id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 07 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090407.3 Rolnummer: 2007AR1745 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-04-22 Raadplegingen: 115 - laatst gezien 2026-07-02 19:32 Fiche I. De eigenaar van een onroerend goed die door een niet - foutief feit het evenwicht tussen de rechten van naburige eigenaars verbreekt, door het opleggen aan de naburige eigenaar van een stoornis die de maat van de gewone buurschapsnadelen overschrijdt, is hem een rechtmatige en passende compensatie verschuldigd, waardoor het verbroken evenwicht hersteld wordt. Uit het P.V. van vaststelling van de schade opgesteld op 21 januari 2003 en dit op tegensprekelijke wijze tussen Bomat en J. C. blijkt dat de schade te wijten is aan bouwwerken uitgevoerd in opdracht van Bomat. Het P.V. vermeldt verder dat enkel nog de aansprakelijkheid dient bepaald te worden. Het uitvoeren van afbraakwerken waardoor een aanpalende woning niet meer wind - en waterdicht wordt achtergelaten, maakt een verstoring uit van het evenwicht tussen de rechten van naburige eigenaars die de maat van de gewone buurschapsnadelen overschrijdt. Deze hinder werd veroorzaakt door een daad, een verzuim of een gedraging van B. die haar toegerekend kan worden. Artikel 544 B.W. is in deze dan ook van toepassing. II. De toepassing van artikel 544 B.W. geeft aan de schadelijdende nabuur een recht op compensatie. De vergoeding waarop deze nabuur recht heeft, verschilt hierin dat hij geen recht heeft op een algehele schadeloosstelling zoals dat het geval is bij toepassing van artikel 1382 e.v. B.W. Enkel de abnormale burenhinder komt immers in aanmerking voor vergoeding. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ZAKELIJKE RECHTEN - Hinder - Burenhinder Vrije woorden: Art. 544 B.W. Abormale burenhinder. Bepaling. Waterschade ingevolge waterinsijpelingen. Vergoeding van de schade: criteria en omvang. Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2009/ A.R. nr. 2007/AR/1745 INZAKE VAN : 1) De heer J. C., 2) De heer P. C., appellanten tegen een vonnis uitgesproken door rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 17 april 2007, vertegenwoordigd door Meester K. DE SAEDELEER loco Meester Geert DE CUYPER, advocaat te 1731 ZELLIK, Noorderlaan 30 1ste kamer TEGEN : De B.V.B.A. BOMAT, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 9400 NINOVE, Pamelstraat Oost 388, ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen onder het nummer 60.778, ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 0421.331.970, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester M. REYNAERT, advocaat te 1000 BRUSSEL, Terkamerenlaan 33 bus 8, IN AANWEZIGHEID VAN : 1) De heer J. B., 2) De naamloze vennootschap AXA BELGIUM, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 1170 BRUSSEL, Vorstlaan 25, opgeroepen partij, vertegenwoordigd door Meester Fr. KESTELOOT loco Meester P.pe DAIVE, advocaat te 1200 BRUSSEL, A.J. Slegerslaan 65/3, Gelet op de procedurestukken: · het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 17 april 2007, beslissing waarvan geen akte van betekening wordt overgelegd; · het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 26 juni 2007; · de conclusie van geïntimeerden sub 2 en 3 neergelegd ter griffie op 22 oktober 2007; · de conclusie van appellanten neergelegd ter griffie op 20 november 2007; · de syntheseconclusie van geïntimeerde sub 1 neergelegd ter griffie op 11 januari 2008. Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 9 maart 2009 en gelet op de stukken die zij neerlegden. I. Voorwerp van de vorderingen. 1.1. De oorspronkelijke eis van appellanten strekte ertoe de BVBA Bomat, huidige geïntimeerde sub 1, te horen veroordelen tot betaling van een bedrag van 2.931,62 euro , plus de vergoedende intresten vanaf 30 december 2001 en de gerechtelijke intresten. In een latere conclusie werd voornoemd bedrag nog enkel geëist door de heer J. C., eerste appellant en werd niets meer gevorderd door de heer P. C., tweede appellant. 1.2. De BVBA Bomat ging hierna over tot het dagvaarden in tussenkomst ‘gemeenverklaring' en vrijwaring van de heer B., huidige geïntimeerde sub 2. Axa, huidige geïntimeerde sub 3, kwam vrijwillig tussen in het geding. In een latere conclusie zal de BVBA Bomat vragen dat ook Axa haar zou vrijwaren. 1.3. De eerste rechter heeft
(1)vastgesteld dat de heer P. C. niets meer vorderde,
(2)de vordering ingesteld door de heer J. C. ontvankelijk doch ongegrond verklaard en
(3)de vordering in vrijwaring van Bomat tegen B. en Axa ontvankelijk doch ongegrond verklaard (in het motiverend gedeelte van het bestreden vonnis wordt deze vordering zonder voorwerp verklaard). 1.
