← België

ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090323.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 23 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090323.1 Rolnummer: 2006AR3159 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-03-30 Raadplegingen: 105 - laatst gezien 2026-07-02 19:27 Fiche

  1. Artikel 1382 - 1383 B.W. legt een algemene plicht van zorgvuldigheid op. Een toerekenbare inbreuk op de algemene zorgvuldigheidsplicht, welke in het maatschappelijk verkeer door de normaal zorgvuldige en omzichtige persoon, die in dezelfde omstandigheden verkeert, in acht moet genomen worden, zal tot aansprakelijkheid leiden. De voorzienbaarheid van de schade is een noodzakelijk, maar geen voldoende criterium. Bij het onderzoek naar de beweerde inbreuk op de zorgvuldigheidsplicht moet het te beoordelen gedrag gewaardeerd worden, waarbij alle op het spel staande belangen moeten verrekend worden. Ook wanneer de redelijke voorzienbaarheid van de schade van een bepaalde handeling een element is dat het begrip 'onbehoorlijk, onachtzaam handelen' een duidelijk profiel geeft, maakt de voorzienbaarheid van de schade geen voldoende criterium uit dat noodzakelijkerwijze tot aansprakelijkheid leidt . Het te beoordelen gedrag van de schadeverwekker wordt in elk afzonderlijk geval getoetst aan de hand van een welbepaald referentiebeeld. De maatstaf die bij de beoordeling van de schadeverwekkende daad gehanteerd wordt, is de normale 'zorgzame en omzichtige burger', die 'in abstracto' en niet 'in concreto' beoordeeld wordt waarbij enkel met de 'externe' omstandigheden van de schadeverwekker moet rekening gehouden worden. De vuistregel bestaat hierin dat de aangesprokene een daad heeft gesteld, welke een normaal zorgvuldig en omzichtig persoon van dezelfde categorie, geplaatst in dezelfde omstandigheden, niet zou hebben begaan. De aangesprokene dient derhalve niet louter de zorgvuldigheid in acht te nemen die gebruikelijk of overwegend statistisch is maar de betrokkene dient een zorgvuldigheid aan de dag te leggen die van een soortgelijk persoon, geplaatst in dezelfde omstandigheden, kan worden verwacht.
  2. Appellante houdt verder voor in haar conclusie dat het gedrag van geïntimeerde moet vergeleken worden met dat van een normaal voorzichtig en omzichtig persoon van dezelfde categorie geplaatst in dezelfde omstandigheden. Ten onrechte leidt appellante hieruit echter af dat geïntimeerde, gelet op zijn handicap, een bijkomende voorzichtigheid aan de dag diende te leggen.
  3. Een opgerold tapijt - die in het inspectieverslag een klein tapijt wordt genoemd - liggend in de inkomhal van een appartement - die doorgaans niet groot zijn - op een plaats die normaliter gebruikt wordt om door te lopen naar het woongedeelte en waarover blijkbaar over heen moest gestapt worden - anders kon men daarover niet struikelen -, zou voor elke voorzichtige en omzichtige persoon - zelfs zonder handicap - een reden tot vallen kunnen zijn. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Rechtstreekse aansprakelijkheid - Fout - de daad - Zorgvuldigheid Vrije woorden: Aansprakelijkheid van een poetsvrouw. Zorgvundigheidsplicht. Concrete casus van een poetsvrouw die een klein tapijt uit de gang oprolt en waarover de eigenaar bij het binnenkomen in zijn huis struikelt. Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2009/ A.R. nr. 2006/AR/3159 INZAKE VAN : Mevrouw appellante tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 13 september 2006, vertegenwoordigd door Meester John ISENBAERT, advocaat te BRUSSEL, loco Meester Nathalie HERPELINCK, advocaat te 9300 AALST, Majoor Ch. Claeserstraat 8 bus 11, 1ste kamer TEGEN : De heer geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Christiaan ROBIJNS, advocaat te 1730 ASSE, Lindendries 26, Gelet op de procedurestukken: · het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 13 september 2006, beslissing waarvan geen akte van betekening wordt overgelegd; · het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 23 november 2006; · de conclusie van appellante neergelegd ter griffie op 19 april 2007; · de syntheseconclusie van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 10 mei
  4. Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 23 februari 2009 en gelet op de stukken die zij neerlegden. Het hoger beroep werd regelmatig naar vorm en termijn ingesteld en is bijgevolg ontvankelijk. I. Voorwerp van de vorderingen. 1.
  5. De vordering werd ingeleid bij P.V. van vrijwillige verschijning. In een latere conclusie vroeg huidige appellante de heer V. te veroordelen tot betaling van een provisie van 17.804,34 euro plus een provisie van 2.500 euro plus de kosten van het geding. In ondergeschikte orde vroeg zij de aanstelling van een geneesheer - deskundige " met de gebruikelijke opdracht " te " provisioneren" door huidige geïntimeerde. 1.
  6. De eerste rechter heeft de vordering ontvankelijk doch ongegrond verklaard en haar verwezen in de kosten van het geding. 1.
