id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 30 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090330.1 Rolnummer: 2006AR3183 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2009-03-31 Raadplegingen: 250 - laatst gezien 2026-07-03 03:37 Fiche UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BALIE - Rechten en plichten advocaten - Ereloon GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Materiële bevoegdheid - Rechtbank van eerste aanleg GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Inleiding van de zaak - Dagvaardingsexploot GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Excepties (Gerechtelijk Wetboek) - Nietigheid - Algemeen GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Excepties (Gerechtelijk Wetboek) - Nietigheid - Belangenschade Vrije woorden: Advocaat Ereloon. Opvordering door een advocaat van diens ereloon. Bevoegde rechtbank nratione materiae. Dagvaarding uitgaande van een advocaat met vermelding van diens kantooradres, en niet van zijn woonplaats: nietigheid? Dagvaarding uitgaande van een advocaat die nochtans in een advocatenassociatie zijn beroep uitoefent: ontvankelijk? Rechterlijke bepaling van het bedrag van het ereloon: toepassing van de criteria vervat in artikel 446ter Ger. W. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 446ter Gerechtelijk Wetboek - 702, 1° Gerechtelijk Wetboek - 861 Gerechtelijk Wetboek - 1050 en 1055 Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2009/ A.R. nr. 2006/AR/3183 APPELLABILITEIT-VERZUIM AANDUIDING WOONPLAATS EISER IN DAGVAARDING - BELANG EN HOEDANIGHEID - ERELOON ADVOCAAT INZAKE VAN : De heer K. D., handeldrijvende onder de benaming "KDP", appellant tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van koophandel te Leuven op 12 september 2006, vertegenwoordigd door Meester Jeroen VAN DER SCHUEREN loco Meester E. BOYDENS, advocaat te 1560 HOEILAART, K. Coppensstraat 13, 1ste kamer TEGEN : De heer J. D., advocaat geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Ilse VAN CALSTER loco Meester Steven VERBEKE, advocaat te 3300 TIENEN, O.L.V.-Broederstraat 3, I. DE PROCEDURE In deze zaak oordeelt het hof over het hoger beroep dat ingesteld is tegen een vonnis, gewezen na tegenspraak door de Rechtbank van Koophandel te Leuven, op 12 september 2006 (A.R. 310/2006). Overeenkomstig artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken wordt voor de rechtspleging de Nederlandse taal gebruikt. De zaak wordt behandeld en berecht na tegenspraak. De partijen verklaren ter zitting van 12 januari 2009 dat het bestreden vonnis niet werd betekend. Er ligt ook geen akte van betekening voor. Het hoger beroep werd ingesteld op 27 november
- II. DE FEITEN De heer J. D. beweert als advocaat verschillende prestaties te hebben verricht in opdracht van de heer K. D. en heeft hiervoor verschillende staten van ereloon en kosten opgesteld. De heer D. weigert deze ereloonstaten te betalen. De partijen kwamen niet tot een oplossing voor hun geschil. III. DE VORDERINGEN EN DE BESTREDEN BESLISSING - Eerste aanleg Op 26 januari 2006 stelde de heer J. D., advocaat, een inleidende vordering in tegen de heer D. K. ertoe strekkende deze te horen veroordelen tot betaling van een hoofdsom van 3.006,50 euro (zoals herleid in besluiten) te vermeerderen met verwijlintresten vanaf de dag van ingebrekestelling op 15 maart 2005, alsmede tot een gemeenrechtelijke schadevergoeding ex aequo et bono begroot op 347,33 euro plus gerechtelijke intresten. De heer K. D. besloot tot de onbevoegdheid van de Rechtbank van Koophandel te Leuven en verzocht de zaak te verwijzen naar de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel. In ondergeschikte orde het exploot van dagvaarding nietig te horen verklaren, de vordering van de heer D. onontvankelijk of onbestaande te verklaren, minstens ontoelaatbaar en ongegrond. De heer K. D. stelde een tegeneis in ertoe strekkende de heer J. D. te horen veroordelen tot betaling van 2.500 euro wegens tergend en roekeloos geding. De eerste rechter heeft de vordering van de heer D. ontvankelijk verklaard, de rechtbanken te Leuven territoriaal bevoegd verklaard, maar de rechtbank van koophandel materieel niet bevoegd verklaard om kennis te nemen van het geschil en vervolgens de zaak verzonden naar de Rechtbank van Eerste Aanleg te Leuven. b. Hoger beroep De heer K. D. stelt hoger beroep in inzoverre de eerste rechter alvorens de zaak te verzenden naar de Rechtbank van Eerste Aanleg te Leuven, de vordering van de heer J. D. reeds ontvankelijk heeft verklaard en dit zonder te antwoorden op de middelen die hij dienaangaande naar voor had gebracht. De heer K. D. herneemt in hoger beroep zijn oorspronkelijk verweer en oorspronkelijke tegeneis. De heer J. D. besluit in hoofdorde tot de ontoelaatbaarheid, minstens ongegrondheid van het hoger beroep en vordert bij incidentele vordering de veroordeling van de heer D. tot 2.500 euro uit hoofde van schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep. Hij verzoekt de zaak terug te verzenden naar de Rechtbank van Eerste Aanleg te Leuven. In ondergeschikte orde herneemt de heer J. D. zijn oorspronkelijke vordering en oorspronkelijk verweer. Beide partijen verzoeken de rechtsplegingsvergoeding te bepalen op het basisbedrag van 650 euro en dit zowel voor de procedure in eerste aanleg, als in hoger beroep. IV. DE GRONDEN VAN DE BESLISSING EN HET ANTWOORD OP DE MIDDELEN VAN DE PARTIJEN
- Toelaatbaarheid van het hoger beroep. 1.
