← België

ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090317.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 17 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090317.2 Rolnummer: 2006AR3086 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-03-30 Raadplegingen: 141 - laatst gezien 2026-07-02 19:24 Fiche Architect L. kan niet aansprakelijk gesteld worden voor het feit dat de bouwheer manifest gecontracteerd heeft met een aannemer die de bouwplannen niet opvolgt en constructies opricht die niet beantwoorden aan de regels van de kunst. Dergelijke tekortkomingen brengen de aansprakelijkheid van de aannemer in het gedrang en niet die van de architect. De controletaak van de architect houdt overigens geen bestendig toezicht of permanentie op de bouwwerf in en is een inspannings - en geen resultaatsverbintenis. Het loutere bestaan van de aan de aannemer toerekenbare gebreken in de uitvoering van het werk, bewijst niet dat de architect een fout in de controle van dat werk heeft gedaan. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BEROEPEN - Architect - Algemeen BURGERLIJK RECHT - BEROEPEN - Architect - Aansprakelijkheid Vrije woorden: Respectieve aansprakelijkheid van de architect en van de aannemer. Aard van de aansprakelijkheid van de architect: inspanningsverbintenis. Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2009/ A.R. nr. 2006/AR/3086 INZAKE VAN : De B.V.B.A. ARCHITEKTENBUREAU B. L., appellante tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 25 oktober 2006, vertegenwoordigd door Meester Jeroen VANDERSCHUEREN loco Meester Edgar BOYDENS, advocaat te 1560 H., K. Coppensstraat 13, 1ste kamer TEGEN : De heer G. B., wonende te geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Rafael MONDELAERS loco Meester Stefan DESWERT, advocaat te 1050 BRUSSEL, Bolwerksquare 1/A, Gelet op de procedurestukken: · het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 25 oktober 2006, beslissing waarvan geen akte van betekening wordt overgelegd; · het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 15 november 2006; · de conclusie van appellante neergelegd ter griffie op 5 maart 2007; · de syntheseconclusie van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 16 april 2007. Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 9 februari 2009 en gelet op de stukken die zij neerlegden. Het hoger beroep en het incidenteel beroep werden regelmatig naar vorm en termijn ingesteld en zijn bijgevolg ontvankelijk. I. Voorwerp van de vorderingen. 1.1. De oorspronkelijke eis van appellante strekte ertoe geïntimeerde te horen veroordelen tot betaling van een bedrag van 3.036,19 euro uit hoofde van verschuldigde erelonen plus de conventionele rente aan 10% op 2.399,76 euro vanaf 1 oktober 2003 tot op de datum van de algehele betaling. Geïntimeerde stelde een tegenvordering in en vroeg de betaling van een bedrag van 8.331,88 euro uit hoofde van gederfde huurgelden en bijkomende kosten plus de gerechtelijke intresten. 1.2. De eerste rechter heeft bij tussenvonnis van 13 oktober 2004 de zaak opnieuw verzonden naar de bijzondere rol teneinde de zaak in staat te stellen. 1.3. Op 29 maart 2006 heeft de eerste rechter de debatten heropend omdat huidige geïntimeerde in zijn laatste conclusie neergelegd op 19 september 2005 zijn oorspronkelijke tegeneis had uitgebreid en tevens de veroordeling vroeg van huidige appellante tot betaling van een provisie van 1.500 euro ter vergoeding van zijn advocatenkosten. 1.4. Bij eindvonnis uitgesproken op 25 oktober 2006 heeft de eerste rechter

(1)geïntimeerde veroordeeld tot betaling van een bedrag van 1.177,36 euro plus de wettelijke verwijlintresten vanaf 2 oktober 2003 tot 29 oktober 2003 waarna vermeerderd met de gerechtelijke intresten,
(2)de dubbele tegeneis afgewezen als ongegrond en
(3)appellante veroordeeld tot 2/3den van de kosten en geïntimeerde tot de overige 1/3de. 1.5 Het hoger beroep van appellante beoogt
(1)geïntimeerde te horen veroordelen tot betaling van een bedrag van 2.399,76 euro , meer een conventioneel schadebeding begroot op 15% van de hoofdsom of 359,96 euro , de conventionele rente aan 10% op 974,86 euro vanaf 25 april 2002 en op 1.424,90 euro vanaf 18 oktober 2002 tot de dag van de volledige betaling, minstens verwijlintresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf de 30e dag volgend op de ereloonstaat en de gerechtelijke intresten,
(2)haar voorbehoud te horen verlenen voor het vorderen van bijkomende erelonen op grond van de overeenkomst van 5 januari 2000, indien zij kennis zou krijgen van stukken waaruit blijkt dat de totale werken aan de G.-weg 9-11 te 1560 H. vanaf de aanvang van de werken tot aan de definitieve oplevering meer dan 67.556,24 euro exclusief BTW bedragen en
(3)geïntimeerde te horen veroordelen in betaling van de gerechtskosten in beide aanleggen. 1.
