← België

ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090303.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 03 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090303.1 Rolnummer: 2004AR1445 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-03-03 Raadplegingen: 139 - laatst gezien 2026-07-02 19:19 Fiche

  1. Een fout van een moeder jegens haar dochter wegens een gebrek aan bijstand, toen de dochter tijdens haar prille jeugd seksueel werd misbruikt, dient te worden getoetst aan het gedrag van de normaal voorzichtige en zorgvuldige moeder in dezelfde concrete situatie geplaatst, wat impliceert dan men de feiten in hun context onderzoekt.
  2. Ouders zijn de personen die bij uitstek moeten instaan voor zorg en bescherming van hun kinderen. Zij hebben plichten zowel op materieel vlak (onderhoudsplicht, aansprakelijkheid enz.) als op immaterieel vlak (opvoeding van de kinderen tot zelfstandige volwassenen, socialisering).
  3. Een moeder komt tekort aan haar ouderlijke plichten, in volgende omstandigheden. Nadat de zwangerschap van haar veertienjarige dochter aan het licht was gekomen heeft zij samen met haar man de beslissing genomen om enerzijds appellante te doen aborteren en anderzijds 'om erover te zwijgen en alles in de doofpot te steken'. Deze dochter kreeg op dat ogenblik noch hulp noch begeleiding en werd aan haar lot overgelaten. De moeder verklaarde dat ze toen kon afleiden dat haar dochter verkracht was geworden door de buurman, en dat zij (dochter) gewag maakte van bedreiging met een mes maar de moeder gaf hieraan geen bijzonder gevolg en zette geen stappen naar de politie of het gerecht ondanks de ernst van de feiten. Ze handelde kennelijk vooral om haar eigen belangen te beschermen, 'om geen schandalen te hebben in het dorp'. Het blijkt tenslotte dat de moeder haar dochter geen steun bood tijdens haar latere psychologische behandeling.
  4. De maatschappelijke context van die tijd (met onder meer een grote terughoudendheid m.b.t. seksueel geladen onderwerpen) vormde op zich geen letsel dat de moeder haar rol ten opzichte van haarop correcte wijze zou vervullen.
  5. Dit schuldig verzuim van de moeder is in oorzakelijk verband met de schade geleden door de dochter naar aanleiding van haar zware psychologische stoornissen die veel vroeger hadden moeten behandeld worden met effectieve bijstand van de moeder. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Rechtstreekse aansprakelijkheid - Fout - de daad - Zorgvuldigheid BURGERLIJK RECHT - VERJARING (BURGERLIJK RECHT) BURGERLIJK RECHT - VERJARING (BURGERLIJK RECHT) - Duur BURGERLIJK RECHT - VERJARING (BURGERLIJK RECHT) - Duur - Algemene verjaringstermijnen - 5 + 20 jaar buitencontractueel Vrije woorden: I. Plichten van de moeder jegens haar dochter. Bijstand in geval van seksueel misbruik van de dochter. Schuldig verzuim van de moeder. Foutcriterium: zorgvuldigheidsplicht. Impact van de tijdsgeest op de fout van de moeder?. Oorzakelijk verband tussen het schuldig verzuim van de moeder en de schade van de dochter, geleden o.a. op psychologisch vlak, door het schuldig verzuim van de moeder. Schadeposten. Begroting van de schade. II. Seksueel misbruik. Vordering tot schadeloosstelling vanwege het slachtoffer, minderjarig op het ogenblik van het seksueel misbruik. Oud artikel 2262 B.W. - Art. 26 Voorafgaande titel Sv. - Impact van de wet van 10 juni 1998 inzake de verjaring, vooral van artikelen 10 en 12 inzake het overgangsrecht. Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - art. 1382-1383 B.W. Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te Z., eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2009/ A.R. nr. 2004/AR/1445 INZAKE VAN : Mevrouw M. X, appellante tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Y. op 12 mei 2004, in persoon verschijnende, bijgestaan door Meester Ria CONVENTS, advocaat te 3000 Y., Vismarkt 8, 1ste kamer TEGEN : 1) Mevrouw R. X, 2) Mevrouw MJ X, 3) De heer J. A. X, , 4) Mevrouw H. VL, eerste tot en met vierde geïntimeerden, vertegenwoordigd door Meester V. VAN DUFFEL loco Meester Geert JASPAERT, advocaat te 3400 LANDEN, Markt 2, 5) De heer P. X, vijfde geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester COOPMANS loco Meester Erik VERGAUWEN, advocaat te 3001 HEVERLEE, Koning Leopold III-laan 9, 6) De heer W. V., zesde geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester X. WINNEN loco Meester Yves NELISSEN GRADE, advocaat te 3001 Y., Ubicenter, Philipssote 5, Gelet op de stukken van de rechtspleging, inz.: - het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Y. (29ste kamer) na tegenspraak uitgesproken op 12 mei 2004; - het verzoekschrift tot hoger beroep, op 4 juni 2004 ter griffie van het hof neergelegd; - de conclusie van appellante; - de conclusie en syntheseconclusie van geïntimeerden 1 tot 4; - de conclusie van vijfde geïntimeerde; - de conclusie en syntheseconclusie van zesde geïntimeerde. Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 13 J.uari 2009 en gelet op de stukken die zij neerlegden. I. Procedure in eerste aanleg
  6. Bij exploot van 6 en 7 maart 2001 heeft M. X vier partijen in betaling van schadevergoeding gedagvaard, te weten J. X en H. VL, haar ouders, P. X en W. V.. Zij vorderde 500.000 BEF ten laste van eerste verweerder, 650.000 BEF ten laste van vierde verweerder en 300.000 BEF ten laste van zowel tweede als derde verweerder, telkens te verhogen met de vergoedende interesten vanaf 1 J.uari 1995, de gerechtelijke interesten en alle gerechtskosten. M. X, geboren op 27 september 1956, vorderde schadevergoeding voor het feit dat zij regelmatig slachtoffer was van verkrachtingen of aanrandingen van de eerbaarheid op haar persoon, en dit vanaf haar tienjarige leeftijd (april 1967) tot aan de helft van april
  7. Eiseres, die diverse malen in ziekenhuizen opgenomen werd, legde de feiten ten laste van haar vader J. X, haar oudere broer P. X en de buurman W. V.. M. X vorderde ook schadevergoeding van haar moeder, H. VL, omdat deze steeds geweigerd heeft haar hulp te bieden en omdat zij, na de feiten, steeds weigerde enige erkenning te geven aan de feiten.