- Het hoger beroep van appellanten beoogt in hoofdorde de toekenning te horen bekomen van de oorspronkelijke vordering t.a.v. de heer J. C.. In ondergeschikte orde wordt gevraagd, vooraleer uitspraak te doen ten gronde, Bomat te verplichten, overeenkomstig artikel 877 Ger.W., de werfverslagen alsmede de aantekeningen van de architect aangaande de bouw - en afbraakwerken die zij in haar bezit heeft neer te leggen. 1.
- Alle geïntimeerden vragen de bevestiging van het bestreden vonnis. Ondergeschikt vraagt Bomat de heer B. en Axa te veroordelen om haar te vrijwaren ingeval zij aansprakelijk wordt geacht. Er wordt niet meer aangedrongen wat de ‘gemeenverklaring' betreft. II. De Feiten. 2.
- De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis. 2.
- Samengevat komt het hierop neer dat de heer J. C. sedert 2004 eigenaar is van een woonhuis gelegen te Schepdaal, Markt 7 alwaar tevens een schrijnwerkersatelier is gevestigd. Voorheen (vanaf 1992) was deze woning de onverdeelde naakte eigendom van J. C., zijn moeder en zijn zuster en huurde hij het atelier. P. C. is de zoon van J. C. en beiden baten samen de schrijnwerkerij uit. De BVBA Bomat is eigenares van het aanpalend perceel en liet hierop een nieuwbouw oprichten. In de periode december 2001 - januari 2002, d.i. vóór de aanvang van die nieuwbouw, - werd eerst een oud gebouw - gelegen tegen de schrijnwerkerij - afgebroken. Appellanten houden voor dat ingevolge deze afbraakwerken zich in december 2001 en januari 2002 waterschade voordeed in het atelier. Hieromtrent legde de heer J. C. klacht neer bij de politie van Dilbeek op 28 januari
- Deze afbraakwerken werden uitgevoerd door de heer B., geïntimeerde sub
- Axa, geïntimeerde sub 3, is de verzekeraar B.A. uitbating en B.A. na levering van de heer B.. De opgelopen schade werd tegensprekelijk - d.i. tussen Bomat en C. - vastgesteld op 2.931,62 euro maar er kon geen regeling worden getroffen aangaande de aansprakelijkheid. III. Wat de ontvankelijkheid betreft van het hoger beroep: 3.
- P. C. vroeg in eerste aanleg, op het ogenblik dat de zaak in beraad werd genomen, niets meer. Hiervan werd hem akte verleend in het bestreden vonnis. 3.
- In hoger beroep stelt P. C. evenmin enige vordering in. Niettemin stelde hij hoger beroep in tegen het bestreden vonnis. 3.
- Het hoger beroep ingesteld door P. C. is bijgevolg niet ontvankelijk bij gebrek aan enig belang in zijne hoofde. Het hoger beroep ingesteld door J. C. is integendeel tijdig en regelmatig ingesteld en is derhalve wel ontvankelijk. IV. Beoordeling: 4.