  1. Bij incidenteel beroep vorderde geïntimeerde aanvankelijk de toekenning van zijn dubbele tegenvordering en breidde hij zijn tegenvordering uit hoofde van advocatenkosten uit tot een provisie van 2.000 euro (zie verder punt 3.
  2. van huidig arrest). II. De Feiten. 2.
  3. De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis. 2.
  4. Op 6 januari 2000 sloten partijen een architectuurovereenkomst - volledige architectuuropdracht - af met als voorwerp de verbouwing en de uitbreiding van een woning van geïntimeerde gelegen te H., Groendaalsesteenweg 9-
  5. Wat de verbouwingen betreft aan het pand nr. 11 zijn er geen problemen gerezen en desbetreffend stelt geïntimeerde dat de uitvoering van deze werken vlot is verlopen. De verbouwingen aan het pand nr. 9 werden opgestart op 12 maart 2001 en er werden vooreerst ruwbouwwerken uitgevoerd door de BVBA W.. Betreffende deze werken werd tussen W. en geïntimeerde een overeenkomst afgesloten op 7 maart 2001 waarin o.m. werd overeengekomen dat de werken zouden aangevat worden op 12 maart 2001, uiterlijk zouden beëindigd zijn na 35 werkbare werkdagen en de kostprijs hiervan 36.812,19 euro (1.485.000 BEF) zou bedragen. Tijdens het uitvoeren van deze werken deden zich blijkbaar grove stabiliteitsproblemen voor, werd vastgesteld dat de werf onvoldoende beveiligd was en het metselwerk slordig werd afgewerkt, reden waarom op initiatief van appellante de werken werden stil gelegd op 22 mei
  6. Hierop vorderde appellante burgerlijk ingenieur Luc Van De Vondel op teneinde de werkwijze van het bouwproces te analyseren. Ir. Luc Van De Vondel maakte op 27 mei 2001 een verslag op waarin duidelijk naar voren komt dat de werken niet volgens de regels van de kunst werden uitgevoerd, dat er zich ernstige stabiliteitsproblemen voordeden en dat het geheel moest afgebroken worden indien de nodige oordeelkundige verstevigingen niet werden aangebracht. Op 8 februari 2002 waren de werken voor het overgrote deel uitgevoerd. Op 2 oktober 2003 stelde appellante geïntimeerde in gebreke om twee ereloonstaten (= 4e en 5e schijf) te vereffenen voor een totaal van 2.399,76 euro in hoofdsom, plus de intresten en het schadebeding. Gezien het in gebreke blijven van geïntimeerde ging appellante over tot dagvaarding bij exploot betekend op 29 oktober
