id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 24 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090324.1 Rolnummer: 2005AR1576 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-03-30 Raadplegingen: 105 - laatst gezien 2026-07-02 19:27 Fiche Gelet op al de concrete gegevens van de casus kan niet gesteld worden dat het Federaal Agentschap voor de veiligheid van de voedselketen op een onvoorzichtige en bijgevolg op een foutieve wijze toepassing heeft gemaakt van artikel 11 van het K.B. van 28 november
- Er waren voldoende aanwijzingen dat in dit concrete geval gevreesd kon worden voor een mogelijke besmetting gelet op de ligging van het bedrijf en de plaatselijke situatie.De overheid heeft hierbij gehandeld in het belang van de volksgezondheid in het algemeen en haar kan niet verweten worden zonder enige noodzaak de dieren van het bedrijf van geïntimeerden te hebben afgemaakt. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Rechtstreekse aansprakelijkheid - Fout - de daad - Zorgvuldigheid BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Overheidsaansprakelijkheid BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Overheidsaansprakelijkheid - Uitvoerende macht Vrije woorden: Vogelpest - Volgelgriep - Afmakingsbevel van sommige dieren - Overheidsaansprakelijkheid. Federaal agentschap voor de veiligheid van de voedselsketen. Zorgvuldigheidsplicht. Wettigheid van het afmakingsbevel? Quid de motiveringsplicht, het gelijkheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel? Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2009/ A.R. nr. 2005/AR/1576 INZAKE VAN : Het FEDERAAL AGENTSCHAP VOOR DE VEILIGHEID VAN DE VOEDSELKETEN, openbare instelling, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 1000 BRUSSEL, W.T.C. III, Simon Bolivarlaan 30, vertegenwoordigd door zijn afgevaardigd bestuurder, appellant tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 18 april 2005, vertegenwoordigd door Meester Yoeri VASTERSAVENDTS loco Meester Alfons VASTERSAVENDTS, advocaat te 1730 ASSE, Steenweg 3, 1ste kamer TEGEN : 1) De heer G. J., 2) De heer F. J., 3) De naamloze vennootschap HET VELDHOF, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 3950 BOCHOLT, Veldstraat 9, rk bo 860.783.245, geïntimeerden, vertegenwoordigd door Meester Hugo LAMON, advocaat te 3500 HASSELT, de Schiervellaan 23, Gelet op de procedurestukken: · het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 18 april 2005, beslissing waarvan geen akte van betekening wordt overgelegd; · het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 10 juni 2005; · de conclusie van appellant neergelegd ter griffie op 13 januari 2006 ; · de gecoördineerde conclusie van geïntimeerden neergelegd ter griffie op 20 februari
- Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 16 februari 2009 en gelet op de stukken die zij neerlegden. Het hoger beroep werd regelmatig naar vorm en termijn ingesteld en is bijgevolg ontvankelijk. I. Voorwerp van de vorderingen. 1.
- De oorspronkelijke eis van geïntimeerden strekte ertoe huidige appellant (= voorheen de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Leefmilieu, Consumentenzaken en Duurzame Ontwikkeling waarvoor huidige appellant het geding hervat heeft) te horen veroordelen tot betaling van een provisie van 90.038,50 euro ten titel van economische schade, van een bedrag van 10.000 euro ten titel van morele schade en van de kosten van het geding. Geïntimeerden vroegen tevens voor recht te zeggen dat huidige appellant een buitencontractuele fout had gemaakt door op 5 mei 2003 over te gaan tot de ruiming van ongeveer 3.300 vogels in hun bedrijf zonder dat hierbij voldaan was aan de wettelijke voorwaarden, minstens zonder dat de zorgvuldigheidsnorm in acht werd genomen. 1.