- De heer J. C. wijt de waterschade aan volgende feiten: - ingevolge de afbraakwerken van het oude pand en de grondwerken zou er bij het dumpen van een regenwaterput plots water zijn weggevloeid en zich via zijn atelier een weg hebben gezocht; - door het onvoldoende afdekken van de opening van het dak, zou, na de afbraak van het naast liggende pand, water zijn binnengesijpeld in zijn atelier. Hij acht Bomat hiervoor aansprakelijk en vraagt vergoeding van de schade enerzijds op grond van artikel 1382 - 1383 B.W. en anderzijds op grond van artikel 544 B.W. Tegen de heer B. en diens verzekeraar stelt hijzelf geen vordering in. 4.
- Het behoort aan J. C. het bewijs te leveren dat Bomat, als eigenaar van het naast gelegen pand, een fout heeft begaan in noodzakelijk oorzakelijk verband met de door hem opgelopen schade. De afbraakwerken werden uitgevoerd door aannemer B. en de bouwheer kan niet aansprakelijk gesteld worden voor eventuele fouten begaan door de aannemer tijdens de uitvoering van de werken. J. C. stelt zelf in zijn conclusie dat de schade duidelijk het gevolg is van de gerealiseerde bouwwerken, de voorafgaande afbraakwerken en het ontbreken van een efficiënte bescherming van de vrijgekomen muur waardoor waterinfiltratie mogelijk was . Dit alles maken mogelijke tekortkomingen uit in hoofde van aannemer B. tegen wie J. C. echter geen vordering heeft ingesteld. 4.
- J. C. bewijst derhalve niet dat Bomat een fout zou hebben begaan. Het bestreden vonnis wordt derhalve bevestigd in zoverre hierin de vordering ongegrond wordt verklaard gericht tegen de bouwheer op grond van artikel 1382 e.v. B.W. 4.
- J. C. richt zich tevens tegen de bouwheer op grond van artikel 544 B.W. (= burenhinder). De eigenaar van een onroerend goed die door een niet - foutief feit het evenwicht tussen de rechten van naburige eigenaars verbreekt, door het opleggen aan de naburige eigenaar van een stoornis die de maat van de gewone buurschapsnadelen overschrijdt, is hem een rechtmatige en passende compensatie verschuldigd, waardoor het verbroken evenwicht hersteld wordt. Uit het P.V. van vaststelling van de schade opgesteld op 21 januari 2003 en dit op tegensprekelijke wijze tussen Bomat en J. C. blijkt dat de schade te wijten is aan bouwwerken uitgevoerd in opdracht van Bomat. Het P.V. vermeldt verder dat enkel nog de aansprakelijkheid dient bepaald te worden. Uit een foto neergelegd door C. blijkt verder dat ingevolge de afbraakwerken een brede spleet tevoorschijn kwam tussen de muur en het dak dat niet werd afgesloten zodat door die spleet vanzelfsprekend water kon infiltreren in de schrijnwerkerij. De oorzaak van de schade staat bijgevolg vast. Het uitvoeren van afbraakwerken waardoor een aanpalende woning niet meer wind - en waterdicht wordt achtergelaten, maakt een verstoring uit van het evenwicht tussen de rechten van naburige eigenaars die de maat van de gewone buurschapsnadelen overschrijdt. Deze hinder werd veroorzaakt door een daad, een verzuim of een gedraging van Bomat die haar toegerekend kan worden. Artikel 544 B.W. is in deze dan ook van toepassing. 4.
- De toepassing van artikel 544 B.W. geeft aan J. C. een recht op compensatie. De vergoeding waarop J. C. recht heeft, verschilt hierin dat hij geen recht heeft op een algehele schadeloosstelling zoals dat het geval is bij toepassing van artikel 1382 e.v. B.W. Enkel de abnormale burenhinder komt immers in aanmerking voor vergoeding. Deze compensatie wordt in alle redelijkheid begroot op 2.000 euro . 4.
