id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 31 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090331.1 Rolnummer: 2006AR1272 Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Constitutioneel recht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-03-31 Raadplegingen: 141 - laatst gezien 2026-07-02 19:29 Fiche
- Er is geen verschil tussen 'voetweg' en 'buurtweg' voor de toepassing van de wet van 10 april 1841 op de buurtwegen. De wet bepaalt overigens niet wat een buurtweg is, maar aangenomen wordt dat dit gaat van lokale wegen in de strikte zin tot publiekrechtelijke erfdienstbaarheden van overgang over privaat terrein . De wegen in de atlas van buurtwegen aangeduid met dubbele stippellijn zijn wegen met een private bedding . Het onderhoud van de buurtweg is in beginsel ten laste van de gemeente (artikel 13 van de wet van 10 april 1841).
- Het graven van een gracht is een wijziging in de aanleg, en behoort niet tot het onderhoud. Een buurtweg veronderstelt niet het bestaan van een gracht, zeker niet in geval van een publiekrechtelijke erfdienstbaarheid van overgang over privaat terrein.
- Dat de gemeente gehouden is tot onderhoud van een gracht als er één is, betekent niet dat de gemeente er één moet graven als er geen is. De enkele onderhoudsplicht uit de wet van 10 april 1841 verplicht de gemeente niet tot het graven van een gracht. Een dergelijke wijziging van de aanleg kan de gemeente op die basis in beginsel ook niet verrichten op privaat terrein. Ook de aanleg van een afvoer of een infiltratiesysteem behoort uiteraard niet tot het onderhoud van de weg waartoe de gemeente gehouden is op grond van de wet van 10 april
- Artikel 640 van het Burgerlijk Wetboekhoudt in dat lager gelegen erven jegens de hoger liggende gehouden zijn het water te ontvangen dat daardoor buiten 's mensen toedoen natuurlijk afloopt. Het gebrek aan onderhoud van de gemeente is een daad of nalaten van een derde waardoor de last uit de normale erfdienstbaarheid wordt vergroot. Dit gebrek aan onderhoud is een inbreuk op een welbepaalde verplichting (uit de wet van 10 april 1841) en dus een onrechtmatige daad (artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek), die de gemeente verplicht tot vergoeding van de schade die er het gevolg van is. Dat de schade ook het gevolg is van de ligging van de woning onderaan de velden, neemt uiteraard niet weg dat HALLE moet instaan voor vergoeding van de hele schade zoals ze in concreto is aangericht als gevolg van haar fout. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ZAKELIJKE RECHTEN - Hinder - Burenhinder BURGERLIJK RECHT - ZAKELIJKE RECHTEN - Erfdienstbaarheid - Door de ligging van de plaatsen - Water PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GEMEENTE - Nieuwe Gemeentewet - Gemeentewegen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - OVERHEIDSGOEDEREN EN OPENBAAR DOMEIN - Wegen Vrije woorden: I. Erfdienstbaarheden. Artikel 640 B.W. Waterafloop. Wateroverlast. Verzwaring. Folie voor aardbeienkweek met weerslag op waterafloop: verzwaring van de erfdienstbaarheid in de zin van artikel 640, lid 3 B.W. II. Wet van 10 april
- Is er een onderscheid tussen een buurtweg en een voetweg? Onderhoud der wegen. Is er een verplichting tot graven van een gracht? Wettelijke bepalingen: Wet - 10-04-1841 oud Burgerlijk Wetboek - 10-04-1841 - 640 oud Burgerlijk Wetboek - 10-04-1841 - 544 oud Burgerlijk Wetboek - 10-04-1841 - 1382 Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2009/ A.R. nr. 2006/AR/1272 erfdienstbaarheid van waterafloop (artikel 640 van het Burgerlijk Wetboek) - onderhoud buurtwegen (wet van 10 april 1841) - onrechtmatige daad INZAKE VAN : Mevrouw Ro. D., appellante tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 12 november 2004, vertegenwoordigd door Meester Geert DE CUYPER, advocaat te 1731 ZELLIK, Noorderlaan 30, 1ste kamer TEGEN : 1) Mevrouw Ri. D., geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester CROONEN loco Meester Johan NOLMANS, advocaat te 1500 HALLE, Bergensesteenweg 54, 2) De STAD HALLE, vertegenwoordigd door haar College van Burgemeester en Schepenen, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1500 HALLE, Oudstrijdersplein 18, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Jurgen BLIJWEERT, advocaat te 1500 HALLE, Sanatorialaan 24, 3) De heer J. C., wonende te 1500 HALLE, Pijpaenshoek 29, 4) De heer L. C., wonende te 1600 SINT-PIETERS-LEEUW, Bergensesteenweg 784, geïntimeerden, vertegenwoordigd door Meester DUSESOI loco Meester Jan DE BONDT, advocaat te 1070 BRUSSEL, Ninoofsesteenweg 643,
- De procedure In dit arrest oordeelt het hof over het hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 12 november
- De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder art. 24, zijn nageleefd. Het arrest wordt gewezen na tegenspraak. Partijen verklaren dat het vonnis niet werd betekend. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld.
