← België

ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090224.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 24 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090224.2 Rolnummer: 2005AR1819 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-02-24 Raadplegingen: 135 - laatst gezien 2026-07-02 19:16 Fiche De wederbeleggingsvergoeding bij onteigening beoogt de vergoeding van de registratierechten en notariskosten van de verwerving van het onteigende goed. Dezelfde kosten zullen ook verschuldigd zijn bij de mogelijke verwerving van een ander onroerend goed. Of de onteigenden daadwerkelijk een ander onroerend goed kopen, is niet bepalend: de werkelijke aanwending van de vergoedingen door de onteigenden bepaalt niet de hoogte van de vergoeding. Het past daarom de wederbeleggingsvergoeding vast te stellen aan de hand van het degressief barema gehanteerd door de kamer van notarissen te Brussel op het ogenblik van de overdracht, dit is de datum van het vonnis dat de provisionele vergoeding vaststelt (artikel 7 en 8 van de Wet van 26 juli 1962 met betrekking tot de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte), in casu 10 september

  1. In die logica is een wederbeleggingsvergoeding alleen verschuldigd voor het gedeelte van de onteigeningsvergoeding dat slaat op het onroerend goed op zich, want alleen voor de verwerving van een ander onroerend goed zijn registratierechten en notariskosten verschuldigd. Er is dus geen wederbeleggingsvergoeding verschuldigd op de waarde van de poort en het grind. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - ONTEIGENING - Hoogdringende omstandigheden - Voorwaarden PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - ONTEIGENING - Hoogdringende omstandigheden - Vergoeding PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - ONTEIGENING - Hoogdringende omstandigheden - Vergoeding - Betaling PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - ONTEIGENING - Hoogdringende omstandigheden - Vergoeding - Andere Vrije woorden: Ruilverkaveling. Onteigening. Bereking van de wederbeleggingsvergoeding: op wat?; volgens welke systeem. Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2009/ A.R. nr. 2005/AR/1819 onteigening INZAKE VAN : Het RUILVERKAVELINGSCOMITE B., vertegenwoordigd door zijn Voorzitter, optredend door bemiddeling van Mevrouw de Voorzitter van het Comité tot aankoop van Onroerende Goederen II, Koning Albert II-laan 33 bus 65 te 1030 BRUSSEL, appellante tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 10 december 2004, vertegenwoordigd door Meester Krista ESSELENS loco Meester Marc KADANER, advocaat te 1170 BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 150, 1ste kamer TEGEN : Onteigening 1) De heer C. B., en zijn echtgenote 2) Mevrouw I. V., samenwonende te , geïntimeerden, vertegenwoordigd door Meester Bertrand ASSCHERICKX, advocaat te 1070 BRUSSEL, Ninoofsesteenweg 643,
  2. De procedure In dit arrest oordeelt het hof over het hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 10 december
  3. De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder art. 24, zijn nageleefd. Het arrest wordt gewezen na tegenspraak. Partijen verklaren dat het vonnis niet werd betekend. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld.
  4. De feiten De eerste rechter heeft de relevante feiten correct en volledig weergegeven als volgt: " Het ruilverkavelingscomite B. werd bij M.B. d.d. 10 maart 1998 gemachtigd om over te gaan tot onteigening ten algemene nutte van een perceel grond (een losweg met recht van overgang) met een oppervlakte van 1a 99 ca, gelegen op het grondgebied van de gemeente Asse, voorheen Asse, tweede afdeling, thans of voorheen gekadastreerd als huis, sectie B nr. 490 d (inneming 1 van het onteigeningsplan) en eigendom van eisers in herziening. Bij verzoekschrift van 22 juni 1998 werd de onteigeningsprocedure van openbaar nut overeenkomstig de wet van 26 juli 1962 ingeleid. Na neerlegging van het definitief deskundig verslag bepaalde de vrederechter bij vonnis van 6 september 2002 de voorlopige onteigeningsvergoeding op 15.845,45 euro . Dit vonnis werd samen met het bewaargevingsbewijs van storting in de Depositokas op 24 oktober 2002 aan eiseres betekend. Eisers gingen over tot dagvaarding in herziening op 13 november
  5. "
