← België

ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090427.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 27 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090427.2 Rolnummer: 2007AR969 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2009-04-28 Raadplegingen: 112 - laatst gezien 2026-07-02 19:38 Fiche I. De logica van de korte termijn van artikel 1648 is dat de verkoper in de mogelijkheid moet gesteld worden om zijn verweer te voeren met betrekking tot beweerde verborgen gebreken, en dat zijn eigen vaststellingen en zijn bewijsvoering niet mogen verhinderd worden door verloop van tijd. Het kan de koper (in casu van een auto) niet ten kwade geduid worden dat hij zijn hoop heeft gesteld in een minnelijke technische oplossing door zijn verkoper/garagist naar wie ook de invoerder hem verwees. II. De bepalingen van de algemene voorwaarden met betrekking tot de verborgen gebreken zijn in casu zonder invloed op de rechten en plichten van partijen uit artikel 1641 en volgende van het Burgerlijk Wetboek. Zij bepalen weliswaar dat de verborgen gebreken moeten gemeld worden binnen de 'kortste termijn', en 'indien nodig, per aangetekend schrijven', maar het blijkt niet dat met die termijn iets anders is bedoeld dan in artikel 1648 van het Burgerlijk Wetboek. Overigens verbindt artikel 10.3 van de algemene voorwaarden ook geen gevolgen aan de vereisten die het stelt. II. Of er werkelijk grond is voor een actio redhibitoria (koopvernietiging) dan wel aestimatoria (prijsaanpassing), hangt af van een beoordeling van feitelijke en technische elementen met betrekking tot de auto. Wanneer de rechter niet op basis van de voorgelegde stukken kan vaststellen of de auto inderdaad ernstige, blijvende en evoluerende gebreken vertoont die verband houden met de werking en de capaciteit van de boordcomputer kan het uiteindelijk wenselijk zijn om een deskundige aan te stellen. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Koop-verkoop - Koopvernietigende gebreken Vrije woorden: Verkoop. Auto. Verborgen gebreken. 'Korte termijn': impact van de tijdspanne van een poging tot het bereiken van een minnelijk akkoord. Onderscheid tussen de vorderingen tot vernietiging van de koop en tot vermindering van de prijs. Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artikel 1648 Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2009/ A.R. nr. 2007/AR/969 INZAKE VAN : De naamloze vennootschap CITROËN BELUX, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 1000 BRUSSEL, Ijzerplein 1, ingeschreven in het handelsregister te Brussel onder het nummer 534.742, ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 04478.813.060, appellante tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 10 januari 2007 vertegenwoordigd door Meester Marijke VANDERHASSELT loco Meester Daniel DE GREVE, advocaat te 1090 JETTE, G. Gilsonstraat 11, 1ste kamer TEGEN : 1) De heer L. F., geïntimeerde, vertegenwoordigd door Marc VANDENBEMPT, advocaat te 3000 LEUVEN, Van Arenbergplein 3, 2) De naamloze vennootschap VAN KELST, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 2223 HEIST-OP-DEN-BERG (Schriek), Schriekstraat 114, ingeschreven in het handelsregister te Mechelen onder het nummer 64.742, ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 0448.813.060, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Pieter WAEGEMANS loco Meester Carl VAN GANSEWINKEL, advocaat te 3000 LEUVEN, Justus Lipsiusstraat 29,

  1. De procedure In dit arrest oordeelt het hof over het hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven van 10 januari
  2. De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder art. 24, zijn nageleefd. Het arrest wordt gewezen na tegenspraak. Partijen verklaren dat het vonnis niet werd betekend. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld.
  3. De feiten Het hof verwijst naar de uitgebreide uiteenzetting van de relevante feiten door de eerste rechter.
  4. Het onderwerp van de vordering 3.
  5. Voor de eerste rechter vorderde F. de ontbinding uit te spreken van de koopovereenkomst, en VAN KELST en CITROËN BELUX te veroordelen, hoofdelijk of in solidum, tot de betaling aan hem van de prijs, 23.623 EUR, en een schadevergoeding van 1.250 EUR, telkens plus de vergoedende intresten daarop. Ondergeschikt vroeg hij VAN KELST en CITROËN BELUX te veroordelen tot "afdoende herstel van al de gebreken aan zijn voertuig", en een deskundige aan te stellen met een welbepaalde opdracht. VAN KELST concludeerde tot de niet-ontvankelijkheid, minstens de ongegrondheid van de vordering. Ondergeschikt vorderde zij CITROËN BELUX te veroordelen om haar te vrijwaren. Ook CITROËN BELUX concludeerde tot de niet-ontvankelijkheid, minstens de ongegrondheid van de vordering. 3.
  6. De eerste rechter verklaarde de vordering van F. ontvankelijk maar ongegrond voor zover gesteund op niet-conforme levering. Hij verklaarde de vordering tot vrijwaring ontvankelijk, en stelde een deskundige aan. 3.
  7. In hoger beroep herneemt CITROËN BELUX haar oorspronkelijk verweer; ondergeschikt vraagt zij, in geval van ontbinding en veroordeling tot teruggave van de prijs, een vergoeding van 25 EUR/dag voor het gebruik door F. van de auto. F. concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep. Bij incidenteel hoger beroep herneemt hij zijn oorspronkelijke vordering. VAN KELST stelt ook incidenteel hoger beroep in en herneemt haar oorspronkelijk verweer.
