id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 07 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090407.1 Rolnummer: 2003AR934 Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2009-04-22 Raadplegingen: 100 - laatst gezien 2026-07-02 19:32 Fiche Artikel 19 §5 van de wet tot regeling van de private en bijzondere veiligheid bepaalt inderdaad dat de administratieve boete kan worden opgelegd 'aan elke natuurlijke of rechtspersoon, die de bepalingen van de wet of haar uitvoeringsbesluiten niet naleeft', en in deze gebeurt de inbreuk van het inrichten van een bewakingsonderneming door de vennootschap. Artikel 19, §5, 4de lid bepaalt weliswaar: 'De in artikel 1 bedoelde natuurlijke personen of rechtspersonen zijn burgerrechtelijk aansprakelijk voor het betalen van de administratieve geldboete die aan hun bestuurders, leden van het leidinggevend en uitvoerend personeel, aangestelden of lasthebbers wordt opgelegd.' Daaruit volgt echter niet het omgekeerde, dat wil zeggen dat de bestuurders aansprakelijk zijn voor de betaling van de boete die wordt opgelegd aan de vennootschap; een dergelijke doorbraak van de rechtspersoonlijkheid kan niet vermoed worden. Artikel 19, §5, 4de lid doelt op boeten opgelegd aan de bestuurders, leidinggevend personeel etc. in eigen persoon. Zij kunnen immers zelf ook het voorwerp zijn van administratieve geldboeten voor eigen inbreuken op de wet tot regeling van de private en bijzondere veiligheid. Zo omschrijft artikel 5 van de wet de voorwaarden waaraan 'de personen die de werkelijke leiding hebben van een onderneming, dienst of instelling, als bedoeld in artikel 1, en de personen die zitting hebben in de raad van bestuur van een onderneming, een instelling of een onderneming die activiteiten uitoefent (...)' moeten voldoen, zoals onder meer niet veroordeeld geweest zijn. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - PRIVATE VEILIGHEID - Bewakings- en beveiligingsondernemingen STRAFRECHT - PRIVATE VEILIGHEID - Andere (private veiligheid) Wettelijke bepalingen: Wet - 10-04-1990 - Art. 2 Gerechtelijk Wetboek - 3 Gerechtelijk Wetboek - 3 Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2009/ A.R. nr. 2003/AR/934 Wet tot regeling van de private en bijzondere veiligheid INZAKE VAN : 1) De heer M. V., ter openbare terechtzitting vertegenwoordigd door Meester Mathieu MALFAIT loco Meester Johan COLPAERT, advocaat te 9112 SINAAI-WAAS, Hulstbaan 233a, 2) De B.V.B.A. SINOFOS, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 9100 SINT-NIKLAAS, Grote Markt 11, iingeschreven in het handelsregister te Sint-Niklaas onder het nummer 54703, in faillissement, vertegenwoordigd door Meester Lieven D'HOOGHE, advocaat te 9100 SINT-NIKLAAS, Vijfstraten 57, in zijn hoedanigheid van curator, ter openbare terechtzitting niet verschijnende, noch iemand voor haar, appellanten tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 3 februari 2003, 1ste kamer TEGEN : 1) De heer J. CAPPELLE, adviseur van de Algemene Directie Veiligheids- en Preventiebeleid, die het geding hervat voor de Directeur-Generaal, Tweetalig adjunct, van de Algemene Directie van de Algemene Rijkspolitie Mevrouw DE KNOP, woonstkiezende te 1000 BRUSSEL, Waterloolaan 76, 2) De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 1000 BRUSSEL, Waterloolaan 76, geïntimeerden, vertegenwoordigd door Meester Saskia BEECKMANS, advocaat te 1080 BRUSSEL, Mettewielaan 49 bus 10,
- De procedure In dit arrest oordeelt het hof over het hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 3 februari
- De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder art. 24, zijn nageleefd. Het arrest wordt gewezen na tegenspraak. D'HOOGHE, curator van de BVBA SINOFOS, is regelmatig opgeroepen met toepassing van artikel 751 van het Gerechtelijk Wetboek voor de zitting van 23 december 2005, waar ze is uitgesteld naar de zitting van 25 november 2008, waar ze is gepleit en in voortzetting gesteld naar de zitting van 23 maart 2009, waar ze in beraad is genomen. Partijen verklaren dat het vonnis niet werd betekend. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld.
