. R., wonende te ... appellanten tegen vonnissen uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 15 december 2000 en 12 april 2002, vertegenwoordigd door Meester Joost BOSQUET loco Meester Peter FLAMEY, advocaat te 2018 ANTWERPEN, Jan Van Rijswijcklaan 16, 1ste kamer TEGEN : Onteigening De INTERCOMMUNALE MAATSCHAPPIJ INTERLEUVEN, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 3000 LEUVEN, Brouwersstraat 6, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Krista ESSELENS loco Meester Marc KADANER, advocaat te 1170 BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 150, IN AANWEZIGHEID VAN : 1) Mevrouw M. V., wonende te 2) Mevrouw M. L., wonende te 3) Mevrouw J. L., wonende 4) Mevrouw M. L., wonende te eerste tot en met vierde opgeroepen partijen, vertegenwoordigd door Meester Ted KAPPETIJN loco Meester Bert BEELEN, advocaat te 3000 LEUVEN, Justus Lipsiusstraat 24, 5) De heer J. D., wonende te 6) Mevrouw J. N., wonende te vijfde en zesde opgeroepen partijen, niet verschijnende, noch door iemand vertegenwoordigd; Gelet op de procedurestukken: · het voor eensluidend verklaard afschrift van het tussenvonnis en het eindvonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 15 december 2000 en op 12 april 2002, beslissingen waarvan geen akte van betekening wordt overgelegd; · de akte van hoger beroep betekend bij exploten van 22 juli en 24 juli 2002; · de conclusie van de consorten L. neergelegd ter griffie op 12 mei 2003; · de syntheseconclusie van appellanten neergelegd ter griffie op 6 oktober 2005; · de syntheseconclusie van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 5 december
  3. Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 10 november 2008 en gelet op de stukken die zij neerlegden. Het hoger beroep en het incidenteel beroep werden regelmatig naar vorm en termijn ingesteld en zijn bijgevolg ontvankelijk (zie verder punt 2.
  4. van huidig arrest).
  5. De feiten en procedurele antecedenten. 1.
  6. Bij besluit van 31 januari 1989 werd Interleuven gemachtigd een aantal percelen grond, gelegen in X., te onteigenen. Deze percelen liggen volgens het gewestplan Tienen - Landen (K.B. 24 maart 1978) - en niet het gewestplan Leuven zoals in bepaalde conclusies geponeerd wordt - in ambachtelijk gebied. De onteigening werd doorgevoerd met het oog op het aanleggen van een ambachtelijke zone in X.. 1.
  7. Appellanten sub 1 en 2 waren eigenaar van de percelen, kadastraal gekend onder wijk C, nrs. 5/a en 9/d met een totale oppervlakte van 2ha 32a 70ca. Een oppervlakte van 1ha 10a 70ca was als landbouwgrond in gebruik door het echtpaar D. - N. (= de mede in zake geroepen partijen sub 6 en 7 dewelke thans geen vordering meer instellen en tegen wie evenmin enige vordering wordt ingesteld). Appellant sub 3 was eigenaar van de percelen, kadastraal gekend onder wijk C, nrs. 8/a, 9/c, 7/b, met een totale oppervlakte van 1ha 52a 40ca, en kadastraal gekend onder wijk C, nr. 16/b met een oppervlakte van 23a 10ca. Ook deze oppervlakte werd bewerkt door pachter D.. 1.
  8. Bij afzonderlijke exploten van 12 juni 1989 werden enerzijds appellanten sub 1 en 2 en anderzijds appellant sub 3 samen met de gebruikers van die percelen gedagvaard voor de vrederechter op verzoek van Interleuven, huidige geïntimeerde. De vrederechter sprak drie provisionele vonnissen uit op 23 juni
  9. Het ene vonnis betreft appellanten sub 1 en 2 en hierin werd de onteigeningsprocedure regelmatig en wettig verklaard en werd hen samen met de pachters een voorlopige provisionele vergoeding toegekend van 3.490.500 BEF of 86.527,23 euro . Het tweede vonnis betreft appellant sub 3 en hierin werd de onteigeningsprocedure regelmatig en wettig verklaard en werd de voorlopige provisionele vergoeding vastgesteld op 1.066.800 BEF of 26.445,28 euro (voor de percelen 8/a, 9/c en 7/b). Het derde vonnis had tevens betrekking op appellant sub 3 en voor het perceel 16/b werd hem een provisionele vergoeding toegekend van 115.500 BEF of 2.863,17 euro nadat de regelmatigheid van de onteigeningsprocedure was vastgesteld. Op 21 april 1997 volgden twee vonnissen van de vrederechter waarin telkens de provisionele vonnissen bevestigd worden met dien verstande dat aan appellanten sub 1 en 2 een onteigeningsvergoeding wordt toegekend van 162.671,20 euro of 6.562.140 BEF (voor de percelen 5/a en 9/d), aan appellant sub 3 van 103.542,65 euro of 4.176.900 BEF (voor de percelen 8/a, 9/c, 7/b en 16/b) en aan pachter D. een vergoeding van 6.860,45 euro of 276.750 BEF. 1.
  10. De onteigening had tevens betrekking op een perceel grond kadastraal gekend onder wijk C, nr. 20/n met een oppervlakte van 21a 50ca. Bij onderhandse akte van 17 mei 1989 werd de volle eigendom van dit perceel door de heer L. overgedragen aan appellant sub
  11. M.b.t. deze onteigening werd de procedure ingeleid voor de vrederechter bij verzoekschrift neergelegd op 31 mei
  12. Hangende deze procedure zal de heer L. - die volgens appellant sub 3 toen geen eigenaar meer was van dat perceel - op 22 juni 1989 een akkoord sluiten met Interleuven waarbij overeengekomen werd de onteigeningsvergoeding vast te stellen op 14.873,61 euro . Op diezelfde dag zal Interleuven aan de instrumenterende notaris een schrijven richten waarin gevraagd wordt niet over te gaan tot het ondertekenen van de authentieke akte van verkoop - de ondertekening zou doorgaan op 28 juni 1989 - gezien het akkoord dat zij inmiddels bereikt had met verkoper L.. Het verlijden van de authentieke akte vond dus nooit plaats. De heer L. is inmiddels overleden en de mede in zake geroepen partijen sub 2 t.e.m.5 zijn de rechtsopvolgers van betrokkene. In deze onteigeningsprocedure volgt dan een provisioneel vonnis van de vrederechter op 23 juni 1989 waarin de onteigeningsprocedure opnieuw regelmatig en wettig verklaard werd en de provisionele vergoeding vastgesteld werd op 13.324,28 euro . Op 2 september 1994 zal appellant sub 3 (die zich de koper noemt) in deze procedure vrijwillig tussenkomen. Nog steeds in deze specifieke procedure velt de vrederechter ook op 21 april 1997 een eindvonnis waarin

(1)de tussenkomst van appellant sub 3 niet toegelaten wordt gezien inmiddels een vordering hangende was bij de rechtbank van eerste aanleg met als voorwerp een betwisting van eigendom,
(2)akte verleend wordt aan appellant sub 3 van zijn excepties m.b.t. de onwettigheid van de onteigening, hem voorbehoud wordt verleend wat de terugvordering van het perceel betreft,
(3)de onteigeningsvergoeding t.a.v. L. vastgesteld wordt op 14.873,61 euro (= voorwerp van het akkoord) en
(4)aan de pachters D. - N. een vergoeding wordt toegekend van 1.332,43 euro . 1.
