id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 27 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090427.3 Rolnummer: 2008AR1094 Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Handelsrecht Invoerdatum: 2009-04-28 Raadplegingen: 116 - laatst gezien 2026-07-02 19:38 Fiche I. Het moet aangenomen worden dat de schuldvorderingen ten laste van de Staat en die gegrond zijn ofwel op een fout of nalatigheid (artikel 1382 e.v. van het Burgerlijk Wetboek) ofwel op een onverschuldigde betaling (artikel 1376 e.v. van het Burgerlijk Wetboek) moeten overgelegd worden zodat artikel 100, 1° van het K.B. van 17 juli 1991 en de vijfjarige termijn van toepassing zijn. II. Te dezen kan echter niet besloten worden dat de toepassing van een verjaringstermijn van vijf jaar nadat het recht tot terugbetaling van de onwettige steun is ontstaan de terugvordering 'praktisch onmogelijk' zou maken.Het instellen van een vordering tot terugbetaling van de onwettige bijdragen binnen de termijn van vijf jaar met ingang op de eerste januari van het jaar 1996 was hoegenaamd niet 'praktisch onmogelijk'.In het licht van recentere arresten van het Hof van Justitie wordt te dezen vastgesteld dat de toepassing van een verjaring na vijfjarige termijn de terugvordering niet 'onmogelijk of uiterst moeilijk maakt' . Hetzelfde principe is van toepassing op de terugbetaling van in strijd met het gemeenschapsrecht geïnde bijdragen, zoals te dezen. III. In zoverre de vordering van de eisers gericht is tegen de Gemeente X, op grond van de leer van de onverschuldigde betaling, is de vordering niet verjaard. De wetten op de Rijkscomptabiliteit zijn immers niet van toepassing op de schuldvorderingen ten laste van gemeenten. IV. De vordering in vrijwaring van de gemeente Xl tegen de Belgische Staat is evenmin verjaard. Het betreft een vordering tot vrijwaring en de schuld is pas bij het instellen van de hoofdvordering van de eiseressen ontstaan. Artikel 100, eerste lid, 1° van de wetten op de Rijkscomptabiliteit zou overigens de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden indien het een vijfjarige termijn zou bepalen voor de vordering van de gemeente X. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSENRECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Oneigenlijke contracten - Verrijking zonder oorzaak HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - HANDEL IN LANDBOUW-, TUINBOUW, VEETEELT- EN VISSERIJPRODUKTEN - Veeteelt Vrije woorden: Onverschuldigde betaling in het kader van de dierengezondsheidswet van 27 maart 1987 (art. 32, §2) en het fonds voor de gezondheid en productie van dieren. K.B. 11 december 1997 betreffende de verplichte bijdragen voor voormeld fonds. Niet aanmelding van deze wet en dit K.B. bij de Europese commissie. Artikel 93, tweede lid EEG-Verdrag. Vordering tot terugbetaling. Verjaringstermijn: toepassing van 'artikel 100' inzake de verjaringstermijn van vijf jaar voor vorderingen tegen de Staat, maar niet tegen de gemeente, en niet voor de regresvodering van de gemeente tegen de Staat. Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2009/ A.R. nr. 2008/AR/1094 INZAKE VAN : De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Sociale Zaken Volksgezondheid en Leefmilieu, waarvan het kabinet gevestigd is te 1210 BRUSSEL, Kunstlaan 7, en FEDERALE OVERHEIDSDIENST F.O.D. VOLKS-GEZONDHEID, VEILIGHEID VAN DE VOEDSELKETEN EN LEEFMILIEU, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 1060 BRUSSEL, Victor Hortaplein 40, waar woonstkeuze wordt gedaan, appellant tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 7 januari 2008, vertegenwoordigd door Meester Yoeri VASTERSAVENDTS loco Meester Alfons VASTERSAVENDTS, advocaat te 1730 ASSE, Steenweg 3, 1ste kamer TEGEN : 1) De naamloze vennootschap PIERRE MARX, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 3620 LANAKEN, Koning Albertlaan 137/6, ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 0413.655.708, 2) De naamloze vennootschap G.H.L., waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 4880 AUBEL, Merckhofstraat 113, ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 0415.403.983, Meester Jacques ARNAUTS-SMEETS, advocaat te 2230 