- De feiten De eerste rechter heeft de relevante feiten weergegeven als volgt: " Bij processen-verbaal van 20.05.2000, opgesteld door de Rijkswacht van Sint-Niklaas, werd vastgesteld dat de Heer V. en de BVBA SINOFOS inbreuken hebben gepleegd op art. 2§1 lid 1 van de Wet op de bewakingsondernemingen van 10 april
- De verbalisanten hebben vastgesteld dat de Heer V. en de BVBA SINOFOS een interne bewakingsdienst organiseerden in de dancing "het Syndroom", te Sint-Niklaas, in strijd met art. 2§1 lid 1 van de Wet, dat stelt dat niemand een interne bewakingsdienst mag organiseren indien hij daartoe vooraf geen vergunning heeft gekregen van de Minister van Binnenlandse Zaken en na advies van de Minister van Justitie. Op 20 mei 2000 werden de processen-verbaal verzonden aan de Procureur des Konings te Dendermonde. Na het verstrijken van de periode van 1 maand waarbinnen de Heer Procureur des Konings de toepasselijkheid van art. 18 en 19 van de wet van 10 april 1990 dient te onderzoeken en de kwalificatie van de feiten die het voorwerp uitmaken van het proces-verbaal, werd de procedure tot het opleggen van een administratieve geldboete, zoals zij bepaald wordt door het Koninklijk Besluit van 17.12.1990, in werking gesteld. De Heer V. en de BVBA SINOFOS werden met aangetekend schrijven van 25.07.2000 op de hoogte gesteld van het feit dat de ambtenaar, belast met het opleggen van de administratieve geldboete, van oordeel is dat er reden is om een administratieve geldboete op te leggen. Ter informatie werd in bijlage een kopie van bovenvermeld proces-verbaal overgemaakt. In datzelfde schrijven werd eveneens de mogelijkheid kenbaar gemaakt om verweermiddelen aan te brengen per aangetekend schrijven, binnen een termijn van 30 dagen. Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde op 24 oktober 2000, stelden de Heer V. en de BVBA SINOFOS beroep in tegen de genoemde PV's, en met tussenvonnis van 14 maart 2001 heeft de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde de verzending van de zaak naar deze rechtbank bevolen. Ondertussen hadden de Directeur-Generaal en de Belgische Staat op 27 december 2000 een eigen verzoekschrift tot invordering van een administratieve geldboete ingediend bij deze rechtbank. "
- Het onderwerp van de vordering 3.
- Voor de eerste rechter vorderden geïntimeerden vast te stellen dat de procedure tot het opleggen van een administratieve geldboete ingesteld ten aanzien van V. en SINOFOS regelmatig gevolgd werd, en de BELGISCHE STAAT te machtigen tot de onmiddellijke invordering van 1.859,20 EUR (75.000 BEF), tegen V. en SINOFOS, in solidum, plus de wettelijke interesten vanaf 29 oktober 2000, zijnde 30 dagen na de ontvangst van het aangetekend schrijven van 29 september 2000, plus de gerechtelijke interesten. V. en SINOFOS vroegen daarentegen vast te stellen dat zij geen inbreuk hadden gepleegd op art. 2§1 lid 1 van de Wet op de bewakingsondernemingen van 10 april 1990, en de vordering tot invordering ongegrond te verklaren. 3.
- De eerste rechter verklaarde de vordering van geïntimeerden gegrond en verklaarde het beroep van V. en SINOFOS ongegrond, en machtigde de BELGISCHE STAAT tot de gevraagde invordering. 3.
- In hoger beroep hernemen V. en SINOFOS hun oorspronkelijke vordering en verweer. C. en de BELGISCHE STAAT concluderen tot de niet-ontvankelijkheid, minstens de ongegrondheid van het hoger beroep.
- De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen 4.
