← België

ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090224.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 24 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090224.3 Rolnummer: 2005AR3309 Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-02-24 Raadplegingen: 102 - laatst gezien 2026-07-02 19:16 Fiche UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Rechtstreekse aansprakelijkheid - Fout - de daad - Zorgvuldigheid BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Overheidsaansprakelijkheid - Rechterlijke macht PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - ONTEIGENING - Hoogdringende omstandigheden - Vergoeding - Omvang PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - ONTEIGENING - Hoogdringende omstandigheden - Vergoeding - Andere Vrije woorden: Art. 16 en 21 van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ter algemene nutte. Herzieningsprocedure op vordering van de onteigenaar: mogelijk. De onteigenden beweren niettemin dat de onteigenaar een fout heeft begaan en , zich onzorgvuldig heeft gedragen door een herziening van de onteigeningsvergoeding gerechtelijk te vragen. Gezag van rechterlijke gewijsde van de rechterlijke beslissing die de herziening van de onteigeningsprijs uitsprak en de onteigenden veroordeelde tot terugbetaling. Door dergelijke herzieningsvordering in te stellen beging de onteigenaar geen onrechtmatige daad. De onteigenden miskennen het gezag van rechterlijke gewijsde door, middels een vordering op basis van buitencontractuele aansprakelijkheid, onrechtstreeks de rechterlijke beslissing inzake de herziening ongedaan te willen maken. Afwezigheid van fout. Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2009/ A.R. nr. 2005/AR/3309 Onrechtmatige daad - vordering tot herziening door onteigenaar - vordering tot terugbetaling INZAKE VAN : 1) De heer T. D., en zijn echtgenote 2) Mevrouw I. P. samenwonende te appellanten tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 22 september 2005, vertegenwoordigd door Meester Frans VAN LAER, advocaat te 3111 WEZEMAAL, steenweg op Nieuwrode 44, 1ste kamer TEGEN : 1) Het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, in de persoon van de Minister van Financiën, Begroting en Ruimtelijke Ordening, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1000 BRUSSEL, Koolstraat 35, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Ludo KOOLS, advocaat te 2800 MECHELEN, Van Benedenlaan 15, 2) De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Justitie, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1000 BRUSSEL, Waterloolaan 115, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Els MEYER loco Meester Alain BOUTEILLE, advocaat te 1700 DILBEEK, Kaudenaardestraat 13,

  1. De procedure In dit arrest oordeelt het hof over het hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven van 22 september
  2. De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder art. 24, zijn nageleefd. Het arrest wordt gewezen na tegenspraak. Partijen verklaren dat het vonnis werd betekend op 14 december
  3. D. en P. hebben hoger beroep ingesteld bij verzoekschrift, neergelegd op de griffie van het hof op 19 december
  4. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld.
  5. De feiten De eerste rechter heeft de relevante feiten correct en volledig weergegeven als volgt: " 3.
  6. T. D. en I. P. werden op verzoek van het Vlaamse Gewest bij declaratief vonnis in onteigening van 20 april 1985 gewezen door de vrederechter van het kanton Diest onteigend van hun eigendommen gelegen te D.W. en gekadastreerd sectie E nrs. 63/a, 64/a, 64/b en
  7. (wet betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigeningen ten algemene nutte van 26 juli 1962) Bij vonnis van 26 januari 1987 gewezen door de vrederechter van het kanton Diest werd hen een voorlopige onteigeningvergoeding toegekend van 45.094,51 euro (1.819.108 Fr), bedrag dat bij toepassing van art. 15 van voornoemde wet werd gestort bij de Deposito - en Consignatiekas. 3.