  8. In de loop van het geding is de vader J. X op 21 december 2001 overleden. Bij exploten van 30 augustus en 9 september 2002 werden R. X, MJ X en J. A. X in gedwongen tussenkomst (lees gedwongen gedinghervatting) gedagvaard. De vordering was gegrond op art. 1382 en 1383 van het B.W.
  9. Bij het bestreden vonnis verklaarde de rechtbank de vordering ontvankelijk maar ongegrond. Appellante werd in betaling van alle gerechtskosten veroordeeld. De rechtbank oordeelde dat de vordering weliswaar niet verjaard was maar dat M. X geen bewijs levert van de ten laste van verwerende partijen, thans geïntimeerde partijen, gelegde feiten. Tot dit besluit komt de rechtbank na ontleding van de inhoud van het strafonderzoek, o.m. de afgelegde verklaringen en verslagen van klinisch psycholoog A. C.. De tegenvordering van W. V. strekkende tot betaling van schadevergoeding (25.000 euro ) wegens tergend en roekeloos geding werd ongegrond verklaard. II. Procedure voor het hof
  10. Voor het hof vraagt appellante het bestreden vonnis te hervormen en, opnieuw rechtsprekende, haar oorspronkelijke vordering gegrond te verklaren, met veroordeling van geïntimeerden tot betaling van alle gerechtskosten. Het hoger beroep werd tijdig en regelmatig ingesteld en is ontvankelijk.
  11. Geïntimeerden besluiten tot de ongegrondheid van het hoger beroep. Zij stellen incidenteel beroep in wat de verjaring (en de ontvankelijkheid) van de vordering betreft. W. V. stelt incidenteel beroep in waarbij hij betaling vordert van 25.000 euro wegens tergend en roekeloos geding, alsook een incidentele vordering in strekkende tot betaling van 25.000 euro wegens tergend en roekeloos hoger beroep. III. Relevante feitelijke gegevens
  12. M. (ook M. geschreven) X, huidig appellante, geboren op 27 september 1956, deed op 29 februari 1996 aangifte bij de Rijkswacht te H. van meerdere verkrachtingen en seksuele misbruiken op haar persoon, tussen 24 april 1967 en 16 april 1971 gepleegd. Zij is het zesde kind in een gezin van acht kinderen: R., A., P., J., MJe, appellante, A. en J.. In haar aanvankelijke aangifte verklaarde appellante dat zij op 24 april 1967 verkracht werd toen ze tien jaar oud was. Dit was de dag van haar vormsel zodat zij zich de datum goed herinnerde. De dader was een buurman, W. (° 11.12.1941), thans zesde geïntimeerde, die bijna dagelijks thuis op bezoek was. De feiten (plaats, omstandigheden, bedreiging met een mes enz.) werden omstandig omschreven. Nadien zou zesde geïntimeerde appellante nog "meerdere keren per maand, en dit gedurende vier jaar" misbruikt hebben. Hier kwam er een einde aan toen er op 16 april 1971 vastgesteld werd dat appellante zwanger was. Appellante verklaarde dat haar vader haar ook vijfmaal seksueel misbruikt heeft, de eerste maal begin juli
  13. Deze verkrachtingen gingen niet met geweld gepaard. Vader zei wel dat het meisje "aan niemand mocht vertellen wat hij met (haar) deed". Volgens appellante zou de vader tevens misbruiken hebben gepleegd met haar zussen A. en R.. Appellante werd ook door haar broer P., thans vijfde geïntimeerde, "op seksueel gebied lastig gevallen", samen met haar twee zussen MJe en A.. Appellante kon niet meer juist vertellen wanneer dit juist gebeurde. Zij verklaarde: "Het kan zijn dat dit meerdere malen is gebeurd, doch ik kan mij slechts die ene keer herinneren". Later (18 maart 1999) verklaarde appellante zich de juiste data van de feiten niet meer te kunnen herinneren en voegde zij aan toe: "Voor wat hetgeen P. me aandeed kan ik formeel zijn, het bleef niet bij één feit. Ik herinner me zeker vijf à zes verschillende feiten". Appellante gaf aan dat wanneer aan het licht kwam dat ze al vijf maanden zwanger was, naar aanleiding van een bezoek bij huisarts Dokter D. uit K., er thuis een "hele heisa" is ontstaan. Zij werd "voor de keuze geplaatst, ofwel kon (zij) het kindje dat (zij) verwachtte houden en werd (zij) in de afwachting van de geboorte in een instelling geplaatst, ofwel mocht (zij) thuis blijven en liet men het kindje nu komen". Appellante wou bij haar ouders niet weg zodat er gekozen werd voor de tweede oplossing. De huisarts gaf haar "enkele inspuitingen", waarna zij in de kliniek te Vilvoorde werd gebracht en er vruchtafdrijving onderging. Ze verbleef er vijf dagen. Nadien werd appellante door de buurman en haar vader "met rust gelaten". Appellante verklaarde dat zij de feiten heel later terug beleefde, dit is wanneer haar jongste dochter zelf haar heilige communie ging doen. Zij leed dan aan een erge depressie en had medische en psychologische hulp nodig. Het was op advies van haar huisdokter en behandelende psychologen dat zij melding maakte van de feiten.