  1. Tegen alle voornoemde vonnissen van de vrederechter van 23 juni 1989 en van 21 april 1997 worden dan verschillende procedures in herziening aanhangig gemaakt bij de rechtbank van eerste aanleg te Leuven, met name (zeer schematisch):
  2. Herziening op dagvaarding van 19 juli 1997 uitgaande van Interleuven tegen appellanten sub 1 en 2 en tegen de pachters D. - N. strekkende tot herleiding van de toegekende vergoedingen (= A.R. nr. 97/1960/A);
  3. Herziening op dagvaarding van 29 augustus 1997 uitgaande van appellanten sub 1 en 2 tegen Interleuven waarbij in hoofdorde gevraagd werd het onteigeningsbesluit onwettig te verklaren en de teruggave te bevelen van de onteigende percelen en in ondergeschikte orde de toegekende vergoedingen worden betwist (A.R. nr. 97/2449/A);
  4. Herziening op dagvaarding van 16 juli 1997 uitgaande van Interleuven tegen appellant sub 3 ertoe strekkende de toegekende vergoedingen te herleiden (A.R. nr. 97/1964/A);
  5. Herziening op dagvaarding van 29 augustus 1997 uitgaande van appellant sub 3 tegen Interleuven waarbij in hoofdorde gevraagd werd het onteigeningsbesluit onwettig te verklaren en de teruggave te bevelen van de onteigende percelen en in ondergeschikte orde de toegekende vergoedingen worden betwist (A.R. nr. 97/2450/A);
  6. Herziening op dagvaarding van 16 juli 1997 uitgaande van Interleuven tegen pachters D. - N. strekkende tot herleiding van de toegekende vergoedingen (A.R. nr. 97/1963/A);
  7. Herziening op dagvaarding van 29 augustus 1997 uitgaande van appellant sub 3 tegen Interleuven (= perceel 20n) waarbij gevraagd wordt te bepalen dat het betrokken perceel zijn eigendom is en de onteigeningsprocedure tegen hem had moeten gevoerd worden, het onteigeningsbesluit onwettig te verklaren en de teruggave te bevelen van het onteigende perceel en in ondergeschikte orde de toegekende vergoedingen worden betwist (A.R. nr. 97/2451/A). 1.
  8. Bij tussenvonnis van 15 december 2000 besliste de rechtbank van eerste aanleg te Leuven
(1)om alle voormelde zaken samen te voegen,
(2)dat de vordering van appellant sub 3 in de zaak A.R. nr. 97/2451/A (= punt 6) ongegrond was en
(3)alvorens verder rechter te doen ten gronde de heropening van de debatten te bevelen teneinde aan Interleuven toe te laten een aantal specifieke stukken neer te leggen. Bij eindvonnis van 12 april 2002 werden alle ingestelde vorderingen in herziening ongegrond verklaard en werden derhalve de bestreden vonnissen gewezen door de vrederechter integraal bevestigd. 1.7. Appellanten sub 1 en 2 (partij V. - C.) vragen thans in hoger beroep:
  1. a)Voorafgaandelijk Interleuven te bevelen van de stukken betreffende de verkoopprijs van de onteigende gronden aan derden conform artikel 877 Ger.W. neer te leggen;
  2. b)In hoofdorde, het machtigingsbesluit van 31 januari 1989 onregelmatig en onwettig te verklaren bij toepassing van artikel 159 G.W.;
  3. c)Dienvolgens de teruggave te bevelen van het onteigende goed, de overschrijving te bevelen in de registers van de hypotheekbewaarder en Interleuven te veroordelen tot betaling van de tengevolge van de onteigening geleden schade, begroot ten titel van provisie op 49.578,70 euro ;
  4. d)Minstens voorafgaandelijk een welbepaalde prejudiciële vraag te stellen aan het Europees Hof van Justitie bij toepassing van artikel 234 van het E.E.G. - verdrag en indien het hof beslist dat een dergelijke vraag zich niet opdringt, minstens een welbepaalde vraag te stellen aan de bevoegde kamer van het hof van beroep te Brussel bij toepassing van de wet tot bescherming van de economische mededinging;
  5. e)In ondergeschikte orde, indien het onteigeningsbesluit toch wettig zou verklaard worden, Interleuven te veroordelen tot betaling van een bedrag van 725.584,35 euro voor de grondwaarde en van 145.116,87 euro als wederbeleggingsvergoeding, plus de koopkrachtaanpassing, de intresten en de kosten, deze van de advocaat inbegrepen, minstens een welbepaalde prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof bij toepassing van artikel 26 van de Bijzondere Wet op het Arbitragehof;
  6. f)Nog meer ondergeschikt, een college van deskundigen aan te stellen met o.m. als opdracht een objectieve waarderaming te geven van de kwestieuze gronden ten tijde van de onteigening. 1.8. Appellant sub 3 vraagt hetzelfde met dit verschil dat hij vordert dat:
  7. a)Voor wat het perceel 20/n betreft, te zeggen voor recht dat desbetreffend perceel zijn eigendom is en dat derhalve de onteigeningsprocedure enkel opzichtens hem kon gevoerd worden;
  8. b)In ondergeschikte orde, de grondwaarde en de wederbelegingsvergoeding respectievelijk vast te stellen: i. Voor het perceel 20/n op 133.242,77 euro en op 26.648,55 euro ; ii. Voor de overige percelen op 377.789,73 euro en op 75.557,95 euro . 1.9. Interleuven vraagt in hoger beroep:
  9. a)Het hoger beroep ingesteld tegen het tussenvonnis van 15 december 2000 niet ontvankelijk minstens ongegrond te verklaren;
  10. b)De onteigeningsvergoeding in hoofde van appellanten sub 1 en 2 te herleiden tot 86.527,23 euro en hen te veroordelen tot terugbetaling van het meerdere;
  11. c)De onteigeningsvergoeding in hoofde van appellant sub 3 te herleiden tot 26.445,28 euro en hem tevens te veroordelen tot terugbetaling van het meerdere;
  12. d)Appellanten te veroordelen in de kosten van beide aanleggen. II. Bespreking: 2.1. Wat de onteigeningsprocedure betreft m.b.t. het perceel 20/n: 2.1.1.In het beschikkend gedeelte van haar conclusie vraagt Interleuven het hoger beroep ingesteld door appellant sub 3 tegen het tussenvonnis van 15 december 2000 (waarin beslist werd over de mogelijke aanspraken van appellant sub 3 op dit perceel) niet ontvankelijk te verklaren. Zij ontwikkelt echter geen middelen m.b.t. deze niet - ontvankelijkheid en er zijn geen ambtshalve in te roepen middelen die tot de niet - ontvankelijkheid van dat hoger beroep aanleiding kunnen geven. 2.1.2. Appellant sub 3 beroept zich op de onderhandse verkoopovereenkomst van 17 mei 1989 afgesloten tussen hem en de heer L.. Hij is de mening toegedaan dat hij sedert die datum eigenaar is geworden van het perceel 20/n en dat de onteigeningsprocedure m.b.t. dit perceel tegen hem had dienen gevoerd te worden i.p.v. tegen de heer L.. De consorten L. wijzen erop dat voornoemde overeenkomst volgende clausule bevat: " De koper bekomt de eigendom van voorgeschreven goed vanaf het ogenblik van het verlijden der authentieke akte dezer overeenkomst. " De consorten L. leiden uit deze clausule af dat zij nog steeds eigenaar waren van het betrokken perceel op het ogenblik van de onteigening gezien het verlijden van de authentieke akte nooit heeft plaats gevonden. Ook wat de te betalen prijs betreft werd in de overeenkomst bepaald dat de overeengekomen prijs betaald diende te worden uiterlijk op de datum van het verlijden van de authentieke akte. Onder de hoofding " Prijs " werd immers vermeld: " Verder is de verkoop toegestaan en aanvaard voor en mits de prijs van 430.000 Fr. som dewelke de koper zichzelf, zijn erfgenamen en rechthebbenden met hoofdelijkheid en ondeelbaarheid onder hen, verplicht te betalen aan de verkoper ten laatste bij het verlijden der authentieke akte dezer overeenkomst, uiterlijk op 30 juni 1989. " Appellant sub 3 is echter de mening toegedaan dat deze clausule - en enkel de clausule van eigendomsvoorbehoud - nietig is - dus niet de gehele overeenkomst - omdat zij een louter potestatieve voorwaarde inhoudt (toepassing van artikel 1174 B.W.). 