HERSELT, Aarschotsesteenweg 7, 3) De naamloze vennootschap DETRY, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 4880 AUBEL, Merckhofstraat 110, ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 0402.327.393, woonstkiezende op het kantoor van haar raadsman Meester Jacques ARNAUTS-SMEETS, advocaat te 2230 HERSELT, Aarschotsesteenweg 7, geïntimeerden, vertegenwoordigd door Meester Jacques ARNAUTS-SMEETS, advocaat te 2230 HERSELT, Aarschotsesteenweg 7, 4) De GEMEENTE AUBEL, vertegenwoordigd door haar College van Burgemeester en Schepenen , waarvan de burelen gevestigd zijn te 4480 AUBEL, Place Nicolai 1, woonstkiezende op het kantoor van haar raadsman Meester Giovanni VEKEMANS, advocaat te 2275 LILLE, Rechtestraat 4, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Giovanni VEKEMANS, advocaat te 2275 LILLE, Rechtestraat 4 Gelet op de stukken van de rechtspleging, inz.: - het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel (7de kamer) op tegenspraak uitgesproken op 7 januari 2008, waarvan geen betekening wordt voorgelegd; - het verzoekschrift tot hoger beroep, op 18 april 2008 ter griffie van het hof neergelegd; - de conclusie voor appellant (datum neerlegging 26 september 2008), (tweede) conclusie (datum neerlegging 5 december 2008) en syntheseconclusie (datum neerlegging 27 januari 2009); - de conclusie van geïntimeerden sub 1 tot 3 ter griffie van het hof neergelegd op 4 juli 2008 en syntheseconclusie ter griffie van het hof neergelegd op 23 oktober 2008; - de conclusie van vierde geïntimeerde ter griffie van het hof neergelegd op 4 augustus 2008 en syntheseconclusie ter griffie van het hof neergelegd op 27 oktober 2008; Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 27 januari 2009 en gelet op de stukken die zij neerlegden. I. Procedure in eerste aanleg
- Bij exploot van 16 juni 2005 hebben de N.V. Marx, N.V. G.H.L. en N.V. Detry een vordering ingesteld voor de rechtbank van eerste aanleg te Brussel tegen de Gemeente Aubel, enerzijds, en de Belgische Staat, anderzijds, strekkende tot de veroordeling van beide verwerende partijen solidair, in solidum of de ene bij gebreke aan de andere tot betaling van 3.067.099,10 euro aan de N.V. Marx, 1.577.128,47 euro aan de N.V. G.H.L. en 2.640.134,28 euro aan de N.V. Detry, te vermeerderen met de "conventionele" interesten vanaf 1 juni 2005 en tot veroordeling van de Belgische Staat tot betaling van 1.082.247,81 euro aan de N.V. Detry, te vermeerderen met dezelfde interesten, alsook met alle gerechtskosten. De oorspronkelijke eisende partijen beoogden de terugbetaling van verplichte bijdragen die zij tussen 1 januari 1988 en 8 augustus 1996 betaalden aan het Fonds voor de Gezondheid en de Productie van Dieren, plus interesten. Volgens de eiseressen had het Hof van Justitie te Luxemburg bij arrest van 22 oktober 2003 gesteld dat de Belgische wetgeving, voor zover zij bijdragen oplegde voor de periode tussen 1 januari 1988 en 8 augustus 1998, onrechtmatig was als strijdig met artikel 93.3, thans 85.3 van het EEG-Verdrag. Eiseressen steunden hun vordering op artikel 1376 en 1382 van het Burgerlijk Wetboek.
- De gemeente Aubel besloot tot de ongegrondheid van de vordering en stelde een tussenvordering in tegen de Belgische Staat, enerzijds tot vrijwaring voor alle bedragen die zij aan de eisende vennootschappen zou moeten betalen en, anderzijds, tot betaling van 316.717,44 euro (bedragen die de gemeente zelf heeft betaald aan het Sanitair Fonds + interesten) en van 364.218,09 euro , minstens van een provisie van 100.000 euro voor kosten van bijstand door een advocaat (geschat op 5 % van de vordering van eiseressen).
- De Belgische Staat vroeg hem akte te verlenen van zijn voorbehoud om alle bedragen die eiseressen als onwettige steun hebben genoten terug te vorderen, provisioneel begroot op één euro, evenals het gedeelte van de bijdragen dat eiseressen nog verschuldigd zijn, ook provisioneel begroot op één euro. Hij besloot tot de afwijzing van de vordering wegens verjaring. Indien eisers de vordering zouden mogen uitoefenen, vraagt de Belgische Staat de schuldvergelijking met de vorderingen van de Staat vast te stellen en eiseressen te veroordelen tot betaling van het saldo.
