← België

ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090407.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 07 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090407.2 Rolnummer: 2006AR2884 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-04-22 Raadplegingen: 86 - laatst gezien 2026-07-02 19:32 Fiche De eerste rechter heeft terecht geoordeeld dat het voetpad waarin een tegel los lag dan wel ontbrak (dat maakt geen verschil) waarover geïntimeerde kon vallen een gebrekkige zaak is, en dat appellante (Stad Leuven) daarvan de bewaarder is en dus moet instaan voor de daardoor veroorzaakte schade (artikel 1384, 1ste lid van het Burgerlijk Wetboek). De overwegingen van appellante met betrekking tot haar wettelijke verplichting als gemeente met betrekking tot het onderhoud van de wegen begrepen als inspanningsverbintenis en de toepassing van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek doen daaraan niets af. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Dieren Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Art. 1384, 1° B.W. Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2009/ A.R. nr. 2006/AR/2884 INZAKE VAN : De STAD LEUVEN, vertegenwoordigd door haar College van Burgemeester en Schepenen, waarvan de burelen gevestigd zijn in het stadhuis te Leuven, Grote Markt appellant tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 22 maart 2006, vertegenwoordigd door Meester Paul VANVAECK loco Meester Bert BEELEN, advocaat te 3000 LEUVEN, Justus Lipsiusstraat 24, 1ste kamer TEGEN : Mevrouw E. V., geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Dirk BOGAERTS loco Meester Leonce ERALY, advocaat te 3150 HAACHT, Provinciesteenweg 11,

  1. De procedure In dit arrest oordeelt het hof over het hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven van 22 maart
  2. De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder art. 24, zijn nageleefd. Het arrest wordt gewezen na tegenspraak. Partijen verklaren dat het vonnis niet werd betekend. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld.
  3. De feiten De eerste rechter heeft de relevante feiten correct en volledig weergegeven als volgt: " Eiseres, zijnde een studente op kot te Leuven, stelt dat zij op 25.1.1999 in de Tiensestraat te Leuven ten val kwam over een oneffenheid in het voetpad waardoor zij werd gekwetst aan de voet; Uit een medisch attest gehecht aan het strafdossier blijkt dat zij zich op 26.1.1999 aanbood in het Heilig Hart ziekenhuis waar een trauma aan de linkervoet werd vastgesteld en dat een gips werd aangelegd; Op 8.2.1999 deed zij aangifte van de feiten aan de politie; In het p.v. is verkeerdelijk vermeld dat het schadegeval plaats vond op 8.2.1999 want dat is de datum waarop eiseres aangifte deed; Het P.V. zelf werd opgesteld op 21.2.1999; In haar verklaring stelde eiseres dat zij haar linkervoet omsloeg op het trottoir tengevolge van het ontbreken van een dalsteen in het trottoir ter hoogte van frituur Jan; Zij kon zich nog op eigen beweging begeven naar haar kotadres een 100-tal meter verder waarop zij een arts op huisbezoek liet komen die een verband aanlegde en adviseerde om ‘s anderendaags naar het ziekenhuis te gaan; De politie verwittigde de bevoegde diensten van de stad Leuven en er werd diezelfde dag nog een herstelling uitgevoerd; Door de bevoegde ambtenaar werd op 24.2.1999 een verklaring afgelegd dat was vastgesteld dat er ter hoogte van de frituur Jan enkele betontegE. los lagen,dat dit werd hersteld op 23.2.1999,dat men er niet van op de hoogte was voor de politiemelding; "
  4. Het onderwerp van de vordering 3.
  5. Voor de eerste rechter vorderde geïntimeerde de veroordeling van appellante tot de betaling aan haar van 619,73 EUR provisioneel op een vordering van 2.478,94 EUR, en de aanstelling van een geneesheer deskundige. Appellante concludeerde tot de ongegrondheid van de vordering. 3.
  6. De eerste rechter verklaarde de vordering van geïntimeerde gedeeltelijk gegrond en veroordeelde appellante tot betaling aan geïntimeerde van een provisie van 250,00 EUR en stelde dokter BROUWERS aan met een gebruikelijke opdracht met betrekking tot de menselijke schade. 3.
  7. In hoger beroep herneemt appellante haar oorspronkelijk verweer; geïntimeerde concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep.
  8. De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen Ten onrechte betwist appellante de beoordeling van de eerste rechter met betrekking tot het bewijs van de feiten. Uit de medische getuigschriften, de aangifte en de verklaring van appellante zelf met betrekking tot de herstelling van het voetpad heeft de eerste rechter terecht afgeleid dat geïntimeerde inderdaad op 25 januari 1999 is gevallen als gevolg van een breuk in het voetpad. Het verloop van tijd tussen de val en de aangifte, of het gebrek aan getuigen van de val zelf vormen geen weerlegging. Even ten onrechte betwist appellante haar aansprakelijkheid. De eerste rechter heeft terecht geoordeeld dat het voetpad waarin een tegel los lag dan wel ontbrak (dat maakt geen verschil) waarover geïntimeerde kon vallen een gebrekkige zaak is, en dat appellante daarvan de bewaarder is en dus moet instaan voor de daardoor veroorzaakte schade (artikel 1384, 1ste lid van het Burgerlijk Wetboek). De overwegingen van appellante met betrekking tot haar wettelijke verplichting als gemeente met betrekking tot het onderhoud van de wegen begrepen als inspanningsverbintenis en de toepassing van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek doen daaraan niets af. Appellante suggereert nog het bestaan van een eigen fout van geïntimeerde, maar daarvoor is er geen enkele aanwijzing. Appellante meent dat een provisionele vergoeding van 0,01 EUR volstaat (in het petitum van haar conclusie lijkt dat een definitief bedrag en geen provisioneel), maar de provisie van 250,00 EUR die de eerste rechter heeft toegekend is in verhouding tot de waarschijnlijke schade op grond van de voorgelegde stukken. Het blijkt immers dat geïntimeerde een week een gipsverband heeft moeten dragen. Er is geen reden om niet een deskundige aan te stellen om advies te verlenen over de menselijke schade die geïntimeerde beweert te hebben geleden.
  9. De kosten De partijen verklaren ter zitting dat zij voor de rechtsplegingsvergoeding de toepassing vragen van het basisbedrag. Met toepassing van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 bedraagt dat basisbedrag gelet op de waarde van de vordering 150,00 EUR. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep van appellante ontvankelijk maar ongegrond, en zendt de zaak terug naar de eerste rechter met toepassing van artikel 1068, 2de lid van het Gerechtelijk Wetboek. Veroordeelt appellante tot de kosten van het hoger beroep, begroot in hoofde van haarzelf op euro 336 (186 rolrecht + 150 rechtsplegingsvergoeding), en in hoofde van geïntimeerde op euro 150 rechtsplegingsvergoeding . Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 7/4/09 waar aanwezig waren en zitting hielden : Astrid DE PREESTER, Raadsheer d.d. Voorzitter, Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer, Marc DEBAERE, Raadsheer, Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS M. DEBAERE E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.