← België

ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090224.8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 24 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090224.8 Rolnummer: 2007/AR/3131 Rechtsgebied: Overige - Familierecht Invoerdatum: 2009-03-20 Raadplegingen: 134 - laatst gezien 2026-07-02 19:17 Fiche UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Begrippen - Aanhangigheid - Samenhang GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Tussengeschillen - Afstand (gerechtelijk recht) - Geding BURGERLIJK RECHT - ECHTSCHEIDING (NIEUW) - Onherstelbare ontwrichting Vrije woorden: ontvankelijkheid vordering tot echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting - reeds echtscheidingsvordering op grond van oud artikel 231 B.W. - nieuwe vordering - geen pluraliteit van geadiëerde gerechten - niet wegens dezelfde oorzaak - exceptie aanhangigheid verworpen samenhang - vrije beoordeling van de rechter - geen maatregel van inwendige orde - vordering hangende voor eerste aanleg en vordering hangende in graad van beroep - geen samenvoeging mogelijk - rechtsmacht eerste rechter uitgeput - vordering tot terugzending naar eerste rechter onmogeliijk rechter enkel gevat van vordering tot echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting - geen samenvoeging met eerder ingestelde echtscheidingsvordering op grond van fout ex artikel 231 (oud) B.W. - geen overweging aangaande impliciete afstand Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 229§3 oud Burgerlijk Wetboek - 231 (oud) Gerechtelijk Wetboek - 820 e.v. Gerechtelijk Wetboek - 29-30 Tekst van de beslissing Het HOF VAN BEROEP te Brussel, derde kamer, na beraad, spreekt het volgend arrest uit : A.R. Nr. 2007/AR/3131 R. Nr. 2009/ IN ZAKE VAN : Mevrouw X, wonende te, appellante, vertegenwoordigd door Meester Erik Vergauwen, advocaat te 3001 Heverlee, Koning Leopold III-laan, 9; TEGEN : De heer Y, wonende te geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Kim Michiels, advocaat, loco Meester Sonia Hognoul, advocaat te 3300 Tienen, Kabbeekvest, 70; * * * Gelet op de stukken van de rechtspleging, inzonderheid: n het tussenvonnis op tegenspraak van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven d.d. 19 november 2007 waarvan geen akte van betekening wordt neergelegd; n het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 27 november 2007; n de syntheseconclusie voor geïntimeerde van 22 mei 2008; n de syntheseconclusie voor appellante van 17 april

  1. Voorgaanden Partijen zijn gehuwd te op zonder huwelijkscontract. Uit hun huwelijk werden drie kinderen geboren: - M (thans jaar); - N (thans jaar); - Q (thans jaar). Partijen leven feitelijk gescheiden, en zijn op verschillende adressen ingeschreven sedert 17 maart
  2. Op 27 maart 2006 bracht geïntimeerde een tweevoudige dagvaarding uit in echtscheiding op grond van artikel 231 (oud) BW en in voorlopige maatregelen tijdens de echtscheidingsprocedure. Bij beschikking van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven van 18 mei 2006 werd geïntimeerde veroordeeld tot het betalen van een persoonlijk onderhoudsgeld ten behoeve van appellante van euro 250 per maand vanaf 1 februari
  3. Deze beschikking werd gedeeltelijk hervormd bij arrest van dit hof van 13 mei 2008 waarbij het persoonlijk onderhoudsgeld voor appellante vanaf 1 maart 2007 werd gereduceerd tot euro 100 per maand. De echtscheidingsprocedure ingesteld op 27 maart 2006 werd door geïntimeerde niet verder benaarstigd, en op 10 september 2007 legde geïntimeerde een verzoekschrift tot echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting neer in toepassing van artikel 229, § 3 B.W. Appellante stelde een tegeneis in ertoe strekkende een provisionele onderhoudsuitkering na echtscheiding van euro 600 per