2.1.3. Artikel 1174 B.W. bepaalt dat iedere verbintenis nietig is, wanneer hij is aangegaan onder een potestatieve voorwaarde aan de zijde van degene die zich verbindt. Slechts een loutere potestatieve voorwaarde maakt de verbintenis nietig. Een louter potestatieve voorwaarde is een voorwaarde waarvan de verwezenlijking uitsluitend afhangt van de wil van de schuldenaar. 2.1.4. Het al dan niet verlijden van de authentieke akte hangt echter af van de wil van beide partijen en niet enkel van diegene die zich verbonden heeft. Bovendien is een beding waarbij de eigendomsoverdracht wordt uitgesteld niet ongeoorloofd en derhalve geldig tussen partijen. Tenslotte wordt niet als aan potestatieve voorwaarde aangezien een contractueel beding dat betrekking heeft op het voorwerp van de verbintenis. Overeenkomstig artikel 1126 B.W. heeft ieder contract tot voorwerp iets dat een partij zich verbindt te geven, of dat een partij zich verbindt te doen of niet te doen. 2.1.5. De authentieke akte dient tot bewijs en de tegenwerpelijkheid aan derden van een tussen partijen aangegane overeenkomst. Onderhandse akten hebben, t.a.v. derden, geen dagtekening, dan vanaf de dag waarop zij geregistreerd zijn (zie o.a. artikel 1328 B.W.). In deze werd de onderhandse verkoopovereenkomst geregistreerd op 28 juni 1989. Het is het vonnis dat vaststelt dat aan de vormelijke vereisten voor de onteigening werd voldaan (= declaratief vonnis) dat de uitvoerende titel van overdracht van de eigendom vormt tussen het patrimonium van de onteigende en het domein van de onteigenaar. Een dergelijk declaratief vonnis werd m.b.t. het bewuste perceel door de vrederechter uitgesproken op 23 juni 1989. Op dat ogenblik was de desbetreffende onderhandse verkoopovereenkomst nog niet eens geregistreerd en diende de vrederechter hiermede geen rekening te houden. Komt hierbij nog dat op het ogenblik dat Interleuven - L. een dading afsloten m.b.t. de uit te keren onteigeningsvergoeding, zijnde 22 juni 1989, de zaak in beraad was bij de vrederechter. Volledigheidshalve wordt hieraan toegevoegd dat appellant sub 3 inmiddels de erfgenamen L. heeft gedagvaard voor de rechtbank van eerste aanleg en het voorwerp van zijn vordering de volgende is: " Dat gedaagde (= L.) thans niet meer bij machte is om het verkochte perceel aan verzoeker (= appellant sub 3) te leveren, noch een authentieke akte van verkoop te verlijden, daar deze eigendom inmiddels het voorwerp heeft uitgemaakt van een procedure in onteigening ingeleid voor de heer vrederechter van het kanton Tienen door de intercommunale Interleuven. " 2.1.6. De eerste rechter heeft dan ook terecht deze vordering ongegrond verklaard. Ten onrechte houdt Interleuven, op het einde van haar betoog, voor dat de vordering van appellant sub 3 niet - ontvankelijk zou zijn bij gebrek aan belang en hoedanigheid. De rechtbanken hebben de bevoegdheid om de rechtmatigheid van het onteigeningsbesluit te controleren, zowel extern (= middelen die geen verband houden met de grond van de handeling, maar enkel met de bevoegdheid en de procedure) als intern (= middelen die verband houden met het voorwerp, de motieven en het doel van de omstreden handeling). Het onderzoeken of de onteigeningsprocedure gevoerd werd tegen een onteigende (= eigenaar van het onteigende goed) maakt deel uit van die bevoegdheid en er is in deze dan ook geen sprake van enig gebrek aan belang of hoedanigheid in hoofde van appellant sub 3. Voor het overige wordt verwezen naar de oordeelkundige motieven van de eerste rechter desbetreffend. Alle andere door partijen ingeroepen middelen zijn niet ter zake dienend in het licht van wat voorafgaat. Het bestreden vonnis wordt op dit punt bevestigd. 2.2. Wat de onregelmatigheid en de onwettigheid betreft van het onteigeningsbesluit: 2.2.1. Gebrek aan habilitatiewet: 2.2.1.1. Appellanten werpen op dat Interleuven gedurende de hele procedure inzake de kwestieuze onteigeningen naliet op ondubbelzinnige wijze aan te tonen op welke habilitatiewet zij zich steunt. Interleuven brengt hiertegen in dat de vrederechter op basis van de stukken en ontleding van de feitelijke toestand volkomen terecht besliste dat de onteigening een toepassing uitmaakte van artikel 25 van de wet van 29 maart 1962 die derhalve in deze de habilitatiewet uitmaakt. 2.2.1.2. Artikel 16 G.W. bepaalt dat niemand van zijn eigendom kan ontzet worden dan ten algemene nutte, in de gevallen en op de wijze bij wet bepaald en tegen een billijke en voorafgaande schadevergoeding. Hieruit blijkt niet dat de wetgever voor elk geval afzonderlijk het onteigende bestuur dient te machtigen om tot onteigening over te gaan. De beslissing van de gemeenteraad van X. van 26 november 1987 bevat hierna volgende motieven: - het K.B. van 24 maart 1978 (= gewestplan Tienen - Landen) voorziet een zone voor ambachtelijke bedrijven en K.M.O.'s op het grondgebied van de gemeente; - dat gebied wordt omsloten door de spoorlijn Leuven - Tienen - Luik en de Tiensesteenweg en beslaat een oppervlakte van ongeveer 8,5 ha; - binnen dat gebied zijn reeds enkele K.M.O.'s gevestigd; - er werd inmiddels opnieuw een geleidelijke heropleving van de industrie vastgesteld en de uitbouw van een ambachtelijke zone zal de tewerkstelling in de gemeente bevorderen; - infrastructuurwerken en onteigeningen zijn noodzakelijk om deze zone bouwrijp te maken; - Interleuven wordt aangeduid als de ontwerper gezien de gemeente vennoot is in deze intercommunale en de economische expansie één van de doelstellingen uitmaakt van Interleuven. Artikel 25 van de wet van 29 maart 1962 bepaalt uitdrukkelijk dat de verkrijging van onroerende goederen voor de uitvoering van de voorschriften van streek - , gewest - en gemeenteplannen steeds kan plaatshebben door onteigening ten algemene nutte. Huidige onteigening vond plaats in het kader van het realiseren van het gewestplan, meer bepaald in de uitbouw van de zone, voorzien in het Gewestplan, voor ambachtelijke bedrijven en K.M.O.'s op het grondgebied van de gemeente X. en maakt derhalve een wettelijke toepassing uit van de stedenbouwwet (zie verder ook punt 2.3. van huidig arrest). De habilitatiewet blijkt afdoend uit de gegevens van het dossier (zie stukken neergelegd door de Intercommunale waar er telkens sprake is van een onteigening tot realisatie van een ambachtelijke zone voorzien in het gewestplan Tienen - Landen) en het is dan ook ten onrechte dat appellanten in dit verband gewag maken van een schending van hun rechten van verdediging of inbreuk op enige verdragsregel. Zij zullen overigens zelf verder in hun betoog, bij de bespreking van de onteigeningsvergoeding zelf, uitvoerig uitweiden over het feit dat de Intercommunale ten onrechte onteigend heeft ter realisatie van een bestemming in het gewestplan conform de stedenbouwwetgeving. 