  8. Op 22 juli 1987 stelde het Vlaamse Gewest bij toepassing van art. 16 van voornoemde wet voor de rechtbank van 1ste aanleg te Leuven een vordering in tot herziening van het bedrag van de onteigeningsvergoeding. Bij arrest van 29 september 2003 gewezen door het hof van beroep te Brussel wordt het hoger beroep ingesteld door T. D. en I. P. tegen het vonnis van 18 september 1997 door de rechtbank van 1ste aanleg te Leuven ontvankelijk en deels gegrond verklaard. De definitieve onteigeningsvergoeding werd bepaald op 32.032,06 euro. T. D. en I. P. werden veroordeeld tot terugbetaling aan het Vlaamse Gewest van 20 705,78 euro. "
  9. Het onderwerp van de vordering 3.
  10. Voor de eerste rechter vorderden D. en P. de veroordeling van de BELGISCHE STAAT en het VLAAMSE GEWEST, in solidum, tot de betaling aan hen van 32.181,85 EUR, plus de vergoedende intresten vanaf 10 juni 2004 en de gerechtelijke interesten. Het VLAAMSE GEWEST concludeerde tot de niet-ontvankelijkheid, minstens de ongegrondheid van de vordering. Bij tegeneis vorderde het de veroordeling van D. en P. tot betaling van 2.500,00 EUR wegens tergend en roekeloos geding. Ook de BELGISCHE STAAT concludeerde tot de niet-ontvankelijkheid, minstens de ongegrondheid van de vordering. Bij tegeneis vorderde ook hij de veroordeling van D. en P., zij het hoofdelijk of in solidum, tot betaling van 2.500,00 EUR, plus "de wettelijke en de gerechtelijke intresten" wegens tergend en roekeloos geding. 3.
  11. De eerste rechter verklaarde de vordering van D. en P. niet ontvankelijk voor zover ingesteld tegen de BELGISCHE STAAT, en ontvankelijk maar ongegrond voor zover gericht tegen het VLAAMSE GEWEST. Hij verklaarde de tegenvorderingen gedeeltelijk gegrond en veroordeelde D. en P. in solidum tot betaling van 500,00 EUR aan het VLAAMSE GEWEST en 500,00 EUR aan de BELGISCHE STAAT, telkens met de gerechtelijke intresten. 3.
  12. In hoger beroep hernemen D. en P. eerst hun oorspronkelijke vordering tot veroordeling van de BELGISCHE STAAT en het VLAAMSE GEWEST, (nu hoofdelijk of) in solidum, tot de betaling aan hen van 32.181,85 EUR, plus de vergoedende en de gerechtelijke interesten. In hun syntheseconclusie van 2 februari 2009 vragen zij hen akte te verlenen van hun afstand van geding ten aanzien van de BELGISCHE STAAT, en vragen zij alleen nog de veroordeling van het VLAAMSE GEWEST. Het VLAAMSE GEWEST concludeert tot de tot de ongegrondheid van het hoger beroep. Bij incidentele vordering vraagt het de veroordeling van D. en P. tot betaling van een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep van 3.500,00 EUR en de gerechtelijke intresten. De BELGISCHE STAAT verklaart ter zitting dat hij de afstand van geding niet aanvaardt. Hij concludeert tot de tot de ongegrondheid van het hoger beroep. Bij incidentele vordering vraagt ook hij de veroordeling van D. en P. tot betaling van een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep van 3.500,00 EUR, zonder intresten.
  13. De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen 4.
  14. De vordering van D. en P. strekt tot vergoeding van de schade die zij stellen te hebben geleden uit onrechtmatige daad begaan door het VLAAMSE GEWEST en de BELGISCHE STAAT. De fout van het VLAAMSE GEWEST zou er hebben in bestaan de herziening te vorderen van het vonnis van de vrederechter dat de voorlopige vergoeding heeft vastgesteld en daarbij de vermindering te vragen van de vergoeding en de terugbetaling te eisen van het teveel betaalde. De fout van de BELGISCHE STAAT, die instaat voor de rechterlijke macht, zou erin hebben bestaan die vordering te hebben toegekend. 4.