- Bomat stelt een vordering in vrijwaring in tegen B. en Axa. Zij verwijt aannemer B. op onzorgvuldige wijze de aannnemingsovereenkomst te hebben uitgevoerd en bijgevolg de werken niet te hebben uitgevoerd volgens de regels van de kunst. De aannemer kan weliswaar niet aansprakelijk gesteld worden op grond van artikel 544 B.W. voor de schade aan een nabuur maar hij is wel gehouden de eigenaar - bouwheer te vrijwaren wanneer hij door zijn persoonlijke fout (contractueel of buitencontractueel), bij het uitvoeren van bouwwerken, voor de eigenaar - bouwheer de verplichting heeft meegebracht een compenserende vergoeding te betalen. Uit de neergelegde foto blijkt afdoend dat tussen het dak en de muur waarop dat dak rust van het atelier van C. een meer dan grote spleet voorkomt die alleen kan zijn ontstaan doordat het aanpalende gebouw - dat ertegen leunde - werd afgebroken. In dergelijke omstandigheden behoorde het aan een aannemer, die de afbraakwerken uitvoerde, om de nodige (voorlopige) voorzorgsmaatregelen te nemen teneinde waterinsijpelingen te voorkomen in afwachting van een meer definitieve oplossing. 4.
- Het bestreden vonnis wordt dan ook hervormd in zoverre hierin de vordering gericht tegen Bomat en gestoeld op artikel 544 B.W. ongegrond wordt verklaard en in zoverre hierin de vordering in vrijwaring van de bouwheer tegen de aannemer en diens verzekeraar ongegrond/zonder voorwerp wordt verklaard. Alle overige door partijen aangevoerde middelen zijn niet ter zake dienend in het licht van wat voorafgaat. 4.
- Alle partijen hebben ter zitting van 9 maart 2009 om de toepassing gevraagd van het basistarief wat de rechtsplegingsvergoeding betreft. Terecht hebben zij deze begroot op 650 euro gelet op de omvang van de in de laatste conclusie ingestelde vordering. M.b.t. de vordering tussen J. C. en Bomat komt dit bedrag toe aan J. C. als de in het gelijk gestelde partij. De heer B. en Axa dienen Bomat te vrijwaren ook m.b.t. de gerechtskosten. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep ingesteld door P. C. niet ontvankelijk. Verklaart het hoger beroep ingesteld door J. C. ontvankelijk en gegrond zoals hierna bepaald. Hervormt het bestreden vonnis, behoudens in zoverre hierin de oorspronkelijke vordering ontvankelijk werd verklaard en de kosten begroot werden, en opnieuw recht sprekende voor het overige. Verklaart de oorspronkelijke vordering ingesteld door J. C. gedeeltelijk gegrond. Veroordeelt de BVBA. Bomat om te betalen aan de heer J. C. het bedrag van TWEEDUIZEND EURO (2.000 euro ) plus de vergoedende intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf 13 mei 2004, datum van de dagvaarding, tot op de datum van huidig arrest, waarna vermeerderd met de gerechtelijke intresten aan dezelfde intrestvoet. Veroordeelt J. B. en de NV Axa Belgium om de BVBA Bomat te vrijwaren voor alle bedragen in hoofdsom, intresten en kosten waartoe zij veroordeeld wordt. Laat de kosten van de heer P. C. ter zijner laste. Veroordeelt de B.V.B.A. Bomat in de kosten van beide aanleggen, deze van het hoger beroep begroot - in hoofde van J. C. op euro 836 ( 186 rolrecht + 650 rechtsplegingsvergoeding), - in hoofde van BVBA Bomat op euro 650 rechtsplegingsvergoeding, en - in hoofde van J. B. en NV Axa Belgium op euro 650 rechtsplegingsvergoeding. Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 7/4/09 waar aanwezig waren en zitting hielden : Astrid DE PREESTER, Raadsheer d.d. Voorzitter, Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer, Marc DEBAERE, Raadsheer, Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS M. DEBAERE E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div