← België

ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090317.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 17 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090317.1 Rolnummer: 2005AR381 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-03-30 Raadplegingen: 231 - laatst gezien 2026-07-02 19:25 Fiche Een ontvankelijke vordering tot vergoeding van rechterlijke ambtsfouten veronderstelt dat het gezag van gewijsde van de litigieuze akte is weggenomen, maar moet daarop uitzondering gemaakt worden voor onder meer het geval van een beroep op het Europees Hof voor de Rechten van de Mens of het Comité van Ministers van de Raad van Europa . Niets weerhield de benadeligde om te dagvaarden in schadevergoeding zonder een uitspraak in 'Straatsburg' af te wachten. De situatie is niet ongelijk aan die van de eiser in schadevergoeding uit een onwettige bestuurshandeling die dagvaardt vooraleer de Raad van State uitspraak heeft gedaan over zijn beroep tot nietigverklaring van die bestuurshandeling. Tot voor de wijziging van artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek door de wet van 25 juli 2008 was dat overigens de handelwijze van een normaal zorgvuldige persoon. Vooraleer de Raad van State uitspraak heeft gedaan is een behandeling door de burgerlijke rechter weliswaar voorbarig (al hoeft de burgerlijke rechter voor de beoordeling van de subjectieve rechten niet te wachten op het oordeel van de Raad van State met betrekking tot het objectief contentieux). Uit het bovenstaande volgt dat het nationale recht geen beletsel vormt tegen de bescherming van de vordering van de benadeligde tot schadevergoeding begrepen als eigendom in de zin van artikel 1, 1ste aanvullend protocol EVRM. Uit het bovenstaande volgt ook dat de eerste prejudiciële vraag die de benadeligde voorstelt te stellen aan het Grondwettelijk Hof, niet relevant is voor de beoordeling van de vordering . De vordering van appellant kon immers wel degelijk ingeleid worden op 'ontvankelijke of gegronde wijze'. Het hof is niet gehouden tot het stellen van een prejudiciële vraag die niet onontbeerlijk is om uitspraak te doen (artikel 26 §2 Bijzondere Wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989). UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Overheidsaansprakelijkheid - Rechterlijke macht BURGERLIJK RECHT - VERJARING (BURGERLIJK RECHT) - Stuiting en schorsing - Stuiting BURGERLIJK RECHT - VERJARING (BURGERLIJK RECHT) - Bijzondere verjaringen - Verjaring schuldvordering op de Staat Vrije woorden: Tuchtrecht - geneesheer - schorsing - fout van de rechterlijke macht - schadeloosstelling van de geneesheet lastens de Belgische Staat - verjaringstermijn - art. 100 en 101 van de gecoördineerde wetten op de rijkscomptabiliteit - modaliteiten van de bevrijdende verjaring. Stuiting? Impact van een procedure te Staatsburg op grond van schending van het EVREM Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2009/ A.R. nr. 2005/AR/381 Onrechtmatige daad - ambtsfouten magistraten - verjaring schuldvordering op de staat - rechtsplegingsvergoeding - onmiddellijke toepassing wet 21 april 2007 INZAKE VAN : De heer X Y., geneesheer, appellant tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 29 oktober 2004, vertegenwoordigd door Meester Hugo VANDENBERGHE, advocaat te 1030 BRUSSEL, August Reyerslaan 171, 1ste kamer TEGEN : 1) De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Justitie, waarvan het kabinet gevestigd is te 1000 BRUSSEL, Waterloolaan 115, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Leo VAN DEN HOLE loco Meester Patrick PEETERS, advocaat te 1170 BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 177/6, 2) De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Volksgezondheid en Sociale Zaken, waarvan het kabinet gevestigd is te 1210 BRUSSEL, Kunstlaan 6, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Jean-François DE BOCK, advocaat te 1060 BRUSSEL, Tasson Snelstraat 38,

  1. De procedure In dit arrest oordeelt het hof over het hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 29 oktober
  2. De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder art. 24, zijn nageleefd. Het arrest wordt gewezen na tegenspraak. Partijen verklaren dat het vonnis werd betekend op 10 februari 2005; appellant heeft hoger beroep ingesteld bij verzoekschrift, neergelegd op de griffie van het hof op die zelfde dag. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld.