- De heer J. D. stelt dat het hoger beroep ontoelaatbaarheid is omdat het werd ingesteld tegen een vonnis inzake bevoegdheid en conform artikel 1050 Ger.W. slechts hoger beroep kan worden ingesteld tegen een dergelijke beslissing indien dit samen gebeurd met het hoger beroep tegen het eindvonnis. De heer K. D. stelde hoger beroep in omdat de eerste rechter alvorens zich uit te spreken over de bevoegdheid en de zaak te verzenden naar de bevoegde rechter, reeds uitspraak deed over de ontvankelijkheid van de vordering en hierbij niet heeft geantwoord op de middelen door hem opgeworpen. 1.
- Overeenkomstig artikel 1050 en 1055 Ger.W. kan in alle zaken hoger beroep ingesteld worden zodra het vonnis is uitgesproken, zelfs al is dit een beslissing alvorens recht te doen of een verstekvonnis. Tegen een beslissing inzake bevoegdheid kan slechts hoger beroep ingesteld worden samen met het hoger beroep tegen het eindvonnis. Hoger beroep tegen een vonnis waarbij de rechter zich bevoegd of onbevoegd verklaart, is slechts mogelijk nadat de rechter die zich bevoegd heeft verklaard of de als bevoegd aangewezen rechter een eindvonnis heeft gewezen over de ontvankelijkheid en/of de gegrondheid van de vordering. (cass. 6 maart 2006, AR S050113N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060306.6; cass. 24 juni 2005, AR S040150N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050624.7) Overeenkomstig artikel 19 eerste lid Ger.W. is het vonnis een eindvonnis in zoverre daarmee de rechtsmacht over een geschilpunt is uitgeput. Dit geschilpunt kan betrekking hebben zowel op de grond van de zaak als op een exceptie. De rechter die de vordering ontvankelijk verklaart, maar zich vervolgens onbevoegd verklaart en de zaak verwijst naar een andere rechter beperkt zich niet tot een beslissing over zijn bevoegdheid. Zulks een beslissing is onmiddellijk vatbaar voor hoger beroep.(cfr. Cass. 24 juni 2005, S040150N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050624.7) In casu verklaarde de eerste rechter zich niet enkel onbevoegd om kennis te nemen van de zaak, maar verklaarde hij tevens reeds de vordering van de heer J. D. ontvankelijk. Dit vonnis is een eindvonnis over de ontvankelijkheid van de vordering en is dus appellabel. Het hoger beroep is toelaatbaar.
- Betreffende de bevoegdheid van de oorspronkelijke rechter Partijen voeren geen argumentatie nopens de beslissing van de eerste rechter om de zaak te verzenden naar de Rechtbank van eerste Aanleg te Leuven, zodat hieromtrent geen discussie bestaat. De eerste rechter verklaarde zich terecht materieel onbevoegd om kennis te nemen van het geschil en verwees de zaak terecht naar de Rechtbank van Eerste Aanleg te Leuven.
- Betreffende de devolutieve werking van het hoger beroep De heer J. D. vordert ten onrechte de verwijzing van de zaak naar de Rechtbank van Eerste Aanleg te Leuven. Indien zoals in casu de appelrechter van oordeel is dat de geadieerde rechter de zaak terecht verwees naar de bevoegde rechter in eerste aanleg, dan wordt het geschil zelf ingevolge de devolutieve kracht van het hoger beroep bij die appelrechter aanhangig gemaakt. Het Hof van Beroep te Brussel is tevens de appelrechter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Leuven, zodat er geen aanleiding is tot verwijzing.