2.2.1.3.Volledigheidshalve wordt bij de bespreking van deze grief onderlijnd dat appellanten telkens voorhouden - dit argument wordt ook opgeworpen bij de bespreking van andere nietigheidsgronden - dat het bestreden vonnis na herneming van de zaak het gezag van gewijsde van het tussenvonnis heeft geschonden nu het diende uit te gaan van het dictum van dat tussenvonnis. In het geciteerde tussenvonnis van 15 december 2000 werd vooraleer recht te doen ten gronde, de neerlegging bevolen van een aantal stukken gezien er op dat ogenblik onduidelijkheid bestond over een aantal vragen. Deze stukken werden ook effectief neergelegd (zie stukken 12 e.v.(map C) neergelegd door de Intercommunale) zodat aan de rechter die de eindbeslissing nam niet verweten kan worden geen onduidelijkheden meer vastgesteld te hebben en het gezag van gewijsde van een beslissing miskend te hebben die zij niet had. 2.2.1.4. Terecht werd in het bestreden vonnis geoordeeld dat huidige onteigening voortvloeit uit de wet en derhalve voldoet aan de vereisten van artikel 16 G.W. Het bestreden vonnis wordt op dit punt bevestigd. 2.2.2. Gebrek aan hoogdringendheid en gebrek aan motivering van de hoogdringendheid: 2.2.2.1. Appellanten zijn de mening toegedaan dat nergens uit blijkt dat er hoogdringendheid aanwezig was om over te gaan tot onteigening en dat deze beweerde hoogdringendheid bovendien in het machtigingsbesluit niet eens gemotiveerd werd. 2.2.2.2. Het staat vast dat de bevoegde rechter een duidelijke controletaak en - plicht heeft daar de aanwending van de afwijkende procedure van de Onteigeningswet uitsluitend verantwoord is om redenen van algemeen belang en slechts toegestaan is wanneer de onmiddellijke inbezitneming van het goed door de onteigenende overheid onontbeerlijk is. Bijgevolg behoort het, in eerste instantie aan de vrederechter na te gaan of de overheid geen machtsoverschrijding of machtsafwending heeft begaan door het juridisch begrip ‘ dringende noodzakelijkheid ‘ niet in acht te nemen. Hierbij dient er rekening mee te worden gehouden dat de omstandigheden die de onmiddellijke inbezitneming van goederen vereisen enkel tot de beoordelingsmacht van de uitvoerende macht behoren en dat de rechter zich hier niet in de plaats kan stellen van deze overheid (cfr. Cass. 23 juni 1978, Rec.gén.enr.not., 1980, 246). 2.2.2.3. In het M.B. van 31 januari 1989 wordt de hoogdringendheid verantwoord doordat beslist werd over te gaan tot de realisatie van een ambachtelijke zone. De controle van de werkelijkheid van de hoogdringendheid moet redelijk blijven en mag niet ontaarden in een controle van de opportuniteit van de handeling van de overheid. Er kan bijgevolg van de onteigenende overheid niet geëist worden dat zij het bestaan aanvoert en bewijst van een dringende onmiddellijke concrete behoefte. Er dient enkel nagegaan te worden of, wanneer het onteigeningsbesluit is genomen, de omstandigheden van de zaak toestaan er redelijkerwijze vanuit te gaan dat de voorgenomen werken moesten worden uitgevoerd met een spoed die de onmiddellijke, zo snel mogelijke inbezitneming verantwoordde. De uitbouw van een ambachtelijke zone, ingegeven door een vastgestelde geleidelijke heropleving van de industrie, maakt een dringende aangelegenheid uit. Aan geïnteresseerde bedrijven dienen immers op relatief korte termijn vooruitzichten te worden medegedeeld, zo niet bestaat het gevaar dat zij zich ergens anders zullen vestigen met onmiddellijk verlies aan arbeidsplaatsen voor de gemeente als gevolg. Huidige economische situatie toont overigens aan - en dit ten overvloede - dat een bestaande economische toestand snel kan omkeren. 2.2.2.4. Het feit alleen dat tussen het machtigingsbesluit van de Minister (= 31 januari 1989) en het aanvatten van de gerechtelijke fase via het verzoekschrift (= neergelegd op 31 mei 1989) slechts een periode verliep van 4 maanden toont aan dat de onteigening wel degelijk een hoogdringend karakter had. Hierbij wordt opgemerkt dat zelfs de omstandigheid dat een lange of zelfs te lange periode is verstreken tussen het besluit van de overheid die de onteigening toestaat en de indiening van het verzoekschrift tot inbezitneming, op zich niet eens zou volstaan om te besluiten dat de dringende noodzakelijkheid verdwenen was op het ogenblik van het in gang zetten van de onteigeningsprocedure. Het ging hier om een onteigening van verschillende ha toebehorende aan verschillende eigenaars en bewerkt door pachters zodat een periode van 4 maanden in de gegeven omstandigheden niet onredelijk is. 2.2.2.5. Ook het tijdsverloop dat verliep tussen de gemeentelijke onteigeningsbeslissing (= 26 november 1987) en het machtigingsbesluit (= 31 januari 1989) maakt geen bewijs uit van een gebrek aan hoogdringendheid. Uit de neergelegde stukken blijkt dat dit tijdsverloop veroorzaakt werd door de administratieve afhandeling van het dossier (het houden van een openbaar onderzoek, het onderzoeken van de ingediende bezwaarschriften, pogingen tot minnelijke regelingen) en niet te wijten is aan het stadsbestuur en bijgevolg de noodzaak tot toepassing van de spoedprocedure niet opheft. 2.2.2.6. Ook de periode die verliep tussen het inwerkingtreden van het gewestplan Tienen - Landen (K.B. van 24 maart 1978) en de verwezenlijking van de bestemming " ambachtelijke " zone bij het onteigeningsbesluit van 31 januari 1989 is niet relevant. De realisatie van bepaalde bestemmingsgebieden, zoals een ambachtelijke zone, voorzien in het gewestplan, hangt af van bepaalde opportuniteiten en van de bestaande economische toestand. Om een dergelijke bestemming te realiseren dienen niet geringe middelen aangewend te worden, zoals infrastructuurwerken e.d., om de percelen industrierijp te maken en dergelijke kosten zullen door een gemeente niet aangewend worden indien er geen concrete aanvraag is voor de oprichting van bijkomende industriële complexen. Hieraan dient toegevoegd te worden dat artikel 35 van de stedenbouwwet de termijn voor de overheid om tot onteigening ten algemene nutte over te gaan ter verwezenlijking van een gewestplan niet eens beperkt tot 10 jaar vanaf de inwerkingtreding van dat plan (Cass., 8 juni 2000, Arr. Cass., 2000
(349)). 2.2.2.7.Het feit tenslotte dat op 23 december 1993 niet alle percelen verkocht waren, is evenmin relevant voor de beoordeling van de dringende noodzakelijkheid die beoordeeld dient te worden op het ogenblik dat tot onteigening wordt beslist. 2.2.2.
  1. Wat het vermeende gebrek aan motivering van de aangehaalde hoogdringendheid betreft verwijzen appellanten ten onrechte naar de wet van 29 juni 1991 die op het ogenblik van het uitvaardigen van de onteigeningsbeslissing niet eens van kracht was. Wel dient verwezen te worden naar de recente rechtspraak van de Raad van State waarin gesteld wordt dat de procedure in geval van hoogdringende onteigening, ingesteld bij de Wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake de onteigeningen ten algemenen nutte, in de praktijk de gewone onteigeningsprocedure is geworden, aangezien de andere rechtsplegingen waarin de vroegere wetten voorzagen niet meer worden toegepast wat als gevolg heeft dat van de publieke overheden niet langer redelijkerwijs een omstandige verantwoording kan eisen voor de toepassing van de rechtspleging, die gemeenrechtelijk is geworden (R.v.Sr., nr. 78.919, 23 februari 1999, A.P.M., 1999, 34, J.L.M.B. 1999, 846 en T.B.P. 2000, 171). 2.2.2.