  3. De feiten De eerste rechter heeft de relevante feiten correct en volledig weergegeven als volgt: " Eiser is geneesheer en wordt op 27 februari 1991 door de Provinciale Raad van West-Vlaanderen van de Orde der Geneesheren veroordeeld tot een tuchtsanctie van schorsing en het recht de geneeskunde uit te oefenen gedurende een periode van 3 maanden; Na hoger beroep oordeelt de Raad van Beroep op 19 april 1993, bij verstek, dat een tuchtsanctie van 1 jaar dient te worden opgelegd. Na verzet oordeelt de Raad van Beroep op 15 november 1993 dat een tuchtsanctie van een jaar schorsing in het recht de geneeskunde uit te oefenen [moet opgelegd worden]. Hiertegen wordt Cassatieberoep aangetekend en het Hof verwerpt de voorziening op 9 december
  4. Tussen 15 januari 1995 en 15 januari 1996 wordt aan eiser verbod opgelegd de geneeskunde uit te oefenen; Op 6 juni 1995 richt eiser een verzoekschrift tot de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens te Straatsburg bij toepassing van het voormalig artikel 25 EVRM. Eiser werpt op dat de Raad van Beroep van de Orde der Geneesheren niet onpartijdig en onafhankelijk is opgetreden. Bovendien stelt eiser dat het Cassatiearrest van 9 december 1994 artikel 6 § 1 van het EVRM heeft geschonden (door de aanwezigheid bij de beraadslaging van het Hof van Cassatie van een vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie); Bij beslissing van 16 oktober 1996 werd het verzoek van eiser ten aanzien van deze twee punten weerhouden door de E.C.R.M. en werd het verzoekschrift ter kennis gebracht aan de Belgische regering. Op 10 september 1997 wordt het verzoekschrift van eiser op deze punten ontvankelijk verklaard. Bij beslissing van 16 april 1998 van de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens te Straatsburg wordt de schending vastgesteld van artikel 6 § 1 van het EVRM zowel in de procedure voor het Hof van Cassatie als in de procedure voor de Raad van Beroep. Gelet op het aanvullend protocol nr. 9 bij het EVRM dient eiser een verzoekschrift in bij het Europese Hof voor Mensenrechten om deze zaak ook door het Hof te laten behandelen waarbij het Hof bij arrest van 5 oktober 1998 oordeelt dat er geen fundamentele redenen zijn opdat het Hof zich over deze betwisting zou uitspreken. Het Comité van Ministers van de Raad van Europa neemt het advies van de Commissie over bij beslissing van 15 juli 1999, stelt een schending van artikel 6 § 1 EVRM vast en kent aan eiser een vergoeding toe voor morele schade van 150.000 BEF en een vergoeding voor kosten en honoraria van 186.000 BEF. Bij eindresolutie door het Comité van Ministers dd 15 oktober 2001 wordt vastgesteld dat de Belgische Staat de schadevergoeding heeft uitbetaald en dat de zaak kan worden beëindigd. Thans vordert eiser een schadevergoeding wegens materiële en morele schade wegens één jaar onrechtmatige schorsing. " Partijen kwamen niet tot een minnelijke oplossing, en appellant dagvaardde de BELGISCHE STAAT op 19 december
  5. Het onderwerp van de vordering 3.
  6. Voor de eerste rechter vorderde appellant de veroordeling van de BELGISCHE STAAT tot de betaling aan hem van 1.189.888,90 EUR (48.000.000 BEF) voor materiële schade, en 21.070,95 EUR (850.000 BEF) voor morele schade, plus de vergoedende intresten vanaf 15 januari 1995 en de gerechtelijke interesten. Ondergeschikt vroeg hij de veroordeling tot in hoofdsom de helft daarvan, of 605.479,90 EUR, ook plus de vergoedende intresten vanaf 15 januari 1995 en de gerechtelijke interesten. De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door twee ministers, concludeerde tot de niet-ontvankelijkheid, minstens de ongegrondheid van de vordering. 3.