  14. Op 17 februari 1999 verklaarde zesde geïntimeerde dat hij in deze periode wel de buurman was van de familie X. Hij ontkende echter alle beschuldigingen. Hij herinnerde zich evenwel dat de jonge M. "op een avond naar het ziekenhuis moest", maar zonder de reden van deze opname te kennen. De rijkswachters vermeldden onder de rubriek "inlichtingen" dat betrokkene "een selectief geheugen had". Betrokkene was heel kalm en "scheen op geen enkel ogenblik nerveus of verontrust te zijn". De echtgenote van zesde geïntimeerde hield later (verklaring 12 april 1999) ook voor dat alle beschuldigingen op onwaarheden en leugens berustten.
  15. De heer L. G., echtgenoot van appellante, legde op 19 februari 1999 een verklaring af waarin hij de psychologische problemen bij appellante beschreef. Hij gaf aan dat zijn schoonvader "tegenover (hem) wel toegegeven (had) dat hij en zijn buurman W. zijn dochter vroeger hadden misbruikt". Volgens de heer G. had de echtgenote van zesde geïntimeerde hem ook recentelijk telefonisch bedreigd, zulks naar aanleiding van de neergelegde klacht.
  16. Op 25 februari 1999 legt vader X een verklaring bij de Rijkswacht af. Hij bevestigt dat zesde geïntimeerde in deze periode "regelmatig over de vloer kwam" en dat hij duidelijk voor zijn dochter M. kwam; dat M. "op een bepaald ogenblik" naar de dokter moest die de zwangerschap vaststelde. "M. zei (hem) dat ze zwanger gemaakt werd door W.. Of dit gebeurde met haar toestemming (betwijfelt hij). M. zei (hem) dat ze het kind niet wilde houden en dat ze naar Vilvoorde zou gaan om het te laten aborteren. Het kind werd geaborteerd." Alle beschuldigingen aan zijn adres ontkende J. X ten stelligste.
  17. P. X, vijfde geïntimeerde, geboren op 21 oktober 1950, gaf toe dat zijn broers, zijn zusters en hij vermoedelijk "in het begin jaren zestig" soms wel eens "doktertje speelden". Het ging volgens hem om totaal onschuldige spelletjes, zonder seksuele bijbedoelingen. Deze feiten hebben spontaan een einde genomen wanneer de kinderen wat ouder werden. Hij bevestigde verder dat zijn zuster "zwanger was geraakt van (hun) toenmalige buurman W.". Hij kende echter "de juiste details niet". Wat zijn vader betreft verklaarde hij niets te weten: "Ik heb geen enkele weet van enige handelingen van mijn vader jegens één van mijn zusters". In een latere verklaring (18 maart 1999) stelde hij dat hij "pas enkele jaren geleden in kennis werd gesteld" van het misbruik van appellante door hun vader, dit is naar aanleiding van de klacht die appellante neerlegde (verklaring 25 maart 1999). Vijfde geïntimeerde benadrukte ervan zeker te zijn "dat deze spelletjes gestopt zijn toen (hij) zestien werd, dus tot ongeveer 1966" (confrontatie 18 maart 1999). Op 25 maart 1999 is P. X spontaan een verklaring komen afleggen en verklaarde hij nogmaals dat, wat hem betreft, de feiten niet gestopt zijn op 16 april 1971 maar dat "de feiten gebeurd zijn gedurende de jaren '64 tot ‘66".
  18. Tijdens de confrontatie d.d. 29 maart 1999 tussen appellante en zesde geïntimeerde handhaafden beiden hun stelling. Appellante voegde bepaalde details toe aan haar vroegere verklaring. Zesde geïntimeerde bleef alle beschuldigingen ontkennen, als zijnde verzinsels. Appellante zou leugens vertellen "met als enig motief er een geldelijk voordeel uit te halen", al dan niet "in combine met haar ouders". Zesde geïntimeerde stelde dat hij niet op de hoogte van de zwangerschap werd gehouden.