- De feiten De eerste rechter heeft in zijn vonnis van 22 december 2000 de relevante feiten correct en volledig weergegeven als volgt: " Mevrouw Ri. D., huidige eiseres, werd het slachtoffer van wateroverlast, waarbij het water afkomstig was van hoger geleden landbouwvelden, die aanpalen links langszij en achteraan haar eigendom. Langs de linker perceelsgrens van dit eigendom loopt een voetweg. Op 8 juli 1995 deed zich in de omgeving van HALLE, meer bepaald op "de kop van Essenbeek" een zeer zware wolkbreuk voor. In een schrijven van de Stad HALLE van 12 december 1995 werd aan de raadsman van mevrouw Ri. D. de lijst overgemaakt van de interventies van de brandweer omwille van deze wolkbreuk. In dit schrijven werd eveneens meegedeeld dat, aangezien het om natuurgeweld ging, deze interventies noch aan de slachtoffers noch aan de verzekeringsmaatschappijen werden gefactureerd. Op 23 november 1995 dagvaardde mevrouw Ri. D. de Stad HALLE voor de opgelopen wateroverlast. " Bij vonnis van de vrederechter te HALLE van 31 januari 1996 werd de zaak verzonden naar de rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Bij vonnis van 19 april 1996 stelde die deskundige DE BUYST aan. De deskundige legde zijn verslag neer op 3 oktober
- Op 15 juni 1999 dagvaardde HALLE J. C. en Ro. D., landbouwers die hoger gelegen velden bewerkten of hadden bewerkt, in gedwongen tussenkomst en vrijwaring. Bij vonnis van 22 december 2000 besliste de eerste rechter dat de vordering van Ri. D. tegen HALLE en de vorderingen tot vrijwaring van HALLE samen moesten behandeld worden. In zijn vonnis van 12 november 2004, het vonnis waartegen het hoger beroep gericht is, gaf de eerste rechter de latere gebeurtenissen correct en volledig weer als volgt: "Mevrouw Ri. D. stelt dat zij nogmaals het slachtoffer was van een overstroming in 1998, alsook in de nacht van zondag 22 juli 2001 op maandag 23 juli
- Van deze laatste overstroming liet mevrouw Ri. D. de gevolgen op 23 juli 2001 vaststellen door gerechtsdeurwaarder J. Vandenbosch te HALLE. Tevens vroeg zij de aanstelling van een gerechtsdeskundige in kort geding. Op 24 augustus 2001 stelde de Voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, zetelend in kort geding de heer J. DE SUTTER als deskundige aan. Mevrouw Ri. D. stelt dat zij nogmaals het slachtoffer was van een overstroming op 20 februari
- Van deze overstroming liet mevrouw Ri. D. de gevolgen vaststellen door gerechtsdeurwaarder H. Van Bever te Sint-Pieters-Leeuw. Zij meldde deze overstroming tevens aan de gerechtsdeskundige, die ter plaatse kwam om de nodige vaststellingen te doen en de schadelijke gevolgen ervan te beschrijven. Op 24 maart 2002 legde deskundige DE SUTTER zijn definitief verslag neer. Op 21 juni 2002 ging mevrouw Ri. D. over tot dagvaarding in kort geding van de Stad HALLE en van de heren J. C. en L. C. teneinde de nodige maatregelen te laten nemen. Op 25 juli 2002 werd haar vordering bij gebreke aan hoogdringendheid afgewezen. Op 19 december 2002 ging mevrouw Ri. D. over tot dagvaarding tot gedwongen tussenkomst in vrijwaring en gemeenverklaring van de heer L. C.. "
- Het onderwerp van de vordering 3.
- Voor de eerste rechter vorderde Mevrouw Ri. D. HALLE en de heren J. C. en L. C. te veroordelen, hoofdelijk of in solidum tot: - het aanleggen van een gracht langsheen de buurtweg naast haar onroerend goed te 1500 HALLE, R. Vogeleerstraat 12, zodat het water afkomstig van de akkers hierin wordt opgevangen; - het voorzien van een systeem voor infiltratie van het opgevangen neerslagwater in de grond door middel van zinkputten, zinkbekkens of omgekeerde drainering; - het aanleggen van een spaarbekken met een buffercapaciteit van minstens 53 m² om het water van de akkers op te vangen; Zij vroeg hen te veroordelen om die werken uit te voeren binnen de twee maanden na de betekening van het vonnis op verbeurte van een dwangsom van 200 EUR per begonnen kalenderdag vanaf twee maanden na betekening. Verder vorderde zij de veroordeling van HALLE en de heren C. tot betaling van: - 4,033,72 EUR, BTWin, plus de vergoedende interesten vanaf 8 juli 1995 tot de dag van dagvaarding, waarna de gerechtelijke interesten - 9.710,49 EUR, plus de vergoedende interesten vanaf 23 juli 2001 tot de datum van de vordering (conclusie van 11 maart 2004 ) waarna de gerechtelijke interesten; - 3.000 EUR in billijkheid voor morele schade, inspanningen en tijdverlies, plus de gerechtelijke interesten; - 178,48 EUR vaststelling gerechtsdeurwaarder Vandenbosch; - 180,00 EUR proces-verbaal vaststelling gerechtsdeurwaarder Van Bever; Ondergeschikt vroeg zij een deskundige aan te stellen voor een onderzoek van de doorlatendheid van de bodem en van een aangewezen afvoer of infiltratiesysteem, op basis van het verslag van deskundige DE SUTTER, en om de werken te beschrijven en de kost ervan te ramen. HALLE concludeerde tot de ongegrondheid van de vordering. Ondergeschikt vorderde zij de veroordeling, hoofdelijk of in solidum, van de partijen C. en Ro. D. om haar te vrijwaren. Nog meer ondergeschikt vroeg zij een bijkomend onderzoek te bevelen over de vereiste maatregelen, en de vordering te herleiden. De partijen C. concludeerden tot de ongegrondheid van de vordering van Ri. D. en de niet-ontvankelijkheid, minstens ongegrondheid van de vordering in vrijwaring van HALLE. Ro. D. concludeerde tot de niet-ontvankelijkheid, minstens ongegrondheid van de vordering in vrijwaring van HALLE. 3.