- Het bestreden vonnis verklaarde de vordering ontvankelijk en gegrond tot beloop van de hoofdsommen met de gerechtelijke interesten. De vordering werd afgewezen wat de overige interesten betreft. De Belgische Staat en de gemeente Aubel werden dan ook in solidum veroordeeld tot betaling van 1.649.044,70 euro aan de N.V. Marx, 874.835,80 euro aan de N.V. G.H.L. en 1.990.964,80 euro aan de N.V. Detry, telkens te vermeerderen met de gerechtelijke interesten. De Belgische Staat werd veroordeeld om de gemeente te vrijwaren voor alle bedragen die zij in uitvoering van het vonnis aan de eiseressen zou dienen te betalen. De Staat werd bovendien veroordeeld tot betaling van 167.833,91 euro aan de gemeente (hoofdsom van de betaalde bijdragen) plus gerechtelijke interesten. De vordering m.b.t. de verdedigingskosten werd ongegrond verklaard. De Belgische Staat werd veroordeeld tot betaling van de dagvaardingskosten in hoofde van eiseressen terwijl aan partijen voorbehoud werd verleend omtrent de overige kosten. II. Procedure voor het hof
- Voor het hof vraagt appellant het bestreden vonnis te hervormen en, opnieuw rechtsprekende, de oorspronkelijke vordering en tussenvordering ongegrond te verklaren, met veroordeling van geïntimeerden tot betaling van de gerechtskosten van beide aanleggen, inclusief de rechtsplegingsvergoeding begroot op 30.000 euro .
- Geïntimeerden N.V. Marx, N.V. G.H.L. en N.V. Detry besluiten tot de ongegrondheid van het hoger beroep. Zij stellen een incidenteel beroep in en vorderen voor het hof, ten laste van de Belgische Staat en de gemeente Aubel, "solidair, in solidum, de ene bij gebreke aan de andere" de betaling van 3.698.753,46 euro aan de N.V. Marx, 1.901.930,51 euro aan de N.V. G.H.L. en 3.183.857,28 euro aan de N.V. Detry, telkens te vermeerderen met de conventionele interesten aan 7 % vanaf 1 juli 2008 tot op de datum van de volledige betaling. N.V. Detry vordert bovendien van de Belgische Staat 1.305.131,55 euro te vermeerderen met de conventionele interesten aan 7 % vanaf 1 juli 2008 tot op de datum van de volledige betaling. Zij vorderen tenslotte de gerechtskosten van beide aanleggen, inclusief een rechtsplegingsvergoeding van 30.000 euro zowel voor het hof als voor de rechtbank.
- De gemeente Aubel besluit tot de ongegrondheid van het hoger beroep en stelt incidenteel beroep in waarbij zij vraagt de oorspronkelijke hoofdvordering opzichtens haar ongegrond te verklaren en haar oorspronkelijke vordering tegen de Belgische Staat gegrond te verklaren, dienvolgens deze partij te veroordelen tot betaling van 369.917,30 euro , te vermeerderen met de interesten aan de wettelijke interestvoet vanaf 2 augustus 2008 tot op de datum van de volledige betaling. Zij vordert de overige partijen te veroordelen tot betaling van de gerechtskosten van beide aanleggen, met inbegrip van een rechtsplegingsvergoeding van 30.000 euro per aanleg. III. Relevante feitelijke gegevens
- De naamloze vennootschappen Marx, G.H.L. en Detry zijn veehandelaars, gevestigd in Lanaken (N.V. Marx), resp. in Aubel (N.V. G.H.L. en Detry). Zij betaalden in de handen van (het slachthuis van) de gemeente Aubel tussen 1988 en 2003 allerlei bedragen in uitvoering van de Belgische wetgeving op de dierengezondheid, hierna kort geschetst. Volgens afrekening van de gemeente Aubel, betaalde aldus in deze periode de N.V. Marx 2.085.112,09 euro , de N.V. G.H.L. 1.144.267,58 euro en de N.V. Detry 1.340.676,08 euro . De N.V. Detry betaalde bovendien in 1995 en 1996 rechtstreeks bedragen aan de Belgische Staat ingevolge export van dieren, meer bepaald 305.921,00 euro in 1995 en 344.367,73 euro in
- Zij vorderen in het kader van huidige procedure de terugbetaling van al deze bedragen, plus interesten.