  19. Een confrontatie werd op 29 maart 1999 ook gehouden tussen appellante en haar vader. Ook zij bleven op hun standpunt. Vader X ontkende ieder seksueel misbruik. Hij verklaarde ook niets te weten over enige verkrachting door zesde geïntimeerde. Hij wist niet of haar dochter met deze laatste "een normale relatie met hem heeft gehad. (Hij) werd enkel in kennis gesteld van de situatie op het moment dat zij (hun) vertelde dat zij in verwachting was van W.".
  20. Vierde geïntimeerde, de moeder van appellante, werd tevens op 29 maart 1999 verhoord. Moeder bevestigde dat haar dochter haar na het bezoek bij de huisarts "kwam vertellen dat ze in verwachting was van (zesde geïntimeerde). Ze heeft dan ook verteld dat ze misbruikt is geworden door die W.". Appellante zei ook aan haar moeder dat ze door W. bedreigd was geworden met een mes. 's Avonds werd alles besproken met de huisdokter en werd een abortus vooropgesteld. Moeder "(denkt) dat het allemaal samen beslist is geworden". Volgens haar was vader X aanwezig als de beslissing genomen werd en werd appellante nooit verplicht om een abortus te plegen. Zij gaf nog aan dat er dan beslist werd "om er over te zwijgen en alles in de doofpot te steken" Ook met zesde geïntimeerde werd de zaak niet besproken: "Wij waren van mening dat alles moest verzwegen worden, om geen schandalen te hebben in het dorp". De moeder van appellante kon niets verklaren over seksuele contacten tussen haar dochter en P. of haar echtgenoot. Dat J. X de feiten zou toegegeven hebben in het bijzijn van appellante en diens echtgenoot kan zij evenmin iets verklaren. "Dit is mogelijk, doch ik kan mij dit niet meer herinneren. Ik heb wel aan (mijn dochter) gezegd dat zij alles aan haar man moest vertellen voor ze ermee getrouwd is".
  21. De moeder werd met haar dochters M. en A. op 29 maart 1999 geconfronteerd. De verbalisanten gaven aan dat vader en moeder X een "selectief geheugen" leken te hebben en dat de moeder "onder invloed van haar man" bleek te zijn.
  22. De oudere zus MJe X (° 9 februari 1955), thans derde geïntimeerde, verklaarde op 12 april 1999 dat zij tijdens haar jeugdjaren, ook seksueel werd lastig gevallen door haar broer P. en ook door zesde geïntimeerde (echter zonder verkracht te zijn), wat zij nooit had durven vertellen. Zij werd destijds niet op de hoogte gesteld van de zwangerschap en de abortus van appellante. Zij verklaarde niets te weten over feiten ten laste van haar vader maar werd persoonlijk nooit door hem lastig gevallen.
  23. Een andere zuster, R. X (° 25 maart 1948) kon op 12 april 1999 niets vertellen over de feiten die haar broer of haar vader op de persoon van appellante zouden gepleegd hebben. Zij geeft wel aan dat, wat de feiten ten laste van haar broer betreft, zij geen reden ziet om haar zussen niet te geloven en dat zij zelf ook op seksueel gebied lastig gevallen werd door haar vader (betastingen boven de kleren) toen ze een jaar of vijftien was. R. wist wel dat appellante "een abortus had laten uitvoeren". "Er werd toen verteld dat (zesde geïntimeerde) M. verkracht had". R. was tevens op de hoogte van seksueel misbruik van haar zuster MJe door zesde geïntimeerde.
  24. A. X (° 30 december 1957) verklaarde op 25 februari 1999 dat zij samen met haar zuster, appellante, en ook haar zuster MJe geterroriseerd werden door hun broer P. "toen ze tussen acht en tien jaar was". Zij werd ook het slachtoffer van handtastelijkheden (geen verkrachting) door haar vader gepleegd "toen ze een jaar of vijftien was". P. X betwistte deels de aangegeven feiten maar gaf tijdens de confrontatie van 18 maart 1999 toe dat "er inderdaad misschien zaken gebeurd (zijn) die niet hadden mogen gebeuren". Hij benadrukte dat deze feiten een einde hadden genomen toen hij zestien jaar oud werd. Vader X betwistte zijn dochter A. ooit aangeraakt te hebben (verklaring 17 maart 1999 en confrontatie 29 maart 1999).
  25. Het strafdossier maakt ook gewag van een zelfmoordpoging van vader X aan de Y.se vaart op 12 april
  26. Het strafdossier bevat nog een verslag van neuropsychiater V. over P. X en verslagen van Klinisch Psycholoog C. over P. X, R. X, A. X en appellante. MJe X weigerde zich bij deze psycholoog aan te bieden. De heer C. stelde m.b.t. de verklaringen van A. X "dat er redenen bestaan om rond het waarschijnlijkheidsgehalte van haar getuigenis vragen te stellen". Over appellante schreef psycholoog C. in de besluiten van zijn verslag: "We noteren geen elementen van incoherentie in haar relaas, die aan het waarschijnlijkheidsgehalte ons inziens zouden afbreuk doen, tenzij mogelijk een aandichten van haar verhaal als zou ze buitengezet geweest zijn, indien ze geen abortus zou gepleegd hebben. Het kan niet uitgesloten worden dat ze dit in haar herinnering meer in reliëf beleeft, precies om haar gruwel naar haar ouders, naar buiten "verantwoord" te laten naar voor komen. De vraag blijft open rond het tijdstip (5 maanden) van haar abortus en rond aanwijzingen van een desgevallende arts. Wel waarachtig lijkt dan toch, dat er "voldoende" gebeurde om haar op vlak van beleving van seksualiteit en vertrouwen, ernstig en nu nog blijvend te traumatiseren. (...)"