  6. Het onderwerp van de vordering 3.
  7. Voor de eerste rechter vorderden B. en V. de vordering tot onteigening van het RUILVERKAVELINGSCOMITE onontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren en de onteigening van de inneming van 1 a 99 ca uit hun perceel te niet te doen, en - te bevelen dat het tussen te komen vonnis zal gelden als eigendomsoverdracht en op het bevoegde hypotheekkantoor zal worden overgeschreven; - te zeggen voor recht dat B. en V. vanaf de uitspraak alleen en met uitsluiting van alle derden opnieuw over de volle eigendom van het perceel grond zullen beschikken; Ondergeschikt vroegen B. en V. de onteigeningsvergoeding vast te stellen op 70.882,62 EUR, plus de vergoedende interesten aan de wettelijke rentevoet vanaf 10 september 1998, dag van de eigendomsoverdracht, tot de dag van integrale betaling, onder aftrek van de reeds betaalde sommen, en het RUILVERKAVELINGSCOMITE te veroordelen tot betaling van de bijkomende vergoeding, plus de vergoedende interesten aan de wettelijke rentevoet vanaf 10 september 1998, dag van de eigendomsoverdracht, tot op de dag van de integrale betaling, onder aftrek van de reeds betaalde sommen. Het RUILVERKAVELINGSCOMITE concludeerde tot de ongegrondheid van vordering. Bij tegeneis vroeg het de onteigeningsvergoeding te bepalen op 1.859,38 EUR alles inbegrepen, en B. en V. te veroordelen tot de betaling aan hem van: "het op grond van het provisioneel en voorlopig vonnis teveel geconsigneerde (15.845,63 EUR - 1.859,38 EUR =) 13.986,25 EUR te vermeerderen met de burgerlijke vruchten die [B. en V.] op tegeneis op deze som hebben gewonnen of vermochten te winnen vanaf de datum van de consignaties tot aan de datum van de veroordeling tot terugbetaling; de burgerlijke vruchten zijn overeenkomstig artikel 21 van de Wet van 26 juli 1962 gelijk aan de intrestvoet van de Deposito- en Consignatiekas voor de periode dat de gelden aldaar geconsigneerd bleven en aan de intrestvoet voor de basisherfinancieringstransacties van de Europese Centrale Bank vanaf de afhaling ervan; voor de periode voorafgaand aan 1 januari 1999 bedragen de vruchten, voor de periode vanaf de afhaling van de Deposito- en Consignatiekas, 3 %;" Het RUILVERKAVELINGSCOMITE vroeg verder om B. en V. te veroordelen tot betaling van "de moratoire intresten aan de wettelijke rentevoet overeenkomstig de artikelen 1147, 1153 en 1154 van het Burgerlijk Wetboek vanaf de uitspraak in rechte die de vergoedingen definitief vaststelt, tot op de datum van de definitieve terugbetaling op het geheel van de uit hoofde van de uitspraak terug te betalen sommen, zowel in hoofdsom als in burgerlijke vruchten." 3.
  8. De eerste rechter verklaarde de vordering van B. en V. ongegrond. Hij verklaarde de tegenvordering gedeeltelijk gegrond en bepaalde de onteigeningsvergoeding op 15.465,22 EUR. Hij veroordeelde B. en V. tot het terugbetalen aan het RUILVERKAVELINGSCOMITE van "het op grond van het provisioneel en voorlopig vonnis teveel geconsigneerde (15.845,63 EUR - 15.465,22 EUR =) 380,41 EUR te vermeerderen met de burgerlijke vruchten die verweerders op tegeneis op deze som hebben gewonnen of vermochten te winnen vanaf de datum van de consignaties tot aan de datum van de veroordeling tot terugbetaling; de burgerlijke vruchten zijn overeenkomstig artikel 21 van de Wet van 26 juli 1962 gelijk aan de intrestvoet van de Deposito- en Consignatiekas voor de periode dat de gelden aldaar geconsigneerd bleven en aan de intrestvoet voor de basisherfinancieringstransacties van de Europese Centrale Bank vanaf de afhaling ervan; voor de periode voorafgaand aan 1 januari 1999 bedragen de vruchten, voor de periode vanaf de afhaling van de Deposito- en Consignatiekas, 3 %"; en tot "de moratoire intresten aan de wettelijke rentevoet overeenkomstig de artikelen 1147, 1153 en 1154 van het Burgerlijk Wetboek vanaf de uitspraak in rechte die de vergoedingen definitief vaststelt, tot op de datum van de definitieve terugbetaling op het geheel van de uit hoofde van de uitspraak terug te betalen sommen, zowel in hoofdsom als in burgerlijke vruchten". 3.