  15. D. en P. stellen afstand te doen van geding ten aanzien van de BELGISCHE STAAT, die dit niet aanvaardt. De afstand kan dus niet ingewilligd worden (artikel 825 van het Gerechtelijk Wetboek). De afstand is overigens slechts gedaan bij gewone conclusie, en niet volgens de vormen opgelegd door artikel 824, 2de lid van het Gerechtelijk Wetboek. Bijgevolg blijft de tegeneis van de BELGISCHE STAAT ter beoordeling. Met betrekking tot de vordering tegen de BELGISCHE STAAT heeft de eerste rechter terecht geoordeeld dat de vordering niet ontvankelijk is, omdat de beslissing die de beweerde onrechtmatige daad uitmaakt, het arrest van dit hof van 29 september 2003, betekend op 8 juli 2004, niet het voorwerp is geweest van enig rechtsmiddel. De vordering uit aansprakelijkheid van de BELGISCHE STAAT voor fouten van magistraten begaan in de rechtsprekende functie is immers alleen ontvankelijk indien de litigieuze akte bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing ingetrokken, gewijzigd, vernietigd of herroepen is wegens schending van een gevestigde rechtsnorm en derhalve geen gezag van gewijsde meer heeft . D. en P. hebben voor de eerste rechter niet geantwoord op dit middel van niet-ontvankelijkheid. Ook hun akte van beroep gaat voorbij aan dit middel, dat door de eerste rechter gegrond is verklaard. D. en P. verwijzen voor de aansprakelijkheid van de BELGISCHE STAAT zelfs alleen naar dezelfde rechtspraak waaruit de BELGISCHE STAAT de exceptie van niet-ontvankelijkheid put. In hun syntheseconclusie erkennen zij dan toch dat "blijkbaar niet is voldaan aan de voorwaarden van eventuele aansprakelijkheid van [de BELGISCHE STAAT] zoals deze zijn bepaald in de Orgaantheorie bij het arrest van het hof van Cassatie dd 19.12.1991". De eerste rechter heeft terecht geoordeeld dat D. en P. hun vordering hebben ingesteld met verregaande lichtzinnigheid, en dat zij de BELGISCHE STAAT moeten vergoeden voor de schade uit tergend en roekeloos geding, begroot op 500,00 EUR. Het hof stelt vast dat D. en P. ondanks de duidelijke en gemotiveerde afwijzing van de vordering door de eerste rechter, met kwalificatie ervan als tergend en roekeloos, die vordering opnieuw instellen, zonder enige nuttige motivering. Een minimaal onderzoek had moeten volstaan om in te zien dat dit hoger beroep geen enkele kans maakte. Een hoger beroep aantekenen op deze wijze is niet verzoenbaar met het gedrag van een normaal zorgvuldige persoon in dezelfde omstandigheden, en D. en P. zijn gehouden tot vergoeding van de schade die de BELGISCHE STAAT daaruit lijdt, en die het hof raamt op 500,00 EUR. 4.
  16. Het VLAAMSE GEWEST beroept zich op het gezag van gewijsde van het arrest van dit hof van 29 september 2003 dat uitspraak deed over het hoger beroep tegen het vonnis in herziening. Hoewel de huidige vordering van D. en P. zoals zij ze verwoorden niet strekt tot herziening van een onteigeningsvergoeding maar tot vergoeding van schade uit onrechtmatige daad, moet toch aangenomen worden dat huidige vordering geen ander voorwerp heeft dan die in de herzieningsprocedure. De beweerde onrechtmatige daad bestaat immers uit de toepassing die het VLAAMSE GEWEST heeft gemaakt van de herziening, met inbegrip van de vraag tot terugbetaling. D. en P. verwijten het VLAAMSE GEWEST niet de procedure te hebben gevoerd op een wijze die niet verzoenbaar is met het gedrag van een normaal zorgvuldige persoon in dezelfde omstandigheden, maar verwijten hem een inbreuk op een welbepaalde norm, te weten de wet van 26 juli
  17. Zij menen dat de aanspraak van het VLAAMSE GEWEST op herziening en vermindering van de onteigeningsvergoeding op zich onrechtmatig is want in strijd met die wet. Uit het bovenstaande volgt dat het VLAAMSE GEWEST met recht het gezag van gewijsde opwerpt van het arrest van 29 september 2003, dat de aanspraak van het VLAAMSE GEWEST op herziening en vermindering van de onteigeningsvergoeding heeft toegekend. De vordering van D. en P. is dus in beginsel niet ontvankelijk (artikel 25 van het Gerechtelijk Wetboek), maar het VLAAMSE GEWEST verbindt dat gevolg niet aan de exceptie van gewijsde die het opwerpt. In het arrest van 29 september 2003 heeft het hof uitgebreid en duidelijk het middel waarop huidige vordering gesteund is, verworpen: "