  27. Appellante stelde zich op 8 Januari 1998 burgerlijke partij in de handen van onderzoeksrechter R. D. te Y. tegen haar vader, haar broer P. en tegen zesde geïntimeerde wegens inbreuken op artikelen 375 en 377 van het Strafwetboek. De procureur des Konings te Y. vorderde op 11 september 2000 dat de onderzoeksrechter te Y. zou ontlast worden van alle andere plichten nu de feiten zich allen hadden afgespeeld in het arrondissement Z. waar zowel vader X als zesde geïntimeerde woonachtig waren en dat de procureur des Konings te Z. zich op 4 juli 2000 akkoord had verklaard om zich met de zaak te gelasten.
  28. Bij beschikking van 29 december 2000 oordeelde de raadkamer te Y. dat P. X (de broer), ten tijde van de feiten minderjarig was en niet strafrechtelijk kon vervolgd worden terwijl, wat J. X en W. V. betreft, de onderzoeksrechter diende ontlast te worden. M. X stelde hoger beroep tegen deze beschikking in maar de Kamer van Inbeschuldigingstelling te Z. verklaarde (hangende huidig geding voor de eerste rechter) het hoger beroep ongegrond (arrest van 25 september 2001). Het dossier werd vervolgens overgemaakt aan het parket te Z. dat op 18 februari 2002 meedeelde dat het dossier geklasseerd was "omwille van verjaring".
  29. De heer J. X (vader) is overleden op 21 december
  30. Hij liet als erfgenamen zijn echtgenote en kinderen achter. IV. Bespreking 1°. De verjaring
  31. Appellante betwist de verjaring van haar vordering. De burgerlijke vordering kon volgens haar gedurende een periode van 30 jaar worden ingesteld. Op de dag waar de wet van 10 juni 1998 tot harmonisering van de verjaringstermijnen van kracht werd was huidige vordering niet verjaard. Deze vordering zou bijgevolg nog onder de toepassing van de oude wetgeving vallen en bijgevolg niet verjaard zijn op datum van de dagvaarding, zijnde op 6/7 maart
  32. In ondergeschikte orde voert appellante aan dat de burgerlijke vordering "al gestart werd op 8 Januari 1998 via de burgerlijke partijstelling bij de onderzoeksrechter.
  33. Geïntimeerden houden voor dat de vijfjarige verjaringstermijn van toepassing is, met het gevolg dat de vordering van appellante verjaard was op het ogenblik van de dagvaarding. In ondergeschikte orde, indien het hof zou oordelen dat de dertigjarige verjaringstermijn van toepassing is, stellen geïntimeerden dat de feiten die hun ten laste worden gelegd zich alleszins meer dan dertig jaar vóór het instellen van de vordering hebben voorgedaan.
  34. Dit onderdeel van de betwisting betreft de verjaring van een uit misdrijf ontstane burgerlijke vordering. De burgerlijke vordering is in deze ontstaan vóór de inwerkingtreding van de wet van 10 juni 1998, zijnde vóór 27 juli
  35. Krachtens de overgangsbepalingen (art. 10 tot 12) van de wet van 10 juni 1998 zijn de nieuwe verjaringstermijnen waarin de wet voorziet slechts beginnen te lopen vanaf haar inwerkingtreding. De burgerlijke vordering van appellante heeft niet het voorwerp uitgemaakt van een definitieve gerechtelijke beslissing die de verjaring van de vordering vaststelde, zodat de vordering van appellante onderworpen bleef aan de oude wet, zijnde het oud artikel 26 van de Voorafgaande Titel Sv. Nu deze beschikking ongrondwettelijk werd verklaard bij het arrest van het (toenmalige) Arbitragehof van 21 maart 1995 , is de toepasselijke verjaringstermijn de oude dertigjarige termijn zoals bepaald bij het (oud) artikel 2262 B.W.
  36. Het artikel 21bis, eerste lid, van de Voorafgaande Titel Sv. (de verjaring begint slechts te lopen vanaf de dag waarop het slachtoffer de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt) speelt te dezen geen rol nu het de verjaringstermijn van de strafvordering betreft.
  37. Dit betekent dat de feiten die dateren van vóór 6/7 maart 1971 (30 jaar vóór de dagvaarding) verjaard zijn.
  38. Wat P. X betreft moet het hof vaststellen dat appellante geen feit bewijst dat zich nà maart 1971 zou hebben voorgedaan. Aanvankelijk had appellante het over één feit dat zij zich herinnerde, later over een zestal feiten. Over het tijdstip van die feiten is appellante bijzonder vaag gebleven. P. X situeerde echter de feiten "tot ongeveer 1966", wat hij benadrukte in zijn verklaringen van 18 en 25 maart
  39. Deze stelling is volledig geloofwaardig gelet op de aard van de ten laste gelegde feiten (aanranding van de eerbaarheid op de persoon van appellante, samen met de twee zussen MJe en A.) en de aanneembare verklaring van vijfde geïntimeerde dat hij in 1966, op zestienjarige leeftijd, een relatie had aangeknoopt met zijn toekomstige echtgenote. A. X situeert de feiten ten laste van haar broer " toen ze tussen 8 en 10 jaar was", anders gezegd tot in
  40. De vordering is, in zoverre als tegen vijfde geïntimeerde betreft, verjaard. Het incidenteel beroep van vijfde geïntimeerde is gegrond.