  2. Ten onrechte zijn appellanten bijgevolg van oordeel dat de onteigeningsprocedure onwettig is bij gebrek aan hoogdringendheid en/of motivering ervan. Het bestreden vonnis wordt op dit punt bevestigd. 2.2.
  3. Gebrek aan openbaar nut: 2.2.3.
  4. Een overheid kan slechts tot onteigening overgaan indien zij op een welbepaald perceel een doelstelling van algemeen nut wenst uit te voeren. Van privaat nut is het voordeel dat exclusief aan bepaalde personen toekomt, van algemeen nut is het voordeel dat aan de gemeenschap toekomt, abstractie makend van de individuen. Volgens appellanten kon zowel de realisering van de gewestplanbestemming als de realisatie van de economische expansie door henzelf worden gerealiseerd. Zij voeren aan dat zijzelf wensten hun bedrijfsgebouwen uit te breiden op de onteigende percelen en verwijzen hierbij naar de door hen ingediende bouwvergunningsaanvraag en bouwplannen. 2.2.3.
  5. De realisatie van de bestemming " industriezone " opgenomen in het gewestplan is vanzelfsprekend een realisatie van openbaar nut. Er is niet de minste aanwijzing dat de onteigening voor een ander doel zou worden uitgevoerd. In dit verband wordt onderlijnd dat de onteigeningswet enkel voorziet dat aan de vrederechter het onteigeningsplan en het onteigeningsbesluit moet voorgelegd worden. Stukken m.b.t. de daadwerkelijke verkavelingskosten zijn derhalve niet ter zake dienend. Het hof mag zich overigens niet uitspreken over de opportuniteit van de geplande werken. Het argument als zouden appellanten de bedoeling gehad hebben zelf de gewestplanbestemming te realiseren, is niet ernstig. De onteigende percelen werden jarenlang gebruikt als landbouwgrond en in tempore non suspecto hebben appellanten nooit aanstalten gemaakt om deze gronden ' bouwrijp ‘ te maken. Het is eerst op 7 oktober 1988 - de beslissing van de gemeenteraad om te onteigenen dateert van 26 november 1987 - dat voor het eerst een stedenbouwkundig attest nr. 2 werd aangevraagd voor het oprichten van een magazijn met burelen. Een stedenbouwkundig attest nr. 2 is bovendien geen bouwaanvraag en dient enkel om na te gaan of bouwprojecten effectief zouden kunnen gerealiseerd worden. Eén en ander werd overigens bevestigd door de deskundige die ingeval niet tot onteigening zou zijn overgegaan het heeft over een ongeordende en onverantwoorde situatie, onmogelijke discussiepunten tussen de diverse eigenaars en een onteigening die in de concrete situatie alleen maar ten goede komt aan de gemeenschap (zie verder punt 2.2.
  6. huidig arrest). 2.2.3.
  7. Het bestreden vonnis wordt derhalve bevestigd in zoverre hierin aangenomen wordt dat er wel degelijk onteigend werd om redenen van openbaar nut. 2.2.
  8. Misbruik van economische machtspositie: 2.2.4.
  9. Appellanten houden voor dat Interleuven gebruik makend van de haar toegewezen bevoegdheid tot onteigening, percelen verkrijgt teneinde deze nadien opnieuw aan te bieden aan de onteigenden tegen een aanzienlijke meerprijs, zonder dat er sprake is van een grote verbetering op het vlak van gerealiseerde infrastructuur, en bovenal op deze wijze de concurrentie op de markt van industrieterreinen vervalsend. Zij verwijzen in die context naar artikel 3 van de mededingingswet van 1 juli 1999 en artikel 82 van het EEG - verdrag. 2.2.4.
  10. De deskundige stelde in dit verband het volgende vast: " Gelet op de verschillende eigenaars en gebruikers in deze onteigende zone, de ligging van de percelen ten opzichte van de voorliggende Leuvensesteenweg, de ingeplante bestaande woningen, was de meest normale oplossing dat er een onteigening diende te gebeuren om reden van:
  11. Om de percelen een volledige en optimale functie als industriegrond te kunnen geven door herverkaveling, rioleringswerken, infrastructuurwerken, straatverlichting, en de nodige aansluiting met de druk bereden Leuvensebaan en dit ook voor de veiligheid.
  12. Indien dit niet zou gebeuren zou hier een ongeordende en onverantwoorde situatie zijn ontstaan, men heeft er zo geen kijk over.
  13. De verbeteringswerken zouden steeds een discussiepunt vormen tussen eigenaars en openbaar bestuur, met het gevolg ofwel een verkaveling met slechte wegen, slechte aansluiting, steeds te herleiden tot een minimum aan onkosten, ofwel diende het gemeentebestuur de nodige werken uiteindelijk toch te laten uitvoeren, maar dan kwamen de kosten ten laste van de gemeenschap, wat mij oneerlijk blijkt te zijn.
  14. Door de onteigening krijgen we een duidelijk en afgebakende situatie die alleen maar ten goede komt aan gans de gemeenschap. Er valt op te merken dat ongewone en zenuwachtige situaties en speculaties, voorafgaand hebben geleid tot onderhandse compromissen van verkoop met abnormale prijzen, sommige zijn achterna verworpen of vernietigd, andere zijn nog steeds ter discussie, zulke prijzen zijn niet vatbaar voor een eerlijke waardebepaling en vandaar dat ondergetekende voorzichtig is met zulke prijzen om geen ongezonde situatie te scheppen naar de toekomst toe. De eenheidsprijzen kunnen dus niet gebruikt worden. Een onteigening door een openbaar bestuur in zulke situatie was dan ook noodzakelijk. Er dient te worden opgemerkt dat speculatie in de aankoop van zulke gronden enig risico inhoudt. Een risico dat louter speculatief is, kan achteraf mijns inziens niet vergoed worden en dit risico wordt gedragen door degene die speculatie aangaat. " De deskundige is hierbij zijn opdracht niet te buiten gegaan nu het juist tot zijn opdracht behoorde de rechtbank in te lichten omtrent alle elementen die meegespeeld hebben bij de diverse waarderingen. Hij diende overigens ook te antwoorden op de zelf door appellanten geformuleerde opmerkingen. Er zijn geen elementen voorhanden die wijzen op een subjectieve benadering vanwege de deskundige. 2.2.4.
  15. Hieruit volgt afdoend dat Interleuven geen misbruik heeft gemaakt van zijn economische machtspositie en het integendeel appellanten zelf zijn die, voorafgaand aan de onteigening, overgegaan zijn tot speculatie en manipulatie van de verkoopprijzen wat één van de onderliggende redenen was waarom de realisatie van de bestemming " industriegebied " voorzien in het gewestplan in het algemeen belang enkel verwezenlijkt kon worden via onteigening. Appellanten voerden m.a.w. geen onderneming op "de markt van industrieterreinen" vóór de onteigeningsplannen. Het feit dat na het uitvoeren van belangrijke en dus dure infrastructuurwerken op kosten van de overheid de kwestieuze gronden verkocht werden aan een hogere prijs dan de uitgekeerde onteigeningsvergoedingen spreekt voor zich en houdt geen misbruik in van welkdanige economische machtspositie ook. Voor het overige bewijzen appellanten hun aantijgingen niet - o.a. voortverkoop tegen "woekerprijzen" - t.o.v. de Intercommunale en blijft het bij loutere veronderstellingen en hypotheses waarvan zelfs geen begin van bewijs voorhanden is. In deze omstandigheden is er dan ook geen aanleiding om noch de neerlegging van stukken te bevelen noch om prejudiciële vragen te stellen. 2.2.4.