  7. De eerste rechter verklaarde de vordering ontvankelijk maar ongegrond. 3.
  8. In hoger beroep hernam appellant in hoofdorde zijn vordering tot veroordeling van de BELGISCHE STAAT tot de betaling aan hem van 1.189.888,90 EUR voor materiële schade, en 21.070,95 EUR voor morele schade, plus de vergoedende intresten vanaf 15 januari 1995 en de gerechtelijke interesten. Ondergeschikt vroeg hij de veroordeling van de BELGISCHE STAAT tot betaling van een schadevergoeding wegens verlies van een kans, van in billijkheid 247.954,37 EUR en 2.479,54 EUR, plus de vergoedende intresten daarop vanaf 15 januari 1995 en de gerechtelijke interesten. De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door twee ministers, concludeerde tot de ongegrondheid van de vordering. Op de zitting van 2 juni 2008 heeft het hof ambtshalve het middel opgeworpen van de verjaring, waarna de zaak in voortzetting is gesteld naar 15 december 2008, om partijen toe te laten conclusie te nemen daarover, en over de rechtsplegingsvergoedingen. In zijn conclusie na voortzetting vraagt appellant de veroordeling van de BELGISCHE STAAT tot een schadevergoeding provisioneel begroot op 2.500,00 EUR voor materiële schade, en provisioneel begroot op 1,00 EUR voor morele schade, plus de verwijl- of vergoedende intresten vanaf 15 januari 1995 en de gerechtelijke interesten. Ondergeschikt vraagt hij de veroordeling van de BELGISCHE STAAT tot betaling van een schadevergoeding wegens verlies van een kans, van in billijkheid 2.500,00 EUR, plus de verwijl- of vergoedende intresten daarop vanaf 15 januari 1995 en de gerechtelijke interesten. Meer ondergeschikt vraagt hij aan het Grondwettelijk Hof twee prejudiciële vragen te stellen die hij formuleert. Ten slotte vraagt appellant om de regeling van de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingsvergoedingen uit te stellen tot definitief is beslist over de omvang van de schadevergoeding. De BELGISCHE STAAT concludeert tot de niet-ontvankelijkheid, minstens de ongegrondheid van het hoger beroep.
  9. De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen 4.
  10. De ontvankelijkheid van het hoger beroep De BELGISCHE STAAT concludeert tot de niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep, maar ontwikkelt geen middel dat daartoe strekt. Het middel uit de verjaring heeft betrekking op de ontvankelijkheid van de vordering. Het hof ziet geen middel van niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep dat ambtshalve aan te voeren is. 4.
  11. De grond van het hoger beroep Het middel van niet-ontvankelijkheid van de vordering leidt tot een incidenteel hoger beroep van de BELGISCHE STAAT. 4.2.