  18. D. en P. beperken ten onrechte de mogelijkheid tot herziening in hoofde van de onteigende.
  19. Uit artikel 16 W. 26 juli 1962 blijkt integendeel dat ‘de partijen', dit wil zeggen zowel de onteigende als de onteigenaar, de herziening van de voorlopige onteigeningsvergoeding kunnen vorderen.
  20. Ook de bewering van D. en P. dat zij niet kunnen worden veroordeeld tot terugbetaling is ongegrond.
  21. Immers, wanneer, na afloop van de bij artikel 16 W. 26 juli 1962 bepaalde herzieningsprocedure, vaststaat dat de voorlopige vergoeding de definitieve vergoeding te bovengaat, veroordeelt de rechter de onteigende tot teruggave van hetgeen hij teveel heeft ontvangen en tot betaling van de intresten op dat surplus (zie bijvoorbeeld Cass., 19 februari 1988, A.C., 1987-88, p. 797).
  22. De regel dat, als de provisionele vergoeding meer bedraagt dan de werkelijk geleden schade, de onteigenaar de te veel gestorte bedragen kan terugvorderen is niet in strijd met het beginsel dat de onteigenaar voorafgaandelijk schadeloosstelling moet betalen; de kracht van gewijsde wordt niet miskend doordat in een andere, op zichzelf staande procedure, de rechter nieuwe aanspraken inwilligt die de voordelen van de eerste beslissing ongedaan maken; de vordering tot herziening bedoeld in artikel 16 W. 26 juli 1962 is een op zichzelf staande procedure (zie bijvoorbeeld Cass., 14 december 1994, A.C., 1995).
  23. De wetgever heeft uitdrukkelijk de mogelijkheid van terugbetaling door de onteigende voorzien (zie artikel 21 W. 26 juli 1962, gewijzigd bij artikel 3 W. 6 april 2000, in werking getreden op 1 juni 2000: indien in de loop van de procedure, de onteigeningsvergoeding bij rechterlijke uitspraak wordt verminderd en de onteigende dan ook wordt veroordeeld tot de terugbetaling van het bedrag dat hij te veel heeft ontvangen, is hij op dit bedrag de burgerlijke vruchten verschuldigd die hij heeft gewonnen of vermocht te winnen tot op datum van de veroordeling tot terugbetaling'). " Het hof heeft daarmee de middelen beantwoord die D. en P. in huidige procedure opnieuw ontwikkelen. Voor zoveel als nodig herhaalt het hof in huidige procedure het aangehaalde antwoord, dat niet veel ondubbelzinniger of helderder kan verwoord worden. De redenering van het hof steunt op de lezing van de duidelijke tekst van de wet, die geen twijfel toelaat. Zij is ook in overeenstemming met de toepassing ervan in de rechtspraak . Die lezing en toepassing is ook niet strijdig bevonden met artikel 10 en 11 van de Grondwet in samenhang met artikel 16 van de Grondwet en artikel 1 van het eerste aanvullend protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens . De eerste rechter heeft terecht geoordeeld dat D. en P. hun vordering hebben ingesteld met verregaande lichtzinnigheid, en dat zij het VLAAMSE GEWEST moeten vergoeden voor de schade uit tergend en roekeloos geding, begroot op 500,00 EUR. Alleen veroordeelde de eerste rechter D. en P. in solidum tot betaling van 500,00 EUR aan het VLAAMSE GEWEST, met de gerechtelijke intresten, hoewel het VLAAMSE GEWEST geen veroordeling in solidum had gevorderd en ook geen intresten. Het voorschrift van artikel 1138, 2° van het Gerechtelijk Wetboek volgens hetwelk de rechter geen uitspraak mag doen