- De ontvankelijkheid van het hoger beroep Voor zover als nodig merkt het hof op dat de waarde van de vordering (met inbegrip van de vergoedende intresten) het bedrag van 1.860,00 EUR, bepaald in artikel 917 van het Gerechtelijk Wetboek, overschrijdt. C. en de BELGISCHE STAAT werpen op dat het hoger beroep niet ontvankelijk is, gelet op artikel 19 §5 van de Wet tot regeling van de private en bijzondere veiligheid , dat bepaalt: "Degene aan wie een administratieve geldboete werd opgelegd of de burgerrechtelijk aansprakelijke persoon kan binnen de door de Koning bepaalde termijn voor de betaling van de geldboete bij verzoekschrift voor de rechtbank van eerste aanleg te Brussel de toepassing van de administratieve geldboete betwisten. Dit beroep schorst de uitvoering van de beslissing. (...) Tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg is geen hoger beroep mogelijk." Het laatst vermelde lid werd ingevoegd bij wet van 27 december 2004, met inwerkingtreding op 10 J.uari
- C. en de BELGISCHE STAAT beroepen zich op artikel 3 van het Gerechtelijk Wetboek, dat bepaalt: "De wetten op de rechterlijke organisatie, de bevoegdheid en de rechtspleging zijn van toepassing op de hangende rechtsgedingen, zonder dat die worden onttrokken aan de instantie van het gerecht waarvoor zij op geldige wijze aanhangig zijn, en behoudens de uitzonderingen bij de wet bepaald." Zij onderlijnen het zinsdeel "van toepassing op de hangende rechtsgedingen", maar V. wijst terecht op het daarop volgende zinsdeel "zonder dat die worden onttrokken aan de instantie van het gerecht waarvoor zij op geldige wijze aanhangig zijn". De geldigheid van het aanhangig gemaakt zijn, dat is de ontvankelijkheid van het hoger beroep, wordt beoordeeld volgens de regels die gelden op het ogenblik van het instellen van dat beroep. Er anders over oordelen zou aan de wijziging van artikel 19 van de Wet tot regeling van de private en bijzondere veiligheid een retroactieve werking verlenen. Uit niets blijkt dat dit de wil van de Wetgever is geweest, en in onze rechtsorde kan zulks niet vermoed worden. Op het ogenblik van het instellen van het hoger beroep, 10 april 2003, was het vonnis van de eerste rechter vatbaar voor hoger beroep, en dus is huidig hoger beroep ontvankelijk. 4.
- De grond van het hoger beroep X. voert onder meer aan dat hij niet de uitbater was van de dansgelegenheid en dat niet blijkt dat hij de organisator was van een bewakingsdienst. C. en de BELGISCHE STAAT antwoorden dat het pv van 20 mei 2000 nochtans vermeldt dat X. de verantwoordelijke is, en dat hij dat ook verklaarde ten aanzien van de verbalisanten. De verklaringen van de verbalisanten zijn uiteraard alleen bewijskrachtig met betrekking tot wat zij zelf vaststellen, en niet met betrekking tot de juridische kwalificatie van de feiten. Dat X. ten aanzien van de verbalisanten verklaarde dat hij de verantwoordelijke was van de BVBA SINOFOS, betekent niet dat hij verklaarde dat hij de organisator was van fuiven of van een bewakingsdienst; de zaakvoerder van de bvba is inderdaad de "verantwoordelijke" van de bvba. Het kan X., een elektricien van opleiding, niet ten kwade geduid worden dat hij zich ten aanzien van de verbalisanten niet op een juridisch-technisch adequatere wijze heeft uitgedrukt. Uit het pv blijkt dat een bewakingsdienst was ingericht, op het ogenblik van de vaststellingen bestaande uit M. A.. De diensten van die laatste strekten tot beveiliging van de dansinrichting, en werden geleverd aan de uitbater van de dansinrichting, dit is de BVBA SINOFOS. Het is in beginsel de vennootschap die verbintenissen aangaat, en het gaat niet op de juridische fictie van de vennootschap, die wordt gerespecteerd op verbintenisrechtelijk, sociaalrechtelijk en fiscaal vlak, te negeren voor de toepassing van de Wet tot regeling van de private en bijzondere veiligheid. Artikel 19 §5 van de wet tot regeling van de private en bijzondere veiligheid bepaalt inderdaad dat de administratieve boete kan worden opgelegd "aan elke natuurlijke of rechtspersoon, die