  16. Het bestreden vonnis wordt bevestigd in zoverre hierin geen misbruik van economische machtspositie wordt aangenomen in hoofde van Interleuven. 2.2.
  17. Verboden steun door de overheid aan ondernemingen waarin zij een belang hebben: 2.2.5.
  18. Gezien geen misbruik van machtspositie wordt aangetoond, dient niet nader onderzocht te worden of een dergelijk misbruik tevens de handel tussen de lidstaten op ongunstige wijze heeft kunnen beïnvloeden en dienen evenmin desbetreffend prejudiciële vragen gesteld te worden. 2.2.5.
  19. Ook op dat punt wordt het bestreden vonnis bevestigd. 2.
  20. Wat de onteigeningsvergoeding betreft: 2.3.
  21. Voorafgaande opmerking: 2.3.1.
  22. Er kan niet ernstig betwist worden dat de onteigening geschiedde ter verwezenlijking van het gewestplan. Interleuven verwijst hierbij terecht naar het voorontwerp en de ontwerp - gewestplannen die de litigieuze percelen opnamen in een landbouwgebied terwijl volgens het latere gewestplan Tienen - Landen deze percelen een industriële bestemming kregen. Het feit dat Interleuven meer dan 10 jaar na het in werking treden van het gewestplan tot realisatie van één der bestemmingen overging, doet hieraan niets af. 2.3.1.
  23. Bij onteigening ten algemene nutte mag verder voor het bepalen van de vergoeding geen rekening gehouden worden met de gevolgen veroorzaakt door de onteigening zelf. Bij het bepalen van de waarde van een perceel, onteigend ter verwezenlijking van een goedgekeurd gewestplan, is het verboden om rekening te houden met de waardevermeerdering of -vermindering die voortvloeien uit de voorschriften van zulk een plan (zie o.a. Cass., 9 december 1983, A.C., 1983-84). 2.3.1.
  24. Het hof beschikt over alle nodige gegevens en de neerlegging van bijkomende stukken dient niet bevolen te worden. 2.3.
  25. Wat de grondwaarde betreft: 2.3.2.
  26. Het is niet omdat de onteigende percelen gebruikt werden als landbouwgrond dat deze automatisch als landbouwgrond dienen gekwalificeerd te worden. De onteigende percelen waren gelegen langsheen een rijksweg en in de nabijheid van een spoor zodat zij het karakter hebben van industriegrond. Gezien echter het volledig gebrek aan infrastructuur en nodige ontsluitingen kunnen genoemde percelen niet beschouwd worden als volwaardige industrieterreinen. De waarde van de onteigende goederen dient verder vastgesteld en begroot te worden op het ogenblik van de eigendomsoverdracht, d.i. op het ogenblik dat de vrederechter beslist heeft dat alle administratieve formaliteiten werden nageleefd, zijnde dus op de datum van het provisionele vonnis. Het uitgangspunt van de verschuldigde vergoeding voor onteigende gronden is de actuele of venale waarde. Dit houdt in dat de gronden dienen geschat te worden volgens hun verkoops - of handelswaarde, zijnde de prijs waarvoor het goed kan worden verkregen bij een in normale omstandigheden gehouden openbare verkoop of bij normale vergelijkingspunten. Bijgevolg kunnen niet in aanmerking genomen worden de prijs die de onteigende zelf heeft betaald, noch de kadastrale waarde, noch de huurwaarde van het goed. Deze argumentatie geldt in deze zaak des te meer gezien in de periode voorafgaand aan de onteigening - in volle onteigeningskoorts zoals de vrederechter stelt - akkoorden werden afgesloten, (onderhandse) compromissen en zelfs (onderhandse) opties. 2.3.2.
  27. Wat meer bepaald de percelen 5/A en 9/D betreft, eigendom van appellanten sub 1 en 2 (= de echtgenoten V. - C.) werd aanvankelijk door Interleuven een aanbod gedaan voor beide percelen van 15.000 BEF/are. Interleuven steunde zich hierbij op de eerder recente aankoop van deze percelen door de echtgenoten V. - C. aan een globale prijs van 3.000.000 BEF, hetzij ongeveer 13.000 BEF/are (zie de authentieke akten van 23 januari 1989). De deskundige raamde de globale grondwaarde op zijn beurt op 4.075.973 BEF, hetzij (afgerond) 17.500 BEF/are. De vrederechter kende een bedrag toe van 5.584.800 BEF, hetzij 24.000 BEF/are. Dit werd bevestigd door de rechtbank van eerste aanleg die de ingestelde vordering in herziening verwierp. Appellanten sub 1 en 2 vragen thans hen een vergoeding toe te kennen t.b.v. 29.270.000 BEF of 725.584,35 euro ten titel van grondwaarde. Zij menen dat de onteigende percelen dienen gekwalificeerd te worden als "objectieve bouwgrond " (minstens als zuivere industriegrond) en vragen ondergeschikt de aanstelling van een college van deskundigen met als opdracht een objectieve waarderaming te geven van de kwestieuze gronden ten tijde van de onteigening waarbij in rechte geen rekening mag gehouden worden, noch met de bestemming in de ontwerpplannen, noch met elke eventuele waardevermeerdering of waardevermindering voortvloeiend uit de actueel geldende gewestplanbestemming, voor zover bewezen is dat de onteigening de verwezenlijking van de gewestplanbestemming dient. Zij verwijten de vrederechter m.a.w. de waarde van de betrokken percelen begroot te hebben op grond van de kwalificatie " landbouwgrond met een kennelijke toekomstwaarde (in de richting van industriegronden) ". Partijen zijn het bijgevolg niet eens op welke planologische bestemming van de percelen de grondwaarde moet bepaald worden, zijnde landbouwgrond voor de ene en volwaardige industriegrond, zelfs objectieve bouwgrond, voor de andere. In het voorontwerp en de ontwerp-gewestplannen werden kwestieuze percelen opgenomen als gronden bestemd voor de landbouw. Op het ogenblik van de onteigening werden deze percelen effectief ook gebruikt als landbouwgrond wat vanzelfsprekend geen invloed mag hebben op de kwalificatie van de bestemming van de onteigende percelen. Door het gewestplan Tienen - Landen (K.B. van 24 maart 1978) werd aan deze percelen een bestemming als ambachtelijke zone gegeven. In de toelichting wordt bovendien uiteengezet dat de gronden van ondergeschikt belang zijn voor de landbouw en vrij gunstig gelegen zijn t.o.v. de E5, thans de E
  28. De Intercommunale beroept zich desbetreffend op het oude artikel 31 Stedenbouwwet (= huidig artikel 72 §1 D.R.O. = planologische neutraliteit) en houdt voor dat de onteigening geschiedde ter verwezenlijking van het gewestplan en derhalve geen rekening mag gehouden worden met de waardevermeerdering die hieruit voorvloeit. Appellanten betwisten dit en houden voor de percelen zelf aangekocht te hebben als industriegrond en dat het daarenboven niet aannemelijk is dat de Intercommunale via onteigening een bestemming in het gewestplan zou realiseren meer dan 10 jaar na de inwerkingtreding ervan (het gewestplan dateert van 1978 en de onteigeningen werden beslist in januari 1989). In dit verband is het nuttig te herhalen wat de deskundige gesteld heeft m.b.t. de concrete liggingsituatie van de onteigende percelen: " Gelet op de verschillende eigenaars en gebruikers in deze onteigende zone, de ligging van de percelen ten opzichte van de voorliggende Leuvensesteenweg, de ingeplante bestaande woningen, was de meest normale oplossing dat er een onteigening diende te gebeuren om reden van:
  29. Om de percelen een volledige en optimale functie als industriegrond te kunnen geven door herverkaveling, rioleringswerken, infrastructuurwerken, straatverlichting, en de nodige aansluiting met de druk bereden Leuvensebaan en dit ook voor de veiligheid.