  9. In hoger beroep herneemt het RUILVERKAVELINGSCOMITE woordelijk zijn oorspronkelijke vordering. B. en V. concluderen tot de tot de ongegrondheid van het hoger beroep. Bij incidenteel hoger beroep hernemen ook zij hun oorspronkelijke tegenvordering woordelijk.
  10. De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen 4.
  11. De wettigheid van de onteigening. Zoals voor de eerste rechter betwisten B. en V. de wettigheid van de onteigening. 4.1.
  12. Machtsafwending Met betrekking tot de machtsafwending laten zij gelden dat de onteigening in werkelijkheid niet in het algemeen belang geschiedt, maar alleen ten behoeve van verschillende private belangen. Wat dat laatste betreft verwijzen ze naar een scoutsvereniging die via de weg haar lokaal kan bereiken, hun buurman DE PAUW die via de weg zijn paarden naar een stal achter zijn perceel kan brengen in plaats van via de parking van zijn restaurant, en de gemeente die op termijn achterliggende terreinen tot bouwgrond wil maken. Het ministerieel besluit tot machtiging van 10 maart 1998 bepaalt dat de machtiging gebeurt "met het oog op de verbetering van de ontsluiting voor het landbouwverkeer en de realisatie van de recreatieve verbindingen in het kader van de ruilverkaveling B.". Dit wordt verder geconcretiseerd met betrekking tot het perceel van B. en V. als "overwegende dat in het kader van de ruilverkaveling B. een landbouwweg met recreatief medegebruik wordt voorzien vanaf Langeweide in de richting van het station van Asse; overwegende dat het tracé van de bestaande erfdienstbare weg deel uitmaakt van de geplande verbinding en uitgesloten is van het ruilverkavelingsblok". Uit niets blijkt dat de onteigening niet strekt tot ontsluiting voor landbouwverkeer en mede recreatief gebruik maar wel andere, private belangen dient, of voornamelijk die andere, private belangen dient. Op de door B. en V. voorgelegde plannen (hun stuk 7) maakt het bij hen onteigende stuk inderdaad deel uit van een weg van Langenweide naar Lindendries, langs landbouwpercelen. De ligging van het tracé is geheel verzoenbaar met het beweerde doel, ontsluiting voor landbouwverkeer en mede recreatief gebruik. Het lijkt daarbij inderdaad niet onmogelijk dat private personen voordeel kunnen halen uit de ontsluiting van de weg door middel van onteigening. Alleen volstaat dat niet om te bewijzen dat de onteigening alleen dat doel dient. B. en V. laten nog gelden dat er alternatieven waren om de ontsluiting te realiseren van landbouwpercelen, maar dat doet niets af aan het feit dat de ontsluiting kan gebeuren via de onteigening. Voor het overige merkt het hof op dat het niet aan de rechter staat om de opportuniteit te beoordelen van de onteigening: de omvorming van de losweg tot ontsluitingsweg en recreatieve weg staat niet ter discussie; aan de orde is alleen de onteigening als middel om die omvorming te realiseren. Het hof stelt vast dat de onteigening voldoende gemotiveerd wordt door die omvorming. B. en V. bewijzen niet dat er machtsafwending was. 4.1.