- De eerste rechter overwoog dat HALLE mede aansprakelijk is voor de schadegevallen van 8 juli 1995 en 22 juli 2001, en wel omdat de voetweg behoort tot het private domein van HALLE, die verplicht is de weg te onderhouden, en dat een gebrek aan onderhoud en aan opvang en afvoer van het oppervlaktewater voor de woning van Ri. D. medeoorzaak is van de wateroverlast. Hij overwoog dat er voor het schadegeval van 1995 geen sprake is van overmacht, en dat het eigen handelen van Ri. D. geen rol speelt. Hij overwoog dat HALLE belang heeft bij haar vordering tot vrijwaring tegen L. C.. De eerste rechter beval de heropening van de debatten om partijen toe te laten stukken neer te leggen met betrekking tot de vraag wie in 1995 en 2001 pachter en bewerker was, en belastte deskundige DE SUTTER met een onderzoek naar de uitvoerbaarheid en het nut van de gevraagde werken. 3.
- In hoger beroep herneemt Ro. D. haar oorspronkelijk verweer met betrekking tot de niet-ontvankelijkheid, minstens ongegrondheid van de vordering in vrijwaring van HALLE en de ongegrondheid van de vordering van Ri. D.. Ri. D. concludeert tot de niet-ontvankelijkheid, minstens de ongegrondheid van het hoger beroep. Voor het geval dat het hof de zaak niet met toepassing van artikel 1068, 2de lid van het Gerechtelijk Wetboek naar de eerste rechter zou terugzenden, herneemt zij ongeveer haar oorspronkelijke vordering, waarbij ze de door HALLE uit te voeren werken detailleert en vraagt de andere partijen te veroordelen om de werken te gedogen, en voor een begroeiing te zorgen die toelaat dat het regenwater in de bodem dringt. Bij incidentele vordering vraagt Ri. D. Ro. D. te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep en procesmisbruik van 2.500,00 EUR. HALLE gedraagt zich naar de wijsheid van het hof met betrekking tot de ontvankelijkheid van het hoger beroep. Voor het geval dat het hof de zaak niet terug naar de eerste rechter verwijst, herneemt ze haar oorspronkelijke verweer en vordering tot vrijwaring. De partijen C. concluderen tot de niet-ontvankelijkheid, minstens de ongegrondheid van het hoger beroep. Bij incidenteel hoger beroep vragen ze de vorderingen tegen L. C. niet ontvankelijk te verklaren, en de vordering van Ri. D. en de vordering tot vrijwaring van HALLE ongegrond te verklaren.
- De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen 4.
- De ontvankelijkheid van het hoger beroep Ri. D. concludeert tot de niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep. De partijen C. sluiten zich daarbij aan, volgens het petitum van hun conclusie; in de overwegenden stellen ze echter dat ze zich naar de wijsheid gedragen. Ri. D. laat gelden dat het vonnis een vonnis is alvorens recht te doen, dat alleen veroordeelt tot het overleggen van stukken en een deskundige aanstelt. Het klopt dat de eerste rechter het vonnis in de hoofding en in zijn dispositief een "vonnis alvorens recht" heeft genoemd, maar die kwalificatie bindt het hof niet; vraag is of het vonnis werkelijk enkel een vonnis alvorens recht te doen is of niet. Overigens heeft de eerste rechter de zaak in dezelfde hoofding ook aangeduid als "fiscaal geschil". Het hof stelt vast dat de eerste rechter in de overwegenden ondubbelzinnig reeds beslist over verscheidene geschilpunten, zoals weergegeven hierboven onder punt 3.2., eerste alinea. Het vonnis is dus geen zuiver vonnis alvorens recht te spreken, en is vatbaar voor hoger beroep. De eerste rechter besliste aldus onder meer dat HALLE mee aansprakelijk is, en dat de schade van juli 1995 niet is veroorzaakt door overmacht; dat is de schade uit de periode dat Ro. D. pachter was. Ro. D. heeft er uiteraard belang bij om die beslissingen te betwisten, omdat HALLE van haar vrijwaring vordert. Ro. D. heeft dus belang bij haar beroep, dat er onder meer toe strekt die beslissingen ongedaan te maken. Ri. D. werpt nog op dat Ro. D. haar beroep niet richt tegen de onderzoeksmaatregel, maar dat is zonder belang; als het hof het verweer van Ro. D. volgt, is er (minstens met betrekking tot haar) geen onderzoeksmaatregel nodig. 4.