- De eerste rechter heeft
(1)akte gegeven van de gedinghervatting,
(2)de vordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard,
(3)gezegd voor recht dat huidige appellant wegens onrechtmatige daad aansprakelijk was voor de schade als gevolg van de uitvoering van het afmakingsbevel van 5 mei 2003, zijnde de effectieve ruiming van ongeveer 3.300 vogels in het bedrijf van geïntimeerden,
(4)huidige appellant veroordeeld tot betaling aan geïntimeerden sub 1 en 2 van een bedrag van 1 euro ten titel van morele schade schadevergoeding en
(5)vooraleer uitspraak te doen over de omvang van de materiële schade de heer Carl Rombaut, bedrijfsrevisor, aangesteld als deskundige met o.m. als opdracht zijn advies te verlenen over de omvang van alle schade die geleden werd in het bedrijf "Het Veldhof" als gevolg van de uitvoering van het afmakingsbevel van 5 mei 2003 hierbij rekening houdend met de mogelijke impact van deze beslissing op de toekomst van dat bedrijf. 1.
- Het hoger beroep van appellant beoogt de oorspronkelijke vordering ongegrond te horen verklaren. 1.
- Geïntimeerden vragen het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en bijgevolg enerzijds het bestreden vonnis te willen bevestigen en anderzijds de zaak, bij toepassing van artikel 1068, tweede lid Ger.W. opnieuw te willen verzenden naar de eerste rechter. II. De Feiten. 2.
- De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis. 2.
- Samengevat komt het hierop neer dat op 22 april 2003 een besmetting met "aviaire influenza" (= vogelpest) werd vastgesteld in een kippenkwekerij te Bree. Hierop nam appellant een aantal maatregelen zijnde enerzijds het preventief afmaken van alle dieren op dat kippenbedrijf en anderzijds het instellen van een ‘toezichtsgebied' in een straal van 10km rond het besmette bedrijf uit Bree waarin ook "Het Veldhof" gelegen was. In een dergelijk geval moet een dierenarts éénmaal per week controle uitvoeren op alle bedrijven gelegen binnen dat ‘toezichtsgebied' met het oog op het rapporteren van andere gevallen van vogelpest. De dierenzaak "Het Veldhof", gelegen in Bocholt, is gespecialiseerd in het kweken en verhandelen van sier -, water - en waadvogels die niet bestemd zijn voor menselijke consumptie. Voornoemde controles werden dus uitgevoerd in "Het Veldhof" in de periode van 7 april 2003 t.e.m. 5 mei 2003 en allen waren negatief. Er werden wel een vijftal dode vogels aangetroffen (op een totaal van ongeveer 3.300 vogels + zwanen) maar volgens de dierenarts waren dat geen "verdachte" overlijdens en had het overlijden bijgevolg geen uitstaans met de vogelpest. Op 5 mei 2003 heeft de inspecteur - dierenarts van huidige appellant het bevel uitgevaardigd dat alle vogels van "Het Veldhof" (= ongeveer 3.300 vogels) moesten afgemaakt worden om reden dat het pluimvee op het bedrijf van de heer F. J. van besmetting met aviaire influenza verdacht was. In uitvoering van dat bevel werden alle vogels van "Het Veldhof" afgemaakt behalve de zwanen. In uitvoering van het M.B. van 10 maart 1999 werden aan geïntimeerden forfaitaire schadevergoedingen uitgekeerd, zijnde eerst een bedrag van 22.758,46 euro en na herberekening een bijkomend bedrag van 1.963,32 euro . Geïntimeerden wensen echter vergoed te worden voor de totaliteit van de door hen geleden schade en zijn van oordeel dat de forfaitair uitgekeerde bedragen niet volstaan. III. Beoordeling. 3.
- Geïntimeerden steunen hun vordering op artikel 1382 e.v. B.W. Zij zijn de mening toegedaan dat een afmakingsbevel werd uitgevaardigd op 5 mei 2003 zonder dat hiertoe enige noodzaak was, wat een fout zou uitmaken in hoofde van appellant die bij het nemen van een dergelijke beslissing niet de nodige zorgvuldigheid aan de dag zou hebben gelegd. Geïntimeerden verwijten verder aan appellant inbreuken te hebben gepleegd op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald op de motiveringsplicht (= de bestreden beslissing werd niet gemotiveerd), op het redelijkheidsbeginsel (= andere gelijkaardige handelsactiviteiten werden niet getroffen door een dergelijke maatregel) en op het gelijkheidsbeginsel (= de zwanen werden niet afgemaakt en andere bedrijven binnen dezelfde zone werden ongemoeid gelaten). 3.
