← België

ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090427.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 27 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090427.1 Rolnummer: 2006AR2678 Rechtsgebied: Overige - Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-04-28 Raadplegingen: 89 - laatst gezien 2026-07-02 19:38 Fiche I. Artikel 154 Vlaams Decreet 18 mei 1999houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening bepaalt dat de opheffing van de maatregel kan gevorderd worden 'in kort geding'. Deze wetsbepaling vormt een voldoende grond voor de bevoegdheid van de kort gedingrechter, zodat de vermelding van spoedeisendheid in de gedinginleidende akte overeenkomstig artikel 584 van het Gerechtelijk Wetboek niet bijkomend vereist is. II. De rechter die kennis neemt van de vordering tot opheffing van het bevel tot staking van artikel 154 van het voormeld Decreet beslist ten gronde over die opheffing . Hij oordeelt dus zoals in kort geding. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Materiële bevoegdheid - Voorzitter rechtbank - Kort geding (bevoegdheid voorzitter) GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Materiële bevoegdheid - Voorzitter rechtbank - Bijzondere gevallen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Inbreuken en sancties - Andere Vrije woorden: Procedure 'zoals in kortgeding' Artikel 154 van het Vlaams decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening. Bevoegdheid van de voorzitter ztelende zoals in kortgeding. Uitspraak ten gronde over de opheffing van een bevel tot staking. Vermelding van het spoedeisend karakter in de gedinginleidende akte: niet vereist bij toepassing van art. 154 DORO. Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 18-05-1999 - Artikel 154 Gerechtelijk Wetboek - 18-05-1999 - Artikel 584 Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2009/ A.R. nr. 2006/AR/2678 Decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening - kort geding - opheffing bevel tot staking INZAKE VAN : 1) De naamloze vennootschap BEERSEL TRADING PARC, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 1651 LOT, Jozef Huysmanslaan 107, ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 0466.875.549, 2) Mevrouw R. V., appellanten tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 10 augustus 2006, vertegenwoordigd door Meester Koenraad VAN DE SYPE loco meester Wim DE CUYPER, advocaat te 9100 SINT-NIKLAAS, Vijfstraten 57, 1ste kamer TEGEN : Het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, in de persoon van de Vlaamse Minister van Financiën, Begroting en Ruimtelijke Ordening, waarvan het kabinet gevestigd is te 1210 BRUSSEL, Koning Albert II-laan 19, 1ste verdieping, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Philippe DECLERCQ, advocaat te 3000 LEUVEN, Minckelersstraat 33,

  1. De procedure In dit arrest oordeelt het hof over het hoger beroep tegen een vonnis van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 10 augustus
  2. De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder art. 24, zijn nageleefd. Het arrest wordt gewezen na tegenspraak. Partijen verklaren dat het vonnis niet werd betekend. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld.
  3. De feiten De eerste rechter heeft de relevante feiten correct en volledig weergegeven als volgt: " Op 2 mei 2006 werd door de stedenbouwkundig ambtenaar van de gemeente Beersel mondeling de stopzetting gelast van de bouwwerken en handelingen op het perceel gelegen te Lot, Huysmanslaan 107, waarop de nv Beersel Trading Parc een handel in tweedehandswagens uitbaat. Op dezelfde datum werd een proces-verbaal van vaststelling nr. 01/2006 opgesteld. De aangevoerde wederrechtelijke handelingen bestaan uit: · het exploiteren van een automarkt op de buitenruimte bij het bestaande bedrijfsgebouw, en · het aanbrengen van signalisatie en reclameborden. Op 5 mei 2006 bekrachtigde de gewestelijke stedenbouwkundig inspecteur het ter plaatse mondeling gegeven bevel tot stopzetting van de werken/handelingen in toepassing van artikel 154 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening. "
  4. Het onderwerp van de vordering 3.
  5. Voor de eerste rechter vorderden appellanten de opheffing van het bevel. Ondergeschikt vroegen ze hen akte te verlenen van hun aanbod om de handel in zone C achterwege te laten, en de opheffing van het bevel te bevelen wat dat betreft. Het VLAAMSE GEWEST concludeerde tot de ongegrondheid van de vordering. 3.
  6. De eerste rechter verklaarde zich onbevoegd om kennis te nemen van de vordering. 3.
  7. In hoger beroep hernemen appellanten hun oorspronkelijke vordering. Het VLAAMSE GEWEST concludeert tot de onbevoegdheid van het hof, en de niet-ontvankelijkheid van de vordering.
  8. De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen 4.
  9. De beslissing van de eerste rechter De eerste rechter besliste op grond van volgende overwegingen. Artikel 154 Decreet houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening bepaalt dat de opheffing van de maatregel kan gevorderd worden "in kort geding", en dat boek II, Titel VI van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing is op de inleiding en de behandeling van de vordering. Daaruit volgt dat voor de bevoegdheid van de kort geding rechter de vermelding van de spoedeisendheid in de dagvaarding vereist is. 4.