  12. De verjaring De vordering van appellant gericht tegen de BELGISCHE STAAT op grond van aansprakelijkheid voor ambtsfouten van magistraten en van personen die met een rechtsprekende opdracht belast waren, is onderworpen aan de verjaringsregels van artikel 100 e.v. van de gecoördineerde wetten op de rijkscomptabiliteit. Artikel 100 van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit (KB van 17 juli 1991, dat art. 1 overneemt van de Wet van I6 februari 1970 betreffende de verjaring van schuldvorderingen ten laste of ten voordele van de Staat en de provinciën ) bepaalt: Verjaard en voorgoed ten voordele van de Staat vervallen zijn, onverminderd de vervallenverklaringen ten gevolge van andere wettelijke, reglementaire of ter zake overeengekomen bepalingen: 1° de schuldvorderingen, waarvan de wettelijke of reglementaire wijze bepaalde overlegging niet geschied is binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan zij zijn ontstaan; 2° de schuldvorderingen die, hoewel ze zijn overgelegd binnen de onder 1° bedoelde termijn, door de ministers niet zijn geordonnanceerd binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het jaar gedurende hetwelk ze werden overgelegd; 3° alle andere schuldvorderingen, die niet zijn geordonnanceerd binnen een termijn van tien jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het jaar van hun ontstaan. Voor de schuldvorderingen die voortkomen uit vonnissen blijft evenwel de tienjarige]verjaring gelden; zij dienen te worden uitbetaald door de zorg van de Deposito- en Consignatiekas. Artikel 101 bepaalt: "De verjaring wordt gestuit overeenkomstig de regels van het gemeen recht." Behoudens andersluidende wettelijke bepalingen geldt deze verjaringstermijn van vijf jaar in de regel voor alle schuldvorderingen ten laste van de Staat (zie Cass. 14 april 2003, C000167N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030414.7, www.cass.be; Cass. 11 februari 2005, C0305545N, www.cass.be). In een arrest van 20 februari 2002 herhaalde het Grondwettelijk Hof zijn standpunt uit zijn arresten nrs. 32/96, 75/97, 5/99 en 85/2001, waarin het had geoordeeld "dat de wetgever, door de vorderingen gericht tegen de Staat aan de vijfjarige verjaring te onderwerpen, een maatregel heeft genomen die in verband staat met het nagestreefde doel dat erin bestaat de rekeningen van de Staat binnen een redelijke termijn af te sluiten. Er werd immers geoordeeld dat een dergelijke maatregel noodzakelijk was omdat de Staat op een bepaald ogenblik zijn rekeningen moet kunnen afsluiten: het is een verjaring van openbare orde, die noodzakelijk is in het licht van een goede comptabiliteit (Pasin. 1846, p. 287)." Het Grondwettelijk Hof hield ook nadien vast aan dit standpunt . In het arrest 32/96 van 15 mei 1996 oordeelde het Grondwettelijk Hof dat de vijfjarige verjaringstermijn niet redelijk verantwoord is in zoverre hij van toepassing is op vorderingen tot vergoeding van schade uit werken die door de Staat werden uitgevoerd, ten aanzien van personen die in de onmogelijkheid verkeren om binnen de wettelijke termijn in rechte te treden omdat de schade die zij hebben geleden pas na het verstrijken van die termijn tot uiting is gekomen. De laattijdige klachten vinden hun verklaring meestal niet in de nalatigheid van de schuldeiser, maar in het feit dat de schade zich laattijdig manifesteert. Met betrekking tot de vorderingen uit aansprakelijkheid in het algemeen oordeelde het Grondwettelijk Hof in het arrest van 20 februari 2002 (nr. 42/2002) dat de redenering uit arrest 32/96 niet geldt ten aanzien van de aanvragers van schadevergoeding van wie de situatie niet vergelijkbaar is met die "van personen die zich in de onmogelijkheid bevinden om binnen de wettelijke termijn in rechte te treden omdat hun schade pas na het verstrijken van de termijn tot uiting is gekomen." In zijn arresten van 18 oktober 2006 (nr. 153/2006) en 20 juni 2007 (nr. 90/2007) oordeelde het Grondwettelijk Hof dat de vijfjarige verjaringstermijn van artikel 100 eveneens discriminerend is, in zoverre zij voorziet in een vijfjarige verjaringstermijn