maand, jaarlijks geïndexeerd, te bekomen. Vonnis a quo Bij het bestreden tussenvonnis van 19 november 2007 werd de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Er werd bevolen over te gaan tot vereffening en verdeling van het huwelijksvermogensstelsel waartoe notarissen Honorez te Tienen, en Smets te Glabbeek ter vertegenwoordiging van de niet-verschijnende of weigerende partij, werden aangesteld. De behandeling van de tegeneis aangaande de onderhoudsuitkering na echtscheiding werd uitgesteld naar een latere zitting en de kosten werden voorbehouden. Voorwerp van het hoger beroep Overeenkomstig haar verzoekschrift tot gedeeltelijk hoger beroep en conclusie voor het hof vordert appellante met de hervorming van het bestreden vonnis de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde onontvankelijk te verklaren. In ondergeschikte orde vordert appellante de zaak terug te verzenden naar de rechtbank van eerste aanleg te Leuven met het oog op de samenvoeging met de zaak aldaar gekend onder A.R. 06/688/A. In nog meer ondergeschikte orde, zo geen gevolg gegeven wordt aan het verzoek tot verzending naar de rechtbank van eerste aanleg te Leuven, vordert appellante rechtdoende omtrent haar oorspronkelijke tegenvordering ex artikel 301 B.W., deze ontvankelijk en gegrond te verklaren en dienvolgens geïntimeerde te veroordelen tot betaling van een onderhoudsuitkering na echtscheiding van euro 600 per maand, jaarlijks geïndexeerd. Geïntimeerde vordert het hoger beroep als ongegrond af te wijzen en het vonnis a quo integraal te bevestigen. Geïntimeerde vordert verder de oorspronkelijke tegeneis van appellante tot het bekomen van een onderhoudsuitkering na echtscheiding ongegrond te verklaren, minstens alvorens ten gronde te oordelen, appellante te veroordelen tot het overleggen van haar jaarloonfiche voor het jaar 2007 evenals kopie van de aangifte voor het aanslagjaar 2008, inkomsten
  4. Nieuwe vordering van geïntimeerde Geïntimeerde stelt middels zijn neergelegde conclusie een nieuwe vordering in graad van hoger beroep in teneinde appellante te doen veroordelen tot het betalen aan hem van een schadevergoeding van euro 150,00 per maand vanaf 1 maart 2007 tot en met mei 2008, zijnde het totaal bedrag van euro 2.250 wegens tergend en roekeloos hoger beroep, bedrag te vermeerderen met de gerechtelijke intresten. Appellante besluit tot de ongegrondheid van deze vordering. BEOORDELING
  5. Aangaande de ontvankelijkheid van het hoger beroep in zoverre het de onderhoudsuitkering na echtscheiding betreft Overwegende dat het hof op de zitting van 3 februari 2009 ambtshalve de vraag naar de ontvankelijkheid van het hoger beroep opgeworpen heeft in zoverre dit ook slaat op de oorspronkelijke tegeneis van huidige appellante tot het bekomen van een onderhoudsuitkering na echtscheiding; Overwegende dat beide partijen daarover standpunt hebben kunnen innemen op de zitting van 3 februari 2009, en beiden verklaard hebben geen bezwaar te hebben tegen de verdere behandeling van dit onderdeel door de eerste rechter; Overwegende dat in het bestreden tussenvonnis overwogen wordt dat huidige appellante bij tegeneis een provisionele onderhoudsuitkering na echtscheiding vorderde van 600 euro per maand, jaarlijks geïndexeerd overeenkomstig artikel 301 B.W., dat op dit punt de zaak niet volledig in staat was, en dat ze uitgesteld diende te worden naar een later zitting voor behandeling op verzoek van beide partijen; Overwegende dat de eerste rechter aldus dienaangaande gedaan heeft wat beide partijen hadden gevraagd, namelijk de zaak wat betreft de tegeneis tot het bekomen van een provisionele onderhoudsuitkering na echtscheiding uitgesteld naar een latere zitting; Dat in die omstandigheden appellante geen belang heeft om tegen dit onderdeel van het vonnis a quo op te komen; Dat haar hoger beroep op dit punt onontvankelijk is; Overwegende dat er geen gronden van onontvankelijkheid worden opgeworpen wat het hoger beroep tegen de andere onderdelen van het vonnis a quo betreft, en het hof evenmin een ambtshalve op te werpen grond van onontvankelijkheid vaststelt;