  41. Wat vader X betreft, heeft appellante aanvankelijk gewag gemaakt van vijfmaal seksueel misbruik (verkrachtingen), de eerste maal begin
  42. Appellante heeft ook verklaard dat de feiten een einde namen door de gebeurtenissen van 16 april 1971, nl. de dag van haar abortus. Het is echter niet duidelijk of appellante hier de feiten ten laste van haar vader of deze ten laste van zesde geïntimeerde bedoelde. In haar verklaring van 29 februari 1996 heeft appellante immers expliciet gesteld, wat zesde geïntimeerde betreft: "W. misbruikte mij zo meerdere keren per maand en dit gedurende 4 jaar. Er kwam een einde aan toen op 16 april 1971 werd vastgesteld dat ik zwanger was". Daarentegen verklaarde appellante toen dat haar vader haar vijfmaal seksueel misbruikte maar situeerde zij de laatste feiten niet in de tijd. Wel was appellante formeel om te stellen "dat W. (haar) zwanger (had) gemaakt" en niet haar vader, wat eerder wijst op het uitblijven van een recente verkrachting door haar vader. Het wordt bijgevolg niet met voldoende zekerheid bewezen dat vader X feiten pleegde na 6 maart
  43. De vordering is ook ten aanzien van (de rechtsopvolgers van de vader) verjaard. Het incidenteel beroep van geïntimeerden 1 tot 3 (en van geïntimeerden 4 en 5 in hun hoedanigheid van erfgenamen van J. X) is bijgevolg gegrond.
  44. Wat zesde geïntimeerde betreft heeft appellante duidelijk aangegeven dat zij meerdere keren per maand verkracht werd, en dit gedurende vier jaar (vanaf april 1967), en dat de feiten van verkrachting een einde hebben genomen na 16 april
  45. In zoverre deze feiten bewezen zijn, wat het hof hierna zal onderzoeken, is de vordering in zoverre gericht tegen zesde geïntimeerde niet verjaard. Het incidenteel beroep van zesde geïntimeerde is op dit punt ongegrond. 2° Ten gronde - t.a.v. zesde geïntimeerde
  46. Het bewijs van een delictuele fout in hoofde van zesde geïntimeerde, meer bepaald van een verkrachting gepleegd na 6 maart 1971, berust op een aantal zwaarwichtige en overeenstemmende vermoedens: · huidige appellante heeft een nauwkeurige aangifte gedaan van de feiten ten laste van de heer V.; · de feiten worden omstandig beschreven, zowel in tijd als in ruimte; appellante kon zich goed herinneren naar aanleiding van welke gebeurtenis de feiten zich afspeelden (communiefeest, aan het zwembad, in de stallen, op de kar, tijdens verkoopavond tupperware, enz.), zelfs een precieze datum uit het jaar 1967, toen ze amper tien jaar oud was; zij kon tal van bijzondere concrete omstandigheden beschrijven ondanks het kennelijk zeer pijnlijk karakter van deze onthullingen; · appellante verklaart zeer formeel en duidelijk dat de verkrachtingen door de heer V. zich meermaals per maand herhaalden gedurende vier jaren na april 1967 en een einde namen na vaststelling op 16 april 1971 van haar zwangerschap en haar abortus; · de verklaringen van appellante blijven sober en houden geen tegenstrijdigheden in; · die verklaringen steunen ontegensprekelijk op verifieerbare feiten: het kan immers niet geloochend worden aan het feit dat appellante op zeer jonge leeftijd (14 jaar) verkracht werd nu zij zwanger werd en in april 1971 een abortus moest ondergaan; de latere zware psychologische stoornissen die appellante ondervond vormen ook een reactie op deze erge trauma; · appellante heeft zonder enige aarzeling zesde geïntimeerde aangewezen als de verwekker van het kind en dus als de dader van een verkrachting; na vaststelling van haar zwangerschap heeft zij onmiddellijk aan haar ouders verteld dat de buurman de vader van het kind was en de ouders hadden hierover geen twijfel (zie o.m. de verklaring van de moeder d.d. 29 maart 1999); · MJe X verklaarde dat zij zelf ook het slachtoffer werd van handtastelijkheden vanwege de heer V.; · klinisch psycholoog C. stelt de coherentie van het relaas van appellante vast en besluit tot een voldoende waarschijnlijkheidsgehalte; · volgens de echtgenoot van appellante zou vader X in het verleden hebben toegegeven dat hij en zijn buurman appellante vroeger hadden misbruikt; deze verklaring is volledig geloofwaardig.