de bepalingen van de wet of haar uitvoeringsbesluiten niet naleeft", en in deze gebeurt de inbreuk van het inrichten van een bewakingsonderneming door de vennootschap. Artikel 19, §5, 4de lid bepaalt weliswaar: "De in artikel 1 bedoelde natuurlijke personen of rechtspersonen zijn burgerrechtelijk aansprakelijk voor het betalen van de administratieve geldboete die aan hun bestuurders, leden van het leidinggevend en uitvoerend personeel, aangestelden of lasthebbers wordt opgelegd." Daaruit volgt echter niet het omgekeerde, dat wil zeggen dat de bestuurders aansprakelijk zijn voor de betaling van de boete die wordt opgelegd aan de vennootschap; een dergelijke doorbraak van de rechtspersoonlijkheid kan niet vermoed worden. Artikel 19, §5, 4de lid doelt op boeten opgelegd aan de bestuurders, leidinggevend personeel etc. in eigen persoon. Zij kunnen immers zelf ook het voorwerp zijn van administratieve geldboeten voor eigen inbreuken op de wet tot regeling van de private en bijzondere veiligheid. Zo omschrijft artikel 5 van de wet de voorwaarden waaraan "de personen die de werkelijke leiding hebben van een onderneming, dienst of instelling, als bedoeld in artikel 1, en de personen die zitting hebben in de raad van bestuur van een onderneming, een instelling of een onderneming die activiteiten uitoefent (...)" moeten voldoen, zoals onder meer niet veroordeeld geweest zijn. Overigens blijkt dat ook C. en de BELGISCHE STAAT van mening waren dat de BVBA SINOFOS gehouden was tot betaling van de administratieve geldboete. De BELGISCHE STAAT heeft de mededeling van het pv en de uitnodiging tot betaling immers gericht aan de BVBA SINOFOS, en enkel "t.a.v. V.". C. en de BELGISCHE STAAT bewijzen dus niet dat X. een inbreuk heeft gemaakt op art. 2§1 lid 1 van de Wet tot regeling van de private en bijzondere veiligheid. Het hoger beroep van X. is dus gegrond. De BVBA SINOFOS daarentegen ontwikkelt in de akte van hoger beroep (zij heeft geen conclusie genomen) geen middelen die het hof kunnen bewegen tot een hervorming van het vonnis. Zij voert aan dat zij alleen een fuifzaal verhuurt en dus geen fuiven organiseert, maar dit is zonder belang; uit de verklaringen van M. A. is duidelijk dat hij verbonden was aan de zaal, in dienst van SINOFOS, die dus een bewakingsdienst inrichtte en leverde (met de verhuurde zaal). Dat A. daarbij in hoofdzaak betaling ontving uit fooien van bezoekers, en dat hij niet in het personeelsregister ingeschreven was, doet daaraan niets af. Hij kon zijn prestaties immers niet alleen leveren als werknemer, maar ook als verhuurder van diensten of aannemer. Het hoger beroep van SINOFOS is dus ongegrond.
- De kosten De partijen vragen voor de rechtsplegingsvergoeding de toepassing van het basisbedrag. Met toepassing van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 bedraagt dat basisbedrag gelet op de waarde van de vordering 400,00 EUR. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep van appellante SINOFOS ontvankelijk maar ongegrond. Verklaart het hoger beroep van appellant X. ontvankelijk en gegrond, hervormt het vonnis voor zover het oordeelt over de grond van de zaak wat hem betreft, en spreekt opnieuw recht als volgt: Verklaart de vordering van C. en de BELGISCHE STAAT tegen X. ongegrond, en verklaart het verzet van X. gegrond, en verklaart dat hij niet gehouden is tot betaling van de bij deze door C. en de BELGISCHE STAAT ingevorderde administratieve geldboete. Het veroordeelt C. en de BELGISCHE STAAT tot de betaling van de kosten van het hoger beroep van appellant X., begroot op euro 586 (186 rolrecht + 400 rechtsplegingsvergoeding). En laat SINOFOS in de door haar gemaakte kosten. Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 7/4/09 waar aanwezig waren en zitting hielden : Astrid DE PREESTER, Raadsheer d.d. Voorzitter, Evrard J.SSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer, M. DEBAERE, Raadsheer, Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS M. DEBAERE E. J.SSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div