- De grond van het hoger beroep 4.2.
- Het belang van HALLE L. C. en Ro. D. werpen op dat de vordering van HALLE tegen hen niet ontvankelijk is bij gebrek aan belang. Het middel dat zij ontwikkelen heeft echter betrekking op de grond van die vordering. HALLE heeft er uiteraard voordeel bij indien L. C. en Ro. D. haar vrijwaren, dus heeft zij belang bij haar vordering in de zin van artikel 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek. 4.2.
- De verjaring Ro. D. werpt op dat de tegen haar gerichte vordering van Ri. D. niet ontvankelijk is omdat ze pas is ingesteld bij conclusie neergelegd op 9 februari 2006, dit is na het vonnis waartegen hoger beroep; zij stelt dat die vordering dus voor het eerst in hoger beroep is ingesteld. De vordering is nochtans ingesteld bij conclusie neergelegd voor de eerste rechter; dat dit is gebeurd na het vonnis van 12 november 2004 doet daaraan niets af. Ro. D. werpt op dat de vordering van Ri. D. op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek verjaard is, omdat zij pas is ingesteld bij conclusie neergelegd op 9 februari
- Ri. D. antwoordt dat de verjaringstermijn van artikel 2262bis van het Burgerlijk Wetboek tien jaar bedraagt. Dat artikel bepaalt nochtans dat vorderingen uit onrechtmatige daad verjaren door verloop van vijf jaar. Die vordering (uit de overstroming van 1995) is dus verjaard. 4.2.
- De tegenwerpbaarheid van de deskundigenverslagen Ro. D. laat terecht gelden dat het verslag van deskundige DE BUYST haar niet kan worden tegengeworpen als een onderzoeksverslag in de zin van artikel 962 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek. Zij is immers pas na het neerleggen van het verslag gedagvaard, en heeft dus niet haar recht van verdediging kunnen voeren in het technisch debat voor de deskundige. De partijen C. voeren terecht het zelfde middel aan. Evenzeer terecht werpt Ro. D. de niet tegenwerpbaarheid op van het verslag van deskundige DE SUTTER. Na de aanvang van zijn werk zijn partijen immers overeengekomen dat Ro. D., die verklaarde sinds 30 november 1998 de grond niet meer te bewerken, niet in de zaak moest blijven . Dat neemt niet weg dat de verslagen kunnen beoordeeld worden als een feitelijk element. 4.2.
- De vordering tegen HALLE Ri. D. steunt haar vordering tegen HALLE op de algemene zorgvuldigheidsplicht van de gemeente met betrekking tot het onderhoud van de wegen op haar grondgebied, waaronder de voetweg achter haar onroerend goed. Ro. D. en HALLE werpen terecht op dat de eerste rechter ten onrechte aannam dat de voetweg behoort tot het private domein van HALLE omdat hij in de atlas der buurtwegen aangeduid staat met twee stippellijnen. Anders dan HALLE voorhoudt, is er geen verschil tussen "voetweg" en "buurtweg" voor de toepassing van de wet van 10 april 1841 op de buurtwegen. De wet bepaalt overigens niet wat een buurtweg is, maar aangenomen wordt dat dit gaat van lokale wegen in de strikte zin tot publiekrechtelijke erfdienstbaarheden van overgang over privaat terrein . Anders dan de eerste rechter overwoog, zijn de wegen in de atlas van buurtwegen aangeduid met dubbele stippellijn wegen met een private bedding . Het onderhoud van de buurtweg is in beginsel ten laste van de gemeente (artikel 13 van de wet van 10 april 1841). Anders dan Ri. D. meent, volgt uit het verslag van deskundige DE BUYST niet dat de wateroverlast het gevolg is van een gebrek aan onderhoud van de buurtweg. De deskundige stelt alleen vast "dat de kwestieuze buurtweg niet onderhouden is. Er is ook geen gracht langsheen deze weg. Evenmin werd door de bewerkende landbouwers een "voor" langsheen de desbetreffende akkers getrokken" (...) "ten einde de kans tot overstroming bij hevige regenval tot een aanvaardbaar minimum te herleiden, dient langsheen de kwestieuze buurtweg een gracht te worden getrokken. Deze gracht dient dan ten minste één maal per jaar te worden onderhouden" . Het graven van een gracht is een wijziging in de aanleg, en behoort niet tot het onderhoud. Een buurtweg veronderstelt niet het bestaan van een gracht, zeker niet in geval van een publiekrechtelijke erfdienstbaarheid van overgang over privaat terrein. Het staat niet aan de deskundige om advies te verlenen over de juridische vraag naar de draagwijdte van de verplichting tot onderhoud van de gemeente; hij doet dat overigens ook niet. In zijn advies maakt hij overigens het onderscheid tussen het onderhoud en de gracht ("Er is ook geen gracht ..."). Zijn technisch advies lijkt voor het overige erg overtuigend: een gracht zou helpen voor het kanaliseren van het regenwater. Het aanwijzen van technische