  6. Aangaande de ontvankelijkheid van de vordering tot echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting Overwegende dat appellante opwerpt dat, nu geïntimeerde op 27 maart 2006 reeds een vordering tot echtscheiding op grond van fout had ingesteld op grond van oud artikel 231 B.W. en deze eerste echtscheidingsvordering nog steeds hangende was (en is) voor de rechtbank van eerste aanleg te Leuven, de vordering die geïntimeerde heeft ingesteld tot het bekomen van de echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting door neerlegging van een verzoekschrift op grond van het nieuwe artikel 229, § 3 B.W. onontvankelijk zou zijn; Dat zij van oordeel is dat beide vorderingen tussen dezelfde partijen ingesteld hetzelfde voorwerp hebben, namelijk de echtscheiding, dit is de ontbinding van het huwelijk van partijen te bekomen; Dat zij dan ook de exceptie van aanhangigheid opwerpt; Overwegende dat overeenkomstig artikel 29 Ger.W. aanhangigheid bestaat telkens wanneer vorderingen met hetzelfde voorwerp en wegens dezelfde oorzaak worden ingesteld tussen dezelfde partijen die in dezelfde hoedanigheid optreden, voor verschillende rechtbanken bevoegd om daarvan kennis te nemen en geroepen om in eerste aanleg uitspraak te doen; Overwegende dat in casu beide echtscheidingsvorderingen werden ingesteld voor de rechtbank van eerste aanleg te Leuven, zodat er geen pluraliteit van geadieerde gerechten voorhanden is; dat bovendien beide echtscheidingsvorderingen niet wegens dezelfde oorzaak zijn ingesteld, nu de eerste echtscheidingsvordering steunde op grove beledigingen in hoofde van appellante t.a.v. geïntimeerde, en de tweede echtscheidingsvordering steunt op de onherstelbare ontwrichting van het huwelijk gesteund op een feitelijke scheiding van meer dan één jaar; Dat de exceptie van aanhangigheid dan ook verworpen wordt;
  7. Aangaande het verzoek tot terugzending van de zaak naar de eerste rechter wegens samenhang Overwegende dat appellante in ondergeschikte orde van oordeel is dat er samenhang bestaat tussen huidige vordering tot echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting, en de eerste vordering van geïntimeerde tot echtscheiding op grond van fout; Dat zij meent dat beide vorderingen dan ook samengevoegd dienen te worden; Dat, nu de eerste echtscheidingsvordering van geïntimeerde nog hangende is voor de rechtbank van eerste aanleg te Leuven (aldaar gekend onder rolnummer AR 06/688/A), appellante vraagt dat huidige zaak teruggezonden wordt naar de eerste rechter opdat deze beide zaken zou kunnen samenvoegen; Overwegende dat de samenhang tussen twee vorderingen ter vrije beoordeling staat van de rechter, zulks ongeacht het voorwerp of de oorzaak waarop de rechtsvorderingen betrekking hebben of de identiteit van de gedingvoerende partijen (vergelijk Cass. 15 mei 1981, Arr.Cass. 1980-81, 1073; Cass. 4 september 1987, Arr.Cass. 1987-88, 4); Dat dit derhalve ook geldt voor twee vorderingen tot echtscheiding; Overwegende dat huidige appellante reeds voor de eerste rechter, in ondergeschikte orde, de samenvoeging had gevorderd van huidige zaak met de eerste echtscheidingszaak tussen partijen aldaar gekend onder rolnummer AR 06/688/A; Dat nu de eerste rechter de samenvoeging heeft verworpen, en deze beslissing geen maatregel van inwendige orde is, zoals terecht gesteld door appellante, haar hoger beroep tegen de beslissing waarbij de exceptie van samenhang werd verworpen, ontvankelijk is; Overwegende evenwel dat er geen sprake kan zijn