  8. De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen F. heeft een koopovereenkomst gesloten met VAN KELST. CITROËN BELUX is de invoerder en wellicht de leverancier van VAN KELST, maar zij betwist niet de mogelijkheid op zich van een rechtstreekse vordering van F. op haar. Mogelijk meent zij dat de vordering van VAN KELST is overgedragen aan F. als accessorium van de verkochte zaak. De eerste rechter heeft terecht de vordering verworpen voor zover gesteund op niet conforme levering. Artikel 10.2 van de algemene voorwaarden bepaalt dat protest daarover moet gebeuren binnen tien dagen na levering, wat niet is gebeurd. Belangrijker is dat de feitelijke elementen niet kunnen gekwalificeerd worden als een niet-conformiteit. VAN KELST heeft aan F. geleverd wat hij had gekocht, een auto Citroën C5 met de juiste onderdelen en kenmerken. Dat er vervolgens problemen zouden zijn opgetreden met de werking van delen van de auto doet daaraan niets af. De klachten van F. hebben betrekking op (beweerde) problemen die niet zichtbaar of merkbaar waren bij de levering, en die hun oorzaak zouden vinden in elementen die reeds aanwezig waren bij de levering. Dat zouden dus verborgen gebreken zijn. VAN KELST en CITROËN BELUX werpen op dat de vordering op grond van verborgen gebreken laattijdig is ingesteld en dus niet ontvankelijk is. De vordering is nochtans ingesteld binnen de korte termijn bedoeld in artikel 1648 van het Burgerlijk Wetboek. Uit de stukken met betrekking tot de interventies van VAN KELST (zie haar dossier van stukken) is duidelijk dat F. zich spoedig na de levering heeft aangeboden met klachten over verschillende disfuncties. Na opeenvolgende ingrepen heeft F. zich vervolgens een mening gevormd over het aanhouden van de problemen, wat resulteerde in zijn brief van 17 september
  9. De dagvaarding dateert van 8 februari
  10. Dit is in de omstandigheden van de zaak niet laattijdig. De logica van de korte termijn van artikel 1648 is dat de verkoper in de mogelijkheid moet gesteld worden om zijn verweer te voeren met betrekking tot beweerde verborgen gebreken, en dat zijn eigen vaststellingen en zijn bewijsvoering niet mogen verhinderd worden door verloop van tijd. In casu is dat niet aan de orde, omdat VAN KELST van in den beginne op de hoogte is gesteld van de beweerde problemen, en dat ook CITROËN BELUX vanaf september 2005 is aangesproken. Het kan F. niet ten kwade geduid worden dat hij vervolgens zijn hoop heeft gesteld in een minnelijke technische oplossing door zijn verkoper/garagist naar wie ook de invoerder hem verwees. Toen F. na enkele maanden vaststelde dat deze oplossing er niet kwam, heeft hij gedagvaard. De bepalingen van de algemene voorwaarden met betrekking tot de verborgen gebreken (artikel 10.3) zijn zonder invloed op de rechten en plichten van partijen uit artikel 1641 en volgende van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 10.3 bepaalt weliswaar dat de verborgen gebreken moeten gemeld worden binnen de "kortste termijn", en "indien nodig, per aangetekend schrijven", maar het blijkt niet dat met die termijn iets anders is bedoeld dan in artikel 1648 van het Burgerlijk Wetboek, en een aangetekend schrijven is niet nodig geweest, want VAN KELST en CITROËN BELUX zijn zo ook wel op de hoogte geraakt. Overigens verbindt artikel 10.3 van de algemene voorwaarden ook geen gevolgen aan de vereisten die het stelt. De vordering op grond van verborgen gebreken is dus ontvankelijk. Of er werkelijk grond is voor een actio redhibitoria (koopvernietiging) dan wel aestimatoria (prijsaanpassing), hangt af van een beoordeling van feitelijke en technische elementen met betrekking tot de auto. Het hof kan niet op basis van de voorgelegde stukken vaststellen of de auto inderdaad ernstige, blijvende en evoluerende gebreken vertoont die verband houden met de werking en de capaciteit van de boordcomputer. Het is mogelijk dat die er zijn; de stukken met betrekking tot de tussenkomsten van VAN KELST en de briefwisseling bevatten aanwijzingen in die richting. Het is wel voorbarig om het te hebben over een begin van bewijs zoals de eerste rechter, omdat dit doet denken aan begin van bewijs door geschrift (artikel 1347 van het Burgerlijk Wetboek), en dus zwaarder klinkt dan wat het is. Gelet op het bovenstaande is het wenselijk om een deskundige aan te stellen, zoals de eerste rechter heeft gedaan.
  11. De kosten Alle partijen verklaren ter zitting dat zij voor de rechtsplegingsvergoeding de toepassing vragen van het basisbedrag. Met toepassing van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 bedraagt dat basisbedrag gelet op de waarde van de vordering 2.000,00 EUR. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart de hogere beroepen ontvankelijk maar ongegrond. Veroordeelt appellante tot de betaling van de kosten van het hoger beroep, begroot - in hoofde van haarzelf op euro 2.186 (186 rolrecht + 2.000 rechtsplegingsvergoedingen), - in hoofde van F. op euro 2.000 rechtsplegingsvergoeding en - in hoofde van N.V. VAN KELST op euro 2.000 rechtsplegingsvergoeding. Zendt de zaak terug naar de eerste rechter met toepassing van artikel 1068, 2de lid van het Gerechtelijk Wetboek. Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 27/4/09 waar aanwezig waren en zitting hielden : Marc DEBAERE, Raadsheer, Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS M. DEBAERE Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.