  10. Beoordeling 4.2.
  11. De spoedeisendheid Het VLAAMSE GEWEST concludeert naar luid van het petitum van zijn conclusie tot de onbevoegdheid van het hof, maar uit de overwegingen begrijpt het hof dat het middel betrekking heeft op de bevoegdheid van de kort geding rechter. Het hof is uiteraard bevoegd om kennis te nemen van het hoger beroep tegen de beslissing van de kort geding rechter. Artikel 154 Decreet houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening bepaalt inderdaad dat de opheffing van de maatregel kan gevorderd worden "in kort geding". Deze wetsbepaling vormt een voldoende grond voor de bevoegdheid van de kort gedingrechter, zodat de vermelding van spoedeisendheid in de gedinginleidende akte overeenkomstig artikel 584 van het Gerechtelijk Wetboek niet bijkomend vereist is. De vermelding door de decreetgever dat boek II, Titel VI van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing is op de inleiding en de behandeling van de vordering doet daaraan niets af. Het mag aangenomen worden dat de Decreetgever bedoelde boek II, Titel VI van Deel IV (Burgerlijke rechtspleging) van het Gerechtelijk Wetboek. Titel VI, "inleiding en behandeling van de vordering in kort geding", of de artikelen 1035 tot en met 1041 van het Gerechtelijk Wetboek, bevat inderdaad de regels met betrekking tot de inleiding en de behandeling. De decreetgever heeft niet verwezen naar artikel 584 van het Gerechtelijk Wetboek, waarin de spoedeisendheid wel vermeld staat. De rechter die kennis neemt van de vordering tot opheffing van het bevel tot staking van artikel 154 van het Decreet houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening beslist overigens ten gronde over die opheffing . Hij oordeelt dus zoals in kort geding. Overigens staat de vordering tot opheffing van het stakingsbevel van artikel 68 van de Stedenbouwwet van 29 maart 1962, de voorganger (voor het Vlaamse Gewest) van de vordering tot opheffing van artikel 154 Decreet houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, uitdrukkelijk opgenomen in artikel 587, 2° van het Gerechtelijk Wetboek, onder de vorderingen die worden ingesteld "naar de vormen van het kort geding", of "zoals in kort geding." 4.2.
  12. Het rechtmatig belang Het VLAAMSE GEWEST werpt op dat appellanten geen rechtmatig belang hebben omdat hun vordering ertoe strekt een onwettige toestand te laten voortduren. Appellanten vragen de opheffing van een bevel tot staking van het exploiteren van een automarkt op een buitenruimte bij hun bedrijfsgebouw, en het aanbrengen van signalisatie en reclameborden. Zij hebben er voordeel bij indien de opheffing wordt bevolen en zij opnieuw kunnen exploiteren en signalisatie aanbrengen; zij hebben dus een belang in de zin van artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek. Uit niets blijkt a priori dat dit belang onrechtmatig is omdat appellanten onwettig handelen. Het middel van het VLAAMSE GEWEST komt er op neer te zeggen dat de vordering niet ontvankelijk is omdat ze manifest ongegrond is. Appellanten laten terecht gelden dat zij beschikken over een bouwvergunning. Of de toestand of het gebruik waarvan de staking is bevolen in overeenstemming is met die vergunning dan wel onrechtmatig is en het bevel wettig of niet, staat juist ter beoordeling in geval van de vordering tot opheffing. De decreetgever heeft het beroep bij de kort geding rechter van artikel 154 ingericht om die beoordeling toe te laten, zodat het instellen ervan op zich bezwaarlijk kan beschouwd worden als onrechtmatig. 4.2.