- De dierengezondheidswet van 24 maart 1987 (B.S. 17 april 1987) stelde een regeling in voor de financiering van prestaties m.b.t. de bestrijding van dierenziekten en verbetering van de hygiëne, de gezondheid en de kwaliteit van dieren en dierlijke producten. Volgens artikel 2 van de wet had de wet tot doel "de bestrijding van de dierenziekten ten einde de volksgezondheid en de economische welvaart van de dierenhouders te bevorderen". Bij artikel 32 § 2 werd een fonds bij het ministerie van Landbouw ingesteld (Fonds voor de gezondheid en productie van dieren) dat tot doel had "tussen te komen in de financiering van vergoedingen, toelagen en andere prestaties m.b.t. de bestrijding van de dierenziekten en de verbetering van de hygiëne, de gezondheid en de kwaliteit van de dieren en dierlijke producten". Het fonds werd (vooral) "gestijfd door de verplichte bijdragen ten laste van de natuurlijke en rechtspersonen die dieren (...) voortbrengen, verwerken, vervoeren, bewerken, verkopen of verhandelen".
- Het K.B. van 11 december 1987 betreffende de verplichte bijdragen aan het Fonds voor de gezondheid en de productie van dieren (B.S. 23 december 1987) bepaalde de verplichte bijdragen en de regels voor de inning ervan. Met ingang van 1 januari 1988 werd aan de slachthuizen en uitvoerders een verplichte bijdrage per dier (rund, kalf of varken) opgelegd. Bijdragen werden aldus opgelegd zowel voor binnenlandse als ingevoerde of uitgevoerde dieren. Artikel 4 van het K.B. voorzag in de doorrekening van de verplichte bijdragen vanaf de bijdrageplichtige tot aan de producent. Zowel de wet als het K.B. werden herhaaldelijk gewijzigd. Deze teksten (wet en K.B.) werden niet overeenkomstig artikel 93, lid 3 (thans 88.3) van het E.G.-Verdrag bij de Europese Commissie aangemeld.
- De wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen, wijzigde artikel 32, § 2, van de Dierengezondheidswet en bepaalde o.m. (artikel 185) dat de koninklijke besluiten betreffende de verplichte bijdragen worden opgeheven wanneer zij door de wetgever niet werden bekrachtigd in het jaar volgend op dat van de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad. Dezelfde wettelijke bepaling bekrachtigt het K.B. van 11 december 1987 (zoals gewijzigd) met ingang van 1 januari 1988 wat betreft de "nationale dieren".
- De Europese Commissie startte desbetreffend een onderzoek op, zulks overeenkomstig artikel 93, tweede lid, van het EG-Verdrag. Bij beschikking 91.538 van 7 mei 1991 oordeelde de Europese Commissie dat de Belgische regeling onverenigbaar was met de regelgeving over de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel (thans) 87 EG en dat ze afgeschaft moest worden voor zover de verplichte bijdragen in het slachtstadium ook de uit andere lidstaten ingevoerde producten belastten. De Commissie stelde vast dat België haar meldingsplicht niet was nagekomen en oordeelde dat "de verplichte bijdragen die in het slachtstadium voor ingevoerde dieren worden geïnd (moeten) worden beschouwd als discriminerende binnenlandse belastingen in de zin van (artikel 90 EG), aangezien zij uitsluitend de nationale producenten ten goede komen". "Bijgevolg kunnen de ... steunmaatregelen die door het Fonds voor de gezondheid en de productie van dieren worden gefinancierd, wegens de wijze van financiering ervan niet als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt worden beschouwd en dienen zij bijgevolg te worden ingetrokken" (nummer 14 van de beschikking.)
- Een aantal importeurs van dieren afkomstig uit andere lidstaten stelden dan vorderingen in voor Belgische rechtbanken (rechtbanken van eerste aanleg te Turnhout en te Brussel) die prejudiciële vragen stelden aan het Europees Hof voor Justitie. Bij arresten van 16 december 1992 (zaken Lornoy en Demoor) oordeelde het Hof van Justitie dat de Belgische regeling strijdig was met artikelen 12 en 95 EG, nu zij een verboden discriminerende belasting invoerde en een onverenigbare staatssteun opleverde. Het Hof oordeelde o.m.: Gelet op het voorgaande moet op de vraag van de nationale rechter worden geantwoord, dat een verplichte bijdrage met de bijzondere aard van een parafiscale heffing, die onder dezelfde voorwaarden inzake inning zowel op de nationale als op de ingevoerde producten wordt toegepast en waarvan de opbrengst uitsluitend voor de nationale producten wordt gebruikt, in dier voege dat de eruit voortvloeiende voordelen de op de nationale producten drukkende last volledig compenseren, een door artikel 12 EEG-Verdrag verboden heffing van gelijke werking als een douanerecht is. Indien de voordelen de op de nationale producten drukkende last slechts ten dele compenseren, vormt een dergelijke heffing een door artikel 95 EEG-Verdrag verboden discriminerende belasting (overweging 23 en beschikkend gedeelte, nummer 1).