  13. Machtsoverschrijding B. en V. stellen dat het RUILVERKAVELINGSCOMITE aan machtsoverschrijding doet omdat het onteigent voor doeleinden die niets te maken hebben met de ruilverkaveling, en dus in strijd met artikel 25 §1 van de Wet van 22 juli 1970 op de ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van de wet ("Wanneer voor de ruilverkaveling werken buiten het blok moeten worden uitgevoerd en geen overeenkomst is bereikt, kan het comité door de Koning worden gemachtigd om bij wijze van onteigening te algemenen nutte de nodige innemingen te doen"). B. en V. steunen daarbij zij evenwel op een foutieve lezing van het machtigingsbesluit: anders dan zij voorhouden, is er geen machtiging tot onteigening om "louter recreatieve doeleinden", maar wel voor een landbouwweg met recreatief medegebruik. De onteigening voor een landbouwweg buiten het blok van de ruilverkaveling is wel in overeenstemming met artikel 25 §1 van de Wet van 22 juli
  14. Het middel van B. en V. faalt in feite. 4.1.
  15. Hoogdringendheid B. en V. voeren aan dat de onteigening onwettig is wegens gebrek aan hoogdringendheid. Het machtigingsbesluit van 10 maart 1998 motiveert de hoogdringendheid nochtans uitdrukkelijk en concreet als volgt: "dat de werken dringend moeten worden uitgevoerd om de hinder voor het landbouwverkeer te beperken en om de realisatie van de recreatieve verbindingen niet te vertragen; overwegende dat het onmiddellijk in bezit nemen van de op de plannen vermelde onroerende goederen bijgevolg onontbeerlijk is om redenen van algemeen nut". De beslissing over wat hoogdringend is voor de realisatie van een doelstelling, behoort in wezen tot de discretionaire bevoegdheid van de overheid, en de rechter kan niet de opportuniteit van de bestuurshandeling beoordelen en zijn eigen oordeel in de plaats stellen. De rechterlijke controle van de werkelijkheid van de hoogdringendheid moet redelijk blijven. Overigens is geoordeeld dat de procedure in geval van hoogdringende onteigening, ingesteld bij de Wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake de onteigeningen ten algemenen nutte, in de praktijk de gewone onteigeningsprocedure is geworden, aangezien de andere rechtsplegingen waarin de vroegere wetten voorzagen niet meer worden toegepast, en dat daaruit voortvloeit dat men van de publieke overheden niet langer redelijkerwijs een omstandige verantwoording kan eisen voor de toepassing van de rechtspleging, die gemeenrechtelijk is geworden (zie R.v.St. nr. 78.919, 23 februari 1999 http://www.raadvst-consetat.be (7 januari 2000); A.P.M. 1999 (samenvatting), 34; J.L.M.B. 1999, 846 en http://jlmb.larcier.be (15 januari 2003); T.B.P. 2000, 171). Het komt in casu overtuigend over dat een onmiddellijke inbezitname zou toelaten om de werken dringend uit te voeren, en dat een snelle uitvoering van de werken de hinder voor het landbouwverkeer zou beperken en de realisatie van de recreatieve verbindingen niet zou vertragen. Dat is een logische redenering die in overeenstemming lijkt met de feitelijke elementen. Het bestaan van hoogdringendheid wordt niet weerlegd door een tijdsverloop tussen de machtiging (10 maart 1998) en het aanvatten van de procedure van onteigening (bij verzoekschrift van 22 juni 1998): het RUILVERKAVELINGSCOMITE heeft de machtiging met grote spoed aangewend. De middelen van B. en V. met betrekking tot andere tracés betreffen de opportuniteit van de genomen beslissingen, waarover het hof niet kan oordelen. 4.1.
  16. De wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. De boven reeds aangehaalde motivering van het besluit maakt melding van concrete feiten met betrekking tot de ligging en een redelijk verband tussen de onteigening en het vooropgestelde doel, te weten de ontsluiting voor landbouwverkeer en mede recreatief gebruik. Zij vermeldt ook de rechtsregels die zij op die feiten toepast. Die motivering komt als afdoende voor in de zin van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Ook op dit punt betreft het middel van B. en V. voor het overige in wezen de opportuniteit van de beslissingen. 4.1.
  17. De beginselen van behoorlijk bestuur. B. en V. voeren aan dat de bouwvoorschriften niet zullen worden geëerbiedigd met betrekking tot de afstand tussen hun gebouw en de openbare weg, maar dat is een middel dat betrekking heeft op de uitvoering van werken na de onteigening, en niet op de regelmatigheid van de onteigening zelf. B. en V. voeren aan dat het RUILVERKAVELINGSCOMITE het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden door niet voldoende de alternatieve inplantingen te onderzoeken, maar dat middel betreft de opportuniteit van de beslissing tot onteigening. B. en V. voeren aan dat het RUILVERKAVELINGSCOMITE het redelijkheidbeginsel heeft geschonden of de belangen van B. en V. en andere particulieren op vooringenomen wijze heeft afgewogen door de weg niet anders of elders te plannen, maar ook dat raakt aan de opportuniteit van de beslissing tot onteigening dan wel aan de uitvoering van werken na de inbezitname. 4.