  7. Het hoger beroep van appellante beoogt

(1)in hoofdorde, geïntimeerde te horen veroordelen tot betaling van een provisie van 160.794,44 euro , onder voorbehoud en
(2)in ondergeschikte orde, geïntimeerde te horen veroordelen tot betaling van een provisie van 10.000 euro , onder voorbehoud, en
(3)vooraleer verder uitspraak te doen ten gronde, een geneesheer - deskundige te horen aanstellen met een welbepaalde opdracht. In haar conclusie vraagt appellante eveneens de persoonlijke verschijning van partijen te bevelen indien er discussie zou bestaan over de feitelijke omstandigheden. 1.
  1. Geïntimeerde vraagt het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en bijgevolg het bestreden vonnis te willen bevestigen. II. De Feiten. 2.
  2. De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis. 2.
  3. Samengevat komt het hierop neer dat geïntimeerde een broer is van de ex - echtgenoot van appellante. Tussen partijen heeft steeds een goede verstandhouding geheerst. De heer V. bezocht bijna dagelijks appellante en heeft overigens een sleutel van haar appartement. Geïntimeerde is lichamelijk zwaar gehandicapt. Hij is bijna blind en kan zijn rechterarm praktisch niet gebruiken. Hij heeft ook problemen met zijn benen en heeft suikerziekte. Op 14 mei 2004 was appellante haar appartement aan het poetsen en ze had om die reden een klein tapijt opgerold en neergelegd in de inkomhal. Op dat ogenblik kwam geïntimeerde binnen in het appartement met zijn sleutel, betrad hij de niet-verlichte inkomhal, struikelde over het opgerolde tapijt en viel voorover op appellante. Volgens appellante had ze hem niet horen binnen komen wegens het lawaai op de radio en het rumoer van spelende kinderen. Ingevolge die val liep geïntimeerde een paar lichte kneuzingen op maar appellante werd eerder zwaar gekwetst aan haar rechterarm. Na drie weken gips werd een spierscheur vastgesteld en werd operatief osteosynthesemateriaal in haar arm geplaatst, gevolgd door ettelijke kinesitherapiesessies. Nog steeds volgens appellante kan zij die arm tot op heden niet bewegen als gevolg waarvan zij op 24 februari 2005 ontslagen werd als poetsvrouw. In de lente van 2007 werd zij dan geopereerd aan haar linkerpols wegens een mogelijke overbelasting ingevolge het moeizaam gebruiken van de rechterpols. 2.3.Over het relaas van de feiten kan geen betwisting bestaan zodat niet dient overgegaan te worden tot een persoonlijke verschijning van partijen. III. Beoordeling. 3.
  4. Appellante is de mening toegedaan dat geïntimeerde een fout beging in de zin van artikel 1382 - 1383 B.W. en dat hij bijgevolg moet instaan voor de door haar opgelopen schade ingevolge de valpartij. Appellante verwijt meerbepaald aan geïntimeerde op haar vaste poetsdag (= vrijdag) onvoorzichtig te zijn binnengekomen in haar appartement en geen rekening te hebben gehouden met het opgerold tapijt in de inkomhal waarvan hij moest vermoeden dat het daar kon liggen gezien zij elk vrijdag grondige schoonmaak houdt. Zij werpt verder op dat zij elke vrijdag de mat uit de woonkamer opgerold in de hal legt en dat de aanwezigheid van dat opgerold tapijt voor geïntimeerde voorzienbaar was en derhalve vermijdbaar was. Zij betwist verder dat de hal niet verlicht was gezien zich in die ruimte een groot raam zou bevinden waardoor het in de gang steeds "klaarlichte" dag is. Appellante is tenslotte de mening toegedaan dat de handicap van geïntimeerde niet mag beschouwd worden als een "schulduitsluitingsgrond ". 3.
  5. De eerste rechter oordeelde dat geïntimeerde geen fout had begaan daar hij de sleutel van het appartement van appellante bezat, de gewoonte had om bijna dagelijks op haar appartement te komen, hij binnen is gekomen zoals kan verwacht worden van een normaal voorzichtige persoon en hij er zich niet aan moest verwachten in een niet-verlichte hal - zelfs op de wekelijkse poetsdag - een opgerold tapijt tegen te komen. 3.