- Een nieuwe regeling werd dan geïmplementeerd in de wet van 23 maart 1998 betreffende de oprichting van een begrotingsfonds voor de gezondheid en de kwaliteit van de dieren en dierlijke producten (B.S. 30 april 1998). Bij deze wet werden de regeling van 1987 en het Fonds van 1987 met terugwerkende kracht afgeschaft en vervangen door een nieuwe regeling, met een nieuw stelsel van verplichte bijdragen die met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 1988 van toepassing zijn, en met een nieuw Fonds, het Begrotingsfonds voor de gezondheid en de kwaliteit van de dieren en de dierlijke producten. Het wezenlijk verschil tussen de regeling van 1998 en deze van 1987 bestaat hierin dat de regeling van 1998 geen bijdragen oplegt voor ingevoerde dieren en dat voor uitgevoerde dieren vanaf 1 januari 1997 geen bijdragen meer verschuldigd zijn. Het Begrotingsfonds is alweer gestijfd door verplichte bijdragen ten laste van natuurlijke of rechtspersonen uit de sector. De wet bepaalt in artikel 14: De verplichte bijdragen zijn slechts verschuldigd voor de nationale dieren. Zij zijn niet verschuldigd voor de ingevoerde dieren. Zij zijn niet meer verschuldigd voor de uitgevoerde dieren vanaf 1 januari
- Wat de ingevoerde dieren betreft, worden de verplichte bijdragen die met ingang van 1 januari 1988 werden betaald met toepassing van het K.B. van 11 december 1987 betreffende de verplichte bijdragen aan het Fonds voor de gezondheid en de productie van de dieren, gewijzigd bij de K.B.'s van (...), terugbetaald aan de schuldeisers die het bewijs leveren dat de door hen betaalde verplichte bijdragen betrekking hadden op ingevoerde dieren, dat deze verplichte bijdragen door hen niet werden doorberekend naar de producent of dat de doorrekening werd ongedaan gemaakt en dat zij de verplichte bijdragen volledig betaald hebben voor de nationale dieren, met inbegrip van de uitgevoerde slachtdieren en de uitgevoerde fok- en gebruiksdieren. Op basis van artikel 17, tweede alinea, van de wet van 1998 vond er van rechtswege schuldvergelijking plaats tussen schuldvorderingen uit hoofde van de bijdragen die betaald zijn krachtens de regeling van 1987 en de krachtens de regeling van 1998 te betalen bijdragen. Artikel 23 van de wet bepaalde nog: "Deze wet treedt in werking de dag waarop ze in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt, met uitzondering van artikel 14 en artikel 21, eerste lid, 5°, die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 1988, artikel 15 en artikel 21, eerste lid, 6°, die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 1993 en artikel 16 en artikel 21, eerste lid, 7°, die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 1995."
- Het wetsontwerp, dat de wet van 23 maart 1998 zou worden, werd door het Koninkrijk België aan de Commissie zoals het hoort aangemeld en de nieuwe regeling werd bij beschikking van de Commissie van 9 augustus 1996 inzake steunmaatregel nr. N366/96 verenigbaar verklaard met de gemeenschappelijke markt (Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen 3 januari 1997.)
- Een voorziening ingesteld door diverse partijen voor het Arbitragehof werd bij arrest nummer 17/2000 van 9 februari 2000 op enkele details na verworpen.
- In het kader van twee gedingen ingeleid in oktober 1995 heeft het hof van beroep te Antwerpen bij arresten van 28 juni 2001 vijf prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen.