  18. De onteigeningsvergoeding 4.2.
  19. De grondwaarde Zoals voor de eerste rechter voert het RUILVERKAVELINGSCOMITE aan dat de waarde van de inneming moet worden bepaald op 1/10de van bouwgrond, gewaardeerd aan 3.000 BEF/m². B. en V. volgen met de vrederechter en de eerste rechter de redenering van de deskundige, die de inneming waardeert op 60,13 % van een waarde van 4.000 BEF/m². Uitgangspunt moet zijn de vergoeding van de hele schade die volgt uit de onteigening; daarom geeft het hof de voorkeur aan de bepaling overeenkomstig het advies van de deskundige, die uitgaat van de concrete gegevens van de zaak, en vergelijkt met reële prijzen van verkopen van relevante vergelijkingspunten. Op basis van de werkelijke aankoopprijs van het perceel van B. en V., als bouwgrond, en door vergelijking met de bouwgrondprijzen van dat ogenblik

(1991)in die omgeving, stelt de deskundige vast dat de strook klaarblijkelijk is gewaardeerd op 60,13 % van de prijs van bouwgrond. De waarde kan bezwaarlijk correcter worden bepaald dan op grond van de werkelijke verkoop van het goed zelf in een normale marktsituatie. Dat in andere zaken andere loswegen anders zijn geraamd, is zonder belang. De deskundige heeft door vergelijking van gelijkaardige percelen van die orde van grootte in Asse een prijs voor bouwgrond voor de streek geraamd op 4.000 BEF/m²; het klopt dat hij in zijn verslag de vergelijkingspunten wel aankondigt maar niet opneemt. Deze materiële fout volstaat niet om zijn advies als dusdanig te verwerpen; overigens is de door het RUILVERKAVELINGSCOMITE zelf vooropgestelde 3.000 BEF/m² niet gerechtvaardigd dan door algemene overwegingen als dat de prijsstijging dan toch niet realistisch was, of dat de configuratie van het perceel niet wordt verrekend. Dat laatste is overigens niet correct: de invloed van de losweg wordt wel verrekend, zoals hierboven vermeld. Het hof bevestigt dus de beoordeling door de eerste rechter, en verbetert diens niet betwiste materiële fout: de grondwaarde is 11.839,40 EUR (in plaats van 11.829,40 EUR). 4.2.
  1. De bijkomende posten Het RUILVERKAVELINGSCOMITE betwist de door de eerste rechter toegekende 371,84 EUR voor de poort van B. en V., omdat die wederrechtelijk zou zijn geplaatst. Uit niets blijkt echter dat B. en V. niet het recht hadden een poort te plaatsen die het gebruik van de losweg (door enkele landbouwers, de scouts en wandelaars) niet hinderde. Met betrekking tot de vergoeding van 79,33 EUR voor verplaatsing van "bils" (spoorwegdwarsliggers) voert het RUILVERKAVELINGSCOMITE aan, zonder wat dat betreft te worden tegengesproken door B. en V., dat het zelf die dwarsliggers heeft laten verplaatsen bij het uitvoeren van werken. Het RUILVERKAVELINGSCOMITE is daarvoor dus geen vergoeding verschuldigd, anders dan de eerste rechter oordeelde. Met betrekking tot de door de eerste rechter toegekende 141,30 EUR voor de grindverharding op de losweg stelt het RUILVERKAVELINGSCOMITE dat die reeds wordt vergoed door de vergoeding voor de grondwaarde. Dit is niet correct; B. en V. hebben een verharding aangebracht, die zij met de grond zelf verliezen. Het hof volgt de deskundige voor wat betreft de raming van de waarde van de verharding, die hij heeft opgesteld na eigen vaststellingen ter plaatse en op grond van zijn eigen technische kennis en ervaring. B. en V. vragen 4.077,60 EUR voor een nieuw terras met omheining tot behoud