  47. De ontkenningen van zesde geïntimeerde zijn daarentegen niet overtuigend. Het viel de rijkswachters overigens op dat de heer V. een selectief geheugen had. Zijn reactie dat appellante leugens vertelde om een financieel voordeel te halen wordt geenszins bekrachtigd door enig objectief element in het dossier. Zelfs het relaas van de heer V. dat hij nog weet heeft van een opname in het ziekenhuis van appellante doch zonder de reden ervan te weten komt onwaarschijnlijk voor. Het hof stelt nog vast dat de raadsman van zesde geïntimeerde na neerlegging van de klacht met burgerlijke partijstelling niet aarzelde om appellante en haar zuster een dreigende brief te sturen, waarop de onderzoeksrechter bij brief van 28 december 1999 ontsteld reageerde.
  48. De delictuele fout van zesde geïntimeerde is bijgevolg bewezen. Het hoger beroep van appellante is op dit punt gegrond. Het incidenteel beroep van de heer V. m.b.t. zijn oorspronkelijke tegenvordering en zijn incidentele vordering tot betaling van schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep zijn allesbehalve gegrond.
  49. Appellant begroot haar schade in oorzakelijk verband met de fout van zesde geïntimeerde op 16.113,08 euro (= 650.000 BEF). Het staat vast dat appellante een uiterst zware schade geleden heeft naar aanleiding van herhaalde verkrachtingen op zeer jonge leeftijd. Zij leed aan zware psychologische aandoening, volgde een langdurige psychologische begeleiding vanaf 1992 (zie attesten van Dr. L., psychiater, en van Dr. S., adjunct kliniekhoofd dienst psychiatrie bij U.Z. Y. alsook van seksuologe B. [412 consultaties !]) en diende meermaals in psychiatrische instellingen opgenomen te worden. Gelet op de hoge kosten verbonden aan deze begeleidingen komt de vordering van appellante strekkende tot vergoeding van haar materiële en morele schade niet overdreven voor.
  50. Appellante vordert voor het hof "de wettelijke interesten sedert 1 mei 1971". Zij vorderde bij dagvaarding de "verwijlinteresten vanaf 1 Januari 1995, te nemen als datum waarop de familie weigerde erkenning te geven". Nu de materiële schade (medische kosten) pas vanaf 1992 werd geleden en dat zelfs de morele schade na lange tijd verergerd werd, mede gelet op de omstandigheid dat appellante laattijdig het initiatief nam van de procedure, zullen de vergoedende interesten slechts toegekend worden vanaf de gemiddelde datum van 1 Januari
  51. 3°. Ten gronde - vordering tegen vierde geïntimeerde (moeder)
  52. Appellante verwijt aan haar moeder dat zij nagelaten heeft haar hulp te verschaffen wanneer zij in nood was. Zij moest op de hoogte zijn geweest van de feiten uit het jaar 1964 t.a.v. MJe en van het seksueel misbruik door zowel haar echtgenoot als haar zoon P. gepleegd op de persoon van haar dochters. Minstens wist zij vanaf april 1971 dat haar dochter M. verkracht was geweest en is zij in gebreke gebleven om haar kind te beschermen; later, in 1994 of 1995 heeft de moeder nog enige vorm van erkenning geweigerd en heeft zij al die jaren appellante opgezadeld met een schuldgevoel, met de belangrijke psychologische stoornissen tot gevolg.
  53. Het verwijt van appellante dat haar moeder niet opmerkzaam zou geweest zijn voor de feiten t.a.v. de volgende dochter A. is niet relevant. De verweten fout zou, voor zover als bewezen, geen schade in hoofde van appellante maar wel van A. hebben veroorzaakt.
  54. De eerste rechter heeft terecht de verwijten aan het adres van de moeder terug in hun context en tijdsgeest willen herplaatsen. De fout dient immers te worden getoetst aan het gedrag van de normaal voorzichtige en zorgvuldige moeder in dezelfde concrete situatie geplaatst, wat impliceert dan men de feiten in hun context onderzoekt.
  55. Ouders zijn de personen die bij uitstek moeten instaan voor zorg en bescherming van hun kinderen. Zij hebben plichten zowel op materieel vlak (onderhoudsplicht, aansprakelijkheid enz.) als op immaterieel vlak (opvoeding van de kinderen tot zelfstandige volwassenen, socialisering).
  56. In huidige zaak dient het hof vast te stellen dat vierde geïntimeerde tekort is gekomen aan haar ouderlijke plichten. Nadat de zwangerschap van haar veertienjarige dochter aan het licht was gekomen heeft zij samen met haar man de beslissing genomen om enerzijds appellante te doen aborteren en anderzijds "om erover te zwijgen en alles in de doofpot te steken" . Appellante kreeg op dat ogenblik noch hulp noch begeleiding en werd aan haar lot overgelaten. De moeder verklaarde dat ze toen kon afleiden dat haar dochter verkracht was geworden door de buurman, zesde geïntimeerde, en dat zij gewag maakte van bedreiging met een mes maar de moeder gaf hieraan geen bijzonder gevolg en zette geen stappen naar de politie of het gerecht ondanks de ernst van de feiten. Ze handelde kennelijk vooral om haar eigen belangen te beschermen, "om geen schandalen te hebben in het dorp". Vierde geïntimeerde geeft een zeer eigenaardige versie over het gedrag van haar man. Zij zou niet op de hoogte zijn geweest van verdachte praktijken door haar man maar verklaarde "geen zinnige uitleg te geven waarom (haar) dochters die beschuldigingen uiten". Op de vraag of haar man in het bijzijn van appellante en dier echtgenoot fouten zou hebben toegegeven, antwoordt zij dat dit mogelijk is maar dat zij zich dit niet meer kan herinneren, wat niet geloofwaardig is. Het blijkt tenslotte dat de moeder haar dochter geen steun bood tijdens haar latere psychologische behandeling.