- Het arrest van 21 oktober 2003 van het Hof van Justitie (Belgische Staat / Van Calster, Cleeren en Openbaar Slachthuis) luidt: "1) Artikel 93, lid 3, EG-Verdrag (thans artikel 88, lid 3, EG) moet aldus worden uitgelegd dat het in omstandigheden als die van de hoofdgedingen in de weg staat aan de heffing van bijdragen die specifiek dienen ter financiering van een steunregeling die bij een beschikking van de Commissie verenigbaar met de gemeenschappelijke markt is verklaard, voor zover deze bijdragen met terugwerkende kracht werden opgelegd voor een periode die aan de datum van deze beschikking voorafgaat. 2) De beschikking van de Commissie van 9 augustus 1996 inzake steunmaatregel nr. N 366/96, houdt geen goedkeuring in van de terugwerkende kracht van de wet van 23 maart 1998 betreffende de oprichting van een Begrotingsfonds voor de gezondheid en de kwaliteit van de dieren en dierlijke producten." In de overweging nr. 58 stelt het Hof: "Voor zover de wet van 1998 met terugwerkende kracht bijdragen voor de periode van 1 januari 1988 tot en met 8 augustus 1996 oplegt, is zij derhalve onrechtmatig, op grond dat dienaangaande niet is voldaan aan de verplichting om de steunregeling vóór de tenuitvoerlegging ervan aan te melden. Deze bijdragen zijn derhalve geheven in strijd met artikel 93, lid 3, (thans 88.3) laatste volzin, van het Verdrag." En in de overweging nr. 65: (...) Artikel 93, lid 3, van het Verdrag moet aldus worden uitgelegd dat het in omstandigheden als die van de hoofdgedingen in de weg staat aan de heffing van bijdragen die specifiek dienen ter financiering van een steunregeling die bij een beschikking van de Commissie verenigbaar met de gemeenschappelijke markt is verklaard, voorzover deze bijdragen met terugwerkende kracht worden opgelegd voor een periode die aan de datum van deze beschikking voorafgaat.
- Geïntimeerden verwijzen naar latere rechterlijke uitspraken die de Belgische Staat in het ongelijk stelden. Zij halen nog een mailbericht d.d. 1 februari 2006 van de heer De Win, directeur-generaal bij het FOD Volksgezondheid, Veiligheid voedselketen en Leefmilieu, waarin hij aan de raadsman van geïntimeerden bevestigt "dat het voornemen bestaat om binnenkort de problematiek van de slachthuizen opnieuw voor de Ministerraad te brengen en in de komende begrotingscontrole bijkomende middelen te vragen voor de terugbetaling van onterecht geïnde bijdragen". Dit bericht maakt volgens geïntimeerden een buitengerechtelijke bekentenis uit. IV. Bespreking 1°. De beweerde buitengerechtelijke bekentenis van de Belgische Staat
- Geïntimeerden N.V. Marx en consorten benadrukken dat de Belgische Staat in meerdere identieke zaken thans dadingen afgesloten heeft met andere veehandelaars en is overgegaan tot de terugbetaling van de geïnde bijdragen, zowel in hoofdsom als in interesten; zij leiden hieruit af dat de Belgische Staat zelf in de overtuiging is toegedaan dat de bijdragen dienen terugbetaald te worden. Zij halen bovendien het schrijven van de F.O.D. Volksgezondheid van 1 februari 2006 (zie randnummer 19) aan en stellen dat het een buitengerechtelijke bekentenis zou uitmaken.
- Het hof dient vast te stellen dat geïntimeerden vooreerst geen bijzonder rechtsgevolg uit de beweerde buitengerechtelijke bekentenis afleiden, noch wat de ontvankelijkheid noch wat de gegrondheid van de vordering of van het hoger beroep betreft.
- De omstandigheid dat de directeur-generaal bij het F.O.D. Volksgezondheid aan de raadsman van geïntimeerden op 1 februari 2006 heeft laten weten dat het voornemen bestond om de problematiek binnen de Ministerraad te bespreken en om bijkomende budgettaire middelen aan te vragen met het oog op de terugbetaling van de onterecht geïnde bijdragen kan bovendien op zich geen buitengerechtelijke bekentenis van de Belgische Staat uitmaken. Uit geen enkel element blijkt al dat directeur-generaal De Win enige bevoegdheid zou hebben om in naam van de Belgische Staat een buitengerechtelijke bekentenis te maken. Evenmin kan de tekst van het mailbericht worden geïnterpreteerd als de formele erkenning van een verbintenis in hoofde van de Staat om de thans door geïntimeerden gevorderde bedragen te betalen. Noch de bespreking binnen de Ministerraad, noch de vrijgave van budgettaire middelen impliceert dat de Belgische Staat de verplichting op zich nam om de thans geclaimde bedragen aan geïntimeerden (terug) te betalen. Er zijn geen andere elementen (o.m. de publicatie in Boer en Tuinder) waaruit een ondubbelzinnige buitenrechtelijke bekentenis van de Belgische Staat zou kunnen worden afgeleid. 2° Verjaring
- Appellant besluit tot de verjaring van de vorderingen tot terugbetaling van de verplichte bijdragen die geïntimeerden hebben betaald. De vordering tot terugbetaling zou immers vervallen na de termijn van 5 jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan de betalingen van de verplichte bijdragen zijn geschied, zulks op grond van artikelen 1 en 2 van de wet van 6 februari 1971, thans opgenomen in artikelen 100 en 101 van het K.B. van 17 juli 1991 houdende de coördinatie van de wetten op de Rijkscomptabiliteit.