van samenhang tussen twee vorderingen ingeval de ene vordering hangende is voor een rechtscollege dat in eerste aanleg uitspraak dient te doen, en de andere vordering voor een rechtscollege dat in graad van hoger beroep uitspraak dient te doen (vergelijk Cass. 11 februari 2000, RW 2000-01, 1131); Dat niet betwist wordt dat de eerste echtscheidingsvordering van geïntimeerde (zaak gekend voor de rechtbank van eerste aanleg te Leuven onder rolnummer AR 06/688/A) op dit ogenblik nog steeds hangende is voor deze rechtbank; Dat de samenvoeging wegens samenhang weliswaar een vlotte rechtsbedeling beoogt aan de hand van een zo volledig mogelijk debat, maar dat zulks niet kan gebeuren ten koste van de rechten van partijen op een dubbele aanleg; dat het recht op een dubbele aanleg weliswaar niet als een algemeen rechtsbeginsel te beschouwen is (vergelijk Cass. 19 september 1986, Arr.Cass. 1986-87, 37; Cass. 11 maart 1987, Arr.Cass. 1986-87, 912), maar dat van dat recht slechts kan worden afgeweken op basis van een uitdrukkelijke wettelijke bepaling, die hier ontbreekt; Dat er derhalve in de huidige stand van de procedure geen mogelijkheid bestaat voor het hof om de samenvoeging te bevelen van huidige zaak met de zaak hangende voor de rechtbank van eerste aanleg te Leuven gekend onder rolnummer AR 06/688/A; Overwegende dat het hof evenmin huidige zaak kan terugverwijzen naar de rechtbank van eerste aanleg te Leuven teneinde deze rechtbank beide zaken te doen samenvoegen, zoals door appellante in ondergeschikte orde gevorderd, nu deze rechtbank over de tweede vordering tot echtscheiding van geïntimeerde reeds uitspraak heeft gedaan en bijgevolg zijn rechtsmacht over dat geschilpunt heeft uitgeput, en bovendien een terugverwijzing door de rechter in hoger beroep naar de eerste rechter onmogelijk is buiten de specifieke hypothese van artikel 1068, tweede lid Ger.W. die hier niet aan de orde is; Overwegende dat appellante tevergeefs een arrest van het hof van beroep te Luik (Luik 14 maart 2000, JLMB 2000, 1169) inroept ter ondersteuning van haar stelling; Dat in tegenstelling tot hetgeen appellante voorhoudt, dit hof van beroep de zaak waarvan het geadieerd was niet heeft terugverwezen naar de eerste rechter (dit was de rechtbank van eerste aanleg te Hoei) maar wél naar een andere rechtbank van eerste aanleg, namelijk de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, alwaar een aantal daarmee samenhangende zaken hangende waren; Dat bovendien deze beslissing van het hof van beroep te Luik gesteund was op zijn vaststelling dat het territoriaal onbevoegd was, waarna het, volgens zijn eigen overweging, de zaak eigenlijk had moeten verwijzen naar de bevoegde rechter in hoger beroep, dit was het hof van beroep te Brussel, overeenkomstig artikel 643 Ger.W., maar waarbij het vaststelde dat dergelijke verwijzing geen enkele zin had en, om de redenen eigen aan de betrokken zaak, ze uiteindelijk verzonden heeft naar de rechtbank van eerste aanleg te Brussel in plaats van naar het hof van beroep te Brussel; Dat evenwel de kwestie van de territoriale onbevoegdheid in huidige zaak geenszins aan de orde is;
  8. Aangaande de uitspraak van de eerste rechter over de impliciete afstand door geïntimeerde van zijn eerste echtscheidingsvordering Overwegende dat appellante verder inroept dat de eerste rechter geheel ten onrechte geoordeeld heeft dat door het instellen van zijn vordering tot echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting ex nieuw artikel 229, § 3 B.W. op 10 september 2007, huidige geïntimeerde impliciet verzaakt heeft aan zijn eerder ingestelde vordering tot echtscheiding op grond van fout ex oud artikel 231 B.W.; Dat zij meent dat uit het enkele feit van het instellen van een vordering tot echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting niet afgeleid kan worden dat de eisende partij afstand doet van een eerder ingestelde vordering tot echtscheiding op grond van fout; Dat zij voorts stelt dat zij zulke afstand ook niet aanvaard zou hebben; dat zij wel toegeeft dat zij in de eerste door geïntimeerde ingeleide echtscheidingsprocedure nooit conclusies heeft neergelegd (zie verklaring van partijen - proces-verbaal van terechtzitting van 3 februari 2009); Overwegende dat geïntimeerde voorhoudt dat de eerste rechter terecht gesteld heeft dat hij door zijn nieuwe vordering tot echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting impliciet afstand gedaan heeft van zijn oude vordering tot echtscheiding op grond van fout daar beide vormen van echtscheiding in hoofde van een en dezelfde echtgenoot onderling onverenigbaar zijn; Overwegende dat enkel de rechter die gevat is van de vordering tot echtscheiding op grond van fout ex oud artikel 231 B.W. akte kan verlenen van afstand van geding resp. uitspraak kan doen over de afstand van geding in deze zaak, en dat de rechter die enkel gevat is van de vordering tot echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting geen akte kan verlenen van deze afstand van geding resp. deze afstand van geding niet kan inwilligen of weigeren; Dat een afstand van geding of een afstand van vordering immers een incident vormt van de principale vordering waarin enkel de rechter die gevat is van de vordering zelf, kan tussenkomen, nadat deze zaak op een regelmatige wijze bij hem op de zitting wordt gebracht; Dat nu de eerste rechter enkel gevat was van de tweede vordering tot echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting (rolnummer AR 07/1812/A), en niet van de eerste vordering tot echtscheiding op grond van fout (rolnummer AR 06/688/A), en tegelijk oordeelde dat de samenvoeging van beide zaken zich niet opdrong, hij rechtsprekend in de zaak AR 07/1812/A niet vermocht te overwegen dat door het instellen van zijn nieuwe eis tot echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting, huidige geïntimeerde impliciet afstand deed van zijn oude eis tot echtscheiding op grond van fout ex oud artikel 231 B.W.; Overwegende evenwel dat uit deze beoordeling van het hof geen verdere gevolgtrekkingen kunnen worden afgeleid in de huidige zaak tot echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting, en zij in geen geval ertoe kan leiden thans nog de samenvoeging van beide zaken te bevelen noch huidige zaak terug te verzenden naar de eerste rechter, zoals boven reeds uiteengezet;
  9. Aangaande de grond van de zaak Overwegende dat appellante geen enkele grief te kennen geeft over de beoordeling door de eerste rechter van de grond van de zaak; Overwegende dat de eerste rechter terecht geoordeeld heeft dat op basis van de neergelegde stukken, met name de uittreksels uit de bevolkingsregisters, voldoende blijkt dat partijen sinds meer dan één jaar feitelijk gescheiden leven, namelijk (minstens) sinds 17 maart 2006; Dat ook uit het arrest van deze kamer van het hof van 13 mei 2008 in het kader van de voorlopige maatregelen (stuk 2 dossier appellante) blijkt dat partijen feitelijk gescheiden leven sinds 1 februari 2006, reden waarom het hof bepaalde voorlopige maatregelen ingang heeft doen vinden op 1 februari 2006, dit is thans sinds meer dan drie jaar; Overwegende dat appellante evenmin een grief laat kennen over de beslissing van de eerste rechter tot het bevelen van de vereffening-verdeling van het huwelijksvermogensstelsel na echtscheiding en de aanstelling van notarissen;