  57. Uit de voorliggende elementen moet afgesloten worden dat appellante geen adequate zorg en bescherming heeft gekregen van haar moeder. Vierde geïntimeerde heeft haar op zeer jonge leeftijd in de steek gelaten en haar het zwijgen opgelegd met het gevolg dat haar jonge dochter met een ernstig schuldgevoel opgezadeld werd en psychologisch zwaar getroffen werd. Vierde geïntimeerde voert in conclusie aan dat appellante haar na de abortus nooit enige hulp vroeg (zodat zij van mening was dat alles verwerkt was geworden) zonder zich kennelijk de vraag te stellen of zij niet het initiatief moest nemen werkelijke hulp te bieden. De maatschappelijke context van die tijd (met onder meer een grote terughoudendheid m.b.t. seksueel geladen onderwerpen) vormde op zich geen letsel dat de moeder haar rol op correcte wijze zou vervullen.
  58. Het verwijt van schuldig verzuim wordt bijgevolg bewezen. Deze fout is in oorzakelijk verband met de schade geleden door appellante naar aanleiding van haar zware psychologische stoornissen die veel vroeger hadden moeten behandeld worden met effectieve bijstand van de moeder. Appellante vordert ten laste van haar moeder een schadevergoeding van 7.436,81 euro (= 300.000 BEF). Deze vordering is redelijk en billijk. Zoals hierboven uiteengezet (nummer 35) worden vergoedende interesten toegekend vanaf 1 J.uari
  59. 4°. Nopens de gerechtskosten
  60. Partijen hebben ter zitting verklaard hun rechtsplegingsvergoeding te begroten op het basistarief zoals vastgesteld bij het K.B. van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in art. 1022 Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de art. 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat. Appellante heeft evenwel gevraagd de rechtsplegingsvergoeding te beperken tot het minimum in het geval dat zij tot betaling ervan zou veroordeeld worden. Wat appellante, R., MJe, J. en P. X en H. VL betreft, die ofwel bloedverwanten in de opgaande lijn zijn ofwel broers en zusters, oordeelt het hof dat, overeenkomstig artikel 1017, laatste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, elk van deze partijen haar eigen kosten zal dragen. De rechtsplegingsvergoeding ten laste van zesde geïntimeerde als in het ongelijk gestelde partij in de zin van artikelen 1017, eerste lid, en 1022, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bedraagt 2.500 euro gelet op het gevorderde bedrag (hoofdsom + vergoedende interesten). OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep en de incidentele beroepen ontvankelijk. Verklaart het hoger beroep deels gegrond. Hervormt het bestreden vonnis in zoverre het de oorspronkelijke vordering van appellante ongegrond verklaarde tegen H. VL en W. V.. Opnieuw rechtsprekend op die punten, verklaart deze vordering deels gegrond. Veroordeelt H. VL tot betaling aan appellante van ZEVENDUIZEND VIERHONDERD ZESENDERTIG EURO EENENTACHTIG CENT (7.436,81 euro ) vermeerderd met de vergoedende interesten vanaf 1 J.uari 1997 tot 6 maart 2001 en vanaf deze datum met de gerechtelijke interesten, telkens aan de wettelijke rentevoet; Veroordeelt W. V. tot betaling aan appellante van ZESTIENDUIZEND HONDERD DERTIEN EURO EN ACHT CENT (16.113,08 euro ) vermeerderd met de vergoedende interesten vanaf 1 J.uari 1997 tot 6 maart 2001 en vanaf deze datum met de gerechtelijke interesten, telkens aan de wettelijke rentevoet. Verklaart het hoger beroep voor het overige ongegrond. Verklaart het incidenteel beroep van R., MJe, J. en P. X en H. VL in de volgende mate gegrond. Hervormt het bestreden vonnis in zoverre het de oorspronkelijke vordering van appellante ontvankelijk verklaart tegen de rechtsopvolgers van J. X en tegen P. X. Opnieuw rechtsprekend, enkel op deze punten, verklaart deze vorderingen niet ontvankelijk wegens verjaring. Verklaart het incidenteel beroep en de incidentele vordering van W. V. ongegrond. Veroordeelt W. V. tot betaling van de gerechtskosten van beide aanleggen, - in hoofde van appellante begroot op 3.500,87 (472,78 dagvaardingskosten en rolrecht + 342,09 rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg + 186 rolrecht hoger beroep + euro 2.500 rechtsplegingsvergoeding), en - in hoofde van hemzelf op euro 2.842,09 ( 342,09 rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg zie vonnis + 2.500 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep); Zegt dat appellante, R., MJe, J. en P. X en H. VL elk hun (overige) kosten zullen dragen. Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Z., op 03/03/2009 waar aanwezig waren en zitting hielden : Astrid DE PREESTER, Raadsheer d.d. Voorzitter, Evrard J.SSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer, Marc DEBAERE, Raadsheer, Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS M. DEBAERE E. J.SSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.