  30. Indien dit niet zou gebeuren zou hier een ongeordende en onverantwoorde situatie zijn ontstaan, men heeft er zo geen kijk over.
  31. De verbeteringswerken zouden steeds een discussiepunt vormen tussen eigenaars en openbaar bestuur, met het gevolg ofwel een verkaveling met slechte wegen, slechte aansluiting, steeds te herleiden tot een minimum aan onkosten, ofwel diende het gemeentebestuur de nodige werken uiteindelijk toch te laten uitvoeren, maar dan kwamen de kosten ten laste van de gemeenschap, wat mij oneerlijk blijkt te zijn.
  32. Door de onteigening krijgen we een duidelijk en afgebakende situatie die alleen maar ten goede komt aan gans de gemeenschap. Er valt op te merken dat ongewone en zenuwachtige situaties en speculaties, voorafgaand hebben geleid tot onderhandse compromissen van verkoop met abnormale prijzen, sommige zijn achterna verworpen of vernietigd, andere zijn nog steeds ter discussie, zulke prijzen zijn niet vatbaar voor een eerlijke waardebepaling en vandaar dat ondergetekende voorzichtig is met zulke prijzen om geen ongezonde situatie te scheppen naar de toekomst toe. De eenheidsprijzen kunnen dus niet gebruikt worden. Een onteigening door een openbaar bestuur in zulke situatie was dan ook noodzakelijk. Er dient te worden opgemerkt dat speculatie in de aankoop van zulke gronden enig risico inhoudt. Een risico dat louter speculatief is, kan achteraf mijns inziens niet vergoed worden en dit risico wordt gedragen door degene die speculatie aangaat. " In punt 2.2.
  33. van huidig arrest werd bovendien reeds aangetoond dat onteigend werd op basis van een bijzondere grond, met name de stedenbouwwet. De percelen in het gewestplan bestemd als industriegebied werden onteigend met het oog op het realiseren van dat industriegebied. De deskundige heeft immers afdoend aangetoond dat een onmiddellijke realisatie van de in het gewestplan opgenomen bestemming zonder onteigening niet mogelijk was gezien eerst diende te worden overgegaan tot herverkaveling, het aanleggen van rioleringswerken, het uitvoeren van infrastructuurwerken en straatverlichting en gezorgd moest worden voor de nodige aansluiting met de druk bereden Leuvensebaan, dit o.m. in het licht van de openbare veiligheid wat alleen reeds door de veelheid van eigenaars op zich niet realiseerbaar was. Bij verwezenlijking van voornoemde aanpassingswerken ontstaat dan ook een waardevermeerdering dewelke bij toepassing van het oude artikel 31 van de Stedenbouwwet niet in aanmerking mag genomen worden. Wat meer bepaald het tijdsverloop betreft tussen het gewestplan en de realisatie ervan wordt ten overvloede verwezen naar het oude artikel 35 Stedenbouwwet dat bepaalt dat wanneer binnen een termijn van 10 jaren te rekenen van de inwerkingtreding van een plan van aanleg, de bij artikel 25 bedoelde percelen niet zijn aangekocht of de onteigeningsprocedure niet is begonnen, de eigenaar de bevoegde instantie kan verzoeken van de onteigening van zijn goed af te zien en dat indien de bevoegde overheid zich niet binnen het jaar te rekenen vanaf het verzenden van de aangetekende brief heeft uitgesproken de eigenaar schadevergoeding kan verkrijgen binnen de bij het (oude) artikel 37 gestelde perken. Het realiseren van een gewestplan door onteigeningen meer dan 10 jaar na de inwerkingtreding van dat plan kan bijgevolg enkel aanleiding geven tot schadeloosstelling ingeval van het ontbreken aan een antwoord binnen het jaar na een ingebrekestelling vanwege de eigenaar maar heeft geen enkele repercussie op een rechtsgeldig toepassen van het (oude) artikel 31 Stedenbouwwet 10 jaar na het inwerkingtreden van een gewestplan. Appellanten tonen overigens niet aan van deze mogelijkheid gebruik te hebben gemaakt. Appellanten menen vervolgens dat artikel 31 Stedenbouwwet onverenigbaar moet worden geacht met de artikelen 10 en 11 G.W. en verwijzen hierbij naar een arrest van het Grondwettelijk Hof gewezen op 17 mei 2001 (B.S. 8 september 2001) waarbij artikel 182 § 3 van de Code Wallon (C.W.A.T.U.P.) onverenigbaar werd geacht met voornoemde grondwettelijke bepalingen. Ondergeschikt wordt in dit verband gevraagd een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof. Het Grondwettelijk Hof heeft in een arrest van 25 maart 1997 reeds beslist dat het (oude) artikel 31 geen schending inhield van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet op grond o.m. van de motivering dat het onderscheid dat ten gevolge van het vergoedingsstelsel van artikel 31 van de Stedenbouwwet is ontstaan tussen de eigenaars van een perceel dat wordt onteigend ter verwezenlijking van een plan van aanleg (toepassing van artikel 31 Stedenbouwwet) en de eigenaars van een perceel dat wordt onteigend ter verwezenlijking van een ander doel berust op een objectief criterium, namelijk de specifieke aard van de onteigening die in het kader van die wet doorgevoerd wordt. Er is dan ook geen reden voorhanden om andermaal een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof. De vrederechter heeft terecht geoordeeld dat de percelen onteigend werden ter verwezenlijking van het gewestplan en de meerwaarde die hieruit voortvloeit niet in rekening mag gebracht worden. Concreet houdt dit in dat de percelen niet begroot mogen worden met een bestemming als industriegrond. Even terecht oordeelde de vrederechter dat de grondwaarde van kwestieuze percelen evenmin mocht begroot worden uitgaande van de bestemming van loutere landbouwgrond en rekening moest gehouden worden met het specifieke karakter van die gronden mede rekening houdende met de toelichting gevoegd aan het gewestplan dat het om gronden ging die van ondergeschikt belang waren voor de landbouw en vrij gunstig gelegen waren tegenover de huidige E
  34. Op oordeelkundige wijze besliste de vrederechter dan ook dat de kwestieuze percelen juridisch gekwalificeerd moesten als landbouwgronden met op zich een kennelijke toekomstwaarde in de richting van industriegronden. Op grond van een hele reeks van concrete elementen, die hier als volledig hernomen worden beschouwd, kwam de vrederechter derhalve op oordeelkundige wijze tot de conclusie dat de grondwaarde geraamd diende te worden op 24.000 BEF/are hetzij in totaal 5.584.800 BEF of 138.443,58 euro . Het bestreden vonnis dat de vordering in herziening op dat punt verwierp, wordt desbetreffend dan ook bevestigd. 2.3.2.
  35. M.b.t. de percelen, eigendom van appellant sub 3 (= de heer R.), wordt een gelijklopende redenering gevolgd en wordt de grondwaarde geraamd op 377.789,73 euro (sectie C, nr. 7/b, 8/a, 9/c en 16/b) + 133.242,77 euro (sectie C, nr. 20/n). De deskundige stelde als grondwaarde voor: - percelen nrs. 8/a, 9/c en 7/b (14.500 BEF/are): 2.209.190 BEF - perceel nr. 16/b (9.700 BEF/are): 223.238 BEF. Het perceel sectie C, nr. 20/n wordt geacht geen eigendom te zijn geweest van geïntimeerde sub 3 in de onteigeningsprocedure (zie verder punt 2.
  36. van huidig arrest desbetreffend) en wordt zodoende verder niet meer besproken. De vrederechter kende een globaal bedrag toe van 3.510.000 BEF hetzij 20.000 BEF/are voor de overige percelen. Hetgeen uiteengezet werd in punt 2.3.2.