  13. De grond Ook met betrekking tot de grond van de vordering voert het VLAAMSE GEWEST aan dat spoedeisendheid een voorwaarde is. Zoals vermeld is er echter geen aanleiding tot toepassing van artikel 584 van het Gerechtelijk Wetboek. Appellanten laten gelden dat het bevel onwettig is omdat het onjuiste kadastrale nummers vermeldt, maar dit is zonder belang. Tussen partijen bestaat immers geen twijfel over welke percelen voorwerp zijn van de vergunning én de vaststellingen. Appellanten stellen dat uit de plannen bij de vergunning niet blijkt dat verkoop niet mogelijk is op een van de parkings. Haar stelling is echter niet verenigbaar met haar stukken. In de verklarende nota bij de aanvraag tot bouwvergunning (stuk 5 van appellanten) beschrijven zij de werken als volgt: "De geplande werken omvatten hoofdzakelijk 2 handelingen: - het herinrichten van de bestaande constructies en infrastructuur als verkoopsruimte voor wagens; - het herinrichten van de bestaande constructies en infrastructuur als bezoekersparking; - het verwezenlijken van een materiële afscheiding tussen beide bovenvermelde ruimten d.m.v. een afsluiting. De percelen zijn momenteel bebouwd met een magazijn of werkplaats. Deze bebouwing wordt niet fundamenteel gewijzigd. Ook aan de verharde oppervlakte rondom wijzigt niet fundamenteel." De werken bestaan dus uit inrichting en scheiding van enerzijds verkoopsruimte en anderzijds bezoekersparking. Op het plan bij de aanvraag (stuk 6 van appellanten) is duidelijk te zien dat de bezoekersparking begint aan de straatzijde, doorloopt aan de zijgevel, tot achteraan het gebouw, waar blijkbaar de verkoopruimte begint. Tussen die twee ruimten staat op het plan de "afsluiting te plaatsen", met poorten voor voetgangers en andere. De bezoekersparking en verkoopruimte volgens het plan bij de vergunning stemmen overeen met respectievelijk zone C en zone B op het plan bij het pv van 2 mei 2006 (stuk 1b van appellanten). De afsluiting die verkoopruimte en bezoekersparking scheidt, loopt op de grens tussen C en B. Uit het bovenstaande volgt dat de verkoop op het gedeelte aangeduid als zone C op het plan bij het pv van 2 mei 2006 niet in overeenstemming is met de bouwvergunning, en de verkoop op zone B wel. Het bevel steunt dus ten onrechte op de veronderstelling dat de verkoop op zone B niet in overeenstemming is met de bouwvergunning, en moet wat dat betreft opgeheven worden. Appellanten beweren dat op zone C geen handel wordt gedreven, omdat de daar gefotografeerde auto's zonder nummerplaat daar zijn geparkeerd in afwachting van ophaling door kopers, of daar zijn geplaatst door leveranciers in afwachting van het binnenbrengen. Dat is echter een gebruik van het terrein voor het stockeren, wat deel uitmaakt van de handel. Appellanten bieden ondergeschikt aan de handel in zone C achterwege te laten en menen dat het bevel wat dat betreft dan moet opgeheven worden, maar dat klopt niet. Indien zij de handel in zone C stopzetten, gedragen zij zich naar het bevel, dat terecht de onverenigbaarheid heeft vastgesteld met de vergunning. Met betrekking tot de signalisatie en de reclameborden houden appellanten voor dat die (gelet op de oppervlakte) niet vergunningplichtig zijn, maar dat is zonder belang. Het hof vermag zich bij zijn toetsing van de wettigheid van het bevel niet in de plaats te stellen van het bestuur en in zijn plaats beslissen dat een werk of handeling of gebruik kan gebeuren zonder vergunning. In deze is er duidelijk een vergunning die bepaalt: "de reclamepanelen die betrekking hebben op de vroegere exploitatie dienen van het gebouw verwijderd. Het aanbrengen van nieuwe reclame of uithangborden op het terrein/gebouw dient het voorwerp uit te maken van een afzonderlijke aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning". Het aanbrengen van signalisatie en reclameborden is dus klaarblijkelijk in strijd met de vergunning (appellanten houden niet voor dat zij een afzonderlijke vergunning hebben gevraagd en verkregen). Anders dan appellanten menen, behoort het hof geen proportionaliteitstoetsing of belangenafweging te voeren, omdat dit een beoordeling uitmaakt van de opportuniteit van het bevel, waarover het hof niet kan oordelen. Appellanten voeren nog aan dat het bevel kennelijk onredelijk is, maar die beweerde onredelijkheid volgt opnieuw uit een belangenafweging.
  14. De kosten De partijen vragen voor de rechtsplegingsvergoeding de toepassing van het basisbedrag. Met toepassing van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 bedraagt dat basisbedrag gelet op de niet waardeerbaarheid van de vordering 1.200,00 EUR. Gelet op de mate waarin partijen onderscheidenlijk in het gelijk en het ongelijk werden gesteld, worden de kosten omgeslagen zoals hieronder bepaald (artikel 1017, 3de lid van het Gerechtelijk Wetboek). OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep van appellanten ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond als volgt; Hervormt de bestreden beslissing en spreekt opnieuw recht als volgt: Verklaart de vordering van appellanten ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond als volgt: Beveelt de opheffing van het bevel tot stopzetting dat op 2 mei 2006 is gedaan door de stedenbouwkundig ambtenaar van de gemeente Beersel met betrekking tot het perceel te 1651 Lot, Jozef Huysmanslaan 107, kadastraal gekend of gekend geweest als sectie C nr. 218 x, voor zover dit betrekking heeft op het deel dat in het plan bij het pv van dezelfde ambtenaar van dezelfde datum is aangeduid als zone B. Veroordeelt het VLAAMSE GEWEST tot de betaling van de helft van de kosten van de beide aanleggen, die in eerste aanleg begroot door de eerste rechter, die van het hoger beroep, in hun geheel, begroot - in hoofde van appellanten op euro 1.386 (186 rolrecht + 1.200 rechtsplegingsvergoeding), en - in hoofde van geïntimeerde op euro 1200 rechtsplegingsvergoeding. Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 27/4/09 waar aanwezig waren en zitting hielden : Astrid DE PREESTER, Raadsheer d.d. Voorzitter, Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer, Marc DEBAERE, Raadsheer, Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS M. DEBAERE E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.