over niet gevorderde zaken is van openbare orde . Het hof stelt vast dat D. en P. ondanks de omstandige weerlegging van hun stelling in het arrest van dit hof van 29 september 2003, en ondanks de duidelijke en gemotiveerde afwijzing van de vordering door de eerste rechter, met kwalificatie ervan als tergend en roekeloos, vasthouden aan een stelling die manifest strijdig is met het geldende recht, zonder enige ernstige motivering. Een eenvoudige lezing van het dossier en een minimaal onderzoek van het geldende recht had moeten volstaan om in te zien dat dit hoger beroep geen enkele kans maakte. Een hoger beroep aanwenden op deze wijze is niet verzoenbaar met het gedrag van een normaal zorgvuldige persoon in dezelfde omstandigheden, en D. en P. zijn gehouden tot vergoeding van de schade die het VLAAMSE GEWEST daaruit lijdt, en die het hof raamt op 500,00 EUR.
  24. De kosten Het VLAAMSE GEWEST en de BELGISCHE STAAT vragen voor de rechtsplegingsvergoeding de toepassing van het maximumbedrag, gelet op het kennelijk onredelijk karakter van de situatie (artikel 1022, 3de lid van het Gerechtelijk Wetboek). Met toepassing van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 bedraagt dat bedrag gelet op de waarde van de vordering 4.000,00 EUR. D. en P. gedragen zich naar de wijsheid van het hof. Uit het gebrek aan verduidelijking door de BELGISCHE STAAT en het VLAAMSE GEWEST van "het kennelijk onredelijk karakter van de situatie" begrijpt het hof dat laatstgenoemden niets anders bedoelen dan de onredelijke houding van D. en P.; uit niets blijkt dat de toepassing van het basisbedrag zou leiden tot een situatie die kennelijk onredelijk is voor de partijen. De onredelijke houding van D. en P. resulteert reeds in de toekenning van vergoedingen uit roekeloos hoger beroep. Het hof maakt dus toepassing van het basisbedrag, gelet op de waarde van de vordering 2.000,00 EUR. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Het hof verklaart het hoger beroep van D. en P. ontvankelijk; Verklaart het ongegrond, behalve voor zover de eerste rechter D. en P. ten aanzien van het VLAAMSE GEWEST veroordeelt in solidum en met gerechtelijke intresten; Spreekt opnieuw recht als volgt: Veroordeelt D. en P. tot betaling van VIJFHONDERD EURO (500,00 EUR) aan het VLAAMSE GEWEST; Het hof verklaart de incidentele vorderingen in hoger beroep van het VLAAMSE GEWEST en de BELGISCHE STAAT ontvankelijk en in volgende mate gegrond: Veroordeelt D. en P. tot betaling van: - VIJFHONDERD EURO( 500,00 EUR) aan het VLAAMSE GEWEST, plus de gerechtelijke intresten daarop aan de wettelijke rentevoet vanaf 27 februari 2006, en - VIJFHONDERD EURO (500,00 EUR) aan de BELGISCHE STAAT; Het veroordeelt D. en P. tot de betaling van de kosten van het hoger beroep, begroot - in hoofde van henzelf op euro 2.000 (0 rolrecht + 2.000 rechtsplegingsvergoeding), - in hoofde van eerste geïntimeerde op 2000 euro rechtsplegingsvergoeding en - in hoofde van tweede geïntimeerde op 2000 euro rechtsplegingsvergoeding. Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 24/02/2009 waar aanwezig waren en zitting hielden : Marc DEBAERE, Raadsheer, Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS M. DEBAERE Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.