- Appellant zal hiertegen inroepen dat
(1)een dergelijke maatregel rechtsgeldig kon genomen worden in uitvoering van de artikelen 6 en 11 van het K.B. van 28 november 1994 en artikel 2, 2° van het M.B. van 26 maart 2003,
(2)het betrokken bevel niet eens hoefde gemotiveerd te worden en
(3)het afmakingsbevel in ieder geval niet indruist tegen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. 3.
- Artikel 5 t.e.m. 10 van het K.B. van 28 november 1994 houdende maatregelen van diergeneeskundige politie betreffende de aviaire influenza en de ziekte van Newcastle beschrijft een aantal maatregelen die genomen moeten worden van zodra in een bepaald bedrijf de aanwezigheid van aviaire influenza bevestigd wordt. Eén van die maatregelen is het afmaken van alle pluimvee op het bedrijf zelf waar de ziekte is vastgesteld (= artikel 6.2° van dat K.B.). Artikel 11 van genoemd K.B. bepaalt verder dat de Dienst de in de artikelen 5 tot 10 genoemde maatregelen kan bevelen voor andere bedrijven wanneer i.v.m. de ligging daarvan, de plaatselijke situatie of de contacten met het bedrijf waar de aanwezigheid van de ziekte is bevestigd, mogelijke besmetting moet worden gevreesd. Deze (voorzorgs)maatregelen worden verder uitgewerkt in het M.B. van 26 maart 2003 houdende tijdelijke maatregelen ter bestrijding van aviaire influenza, genomen in uitvoering van het K.B. van 28 november
- Dit M.B. beschrijft meer bepaald welke specifieke voorzorgsmaatregelen moeten genomen worden naargelang er sprake is van het ganse grondgebied, het beschermingsgebied, het toezichtsgebied, de bufferzone en het herbevolkingsgebied. Het bedrijf van geïntimeerden was gelegen in een toezichtsgebied, zijnde een gebied met een straal van minstens 10km rond elke haard van aviaire influenza (= artikel 1.
- van voornoemd M.B.). Artikel 2.
- van voornoemd M.B.(zoals thans van toepassing) bepaalt verder dat op het ganse grondgebied (= opsomming van alle gebieden omschreven in het M.B.) in alle pluimveebedrijven of plaatsen waar zich voor aviaire influenza vatbare dieren bevinden, het FAVV kan bevelen om deze dieren preventief op te ruimen. Hierbij dient opgemerkt te worden dat ten tijde van het uitvaardigen van het afmakingsbevel van 5 mei 2003 een andere versie van toepassing was in die zin dat het huidig artikel 2.
- alsdan opgenomen was in een artikel 2.
- dat luidde als volgt: " Op het ganse grondgebied zijn de volgende maatregelen van toepassing:...
- In alle pluimveebedrijven of plaatsen waar zich voor aviaire influenza vatbare dieren bevinden, kan de gedelegeerd bestuurder van het FAVV, op basis van een gemotiveerd advies van de stafdienst crisispreventie en crisisbeheer, beslissen om deze dieren preventief op te ruimen (M.B. van 26 maart 2003 zoals o.a. gewijzigd door het M.B. van 29 april 2004, gepubliceerd in het B.S. op 30 april 2003). Het is om deze reden overigens dat in het afmakingsbevel verwezen wordt naar een artikel 2 punt 6 van het M.B. van 26 maart 2003, thans het artikel 2 punt 5 van hetzelfde M.B. Overeenkomstig voornoemde bepalingen kon bijgevolg een bevel tot afmaken worden uitgevaardigd voor andere bedrijven waar de ziekte weliswaar niet was vastgesteld maar waar gevreesd werd voor een mogelijke besmetting. In tegenstelling met wat geïntimeerden voorhouden, is het afmakingsbevel van 5 mei 2003 wel degelijk genomen in uitvoering van artikel 11 van het K.B. van 28 november 1994 en van artikel 2.