  6. Artikel 1382 - 1383 B.W. legt een algemene plicht van zorgvuldigheid op. Een toerekenbare inbreuk op de algemene zorgvuldigheidsplicht, welke in het maatschappelijk verkeer door de normaal zorgvuldige en omzichtige persoon, die in dezelfde omstandigheden verkeert, in acht moet genomen worden, zal tot aansprakelijkheid leiden. De voorzienbaarheid van de schade is een noodzakelijk, maar geen voldoende criterium. Bij het onderzoek naar de beweerde inbreuk op de zorgvuldigheidsplicht moet het te beoordelen gedrag gewaardeerd worden, waarbij alle op het spel staande belangen moeten verrekend worden. Ook wanneer de redelijke voorzienbaarheid van de schade van een bepaalde handeling een element is dat het begrip "onbehoorlijk, onachtzaam handelen" een duidelijk profiel geeft, maakt de voorzienbaarheid van de schade geen voldoende criterium uit dat noodzakelijkerwijze tot aansprakelijkheid leidt . Het te beoordelen gedrag van de schadeverwekker wordt in elk afzonderlijk geval getoetst aan de hand van een welbepaald referentiebeeld. De maatstaf die bij de beoordeling van de schadeverwekkende daad gehanteerd wordt, is de normale "zorgzame en omzichtige burger", die "in abstracto" en niet "in concreto" beoordeeld wordt waarbij enkel met de "externe" omstandigheden van de schadeverwekker moet rekening gehouden worden. De vuistregel bestaat hierin dat de aangesprokene een daad heeft gesteld, welke een normaal zorgvuldig en omzichtig persoon van dezelfde categorie, geplaatst in dezelfde omstandigheden, niet zou hebben begaan. De aangesprokene dient derhalve niet louter de zorgvuldigheid in acht te nemen die gebruikelijk of overwegend statistisch is maar de betrokkene dient een zorgvuldigheid aan de dag te leggen die van een soortgelijk persoon, geplaatst in dezelfde omstandigheden, kan worden verwacht. 3.
  7. Aan geïntimeerde kan geen fout verweten worden. Appellante wist dat geïntimeerde op elk moment van de dag kon binnenkomen in haar appartement met zijn eigen sleutel zodat geïntimeerde er redelijkerwijze mocht van uitgaan dat appellante geen hinderlijke objecten zou achterlaten in de inkomhal. Of het licht in de gang al dan niet aan was op het ogenblik van de val of dat er licht inviel via een raam is in deze zaak weinig relevant gezien hoe dan ook het zicht van geïntimeerde zeer beperkt is. Nergens blijkt uit dat appellante vaste poetsgewoontes had en elke vrijdag haar opgerolde mat in de gang legde op dezelfde plaats. Appellante geeft overigens zelf toe in haar conclusie dat geïntimeerde op haar viel terwijl zij toegelopen kwam. Hieruit kan enkel afgeleid worden dat appellante er zich bewust van was dat het opgerold tapijt voor geïntimeerde een onoverkomelijke hindernis kon zijn. Appellante houdt verder voor in haar conclusie dat het gedrag van geïntimeerde moet vergeleken worden met dat van een normaal voorzichtig en omzichtig persoon van dezelfde categorie geplaatst in dezelfde omstandigheden. Ten onrechte leidt appellante hieruit echter af dat geïntimeerde, gelet op zijn handicap, een bijkomende voorzichtigheid aan de dag diende te leggen. Een opgerold tapijt - die in het inspectieverslag een klein tapijt wordt genoemd - liggend in de inkomhal van een appartement - die doorgaans niet groot zijn - op een plaats die normaliter gebruikt wordt om door te lopen naar het woongedeelte en waarover blijkbaar over heen moest gestapt worden - anders kon men daarover niet struikelen -, zou voor elke voorzichtige en omzichtige persoon - zelfs zonder handicap - een reden tot vallen kunnen zijn. 3.5.Geïntimeerde beroept zich op zijn beurt op artikel 1384, lid 1 B.W. (gebrek in de zaak). Geïntimeerde vraagt zelf geen schadevergoeding vanwege appellante zodat het in deze niet ter zake dienend is of appellante als bewaarder of bewaker van de vloer van de inkomhal aansprakelijk is voor het gebrek van de vloer doordat er zich een opgerold tapijtje bevond. Het komt immers enkel toe aan appellante, als eisende partij, het bewijs te leveren van een fout of van een vermoeden van aansprakelijkheid in hoofde van geïntimeerde die de noodzakelijke oorzaak is van de door haar opgelopen schade. In deze kan enkel vastgesteld worden dat de schade enkel het gevolg is van een eigen onvoorzichtigheid begaan door appellante zelf. 3.
  8. De eerste rechter heeft dan ook terecht beslist dat geen enkele fout verweten kon worden aan geïntimeerde. Het bestreden vonnis wordt dan ook bevestigd. Alle overige door partijen aangevoerde middelen zijn niet ter zake dienend in het licht van wat voorafgaat. 3.
  9. Beide partijen hebben ter zitting van 23 februari 2009 om de toepassing gevraagd van het basistarief wat de rechtsplegingsvergoeding betreft. Appellante vraagt in haar laatste conclusie in hoofdorde een provisie van 160.794,44 euro . Het basisbedrag voor een dergelijke vordering bedraagt 5.000 euro . Dit bedrag komt toe aan geïntimeerde als de in het gelijk gestelde partij. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis. Veroordeelt appellante in de kosten van hoger beroep, begroot - in hoofde van appellante op euro 5.186 (186 rolrecht + 5.000 rechtsplegingsvergoeding), en - in hoofde van geïntimeerde op euro 5.000 rechtsplegingsvergoeding. Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 23/3/2009 waar aanwezig waren en zitting hielden : Astrid DE PREESTER, Raadsheer d.d. Voorzitter, Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer, Marc DEBAERE, Raadsheer, Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS M. DEBAERE E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.