oplossingen bewijst echter geen aansprakelijkheid. Ook de aanleg van riolering of een spaarbekken, en ook het afgraven van de velden die hoger liggen dan de woning van Ri. D. zal de waterlast vermijden, maar daarom is HALLE daar nog niet toe gehouden. Dat de gemeente gehouden is tot onderhoud van een gracht als er één is, betekent niet dat de gemeente er één moet graven als er geen is. De enkele onderhoudsplicht uit de wet van 10 april 1841 verplicht HALLE niet tot het graven van een gracht. Een dergelijke wijziging van de aanleg kan HALLE op die basis in beginsel ook niet verrichten op privaat terrein. Deskundige DE SUTTER is overigens van oordeel dat het graven van een gracht geen zin heeft, omdat het water dan nog naar de woning van Ri. D. zal stromen. Hij acht de aanleg van een afvoer of een infiltratiesysteem nodig . Ook dat behoort echter uiteraard niet tot het onderhoud van de weg waartoe HALLE gehouden is op grond van de wet van 10 april
- Uit het bovenstaande volgt dat de vordering van Ri. D. tegen HALLE met betrekking tot het aanleggen van een gracht, een systeem voor infiltratie van regenwater door middel van zinkputten, zinkbekkens of omgekeerde drainering, of een spaarbekken, ongegrond is. Bijgevolg is ook de door de eerste rechter bevolen onderzoeksmaatregel over het nut en de uitvoerbaarheid van de werken niet nodig. Deskundige DE SUTTER beschouwt wel als oorzaak van recente overstromingen "het gebrek aan onderhoud van de buurtweg n° 79, waardoor de betonplaten aan de voet van de afsluiting van de tuin van [Ri. D.] kunnen onderspoelen" . Het gebrek aan onderhoud heeft volgens de deskundige geresulteerd in het uitspoelen van de weg tot bijna een greppel . HALLE betwist dit niet; haar verweer heeft betrekking op de boven vermelde gracht. Het staat vast dat de hoofdoorzaak van de wateroverlast gelegen is in de niveauverschillen ter plaatse. Deskundige DE SUTTER stelt vast dat de woning van Ri. D. lager ligt dan de omgeving en de tuin; enkel het terras ligt 6 tot 9 cm lager dan de woning. Het hoogste punt van de omliggende akkers is 5,93 m hoger dan de woning, en het hoogste punt van het aardbeienveld 3,05 m . Gelet op die inplanting is het een gevolg van de wetten van de fysica dat het terrein van Ri. D. de waterafloop van de terreinen van de kerkfabriek moet verwerken. Dit vindt zijn uitdrukking in artikel 640 van het Burgerlijk Wetboek, naar luid waarvan lager gelegen erven jegens de hoger liggende gehouden zijn het water te ontvangen dat daardoor buiten 's mensen toedoen natuurlijk afloopt. Het gebrek aan onderhoud van HALLE is een daad of nalaten van een derde waardoor de last uit de normale erfdienstbaarheid wordt vergroot. Dit gebrek aan onderhoud is een inbreuk op een welbepaalde verplichting (uit de wet van 10 april 1841) en dus een onrechtmatige daad (artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek), die HALLE verplicht tot vergoeding van de schade die er het gevolg van is. Dat de schade ook het gevolg is van de ligging van de woning onderaan de velden, neemt uiteraard niet weg dat HALLE moet instaan voor vergoeding van de hele schade zoals ze in concreto is aangericht als gevolg van haar fout. De rechter heeft het middel van de verwerende partijen met betrekking tot de overmacht correct beoordeeld, en het hof neemt zijn overwegingen op dat punt over en maakt ze tot de zijne. Het zelfde geldt voor de middelen met betrekking tot de door Ri. D. zelf verrichte ingrepen ter hoogte van de weg. Wat de schade betreft, voert HALLE geen betwisting over de schadecijfers met betrekking tot de overstroming van
- Deskundige DE BUYST raamde de schade op in totaal 145.000 BEF, dit is 3.594,46 EUR, alles inbegrepen (dus ook BTW). Hij voorziet ook in een post van 17.720 BEF voor het rechtzetten van de afsluiting, maar deskundige DE SUTTER rekent die ook aan, voor de overstroming van
- Het blijkt niet dat de afsluiting ondertussen recht gezet was, zodat die post niet twee keer kan geteld worden. Het hof rekent die alleen aan bij de overstroming van
- Met betrekking tot de schade uit de overstroming van 2001 sluit HALLE zich aan bij het verweer van de partijen C.. Het totaal van de schadevergoeding voor 2001 bedraagt 9.737,72 EUR (zie hieronder onder punt 4.2.7.). Ri. D. vordert ook een vergoeding voor morele schade, maar die is gesteund op het argument dat HALLE nalaat de door de deskundigen voorgestelde werken uit te voeren. Hierboven is geoordeeld dat HALLE niet gehouden is tot die werken, zodat er ook geen schadevergoeding verschuldigd is. HALLE kan overigens ook geenszins enig procesmisbruik verweten worden 4.2.