- (= thans 2.5.) van het M.B. van 26 maart 2003, zoals herhaaldelijk gewijzigd. Het afmakingsbevel van 5 mei 2003 beschikt derhalve over de vereiste wettelijke grondslag. 3.
- Het afmakingsbevel uitgevaardigd op 5 mei 2003 bevat de volgende vermeldingen: - de heer F. J. wordt in kennis gesteld dat (de 3.300 vogels) op zijn bedrijf verdacht zijn van een besmetting met aviaire influenza; - in toepassing van het K.B. van 28 november 1994 en artikel 2 punt 6 van het M.B. van 26 maart 2003: o beveelt de inspecteur - dierenarts het vernietigen van deze dieren, o beveelt de inspecteur - dierenarts aan de verantwoordelijke dat hij/zij deze dieren zonder enige formaliteit aflevert aan zijn afgevaardigde, belast met het weghalen ervan, o eist de inspecteur - dierenarts van de burgemeester dat hij/zij het uitvoeren van de voorgeschreven maatregelen verzekert met alle middelen van recht. Dit afmakingsbevel werd verder voorafgegaan door een advies van de Stafdienst crisispreventie en crisisbeheer van 2 mei 2003 (zie punt 2.
- van huidig arrest m.b.t. de alsdan geldende formulering van artikel 2.
- van het M.B. van 26 maart 2003) dat luidde als volgt: " De preventieve ruiming bij pluimveehandelaars dient te gebeuren volgens dezelfde criteria als bij andere preventieve ruimingen. Dit betekent dat conform de bepalingen van het K.B. van 28 november 1994 houdende maatregelen van diergeneeskundige politie betreffende de aviaire influenza en de ziekte van Newcastle, alle kippen, kalkoenen, parelhoenen, eenden, ganzen, kwartels, loopvogels (rattes), fazanten en patrijzen moeten worden gedood. Enkel duiven, die ook onder de definitie van pluimvee vallen, moeten niet worden gedood, conform aan het advies van het Wetenschappelijk Comité van het Agentschap. Gelieve bij deze opruimingen duidelijke identificatiegegevens (soort, leeftijd, geslacht) voor elk individueel dier of groep dieren bij te houden. Deze gegevens moeten nadien aan de FOD toelaten om een billijke vergoeding voor de opgeruimde dieren te berekenen. " Het afmakingsbevel werd derhalve genomen conform de vereisten gesteld in het toenmalige artikel 2.
- van het M.B. van 26 maart
- Dat bevel voldoet tevens aan de vormvoorschriften opgelegd door artikel 14 van het K.B. van 28 november 1994 dat voorziet dat het afmakingsbevel moet opgesteld worden volgens een model gevoegd in bijlage IV van dat besluit. Het bestreden afmakingsbevel van 5 mei 2003 voldoet bijgevolg ook vormelijk aan de wettelijke bepalingen die van toepassing waren op het ogenblik van het uitvaardigen ervan. 3.
- Geïntimeerden verwijten verder aan appellant onzorgvuldig te zijn omgesprongen met de toepassing van artikel 11 van het K.B. van 28 november 1994 (zie punt 3.