  7. III. Beoordeling. 3.
  8. Geïntimeerde verwijt aan appellante onvoldoende controle te hebben gehouden op de uitvoering van de werken en te kort te zijn geschoten aan zijn raadgevingplicht, redenen waarom hij weigert de twee laatste ereloonstaten van appellante te vereffenen. Appellante betwist echter te kort te zijn gekomen aan haar verplichtingen als architect. Geïntimeerde houdt verder voor dat hij door de fout van zijn architect de muren diende te laten herbepleisteren door een derde en dat de woning die bestemd was om verhuurd te worden slechts meer dan één jaar na de voorziene datum kon verhuurd worden. Hij vraagt dan ook de architect te veroordelen tot betaling van de pleisterwerken en van de gederfde huurinkomsten gedurende één jaar, alsmede van kosten aan het dak. Geïntimeerde meende aanvankelijk tevens recht te hebben op de terugbetaling van zijn advocatenkosten die hij in hoger beroep raamt op 2.000 euro (zie verder punt 3.
  9. van huidig arrest). 3.
  10. In de overeenkomst afgesloten tussen de heer B. en aannemer W. dd. 9 maart 2001 werd overeengekomen dat de aannemer de werken zou aanvatten op 12 maart 2001 en deze uiterlijk na 35 werkbare werkdagen voltooid zouden zijn. Het eerste werfverslag opgesteld door architect L. dateert van 16 mei
  11. Op dat ogenblik was de druklaag van de eerste verdieping gegoten en stelden zich problemen met betonbalken die niet geplaatst werden conform het plan. Een tweede werfverslag dateert van 22 mei
  12. Op dat ogenblik werd de druklaag van de tweede verdieping geplaatst. Alweer werd vastgesteld dat de aannemer het plan niet had opgevolgd en dat bovendien de algemene veiligheid op de werf sterk te wensen overliet. De architect besloot hierop de werf stil te leggen en beroep te doen op een ingenieur m.b.t. de stabiliteit van het gebouw. Ingenieur Luc Van De Vondel kwam ter plaatse op 23 mei
  13. In zijn verslag van 27 mei 2001 merkte Ir. Van De Vondel op dat de stabiliteit van sommige constructiedelen niet gegarandeerd was, dat om die reden de werken onmiddellijk dienden stilgelegd te worden - wat de architect inmiddels al had gedaan - en er vervolgens ofwel aanpassingswerken dienden te gebeuren ofwel het geheel diende afgebroken te worden en dan herbouwd moest worden, ditmaal " volgens de regels van de kunst ". Op 30 augustus 2001 volgt een derde werfverslag met een aantal opmerkingen aangaande de afwerking van het gebouw. De stabiliteitsproblemen bleken op dat ogenblik opgelost te zijn. Op 8 februari 2002 werden de resterende werken besproken waarvan een groot deel ten laste werd gelegd van aannemer W.. 3.
  14. Van een architect kan niet verwacht worden dat hij dagelijks een werf opzoekt. Het aantal werfverslagen die worden opgesteld is evenmin relevant om de controletaak van de architect te evalueren. In deze stelde er zich stabiliteitsproblemen die echter eerst konden vastgesteld worden wanneer een deel van het gebouw was opgetrokken. Het feit derhalve dat het eerste werfverslag pas op 16 mei 2001 werd opgesteld - op het ogenblik dat de ruwbouw in de fase stond van de " plaatsing van de opgaande muren van de 1e verdieping " - is op zich geen bewijs van enige tekortkoming in hoofde van de architect. De bouwheer toont immers niet aan dat indien de architect vroeger op de werf aanwezig zou zijn geweest hij reeds de gebrekkige uitvoering vanwege de aannemer had kunnen vaststellen. De uitoefening van een degelijke controle door de architect op het door de aannemer uitgevoerde werk houdt immers in dat nazicht wordt gedaan van het werk telkens als het nodig is, met name wanneer een decisieve stap wordt gezet in het bouwproces of op aanduiding of verzoek van de