- De vordering tot vrijwaring van HALLE Het blijkt niet dat het gebrek aan onderhoud ter hoogte van de betonplaten iets te maken heeft met het gebruik van de akkers door Ro. D. of de partijen C., of dat de pachters HALLE hebben belet om de voetweg te onderhouden. Er is dus geen reden waarom de pachters HALLE zouden moeten vrijwaren voor de gevolgen van haar eigen niet handelen. De vordering is ongegrond. 4.2.
- De vordering van Ri. D. tegen Ro. D. Ri. D. steunt haar vordering tegen Ro. D. op artikel 544 en artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek; gelet op de verjaring van de buitencontractuele vordering is alleen de vordering uit bovenmatige burenhinder nog aan de orde. Ro. D. legt een stuk voor met betrekking tot de opzegging van een pachtovereenkomst in december 1998; Ri. D. antwoordt dat het niet duidelijk is dat dit slaat op de akker naast haar woning. Het stuk vermeldt in elk geval dezelfde kadastrale ligging en grootte als de pachtovereenkomst van L. C. met de kerkfabriek van 23 december
- Overigens zijn de partijen zoals vermeld ten aanzien van de deskundige overeengekomen dat Ro. D., die verklaarde sinds 30 november 1998 de grond niet meer te bewerken, niet in de zaak moest blijven. Ro. D. is of was pachter en niet eigenaar, maar dat sluit op zich niet een beroep van Ri. D. op artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek uit, omdat de huurder beschikt over een door de eigenaar verleend attribuut van het eigendomsrecht . Wel leiden de feiten waarop Ri. D. haar vordering steunt niet tot toepassing van artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek, maar tot toepassing van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek. Het water waarover Ri. D. klaagt, komt immers van de naastgelegen hogere velden, en zoals vermeld is het lager gelegen erf jegens de hoger liggende gehouden het water te ontvangen dat daardoor buiten 's mensen toedoen natuurlijk afloopt (artikel 640 van het Burgerlijk Wetboek). Artikel 640, 3de lid van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de eigenaar niets mag doen waardoor de erfdienstbaarheid van het lager gelegen erf wordt verzwaard; in de lijn van wat hierboven is gezegd dringt dat verbod zich ook op aan de pachter die zijn recht ontleent aan de eigenaar. Een verzwaring van de erfdienstbaarheid door Ro. D. (volgens Ri. D. door het nalaten voren te graven) zou een inbreuk zijn op een wettelijke verplichting, en dus een onrechtmatige daad. De vordering uit onrechtmatige daad is echter verjaard. Een en ander is zonder veel belang, omdat ook de toepassing van artikel 544 op zich niet leidt tot een vordering. Ri. D. bewijst immers niet dat Ro. D. door enig gedrag het bestaande evenwicht tussen de erven heeft verstoord en een bovenmatige hinder heeft veroorzaakt. Het bestaande evenwicht moet daarbij begrepen worden als de boven reeds vermelde geografische situatie, waarbij de woning van Ri. D. gelegen is onderaan hoger gelegen velden. Dit is onmiskenbaar een historische situatie (de foto's in de stukkenbundels tonen een oudere woning, en de deskundige stelt dat de geografische toestand de laatste decennia niet is gewijzigd ), die voor elke waarnemer evident is. Ri. D. heeft met andere woorden een woning gekocht die duidelijk kwetsbaar is voor wateroverlast in geval van hevige regens. Het blijkt niet dat Ro. D. daaraan iets heeft gewijzigd door haar gebruik van de velden. Deskundige DE BUYST (wiens verslag als zodanig niet tegenwerpbaar is aan Ro. D.) meent wel dat de landbouwers een voor zouden moeten ploegen, maar hij noemt dat zelf slechts een supplementaire maatregel . Het kan niet aangenomen worden dat dit leidt tot bovenmatige hinder. Deskundige DE SUTTER (wiens verslag als zodanig evenmin tegenwerpbaar is aan Ro. D.) voegt daar alleen aan toe dat de pachters niet de door deskundige DE BUYST beschreven voren hebben gemaakt. Er is ook geen grond om aan de landbouwers op te leggen voor een bijzondere begroeiing te zorgen die toelaat dat het regenwater in de bodem dringt. De vordering van Ri. D. op grond van artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek tegen Ro. D. is dus ongegrond. Het hoger beroep van Ro. D. is dus gegrond; het blijkt niet dat dit is ingesteld of gevoerd op een wijze die niet verenigbaar is met het gedrag van een normaal zorgvuldige persoon in dezelfde omstandigheden. De incidentele vordering van Ri. D. tot schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep of procesmisbruik is niet gegrond. 4.2.