van hun privacy. De eerste rechter heeft dit terecht afgewezen; voor zover een nieuw terras met omheining al noodzakelijk zou zijn wegens de omvorming van de losweg tot openbare weg, wat niet zeker is, dan zou dat een gevolg zijn van de na onteigening uitgevoerde werken en het gebruik van de weg door derden, en niet van de onteigening zelf. Overigens schrijven B. en V. in conclusie zelf dat "door de onteigening en het aanleggen van een openbare weg het oude terras onbruikbaar is geworden" (het hof onderlijnt). De onteigening leidt dus niet tot een recht op vergoeding van deze post. B. en V. vragen een vergoeding voor waardevermindering van het overblijvend perceel van 19.831,48 EUR, of 10 % van 198.314,82 EUR. De argumenten die zij aanvoeren, hebben echter betrekking op de gevolgen van de werken en van de hinder door weggebruikers nadien. Anders dan zij aanvoeren (conclusie p. 26), kunnen die gevolgen niet gelijkgesteld worden met rechtstreekse gevolgen van de onteigening. B. en V. vragen ten slotte een vergoeding voor het verlies van de gelegenheidswaarde van hun goed. Daarbij verwijzen zij naar het verlies van het gebruik van de losweg. Dat lijkt niet echt wat normaal wordt begrepen onder gelegenheidswaarde, dat is een bijzondere waarde die het goed heeft voor een bepaalde eigenaar en dus niet voor alle mogelijke eigenaars. Bovendien verliezen B. en V. uit het oog dat zij voor het verlies van de weg reeds zijn vergoed door de hoofdwaardevergoeding, dat de strook bij aankoop een gunstige invloed heeft gehad op de prijs, en dat zij de weg nog steeds kunnen gebruiken. Zij stellen dat zij de weg vroeger gebruikten als private oprit, maar dat lijkt niet verzoenbaar met het vroeger statuut van losweg, die dus, anders dan een private oprit, niet permanent bezet kon blijven. 4.2.
  2. De wederbeleggingsvergoeding B. en V. houden voor dat de wederbeleggingsvergoeding moet bepaald worden als een "vast gemiddeld percentage" van 21 %; het RUILVERKAVELINGSCOMITE verdedigt de toepassing van het "nationaal degressief notarieel barema". De wederbeleggingsvergoeding beoogt de vergoeding van de registratierechten en notariskosten van de verwerving van het onteigende goed. Dezelfde kosten zullen ook verschuldigd zijn bij de mogelijke verwerving van een ander onroerend goed. Of de onteigenden daadwerkelijk een ander onroerend goed kopen, is niet bepalend: de werkelijke aanwending van de vergoedingen door de onteigenden bepaalt niet de hoogte van de vergoeding. Het past daarom de wederbeleggingsvergoeding vast te stellen aan de hand van het degressief barema gehanteerd door de kamer van notarissen te Brussel op het ogenblik van de overdracht, dit is de datum van het vonnis dat de provisionele vergoeding vaststelt (artikel 7 en 8 van de Wet van 26 juli 1962 met betrekking tot de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte), in casu 10 september
  3. In die logica is een wederbeleggingsvergoeding alleen verschuldigd voor het gedeelte van de onteigeningsvergoeding dat slaat op het onroerend goed op zich, want alleen voor de verwerving van een ander onroerend goed zijn registratierechten en notariskosten verschuldigd. Er is dus geen wederbeleggingsvergoeding verschuldigd op de waarde van de poort en het grind, anders dan de eerste rechter oordeelde. Het bovenstaande leidt tot een wederbeleggingsvergoeding van 24,5 % van 11.839,40 EUR, of 2.900,65 EUR. 4.2.