- Betreffende de heer K. D. opgeworpen exceptie van nietigheid van de dagvaarding Er bestaat geen betwisting tussen partijen dat deze exceptie voor enig ander middel werd opgeworpen door de heer K. BEYS in zijn besluiten van 28 april
- De heer K. D. stelt dat het gedinginleidend exploot artikel 702 Ger.W. schendt omdat de heer J. D. niet zijn woonplaats vermelde in het dagvaardingsexploot, maar zijn kantooradres. De heer K. D. beweert dat zijn procesrechten hierdoor worden geschaad, nu hij geen enkel waarborg zou hebben bij de tenuitvoerlegging van het bekomen vonnis. De heer J. D. stelt dat hij gerechtigd is zijn kantooradres te vermelden voor een aangelegenheid dat zijn hoedanigheid als advocaat aanbelangt. Het artikel 702, 1° van het Gerechtelijk Wetboek voorziet dat het exploot van betekening op straffe van nietigheid de woonplaats dient te vermelden van de eiser. Het gaat hier niet om een absolute nietigheid in toepassing van artikel 862 van het Gerechtelijk Wetboek. De niet-vermelding van de woonplaats van de eiser in het dagvaardingsexploot valt onder toepassing van artikel 861 van het Gerechtelijk Wetboek dat bepaalt dat de rechter de proceshandeling dan alleen nietig kan verklaren indien het aangeklaagde verzuim of de aangeklaagde onregelmatigheid de belangen schaadt van de partij die de exceptie opwerpt. De enkele omstandigheid dat eiser zijn kantooradres vermeldde in het gedinginleidende dagvaardingsexploot en niet zijn woonplaats is niet van aard de belangen te schaden van de heer K. D. in huidig proces. Er kan inderdaad bij de heer K. D. geen verwarring, noch vergissing ontstaan nopens de werkelijke identiteit van de eisende partij. Het aanvoeren van eventuele problemen bij de latere uitvoering van het vonnis of arrest is thans voorbarig en geenszins aangetoond. Het exploot van dagvaarding is niet nietig.
- Betreffende de het belang en de hoedanigheid van de heer J. D. om de vordering in te stellen. De heer K. D. stelt dat de vordering niet ontvankelijk is wegens gebrek aan belang en hoedanigheid van de heer J. D., gezien de geleverde prestaties waarvoor betaling wordt gevorderd werden uitgevoerd door de advocatenassociatie D. en niet door de heer J. D. in persoon. De heer J. D. zet uiteen dat de advocatenassociatie D. een louter burgerlijke associatie (vennootschap) is zonder rechtspersoonlijkheid, hetgeen niet wordt tegengesproken door de heer K. D.. De advocatenassociatie zonder rechtspersoonlijkheid kan alsdusdanig niet optreden in rechte. In een burgerlijke vennootschap hebben elk van de vennoten in gelijke mate de bevoegdheid om afzonderlijke rechtshandelingen in te stellen namens zichzelf, maar ook namens de advocatenassociatie voor zover de andere vennoten volmacht hebben gegeven of indien de zaak tot voordeel van de vennootschap (lees: advocatenassociatie) strekt. Het invorderen van erelonen strekt duidelijk tot voordeel van de advocatenassociatie. De heer J. D. die in casu tevens duidelijk is opgetreden als advocaat, heeft dan ook het vereiste belang en de vereiste hoedanigheid om de vordering in te stellen. De vordering van de heer J. D. is ontvankelijk.
- Betreffende de grond van de zaak 6.
- De heer K. D. beweert dat de heer J. D. enerzijds erelonen en kosten vordert voor prestaties die niet werden verricht op zijn verzoek en anderzijds de gevorderde erelonen en kosten niet met de nodige gematigdheid overeenkomstig artikel 459 Ger. Wb werden opgemaakt. Bovendien zou geen rekening zijn gehouden met reeds betaalde provisies. 6.
- Er bestaat in casu tussen partijen geen definitieve afspraak over de wijze waarop het ereloon dient berekend te worden. 6.
- Het is echter niet betwistbaar dat de heer J. D. werd geconsulteerd door de heer K. D. in het kader van een aantal problemen die deze laatste ondervond bij het (niet) bekomen van overheidsopdrachten en andere dossiers. In de bijgebrachte briefwisseling welke de heer K. D. aan de heer J. D. richt, wordt duidelijk om advies verzocht, alsmede om de opvolging waar te nemen van een vorig raadsman. De heer K. D. kan aldus niet voorhouden geen opdracht te hebben gegeven aan de heer J. D. om zijn belangen in bepaalde dossiers te behartigen. 6.