  10. Aangaande de nieuwe vordering van geïntimeerde wegens tergend en roekeloos hoger beroep Overwegende dat geïntimeerde voorhoudt dat de enige bedoeling van appellante met het instellen van hoger beroep tegen het vonnis van 19 november 2007 was om de echtscheidingsprocedure te vertragen en op die manier zolang mogelijk het persoonlijk onderhoudsgeld te ontvangen dat haar werd toegekend in het kader van de voorlopige maatregelen; Dat uit de neergelegde stukken blijkt dat bij kortgedingbeschikking van de Voorzitter van de rechtbank te Leuven geïntimeerde veroordeeld werd tot het betalen aan appellante van een persoonlijk onderhoudsgeld tijdens de echtscheidingsprocedure van 250 euro per maand, met ingang van 1 februari 2006, en dat bij arrest van deze kamer van het hof van 13 mei 2008 deze kortgedingbeschikking gedeeltelijk werd hervormd en het persoonlijk onderhoudsgeld tijdens de echtscheidingsprocedure van appellante verminderd werd tot 100 euro per maand (jaarlijks te indexeren) met ingang van 1 maart 2007; Dat geïntimeerde dan ook meent dat het door appellante ingestelde hoger beroep tergend en roekeloos is, en op grond daarvan een schadevergoeding vordert; Dat geïntimeerde ook nog verwijst naar artikel 780bis Ger.W. ingevoegd door de wet van 26 april 2007, dat bepaalt: "De partij die de rechtspleging aanwendt voor kennelijk vertragende of onrechtmatige doeleinden kan worden veroordeeld tot een geldboete van 15 euro tot 2.500 euro , onverminderd de schadevergoeding die gevorderd zou worden"; Overwegende dat de nieuwe vordering van geïntimeerde ontvankelijk is; Overwegende dat er aan herinnerd moet worden dat in het oorspronkelijke wetsontwerp van de regering dat geleid heeft tot de Echtscheidingswet van 27 april 2007, gesteld werd dat de vonnissen die de echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting uitspreken, niet vatbaar zouden zijn voor hoger beroep (Parl.St. Kamer nr. 51-2341/001, voorgesteld artikel 1271 Ger.W.); dat op grond van de doelstelling van de hervorming van de echtscheiding namelijk de invoering van een ‘recht op echtscheiding', werd uitgegaan van een bepaald automatisme van het uitspreken van de echtscheiding; Dat de uitsluiting van de mogelijkheid van hoger beroep door de wetgever uiteindelijk ongedaan gemaakt werd, evenwel niet omdat genoemde doelstelling van het wetsontwerp werd verworpen, maar wél omdat de voorgestelde afwijking op het gemene procesrecht als een ongerechtvaardigde discriminatie beschouwd werd, verder wegens argumenten van internationaal privaatrechtelijke aard, alsook op grond van de vaststelling dat vertragingsmaneuvers op andere wijzen kunnen worden bestreden, zoals de mogelijkheid tot het opleggen van een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep (zie Parl.St. Kamer nr. 51/2341/005, amendementen nrs. 82 en 84; nr. 51-2341/007, p. 90-93); Dat hieruit voldoende blijkt dat de wetgever van 27 april 2007 weliswaar de mogelijkheid van het instellen van hoger beroep tegen een vonnis dat de echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting uitspreekt, behouden heeft, maar dat hij hiermee niet is afgeweken van het uitgangspunt van de hervorming van het echtscheidingsrecht dat het uitspreken van de echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting ingeval de door de wet vereiste minimumduur van de feitelijke scheiding vaststaat, eigenlijk een automatisme is; Overwegende evenwel dat in huidige zaak het vonnis werd uitgesproken op 19 november 2007 en hoger beroep werd aangetekend op 27 november 2007, dit is kort na de inwerkingtreding, op 1 september 2007, van de echtscheidingswet van 27 april 2007; Dat bovendien in deze zaak de problematiek rijst van de verhouding tussen enerzijds een nog hangende echtscheidingsvordering ingesteld vóór de inwerkingtreding van de wet van 27 april 2007, en anderzijds een echtscheidingsvordering ingesteld op basis van de nieuwe echtscheidingswet; Dat op het ogenblik van de uitspraak van de eerste rechter en van het instellen van het hoger beroep over deze kwestie