voor vorderingen tot schadevergoeding op grond van de buitencontractuele aansprakelijkheid van de overheid, wanneer de schade of de identiteit van de aansprakelijke pas na die termijn kunnen worden vastgesteld. Anders dan appellant voorhoudt, bevond hij zich niet in een situatie waarbij de toepassing van de bijzondere verjaringsregels van artikel 100 strekt tot ongelijke behandeling zoals geoordeeld door het Grondwettelijk Hof. Appellant verkeerde met name niet in de onmogelijkheid om binnen de wettelijke termijn in rechte te treden omdat de schade pas na het verstrijken van die termijn tot uiting was gekomen. Hij kende in elk geval de schade ten laatste bij de beslissing van het hof van cassatie van 9 december
  13. Dat de precieze omvang van de schade pas nadien zou vaststaan, is zonder belang voor de bepaling van de aanvang van de verjaringstermijn. In geval van een onrechtmatige overheidsdaad, komt in de regel de schuldvordering tot stand op het ogenblik waarop de schade ontstaat of waarop haar toekomstige verwezenlijking, naar redelijke verwachting, vaststaat. Dat de omvang van de schade op dat tijdstip nog niet precies vaststaat, doet hieraan geen afbreuk . Appellant kende in 1994 uiteraard ook de identiteit van de aansprakelijke persoon; het was op dat ogenblik in 1994 niet betwist dat de BELGISCHE STAAT gehouden kan zijn wegens fouten van de rechterlijke macht . Ten slotte was voor appellant in 1994 ook de fout evident. In zijn conclusies verwijst appellant naar de vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (onder meer vanaf het arrest Borgers van 29 oktober 1991 en voordien, het arrest Debled van 22 september 1994 en Vermeulen van 20 februari 1996), met betrekking tot de rol van het openbaar ministerie en het ontbreken van de mogelijkheid van een repliek in het licht van artikel 6 §1 EVRM. De fout is begaan in 1993 en 1994; het onrechtmatig karakter is niet pas ontstaan met de beoordeling door de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens in op 16 april 1998 of door het Comité van Ministers van de Raad van Europa van 15 juli 1999, en is ook niet pas ontdekt in
  14. Appellant laat gelden dat de voorwaarden voor zijn vordering tot vergoeding van rechterlijke ambtsfouten pas vervuld waren met de beslissing van het Comité van Ministers van de Raad van Europa van 15 juli
  15. De vordering uit aansprakelijkheid van de BELGISCHE STAAT voor fouten van magistraten begaan in de rechtsprekende functie is in beginsel alleen ontvankelijk indien de litigieuze akte bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing ingetrokken, gewijzigd, vernietigd of herroepen is wegens schending van een gevestigde rechtsnorm en derhalve geen gezag van gewijsde meer heeft . Appellant stelt dat hij pas door de beslissing van het Comité van Ministers van de Raad van Europa van 15 juli 1999 aan de BELGISCHE STAAT een beslissing kon tegenwerpen die weliswaar niet de onrechtmatige beslissingen van 1993 en 1994 ongedaan maakte, maar die de BELGISCHE STAAT niettemin als verdragsluitende partij moest eerbiedigen. De stelling van de laatste zin klopt, maar dat vormt geen beletsel voor het tijdig instellen van een vordering. Zoals appellant zelf uiteenzet, veronderstelt een ontvankelijke vordering tot vergoeding van rechterlijke ambtsfouten dat het gezag van gewijsde van de litigieuze akte is weggenomen, maar moet daarop uitzondering gemaakt worden voor onder meer het geval van een beroep op het Europees Hof voor de Rechten van de Mens of het Comité van Ministers van de Raad van Europa . Niets weerhield appellant om te dagvaarden in schadevergoeding zonder een uitspraak in "Straatsburg" af te wachten. De situatie is niet ongelijk aan die van de eiser in schadevergoeding uit een onwettige bestuurshandeling die dagvaardt vooraleer de Raad van State uitspraak heeft gedaan over zijn beroep tot nietigverklaring van die bestuurshandeling. Tot voor de wijziging van artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek door de wet van 25 juli 2008 was dat overigens de handelwijze van een normaal zorgvuldige persoon. Vooraleer