- Het is evenmin voor betwisting vatbaar dat de heer J. D. de heer K. D. wel degelijk heeft bijgestaan en bepaalde rechtshandelingen heeft gesteld (vb. dagvaardingen in de zaak D. K. tegen MK Plast Gmbh & co KG). De omvang van het ereloon moet dus bepaald worden in functie van wat effectief gepresteerd werd door de heer J. D.. 6.
- De heer J. D. zet uiteen dat hij 7 aparte dossiers heeft geopend, gelet op de procedure tegen 7 verschillende tegenpartijen. 6.
- Dossier KDP/MK PLAST - De heer K. D. stelt terecht dat alhoewel de staat van erelonen en kosten van 11 maart 2005 melding maakt van een saldo van 1.357,50 euro (rekeninghoudend met betaalde gerechtsdeurwaarderskosten van 466,84 euro), er in de afrekening van 15 maart 2005 ten onrechte sprake is van 1.824,34 euro. De heer J. D. paste zijn vordering echter dienaangaande aan. 6.
- Dossiers KDP/RSZ en KDP/O COOL - De heer K. D. toont aan dat hij in het dossier tegen de RSZ een provisie betaalde van 50 euro en in het dossier tegen O COOL een provisie van 100 euro. Bij nazicht van de ereloonnota's in deze beide dossiers, alsmede het rekeninguittreksel van 15 maart 2005 blijkt dat de heer J. D. hiermee duidelijk rekening heeft gehouden. - In het dossier RSZ (157,50 euro) wordt door de heer J. D. één brief meegedeeld aan de RSZ waarin om een RSZ attest voor een openbare aanbesteding wordt verzocht. Deze brief vereiste geen specifieke juridische kennis of opzoeking. Alhoewel de ereloonstaat melding maakt van bespreking en studie dossier, tussenkomst RSZ, 5 brieven, worden door de heer J. D. geen andere stukken meegedeeld. In dit dossier werd reeds een provisie betaald van 50 euro, hetgeen ruimschoots voldoende wordt geacht voor de door de heer J. D. geleverde prestatie, bestaande in het versturen van een brief aan de RSZ. - In het dossier O COOL (154,50 euro) betrof het een aangetekende protestbrief aan O COOL, waarbij tevens een vergadering werd voorgesteld. Alhoewel de ereloonnota melding maakt van bespreking en studie dossier, verlenen van advies, opstellen aangetekende ingebrekestelling, 4 brieven, worden door de heer J. D. geen andere stukken bijgebracht. Het gevorderde ereloon is in casu echter niet overdreven, gezien er uiteraard voorafgaandelijk aan het versturen van een ingebrekestelling steeds een juridisch advies en een studie van het dossier moet worden gepleegd. Op het gevorderde ereloon werd reeds een provisie betaald van 100 euro, zodat nog 54,50 euro verschuldigd is. 6.
- Dossier KDP/KELMIS (670 euro)- In dit dossier ontving de heer K. D. op 14 januari 2005 een omvangrijke brief van de heer J. D. met informatie omtrent de werking van de wetgeving inzake overheidsopdrachten. In dit dossier worden geen andere stukken bijgebracht door de heer J. D., zodat er van uitgegaan mag worden dat dit advies het voorwerp uitmaakt van de ereloonstaat ten bedrage van 670 euro. De heer K. D. stelt nooit om zo'n omvangrijk advies verzocht te hebben en de heer J. D. bewijst dit ook niet. Bovendien moet met de heer K. D. vastgesteld worden dat dit advies niet in een concreet antwoord voorziet omtrent de door hem aan de heer J. D. op dat ogenblik toevertrouwde dossiers omtrent overheidsaanbestedingen. Meer nog, dit advies blijkt een letterlijke weergave te zijn van informatie die door de administratie Binnenlandse Aangelegenheden ter beschikking wordt gesteld aan het publiek op haar website. Het volstond derhalve de heer K. D. te verwijzen naar de website om deze informatie te raadplegen. Volgens de heer J. D. zou dit advies gedurende drie uur zijn toegelicht, maar van zulke vergadering is geen spoor terug te vinden in de door partijen meegedeelde stukken, noch in de door de heer J. D. opgemaakte staat van erelonen en kosten. Het gevorderde ereloon kan moeilijk gematigd worden genoemd. 6.
- Betreffende de overige dossiers worden door de heer J. D. evenmin stukken voorgebracht van door hem uitgevoerde prestaties. In de diverse ereloonstaten is wel sprake van ingebrekestellingen en advies. 6.