- De vordering van Ri. D. tegen de partijen C. De partijen C. concluderen tot de niet-ontvankelijkheid van de vorderingen tegen L. C., maar het hof vindt in hun conclusie geen middel dat daartoe strekt, en het hof ziet er ook geen dat ambtshalve aan te voeren is. De partijen C. werpen op dat J. C. niet meer de bewerker is van de akkers, en dat op 1 december 1998 de pacht is overgedragen aan L. C.. Zij leggen inderdaad een pachtovereenkomst van december 1998 voor van L. C. met de kerkfabriek met betrekking tot het perceel dat Ro. D. voorheen pachtte, en een overeenkomst met betrekking tot de overdracht van pacht van J. C. aan L. C. met betrekking tot andere percelen. Ri. D. bewijst niet dat J. C. sinds december 1998 de velden heeft bewerkt, laat staan dat hij daarbij een onrechtmatige daad heeft begaan dan wel door zijn daad of nalaten het bestaande evenwicht tussen de erven heeft verstoord en een bovenmatige hinder heeft veroorzaakt. De vordering van Ri. D. tegen J. C. is dus ongegrond. Dat L. C. geen voor zou hebben gegraven, wat een - supplementaire - maatregel zou zijn tegen de wateroverlast, kan op zich niet beschouwd worden als een onzorgvuldigheid in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, of de inbreuk op een specifiek gebod of verbod. Het hof merkt op dat deskundige DE BUYST (wiens verslag als zodanig niet tegenwerpbaar is aan partijen C.) zelf vermeldt dat hij de plaatselijke gebruiken inzake breedte en diepte van de voren niet kent. Ri. D. voert aan dat artikel 640 van het Burgerlijk Wetboek niet kan toegepast worden omdat L. C. heeft nagelaten een voor te graven, maar dit is niet juist. Een handelen waardoor de erfdienstbaarheid van het lager gelegen erf wordt verzwaard is net de hypothese van artikel 640, 3de lid van het Burgerlijk Wetboek, en vormt aldus een onrechtmatige daad. Overigens is Ri. D. op dit punt niet consequent; zij houdt tegelijk voor dat de landbouwers met toepassing van artikel 640 van het Burgerlijk Wetboek geen voren mogen graven, omdat het water daardoor sneller afloopt . In elk geval blijkt in casu niet dat het niet graven van een voor (van onbepaalde omvang) werkelijk de erfdienstbaarheid van het lager gelegen erf heeft verzwaard, en dat dit tot welbepaalde overstromingen heeft geleid. L. C. houdt overigens voor dat er in maart 2002 een ploegvoor is getrokken rond de velden; dat heeft klaarblijkelijk niet de wateroverlast van 2002 en 2006 verhinderd. Zoals vermeld is er ook geen grond om aan de landbouwers op te leggen voor een bijzondere begroeiing te zorgen die toelaat dat het regenwater in de bodem dringt. Het gebruik van plasticfolie op een aardbeienveld is op zich geen onrechtmatige daad. Het blijkt niet dat dit op zich niet verenigbaar is met het gedrag van een normaal zorgvuldige aardbeienkweker in dezelfde omstandigheden, of een inbreuk maakt op een welbepaald gebod of verbod. Wel kan dit een onrechtmatige daad uitmaken indien daardoor de erfdienstbaarheid van het lager gelegen erf wordt verzwaard, en dus inbreuk wordt gemaakt op artikel 640, 3de lid van het Burgerlijk Wetboek, zoals reeds vermeld. Deskundige DE SUTTER is inderdaad van mening dat de folie er toe leidt dat het water niet kan infiltreren en sneller wordt afgevoerd naar het lager gelegen gedeelte, en dat de watertoevoer naar de woning van Ri. D. daardoor belangrijker is geworden . Over de invloed van de folie op de waterbeheersing voert L. C. geen betwisting. Op grond van het bovenstaande moet aangenomen worden dat het gebruik van de folie door L. C. de erfdienstbaarheid van het lager gelegen erf heeft verzwaard. L. C. moet instaan voor de vergoeding van de schade die het gevolg is van zijn onrechtmatige daad. De partijen C. verklaarden aan de deskundige dat de folie pas in 2001 werd aangebracht, en op 5 maart 2002 schrijft de raadsman van Ri. D. dat de folie pas recent werd verwijderd. De deskundige meent dat de folie eind 2001 of begin 2002 werd verwijderd . Het moet dus aangenomen worden dat L. C. moet instaan voor de vergoeding van de schade van de overstroming van juli