  37. van huidig arrest geldt mutadis mutandis voor voornoemde percelen die één geheel uitmaken met de reeds besproken percelen 5/A en 9/D. De grondwaarde werd bijgevolg ook wat voornoemde percelen betreft op oordeelkundige wijze begroot door de vrederechter zodat het bestreden vonnis dat op dat punt de vordering in herziening eveneens verwerpt, bevestigd wordt. 2.3.
  38. Wat de wederbeleggingsvergoeding betreft: 2.3.3.1.Voor de percelen 5/a en 9/d werd de wederbeleggingsvergoeding begroot aan 17,5 % op de verkoopwaarde, zijnde 977.340 BEF en voor de percelen 8/a, 9/c, 7/b en 16/b op 19 % van de verkoopwaarde, zijnde 666.900 BEF, toepassing makende van het degressief tarief door de notarissen aangerekend inzake openbare verkopen. Appellanten zijn de mening toegedaan dat een forfait van 19,785 % of zelfs van 20 % moet toegepast worden op grond van de overweging dat de onteigende de vrijheid moet hebben om zijn onroerende aankopen te spreiden gezien in de ruime omtrek rond hun bestaande vestiging geen gelijkwaardige gronden kunnen verworven worden. 2.3.3.2.De wederbeleggingsvergoeding is bedoeld om de kosten van registratie, overschrijving en notaris bij de eventuele aankoop van een nieuwe eigendom te dekken en dient bijgevolg geraamd te worden in functie van de registratierechten en kosten bij openbare verkoop. De toepassing van een forfait beantwoordt niet aan het principe dat de onteigende recht heeft op een billijke vergoeding wat elke verrijking in hoofde van de onteigende uitsluit. Een forfait houdt geen rekening met de reële gegevens op basis waarvan het percentage moet worden bepaald opdat de bijkomende vergoeding billijk zou zijn. De toepassing van het notarieel degressief tarief is derhalve de meest billijke en adequate oplossing voor de berekening van de wederbeleggingsvergoeding. 3.2.3.3.De vrederechter heeft desbetreffend oordeelkundig geoordeeld en het bestreden vonnis dat op dit punt de vordering in herziening afwees, wordt bevestigd. 2.3.
  39. Wat de wachtintresten betreft: 2.3.4.1.Appellanten zijn de mening toegedaan dat zij recht hebben op wachtintresten. Zij specificeren echter niet op welke wijze deze zouden moeten begroot worden. Door de vrederechter werden geen wachtintresten toegekend. Deze werden alsdan ook niet gevraagd. In de herzieningsprocedure werd evenmin aanspraak gemaakt op wachtintresten. 2.3.4.2.De wachtintrest strekt tot vergoeding van het verlies aan opbrengst van de onteigeningsvergoeding zolang zij niet is wederbelegd en kan bovendien enkel worden toegekend op de waarden die gewoonlijk inkomsten opbrengen. De onteigende percelen waren in gebruik voor landbouwdoeleinden en nergens blijkt uit dat de toenmalige eigenaars hiervoor een pacht ontvingen en deze percelen bijgevolg " gewoonlijk inkomsten " genereerden. 2.3.4.3.Alleen reeds om deze reden bestaat er geen aanleiding om wachtintresten toe te kennen. 2.3.
  40. Wat de intresten betreft: 2.3.5.1.De vrederechter kende gerechtelijke intresten toe op het verschil tussen de definitief door hem bepaalde onteigeningsvergoeding - wat bevestigd wordt - en de voorheen toegekende provisionele vergoeding en dit omwille van de schade welke de onteigenden ondergingen doordat de betaling van het uiteindelijk verschuldigd bedrag uitgesteld werd. 2.3.5.
  41. De vrederechter heeft desbetreffend oordeelkundig geoordeeld en het bestreden vonnis dat op dit punt de vordering in herziening afwees, wordt bevestigd. 2.
  42. Wat de gerechtskosten betreft: 2.4.
  43. Appellanten hebben ter zitting van 10 november 2008 om de toepassing gevraagd van het minimumtarief omwille van het kennelijk onredelijk karakter van de situatie. Geïntimeerde en de mede in zake zijnde partijen 1 t.e.m. 4 vroegen om de toepassing van het basistarief dat volgens partijen sub 1 t.e.m. 4 dient begroot te worden op 1.200 euro zijnde het tarief dat van toepassing is op niet in geld waardeerbare vorderingen. 2.4.
  44. Huidige vordering beoogt t.a.v. geïntimeerde de toekenning te horen bekomen van een onteigeningsvergoeding dewelke volgens appellanten hoger zou moeten begroot worden dan in het bestreden vonnis en volgens geïntimeerde lager wat een vordering is die in geld waardeerbaar is. Appellanten vragen weliswaar t.a.v. geïntimeerde in hoofdorde het machtigingsbesluit van 31 januari 1989 onwettig te verklaren doch zij vragen bij wijze van equivalent de onteigenaar te veroordelen tot betaling van een provisie van 49.578,70 euro toe te kennen, in afwachting van een definitieve berekening van de door hen opgelopen schade, wat tevens een vordering uitmaakt die in geld waardeerbaar is. 2.4.
  45. Appellanten vragen in hoofdorde het machtigingsbesluit van 31 januari 1989 onwettig te verklaren en bij equivalent de onteigenaar te veroordelen tot betaling van een provisie van 49.578,70 euro (1x aan de echtgenoten V. - C. samen en 2x aan de heer R. = 148.736,10 euro ). Het is dit bedrag dat de basis vormt voor het bepalen van de rechtsplegingsvergoeding. Appellanten staan in een onteigeningsprocedure steeds tegenover een overheid die over meer mogelijkheden beschikt dan zijzelf zodat omwille van het kennelijk onredelijk karakter van de situatie zij veroordeeld worden tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding aan geïntimeerde bepaald volgens het minimumtarief, zijnde 1.000 euro . 2.4.
  46. Tegen partijen sub 1 t.e.m. 4 wordt als zodanig geen vordering ingesteld. Deze partijen werden in de zaak betrokken omdat appellant sub 3 (de heer R.) de mening was toegedaan dat hij vanaf 17 mei 1989 eigenaar was van het perceel 20/n en de onteigeningsprocedure derhalve tegen zijn persoon had moeten gericht zijn. Deze vordering is niet in geld waardeerbaar. Het kennelijk onredelijk karakter geldt in dit geval niet zodat het basistarief wordt toegekend zijnde 1.200 euro dat door appellant sub 3 verschuldigd is aan de partijen sub 1 t.e.m.
  47. 2.4.
  48. Uit een brief van 4 april 2005 blijkt dat de toenmalige raadsman van partijen sub 5 en 6 niet meer optrad in hoger beroep gezien tegen hen geen vorderingen meer werden ingesteld en door henzelf evenmin nog vorderingen worden ingesteld. In de gegeven omstandigheden is dan ook geen rechtsplegingsvergoeding verschuldigd aan en door partijen sub 5 en
  49. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Bevestigt de bestreden vonnissen. Veroordeelt appellanten in de kosten van hoger beroep, in hun geheel begroot : - in hoofde van appellanten op euro 1.386 (186 rolrecht + 1200 rechtsplegingsvergoeding), - in hoofde van geïntimeerde op euro 1.000 rechtsplegingsvergoeding, - in hoofde van 1ste tot en met 4de opgeroepen partijen op euro 1.200 rechtsplegingsvergoeding, en - in hoofde van 5de en 6de opgeroepen partijen op NIHIL. Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 23/02/2009 waar aanwezig waren en zitting hielden : Astrid DE PREESTER, Raadsheer d.d. Voorzitter, Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer, Marc DEBAERE, Raadsheer, Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS M. DEBAERE E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.