- van huidig arrest) omdat noch de ligging van hun bedrijf, noch de plaatselijke situatie noch contacten met het besmette bedrijf voor mogelijke besmetting kon doen vrezen. Zij leiden hieruit af dat hun dieren zonder enige noodzaak werden afgemaakt. Hierbij moet toch worden opgemerkt dat de vogelpest - die beter de vogelgriep zou genoemd worden - zeer besmettelijk is, een mogelijk gevaar kan meebrengen voor de volksgezondheid (het vogelgriepvirus is verwant met het mensengriepvirus) en deze ziekte zich zelfs kan verspreiden via de lucht. Het bedrijf van geïntimeerden was gelegen binnen een straal van 10km van het besmette bedrijf (= toezichtsgebied) en niet betwist wordt dat een deel van de vogels (in totaal een 2.500 van de 3.300) in open lucht werden gehouden (= de watervogels lopen vrij rond). Eén van de maatregelen die juist wordt opgelegd door artikel 7 van het M.B. van 26 maart 2003 (= specifieke voorzorgsmaatregelen te nemen in een toezichtsgebied) is dat alle pluimvee moet worden binnen gehouden in de bedrijfsgebouwen (= artikel 7.§1., 8°). Deze voorzorgsmaatregel wordt specifiek opgelegd om de verspreiding van de ziekte door overtrekkende trekvogels te voorkomen, maatregel waaraan geïntimeerden wegens de aard van hun bedrijf niet konden voldoen. De door geïntimeerden verhandelde dieren zijn bovendien niet alleen bestemd voor particulieren of voor het slachthuis maar worden tevens aangekocht/uitgewisseld door dierentuinen, pretparken, kinderboerderijen en dies meer. Geïntimeerden stellen zelf in hun conclusie dat de dieren niet bestemd zijn voor menselijke consumptie, dat zoo - en parkdieren worden verhandeld, waarbij dan voornamelijk opgetreden wordt als tussenpersoon tussen dierentuinen en dat ingevolge de bijzondere knowhow waarover het " Het Veldhof " beschikt, zij een internationale reputatie geniet en zij een wereldwijd klantenbestand heeft, in het bijzonder voor de zoo - en parkdieren. Een dergelijk bedrijf houdt bijgevolg op zich meer risico's in voor de Volksgezondheid dan een legbatterij of een vetmesterij waarvan de dieren volledig afgesloten kunnen worden van de buitenwereld en die niet op een dergelijke (= wereldwijde) schaal verhandeld worden gezien zij uiteindelijk bestemd zijn voor het slachthuis. Hierbij dient nog verder opgemerkt te worden dat artikel 25.§3 van het K.B. van 28 november 1994 (= bijkomende maatregelen die opgelegd worden in het toezichtsgebied) bepaalt dat de aangenomen dierenarts bij zijn bezoek (= éénmaal per week met een tussentijd van minstens 4 dagen) een klinisch onderzoek moet uitvoeren alsmede een telling van al het pluimvee op het bedrijf en voor zover nodig monsters moeten genomen worden voor laboratoriumonderzoek. Dr. Martens, die blijkbaar de behandelde dierenarts is van geïntimeerden, stelde bij elk van zijn bezoeken - gevoerd tussen 7 april 2003 en 1 mei 2003 - weliswaar vast dat telkens tussen de 1 en 4 dieren gestorven waren en dat het overlijden niet te wijten was aan een besmetting door het vogelgriepvirus doch hieruit blijkt verder niet welke klinische onderzoeken werden uitgevoerd en of het nemen van monsters voor het uitvoeren van laboratoriumonderzoek niet aangewezen was gelet op de concrete omstandigheden waarin het bedrijf van geïntimeerden zich bevond. Eén en ander doet vanzelfsprekend niets af aan de professionaliteit van de behandelende dierenarts. Gelet op al deze concrete gegevens kan niet gesteld worden dat appellant op een onvoorzichtige en bijgevolg op een foutieve wijze toepassing heeft gemaakt van artikel 11 van het K.B. van 28 november
- Er waren voldoende aanwijzingen dat in dit concrete geval gevreesd kon worden voor een mogelijke besmetting gelet op de ligging van het bedrijf en de plaatselijke situatie. De overheid heeft hierbij gehandeld in het belang van de volksgezondheid in het algemeen en haar kan niet verweten worden zonder enige noodzaak de dieren van het bedrijf van geïntimeerden te hebben afgemaakt. 3.