- Om de billijke gematigdheid van het ereloon van de advocaat te beoordelen overeenkomstig artikel 446ter Ger.W., slaat de rechter acht op de belangrijkheid van de zaak en de aard van de geleverde prestaties, maar ook op zijn persoonlijke autoriteit, de financiële draagkracht van de cliënt en de uitslag. In de gegeven omstandigheden kan enkel worden besloten dat het door de heer J. D. in de diverse dossiers gevorderde erelonen en kosten niet zijn opgemaakt overeenkomstig artikel 446ter Ger.W. Er bestaan zeer weinig stukken omtrent de effectief geleverde prestaties, zodat er aanleiding bestaat om het ereloon, rekening houdend onder meer met de prestaties verricht in het dossier KDP/MK PLAST, de verstuurde ingebrekestellingen en de beperkte studie in de overige dossiers ex aequo et bono en in alle redelijkheid te begroten op een totaal nog verschuldigd bedrag van 1.750 euro. 6.
- Overeenkomstig artikel 1153 B.W. bestaat, inzake verbintenissen die alleen betrekking hebben op het betalen van een bepaalde geldsom, de schadevergoeding wegens vertraging in de uitvoering nooit in iets anders dan in de wettelijke intrest. De heer J. D. bewijst niet dat partijen zijn overeengekomen om hiervan af te wijken. De vordering tot het bekomen van een schadevergoeding ten bedrage van 347,33 euro moet worden afgewezen.
- Betreffende de oorspronkelijke tegenvordering van de heer K. D. ertoe strekkende schadevergoeding te bekomen wegens tergend en roekeloos geding en de incidentele vordering in hoger beroep van de heer J. D. ertoe strekkende schadevergoeding te bekomen wegens tergend en roekeloos hoger beroep. 7.
- Gezien uit bovenstaande uiteenzetting is gebleken dat er nog erelonen en kosten verschuldigd zijn door de heer K. D. aan de heer J. D., was de oorspronkelijke vordering niet tergend, noch roekeloos. 7.
- De heer J. D. bewijst geenszins dat het hoger beroep werd ingesteld met kwaadwillig opzet of uit boosaardigheid of met het oogmerk om te schaden. Evenmin toont de heer J. D. aan dat de heer K. D. zijn recht om in hoger beroep te gaan heeft uitgeoefend op een wijze die de perken van de normale uitoefening van dat recht door een voorzichtige en zorgvuldige persoon kennelijk te buiten gaat. Integendeel was het bestreden vonnis die de vordering zonder motivering ontvankelijk verklaarde wel degelijk onmiddellijk aanvechtbaar in hoger beroep.
- Betreffende de gerechtskosten Sedert 1 januari 2008 is de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat en het K.B. van 26 oktober 2007 dat de nieuwe tarieven van de rechtsplegingsvergoeding bepaalt, van toepassing. Gelet op de mate waarin partijen in het gelijk en in het ongelijk gesteld worden, worden de kosten omgeslagen zoals hierna bepaald. Het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding bedraagt 650,- euro voor een geschil dat betrekking heeft op vorderingen voor een bedrag van 2.500,01 euro tot 5.000,- euro. Beide partijen vorderen het basisbedrag voor zowel de procedure in eerste aanleg, waar de kosten werden aangehouden, als in hoger beroep. Er bestaat in casu geen reden tot afwijking van het basisbedrag. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart de hogere beroepen ontvankelijk, en als volgt gegrond; Uitspraak doende ingevolge de devolutieve werking overeenkomstig artikel 1068 Ger.W.; Verklaart de oorspronkelijke vordering van de heer J. D. ontvankelijk en gegrond als volgt; Veroordeelt de heer K. D. tot betaling aan de heer J. D. van DUIZEND ZEVENHONDERD VIJFTIG EURO (1.750 euro), plus de verwijlintresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf 15 maart 2005, datum ingebrekestelling; Verklaart de oorspronkelijke tegenvordering van de heer K. D. en de incidentele vordering van de heer J. D. in hoger beroep ontvankelijk, maar ongegrond; Veroordeelt iedere partij tot de helft van de gerechtskosten in beide aanleggen, in hun geheel begroot - in hoofde van de heer K. D. op 1.486 euro (650 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg + 186 euro rolrechten hoger beroep + 650 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep), en - in hoofde van de heer J. D. op 1.536,15 euro (236,15 euro dagvaardingskosten + 650 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg + 650 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep); Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 30/3/2009 waar aanwezig waren en zitting hielden : Nathalie DE RIJCK, Raadsheer, Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS N. DE RIJCK Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050624.7 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060306.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div