nog geen gepubliceerde rechtspraak bestond en de rechtsleer dienaangaande schaars was en overigens tegenstrijdig; Dat in deze specifieke context aangenomen kan worden dat appellante zich heeft kunnen vergissen omtrent de draagwijdte van de door haar in graad van hoger beroep ingeroepen argumenten; Overwegende bovendien dat geïntimeerde niet bewijst dat appellante enkel hoger beroep zou hebben ingesteld om het haar in het kader van de voorlopige maatregelen toegekende onderhoudsgeld van 100 euro per maand zolang mogelijk te blijven genieten; Dat het hof overigens vaststelt dat appellante een onderhoudsuitkering na echtscheiding op grond van artikel 301 B.W. vordert van 600 euro per maand, zodat op heden nog niet vaststaat of zij, eenmaal het huwelijk ontbonden is, geen aanspraak meer zal kunnen maken op onderhoudsgeld, dan wel op hetzelfde bedrag aanspraak zal kunnen maken of eventueel zelfs op een hoger bedrag; Overwegende ten slotte dat appellante terecht voor het hof heeft ingeroepen dat de eerste rechter niet vermocht te overwegen dat door het instellen van zijn nieuwe eis tot echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting, de heer Y impliciet afstand deed van zijn oude eis tot echtscheiding op grond van fout ex oud artikel 231 B.W. in de zaak gekend voor de rechtbank van eerste aanleg te Leuven onder rolnummer AR 06/688/A, zoals hierboven aangegeven, zodat appellante althans wat dit specifieke punt betreft terecht hoger beroep heeft aangetekend; Overwegende dat om al deze redenen de nieuwe vordering van geïntimeerde ongegrond verklaard wordt;
  11. Aangaande de gerechtskosten Overwegende dat nu het hoger beroep ongegrond verklaard moet worden, appellante als in het ongelijk gestelde partij overeenkomstig artikel 1017, eerste lid Ger.W. in de gerechtskosten van het hoger beroep veroordeeld dient te worden; Overwegende dat geïntimeerde een rechtsplegingsvergoeding hoger beroep vordert van 1.200 euro , dit is het basisbedrag voor de niet in geld waardeerbare vorderingen; OM DEZE REDENEN, HET HOF, Rechtsprekend na tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoofdberoep onontvankelijk in zoverre het de tegenvordering van mevrouw X tot het bekomen van een onderhoudsuitkering na echtscheiding betreft, en ontvankelijk voor het overige; Zegt voor recht dat de eerste rechter in het kader van huidige zaak niet vermocht te overwegen dat door het instellen van zijn nieuwe eis tot echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting, de heer Y impliciet afstand deed van zijn oude eis tot echtscheiding op grond van fout ex oud artikel 231 B.W. in de zaak gekend voor de rechtbank van eerste aanleg te Leuven onder rolnummer AR 06/688/A, en doet deze overweging teniet; Verklaart het hoger beroep ongegrond voor het overige, en wijst appellante er van af; Dienvolgens, bevestigt voor het overige het vonnis a quo, in het bijzonder in zoverre het de echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting uitspreekt op grond van artikel 229, § 3 B.W. tussen: Y, , wonende te , en X , wonende te, waarvan het huwelijk voltrokken werd te (akte nummer 6); Verklaart de nieuwe vordering van geïntimeerde ontvankelijk, maar ongegrond en wijst geïntimeerde er van af; Veroordeelt appellante in de gerechtskosten van het hoger beroep, begroot: - in hoofde van appellante op het rolrecht hoger beroep van 186,00 euro ; - in hoofde van geïntimeerde: op de rechtsplegingsvergoeding hoger beroep van 1.200 euro . Aldus gewezen en uitgesproken in openbare burgerlijke terechtzitting van de derde kamer van het Hof van Beroep te Brussel, op Waar aanwezig waren : - M. Senaeve, Voorzitter; - Mw. Degreef en Mw. De Ruydts, Raadsheren; - Mw. Vanhassel, Griffier. Vanhassel De Ruydts Degreef Senaeve Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.