- Geïntimeerden verwijten appellant de motiveringsplicht niet te hebben nageleefd. Zij werpen desbetreffend op dat de bestreden beslissing van 5 mei 2003 geen enkele motivering bevat terwijl elke individuele overheidsbeslissing met rechtsgevolgen op grond van de wet van 29 juli 1991 formeel gemotiveerd dient te zijn, minstens materieel gemotiveerd. De bestuurlijke motiveringsverplichting voorgeschreven door de wet van 29 juli 1981 is een vormvereiste. De wet legt enkel expliciet een kwaliteitsnorm op, met name de motivering moet afdoende zijn (artikel 3, lid 2 van 29 juli 1991). Dit houdt in dat de rechtzoekende door de genomen beslissing moet weten op welke gronden een jegens hem bindende rechtsbeslissing is genomen zodat hij zich hiertegen kan verdedigen. Het afmakingsbevel van 5 mei 1994 geeft aan welke specifieke dieren moesten worden afgemaakt in het kader van de vogelpestwetgeving en duidt aan, met te verwijzen naar het K.B. van 28 november 1994 en artikel 2, punt 6 van het M.B. van 26 maart 2003, dat die dieren preventief worden afgemaakt omwille van het feit dat de ligging van het desbetreffende bedrijf, de plaatselijke situatie van dat bedrijf of contacten met een besmet bedrijf, doet vrezen voor een mogelijke besmetting. Het feit dat geïntimeerden zich tegen een dergelijk geformuleerde beslissing hebben kunnen verdedigen, blijkt afdoend uit de door hen neergelegde conclusies waarin zij uitvoerig aantonen - naast het argument dat de in de beslissing aangehaalde regelgeving niet zou toelaten over te gaan tot het afmaken van hun dieren - dat noch de ligging, noch de plaatselijke situatie noch contacten met het besmet bedrijf konden doen vrezen voor een mogelijke besmetting van hun eigen bedrijf. De doelstellingen van de wet van 29 juli 1991 zijn in deze dan ook bereikt en zodoende heeft appellant geen inbreuk gepleegd op de motiveringsplicht. In het licht hiervan moet zelfs niet meer onderzocht worden of een afmakingsbevel, dat een maatregel van diergeneeskundige politie uitmaakt, niet eens hoefde gemotiveerd te worden hetgeen appellant voorhoudt. Volledigheidshalve wordt hierbij opgemerkt dat voorliggend door appellant ingeroepen argument geenszins als een "gerechtelijke bekentenis" kan aangezien worden in hoofde van het FAVV. Appellant was enkel van oordeel dat dit middel niet verder diende onderzocht te worden wat totaal iets anders is dan "erkennen" dat het betwiste afmakingsbevel niet gemotiveerd zou zijn. 3.
- Geïntimeerden beroepen zich verder op een schending van het gelijkheidsbeginsel. Zij werpen op dat appellant niet overging tot het afmaken van alle dieren binnen hetzelfde toezichtsgebied en suggereren dat appellant volkomen willekeurig tot het afmaken van de dieren van welbepaalde bedrijven - waaronder dat van hen - besliste. Het komt aan geïntimeerden toe van het bewijs te leveren dat gelijksoortige bedrijven als het hunne ongemoeid werden gelaten niettegenstaande ze zich allen in een identieke situatie bevonden. Geïntimeerden beperken er zich toe desbetreffend twee schriftelijke verklaringen voor te leggen van handelaars waarvan hun bedrijven ook zou gelegen zijn in hetzelfde soort afgebakend gebied en waarvan de dieren niet werden afgemaakt. Er rekening mee houdende dat dergelijke verklaringen met de meeste omzichtigheid dienen benaderd te worden, valt onmiddellijk op dat in de ene verklaring sprake is van een handel in pluimvee, honden en katten en in de andere verklaring van een dierhandel in pluimvee dat tevens handel voert in voeders en materialen. Het gaat dus telkens duidelijk om een bedrijfsactiviteit die totaal verschilt van deze van geïntimeerden die op internationaal niveau pluimvee verhandelen - 3.300 vogels in totaal - waarvan een groot deel in de vrije natuur leeft op een domein van verschillende ha groot en ingezet worden in dierentuinen, parken, kinderboerderijen en dies meer. Geïntimeerden tonen zodoende niet aan dat de overheid op enigerlei wijze het gelijkheidsbeginsel zou geschonden hebben. 3.