- L. C. werpt op dat de deskundige voor opruiming een uurloon aanrekent terwijl Ri. D. zelf de werken heeft gedaan, maar dat is zonder belang: de schadevergoeding moet de werkelijke schade vergoeden en het slachtoffer in de mogelijkheid stellen om te herstellen. Of het slachtoffer dan daadwerkelijk herstelt en uitgaven doet of niet, is zonder belang. De opmerking van L. C. over het hergebruik van de betontegels van de oprit is wel terecht; een vervanging van de tegels zou een meerwaarde inhouden; het hof aanvaardt voor deze post dus slechts 685 EUR in plaats van 810 EUR. Met verwijzing naar de raming van deskundige DE SUTTER en met vermindering voor de post betontegels wordt de schadevergoeding 7.900,20 EUR, of 9.559,24 EUR BTWin. Ri. D. vordert terecht ook vergoeding voor de kosten van vaststelling door gerechtsdeurwaarder VANDENBOSCH van 23 juli 2001, of 178,48 EUR. Dit is een uitgave die Ri. D. heeft gedaan omdat ze noodzakelijk was om vergoeding te verkrijgen en die dus deel uitmaakt van haar schade. De kosten van de latere vaststellingen van gerechtsdeurwaarder blijken niet verband te houden met vergoedbare geleden schade. Het totaal van de schadevergoeding wordt 9.559,24 + 178,48 = 9.737,72 EUR. L. C. maakt verder melding van een vergoeding die de verzekeraar van Ri. D. zou hebben uitbetaald, maar daarvan wordt geen bewijs geleverd; dit laatste is ook door de deskundige opgemerkt. Ri. D. vordert ook een vergoeding voor morele schade, maar die is gesteund op het argument dat L. C. nalaat de door de deskundigen voorgestelde werken uit te voeren. Hierboven is geoordeeld dat C. niet gehouden is tot het graven van voren, of tot uitvoering van andere werken, zodat er ook geen vergoeding voor morele schade verschuldigd is. L. C. kan overigens ook geenszins enig procesmisbruik verweten worden. 4.2.
- Veroordeling in solidum Aangezien de schade uit de overstroming van 2001 het gevolg is van de samenlopende fouten van HALLE en L. C. zonder welke de schade zich niet zou hebben voorgedaan, en de schadelijder recht heeft op volledige vergoeding, worden HALLE en L. C. daartoe veroordeeld in solidum. In hun onderlinge verhouding, enkel relevant voor een eventueel regres door degene die meer dan zijn aandeel zou hebben betaald, zijn zij in gelijke mate gehouden voor de schade van
- De kosten Alle partijen verklaren ter zitting dat zij voor de rechtsplegingsvergoeding de toepassing vragen van het basisbedrag. Met toepassing van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 bedraagt dat basisbedrag gelet op de waarde van de vordering 1.100,00 EUR. Het blijkt niet dat J. C. afzonderlijk van L. C. kosten heeft gemaakt. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart de hogere beroepen ontvankelijk en gegrond als volgt: Hervormt het vonnis en spreekt opnieuw recht als volgt: Verklaart de vordering van Ri. D. tegen Ro. D. niet ontvankelijk voor zover gesteund op onrechtmatige daad, en ongegrond voor het overige; Verklaart de incidentele vordering van Ri. D. tegen Ro. D. ontvankelijk maar ongegrond; Verklaart de vordering van Ri. D. tegen J. C. ontvankelijk maar ongegrond; Verklaart de vordering van Ri. D. tegen HALLE en tegen L. C. ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond en Veroordeelt HALLE tot de betaling aan Ri. D. van DRIEDUIZEND VIJFHONDERD VIERENNEGENTIG EURO ZESENVEERTIG CENT (3.594,46 EUR), plus de vergoedende intresten daarop aan de wettelijke rentevoet vanaf 8 juli 1995 tot datum dagvaarding, waarna de gerechtelijke intresten aan de zelfde rentevoet; Veroordeelt HALLE en L. C. in solidum tot de betaling aan Ri. D. van NEGENDUIZEND ZEVENHONDERD ZEVENENDERTIG EURO TWEEENZEVENTIG CENT (9.737,72 EUR), plus de vergoedende intresten daarop aan de wettelijke rentevoet vanaf 23 juli 2001 tot datum dagvaarding, waarna de gerechtelijke intresten aan de zelfde rentevoet Verklaart de vordering van HALLE tot vrijwaring ontvankelijk maar ongegrond; Veroordeelt Ri. D. tot de betaling van de kosten van beide aanleggen voor Ro. D., begroot op euro 1.693,78 (349,53 rechtsplegingsvergoeding en 58,25 aanvullende rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg + 1.100 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep); Veroordeelt Ri. D. tot de betaling van de kosten van beide aanleggen voor J. C., begroot op 0,00 EUR Veroordeelt HALLE en L. C. in solidum tot de betaling van de kosten van beide aanleggen voor Ri. D., begroot op euro 7.154,27 (142,78 dagvaarding en rolrecht + 349,53 rechtsplegingsvergoeding + 58,25 aanvullende rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg + 1.064,95 erelonen en onkosten deskundige De Buyst + 4.135,04 erelonen en onkosten deskundige De Sutter + 303,72 beschikking kortgeding + 1.100 rechtsplegingsvergoeding beroep). Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 31/3/2009 waar aanwezig waren en zitting hielden : Marc DEBAERE, Raadsheer, Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS M. DEBAERE Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.