  4. De wachtintresten De wachtintresten maken een vergoeding uit voor het verlies aan opbrengst (van de toegekende vergoeding) dat de onteigende lijdt in de periode die hij nodig heeft om een geschikte belegging te zoeken. De onteigende moet inderdaad vergoed worden voor het volledige geleden verlies. Gelet op het ruime aanbod op de huidige beleggingsmarkt kan echter niet worden aangenomen dat B. en V. werkelijk een tijdlang niet een voorlopige of definitieve beleggingsmogelijkheid zouden vinden en daaruit een verlies zouden lijden. Overigens blijkt ook niet dat het onteigende goed enige opbrengst genereerde. De eerste rechter heeft deze post terecht verworpen. 4.2.5 De afrekening Het bovenstaande leidt tot volgende afrekening. Het RUILVERKAVELINGSCOMITE is volgende vergoeding verschuldigd: grondwaarde 11.839,40 EUR poort 371,84 EUR grindverharding 141,30 EUR wederbeleggingsvergoeding 2.900,65 EUR totaal 15.253,19 EUR dit is 592,26 EUR minder dan het bedrag van de voorlopige vergoeding, 15.845,45 EUR . B. en V. worden dus veroordeeld tot teruggave van 592,26 EUR. Artikel 21 van de wet van 26 juli 1962 met betrekking tot de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte , bepaalt dat bij de terugbetaling ten gevolge van een rechterlijke uitspraak op het door de onteigende teveel ontvangene de onteigende de burgerlijke vruchten verschuldigd is, en dat die steeds gelijk zijn aan de intrestvoet van de Deposito- en Consignatiekas voor de periode van consignering, tot op datum van afhaling, waarna de intresten aan de intrestvoet voor de basisherfinancieringstransacties van de Europese Centrale Bank, waarbij voor de periode tussen afhaling en 1 januari 1999 een intrest van 3%/jaar wordt gerekend. De voorlopige vergoeding is bepaald bij vonnis van 6 september
  5. Anders dan de eerste rechter heeft geoordeeld, is er geen reden om af te wijken van artikel 21 van de wet van 26 juli 1962 voor de intresten die vervallen na de uitspraak van dit arrest.
  6. De kosten Het hof neemt alleen kennis van het hoger beroep tegen het vonnis tot herziening, en kan dus niet oordelen over de beslissing van de vrederechter over de kosten van de procedure. De partijen verklaren ter zitting dat zij voor de rechtsplegingsvergoeding de toepassing vragen van het basisbedrag. Met toepassing van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 bedraagt dat basisbedrag gelet op de waarde van de vordering 3.000,00 EUR. In de overwegenden van hun conclusie vragen B. en V. nog een vergoeding voor kosten van juridische verdediging, maar die kosten zijn gedekt door de rechtsplegingsvergoeding waarvan hierboven sprake. Gelet op de mate waarin partijen onderscheidenlijk in het gelijk en het ongelijk werden gesteld, worden de kosten omgeslagen zoals hieronder bepaald (art. 1017, 3de lid van het Gerechtelijk Wetboek). OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart de hogere beroepen ontvankelijk, en verklaart alleen het hoger beroep van het RUILVERKAVELINGSCOMITE gedeeltelijk gegrond, en spreekt opnieuw recht als volgt: Hervormt het vonnis behalve voor zover het oordeelt over de ontvankelijkheid van de vordering en het de kosten begroot en toekent, en Bepaalt de onteigeningsvergoeding die toekomt aan B. en V. wegens onteigening door het RUILVERKAVELINGSCOMITE van inneming 1 van het onteigeningsplan, zijnde 1 a 99 ca uit het perceel van B. en V. te Asse, tweede afdeling, gekadastreerd als huis, sectie B nr. 490 d, op VIJFTIENDUIZEND TWEEHONDERD DRIEENVIJFTIG EURO NEGENTIEN CENT (15.253,19 EUR); Veroordeelt B. en V. tot de terugbetaling aan het RUILVERKAVELINGSCOMITE van VIJFHONDERD TWEEENNEGENTIG EURO ZESENTWINTIG CENT (592,26 EUR), en de intresten hierop aan de intrestvoet van de Deposito- en Consignatiekas voor de periode van consignering, tot op datum van afhaling, waarna de intresten aan de intrestvoet voor de basisherfinancieringstransacties van de Europese Centrale Bank. Laat elke partij in de door haar gemaakte kosten. Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 24/02/2009 waar aanwezig waren en zitting hielden : Astrid DE PREESTER, Raadsheer d.d. Voorzitter, Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer, Marc DEBAERE, Raadsheer, Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS M. DEBAERE E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.