- Het moet immers aangenomen worden dat de schuldvorderingen ten laste van de Staat en die gegrond zijn ofwel op een fout of nalatigheid (artikel 1382 e.v. van het Burgerlijk Wetboek) ofwel op een onverschuldigde betaling (artikel 1376 e.v. van het Burgerlijk Wetboek) moeten overgelegd worden zodat artikel 100, 1° van het K.B. van 17 juli 1991 en de vijfjarige termijn van toepassing zijn.
- Geïntimeerden N.V. Marx en consorten houden echter voor dat de nationale regelgeving inzake verjaring van schuldvorderingen ten laste van de Belgische Staat niet kan worden opgeworpen in geval van terugvordering van bijdragen welke onterecht werden betaald ingevolge schending door de Belgische Staat van het Europees recht. Deze verjaringsregels zouden immers de Europese wetgeving buiten spel zetten de toepassing ervan beletten, hetgeen strijdig met het beginsel van suprematie van het Internationaal recht zou zijn. Geïntimeerden steunen zich op het arrest "Alcan" van het Hof van Justitie van 20 maart 1997 (zaak Land Rheinland Pfalz tegen Alcan Deutchland Gmbh nr. C-24/95): "De terugvordering van onwettige steun moet in beginsel volgens de relevante bepalingen van het nationale recht geschieden, onder voorbehoud evenwel dat die bepalingen aldus worden toegepast, dat de door het gemeenschapsrecht verlangde terugvordering niet praktisch onmogelijk wordt gemaakt."
- Te dezen kan echter niet besloten worden dat de toepassing van een verjaringstermijn van vijf jaar nadat het recht tot terugbetaling van de onwettige steun is ontstaan de terugvordering "praktisch onmogelijk" zou maken. In de stelling van N.V. Marx en consorten werd een systeem toegepast dat in zijn geheel onrechtmatig werd tot en met 8 augustus
- Pas bij beschikking van 9 augustus 1996 heeft de Europese Commissie de nieuwe regeling verenigbaar verklaard met de gemeenschappelijke markt (zie randnummer 15). Pas vanaf dan is komen vast te staan dat alle bedragen betaald voorafgaand aan de beslissing van de Commissie onregelmatig waren gedaan of, anders gezegd, dat de betalingen onverschuldigd waren. De schuld is bijgevolg ontstaan en de vijfjarige verjaringstermijn ingegaan op 10 augustus 1996 . Geïntimeerden stellen ten onrechte dat het onverschuldigde karakter van hun betalingen slechts met het arrest van het Hof van Justitie van 20 oktober 2003 is komen vast te staan: hun nadeel stond vast en de identiteit van de daarvoor aansprakelijke kon worden vastgesteld vooraleer dit arrest, dat thans hun stelling bekrachtigt, uitgesproken werd. Tal van andere rechtsvorderingen werden overigens tijdig ingesteld. Het instellen van een vordering tot terugbetaling van de onwettige bijdragen binnen de termijn van vijf jaar met ingang op de eerste januari van het jaar 1996 was hoegenaamd niet "praktisch onmogelijk".
- In het licht van recentere arresten van het Hof van Justitie wordt te dezen vastgesteld dat de toepassing van een verjaring na vijfjarige termijn de terugvordering niet "onmogelijk of uiterst moeilijk maakt" . Zo heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat "het gemeenschapsrecht bovendien niet eraan in de weg staat dat een lidstaat zich bij de vorderingen tot terugbetaling van in strijd met het gemeenschapsrecht geheven belastingen beroept op een nationale vervaltermijn van drie jaar, die afwijkt van de gewone regeling van rechtsvorderingen uit onverschuldigde betalingen tussen particulieren, waarvoor een langere termijn geldt, wanneer die vervaltermijn gelijkelijk van toepassing is op vorderingen tot terugbetaling van die belastingen, welke op het gemeenschapsrecht zijn gebaseerd, en op die welke op het nationale recht zijn gebaseerd" . Hetzelfde principe is van toepassing op de terugbetaling van in strijd met het gemeenschapsrecht geïnde bijdragen, zoals te dezen.