aannemer, zodat de nieuwe stap mag gezet worden, zonder dat er gevaar bestaat voor een onomkeerbare schade. Na zijn eerste werfbezoek, heeft de architect een aantal richtlijnen meegegeven aan de aannemer om aan de gebreken te verhelpen en is hij een week later al opnieuw op de werf verschenen om de evolutie van die werken na te gaan. Hierop besloot hij de werken stil te leggen en een ingenieur te raadplegen teneinde de stabiliteit van het gebouw te bestuderen. Architect L. kan niet aansprakelijk gesteld worden voor het feit dat de bouwheer manifest gecontracteerd heeft met een aannemer die de bouwplannen niet opvolgt en constructies opricht die niet beantwoorden aan de regels van de kunst. Dergelijke tekortkomingen brengen de aansprakelijkheid van de aannemer in het gedrang en niet die van de architect. De controletaak van de architect houdt overigens geen bestendig toezicht of permanentie op de bouwwerf in en is een inspannings - en geen resultaatsverbintenis. Het loutere bestaan van de aan de aannemer toerekenbare gebreken in de uitvoering van het werk, bewijst niet dat de architect een fout in de controle van dat werk heeft gedaan. Architect L. heeft na de vaststelling dat de aannemer gebrekkig werk leverde en bleef leveren het nodige gedaan door de werf stil te leggen en een stabiliteitsingenieur te raadplegen. Na deze tussenkomsten is de werf blijkbaar zonder verdere moeilijkheden kunnen afgewerkt worden zij het met vertraging wat eveneens niet te wijten is aan de architect. De vertraging die werd opgelopen in de uitvoering van de ruwbouw is enkel te wijten aan de aannemer die de werken niet uitvoerde volgens de regels van de kunst en bijgevolg opdracht kreeg aanpassingswerken uit te voeren die het bouwproces noodzakelijkerwijze hebben doen vertragen. Om die reden kan architect L. niet verweten worden dat werken waarvan aanvankelijk voorzien werd dat ze slechts 35 werkdagen in beslag zouden nemen uiteindelijk meer dan 1 jaar na het opstarten ervan beëindigd werden. 3.
  15. De heer B. verwijt verder aan architect L. hem niet de raad te hebben gegeven om de aannemer in gebreke te stellen wanneer duidelijk werd dat de termijnen niet gerespecteerd gingen worden en dat het werk niet volgens de regels van de kunst werden uitgevoerd. Door de werken stil te leggen heeft de architect de aannemer er juist op gewezen dat hij niet bezig was als man van het vak. Verder deed de architect het nodige om het bouwproject in goede banen te leiden gezien het gebouw uiteindelijk werd opgericht zonder verdere stabiliteitsproblemen. De bouwheer toont overigens niet aan dat hij de aannemer nadien een meerprijs heeft moeten betalen. Volledigheidshalve wordt hieraan toegevoegd dat in de overeenkomst afgesloten tussen de bouwheer en de aannemer een clausule voorzien was dat indien de werken vertraging zouden oplopen door nalatigheid van de aannemer de bouwheer een schadevergoeding mocht eisen, welke gelijkwaardig was aan de geleden schade die minstens 500 BEF/kalenderdag bedroeg. Van deze mogelijkheid heeft de bouwheer blijkbaar geen gebruik gemaakt. 3.
  16. Er is in deze zaak derhalve geen bewijs voorhanden dat architect L. tekort is gekomen aan zijn controletaak en/of informatieplicht. Om die reden is de tegenvordering van de heer B. tot betaling van een bedrag van 8.331,88 euro (= gederfde huur en bijkomende kosten) ongegrond. Van zijn tegenvordering tot het bekomen van een voorlopig bedrag van 2.000 euro ter vergoeding van zijn advocatenkosten, heeft de heer B. afstand gedaan ter zitting van 9 februari 2009 (zie zittingsblad). Het bestreden vonnis wordt desbetreffend dan ook bevestigd (binnen de grenzen van huidig incidenteel beroep). 3.