de Raad van State uitspraak heeft gedaan is een behandeling door de burgerlijke rechter weliswaar voorbarig (al hoeft de burgerlijke rechter voor de beoordeling van de subjectieve rechten niet te wachten op het oordeel van de Raad van State met betrekking tot het objectief contentieux). Uit het bovenstaande volgt dat het nationale recht geen beletsel vormt tegen de bescherming van de vordering van appellant tot schadevergoeding begrepen als eigendom in de zin van artikel 1, 1ste aanvullend protocol EVRM. Uit het bovenstaande volgt ook dat de eerste prejudiciële vraag die appellant voorstelt te stellen aan het Grondwettelijk Hof, niet relevant is voor de beoordeling van de vordering . De vordering van appellant kon immers wel degelijk ingeleid worden op "ontvankelijke of gegronde wijze". Het hof is niet gehouden tot het stellen van een prejudiciële vraag die niet onontbeerlijk is om uitspraak te doen (artikel 26 §2 Bijzondere Wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989). Anders dan appellant voorhoudt, is zijn vordering tot schadevergoeding hangende de procedure in Straatsburg geen voorwaardelijke vordering in de zin van artikel 2257 van het Burgerlijk Wetboek. De verjaringstermijn ving dus aan op 1 januari 1994 (het arrest van het hof van cassatie dateert van 9 december 1994). Er zijn geen daden van stuiting of schorsing; het beroep bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geldt niet als dusdanig, net zoals die niet het geval was voor een beroep bij de Raad van State tot bij de wet van 25 juli
  16. De BELGISCHE STAAT laat terecht gelden dat zijn betaling overeenkomstig de beslissing van het Comité van Ministers van de Raad van Europa niet kan gelden als een erkenning; de BELGISCHE STAAT kon bezwaarlijk anders als verdragsluitende partij. De dagvaarding van 19 december 2002 is dus gedaan na het verstrijken van de verjaringstermijn. De vordering is niet ontvankelijk.
  17. De kosten De BELGISCHE STAAT vraagt voor de rechtsplegingsvergoeding de toepassing van het basisbedrag op de waarde van de vordering in de conclusies van appellant neergelegd vóór de voortzetting van de debatten. Appellant herleidt inderdaad in zijn laatste conclusie zijn vordering zoals boven vermeld tot een schadevergoeding provisioneel begroot op 2.500,00 EUR voor materiële schade, en provisioneel begroot op 1,00 EUR voor morele schade. De rechtsplegingsvergoeding wordt met toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 bepaald volgens "het bedrag van de vordering", en dus niet volgens het toegekende bedrag, zoals appellant voorhoudt. Met toepassing van artikel 3 van het Koninklijk Besluit van 26 oktober 2007 is het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding, gelet op de waarde van de vordering, 650,00 EUR. De BELGISCHE STAAT maakt aanspraak op twee rechtsplegingsvergoedingen omdat appellant zelf heeft verkozen de BELGISCHE STAAT te dagvaarden in hoofde van twee ministers. Niets weerhield de BELGISCHE STAAT echter een enkele raadsman in te schakelen in plaats van twee; het hof kent één rechtsplegingsvergoeding toe. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep van appellant ontvankelijk maar ongegrond. Verklaart het incidenteel hoger beroep van de BELGISCHE STAAT ontvankelijk en gegrond als volgt: Hervormt het vonnis behalve voor zover het oordeelt over de kosten, en spreekt opnieuw recht als volgt: Verklaart de vordering niet ontvankelijk. Het veroordeelt appellant tot de betaling van de kosten van het hoger beroep, begroot - in hoofde van hemzelf op euro 836 ( 186 rolrecht + 650 rechtsplegingsvergoeding), en - in hoofde van de BELGISCHE STAAT op euro 650 rechtsplegingsvergoeding. Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 17/03/2009 waar aanwezig waren en zitting hielden : Astrid DE PREESTER, Raadsheer d.d. Voorzitter, Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer, Marc DEBAERE, Raadsheer, Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS M. DEBAERE E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030414.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.