- Geïntimeerden verwijten appellant tenslotte het redelijkheidsbeginsel te hebben geschonden. Zij voeren in dat verband aan dat in het licht van de concrete omstandigheden geen enkele overheid een beslissing tot het afmaken van de dieren van hun bedrijf zou genomen hebben en dat zelfs in hun bedrijf slechts een deel van het pluimvee werd afgemaakt - zij bedoelen hiermee dat hun zwanen niet dienden afgemaakt te worden - zodat er ernstige vragen kunnen gesteld worden naar de finaliteit van de (genomen) maatregel. Er werd reeds gesteld in huidig arrest dat vogelpest zeer besmettelijk is en een bedreiging kan uitmaken voor de Volksgezondheid. Ook op economisch vlak kan de vogelgriep zware gevolgen met zich meebrengen gezien bij het uitbreken van een epidemie de EG maatregelen kan nemen waarbij de landsgrenzen gesloten worden en de in - en uitvoer van allerhande producten, die de besmetting zouden kunnen doen uitbreiden, verboden kan worden. In een dergelijke context kan de overheid dan ook niet verweten worden met de grootst mogelijke voorzichtigheid te werk te zijn gegaan teneinde elk risico op welk danige uitbreiding van die zeer besmettelijke ziekte te vermijden. Appellant heeft bijgevolg gehandeld in het algemeen belang en elke overheid, geplaatst in dezelfde omstandigheden, zou op dezelfde wijze gehandeld hebben. Het pluimvee tenslotte dat in aanmerking komt om afgemaakt te worden betreffen die dieren die gevoelig zijn voor de vogelgriepvirus en derhalve verantwoordelijk zijn voor de (mogelijke) uitbreiding van dat virus wat niet het geval is met de zwanen. Het feit dat hun zwanen niet moesten afgemaakt worden, wordt overigens door geïntimeerden ook ingeroepen als een schending van het gelijkheidsbeginsel. De overheid heeft bijgevolg in alle redelijkheid en rekening houdende met de doelstellingen van de regulering inzake de vogelpest beslist om de zwanen ongemoeid te laten, omdat het afmaken van dergelijke dieren geen enkele noodzaak inhield. Noch het redelijkheidsbeginsel noch het gelijkheidsbeginsel werd hierbij geschonden. 3.
- Het bestreden vonnis wordt dan ook hervormd. De vordering van geïntimeerden wordt ontvankelijk doch ongegrond verklaard. Alle overige door partijen aangevoerde middelen zijn niet ter zake dienend in het licht van wat voorafgaat. 3.
- Partijen hebben ter zitting van 16 februari 2009 beiden om de toepassing van het basistarief gevraagd wat de rechtsplegingsvergoeding betreft dewelke zij raamden op 3.000 euro . In hun laatste conclusie vragen geïntimeerden de bevestiging van het bestreden vonnis. In dat vonnis werd appellant veroordeeld om aan geïntimeerden sub 1 en 2 een schadevergoeding te betalen van 1 euro - zonder meer - en werd alvorens verder recht te doen een deskundige aangesteld. De rechtsplegingsvergoeding bedraagt bijgevolg 150 euro - schaal tot 250 euro - en dit bedrag komt toe aan appellant als de in het gelijk gestelde partij. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Hervormt het bestreden vonnis, behoudens in zoverre hierin de vordering ontvankelijk werd verklaard en de kosten begroot werden, en hervormend voor het overige, Verklaart de vordering ongegrond. Veroordeelt geïntimeerden in de kosten van beide aanleggen, in hoger beroep begroot : - in hoofde van appellant op euro 336 ( 186 rolrecht + 150 rechtsplegingsvergoeding), en - in hoofde van geïntimeerden op euro 150 rechtsplegingsvergoeding. Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 24/3/2009 waar aanwezig waren en zitting hielden : Astrid DE PREESTER, Raadsheer d.d. Voorzitter, Evrard J.S DE BISTHOVEN, Raadsheer, Marc DEBAERE, Raadsheer, Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS M. DEBAERE E. J.S DE BISTHOVEN A. DE PREESTER Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div