  17. Het feit dat een architect geen tekortkomingen kan verweten worden in de uitoefening van zijn taak neemt niet weg dat de door hem gevorderde erelonen ook correct moeten berekend zijn. Terecht merkt appellante op dat de eerste rechter bij de berekening van haar 4e en 5e ereloonstaat een rekenfout beging, wat in se niet betwist wordt door geïntimeerde. De gevraagde hoofdsom ten beloop van 2.399,76 euro werd dan ook correct berekend. 3.
  18. Architect L. vraagt tevens een schadebeding van 15% en een conventionele rente van 10%. Hij verwijst desbetreffend naar zijn betalingsvoorwaarden zoals vermeld in zijn stuk
  19. Deze betalingsvoorwaarden (het voormelde stuk is een blanco papier dat alleen die voorwaarden vermeld) komen niet voor op de briefwisseling en ook niet op de ereloonnota's (er wordt hiernaar zelfs niet eens verwezen). Bovendien stemmen ze niet overeen met wat in artikel 3.
  20. van de architectuurovereenkomst vermeld staat. In voornoemd artikel wordt vermeld: " Het ereloon brengt verwijlintrest op tegen de wettelijke van kracht zijnde rentevoet vanaf de dertigste dag volgend op de datum van de ereloonstaat, en dit zonder aanmaning. Bij vertraging in het betalen van ereloon en na aanmaning, kan de architect zijn prestaties staken voor zover deze opschorting geen nadelige gevolgen kent op de uitgevoerde bouwwerken. " Derhalve wordt op de gevraagde hoofdsom enkel intresten toegekend aan de wettelijke intrestvoet vanaf de 30e dag volgend op de ereloonstaat zoals uitdrukkelijk overeengekomen werd tussen de partijen. 3.
  21. Er is verder geen reden voorhanden om aan architect L. een voorbehoud te verlenen voor bijkomende erelonen. 3.
  22. Ter zitting van 9 februari 2009 hebben beide partijen om de toepassing gevraagd van het basistarief wat de rechtsplegingsvergoeding betreft. De vordering ingesteld door architect L. situeert zich in de schaal tussen 2.500,01 euro en 5.000 euro zodat het basistarief 650 euro bedraagt. Dit bedrag komt toe aan architect L. ten beloop van 9/10 als overwegend in het gelijk gestelde partij. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. Verklaart het incidenteel beroep (zoals beperkt werd ter zitting) ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis in zoverre hierin de hoofdeis ontvankelijk werd verklaard, de tegeneis (betaling van een bedrag van 8.331,88 euro ) ontvankelijk doch ongegrond werd verklaard en de kosten begroot werden. Hervormend voor het overige, Verklaart de oorspronkelijke hoofdeis gegrond zoals hierna bepaald. Veroordeelt de heer B. om te betalen aan de BVBA Architectenbureau B. L. het bedrag van TWEEDUIZEND DRIEHONDERD NEGENENNEGENTIG EURO ZESENZEVENTIG CENT (2.399,76 euro ) plus de verwijlintresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf de 30e dag volgend op de ereloonstaat tot aan de datum van huidig arrest, waarna vermeerderd met de gerechtelijke intresten aan dezelfde intrestvoet. Wijst de BVBA Architectenbureau B. L. af van het meergevorderde. Veroordeelt de Heer B. tot 9/10den van de kosten in beide aanleggen, deze van eerste aanleg zoals begroot in het vonnis a quo en deze van het hoger beroep, in hun geheel, begroot - in hoofde van appellante op euro 836 (186 rolrecht + 650 rechtsplegingsvergoeding), en - in hoofde van geïntimeerde op euro 650 rechtsplegingsvergoeding. Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 17/03/2009 waar aanwezig waren en zitting hielden : Astrid DE PREESTER, Raadsheer, Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS A. DE PREESTER Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.