- Het hof besluit dat de vordering van de N.V. Marx en consorten, die pas bij exploot van 16 juni 2005 werd ingesteld, verjaard is in zoverre zij gericht is tegen de Belgische Staat. In die mate is het hoger beroep van de Belgische Staat gegrond. De vordering gegrond op een schuld van de Belgische Staat bij het uitvaardigen van de wet van 23 maart 1998, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 30 april 1998, was ten tijde van het instellen van de vordering eveneens verjaard. In zoverre de vordering van de N.V. Marx en consorten nu gericht is tegen de Gemeente Aubel, op grond van de leer van de onverschuldigde betaling, is de vordering niet verjaard. De wetten op de Rijkscomptabiliteit zijn immers niet van toepassing op de schuldvorderingen ten laste van gemeenten. De vordering in vrijwaring van de gemeente Aubel tegen de Belgische Staat is evenmin verjaard. Het betreft een vordering tot vrijwaring en de schuld is pas bij het instellen van de hoofdvordering van de N.V. Marx en consorten ontstaan. Artikel 100, eerste lid, 1° van de wetten op de Rijkscomptabiliteit zou overigens de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden indien het een vijfjarige termijn zou bepalen voor de vordering van de gemeente Aubel met ingang van 10 augustus 1996 dan wanneer het nadeel van deze partij niet onmiddellijk kon worden vastgesteld, maar pas bij het instellen van de vordering die tegen haar werd gericht . De tussenvordering van de gemeente Aubel tegen de Belgische Staat tot betaling van 316.717,44 euro , te weten door de gemeente betaalde bedragen tussen 1988 en 1998, of 167.833,91 euro in hoofdsom + 148.883,53 euro aan interesten, is daarentegen wel verjaard om dezelfde redenen als de oorspronkelijke vordering tegen de Belgische Staat van geïntimeerden sub 1 tot
- 3°. Ten gronde
- Uit de samenlezing van de beschikkingen van 7 mei 1991 en van 9 augustus 1996 van de Europese Commissie en van het arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 2003 dient het hof af te leiden dat de Belgische Staat tot en met 8 augustus 1996 een onrechtmatige regeling in het kader van zijn nationale dierengezondheidswet heeft ingevoerd en toegepast. Vooreerst is de Belgische Staat zijn meldingsplicht niet nagekomen, wat hij vandaag niet ernstig kan betwisten; dit geldt zowel voor de wet van 24 maart 1987 en het K.B. van 11 december 1987 als voor de wet van 21 december 1994 en meer bepaald het artikel 185 van deze wet dat een nieuwe melding vereiste. Appellant voert nog steeds kritiek over zijn meldingsplicht wat artikel 185 van de wet van 21 december 1994 betreft. Op dit punt verwijst het hof naar de overwegingen in het arrest van het Hof van Cassatie d.d. 27 april 2006 : Bij artikel 185 van de wet van 21 december 1994 werd artikel 32 van de wet van 24 maart 1987 gewijzigd inzonderheid wat betreft de financieringsmodaliteiten van het Fonds voor de gezondheid en de productie van de dieren. Dit artikel bekrachtigt de koninklijke besluiten betreffende de verplichte bijdragen van 11 december 1987, zoals gewijzigd, met ingang van 1 januari 1988 wat de nationale dieren betreft en beveelt wat de ingevoerde dieren betreft, dat de bijdragen die met ingang van 1 januari 1988 werden betaald onder zekere voorwaarden worden terugbetaald. Die wetswijziging had weliswaar voor een deel tot doel de regulering in overeenstemming te brengen met de inhoud van de beschikking van de Commissie van 7 mei 1991 maar voert tegelijkertijd een nieuwe grondslag in voor de heffing en stelt een nieuw stelsel van steun in de plaats. Zij was aldus kennelijk een wijziging in de zin van artikel 88, derde lid, van het EG-Verdrag. Het onderdeel, dat er van uitgaat dat artikel 185 van de wet van 21 december 1994 het steunregime zelf niet veranderde, zodat deze wet niet beschouwd kan worden als een wijziging van het steunregime waarvoor een nieuwe aanmelding op grond van artikel 88, derde lid, van het EG-Verdrag vereist is, kan niet worden aangenomen. (p. 18 van het arrest) En verder: Het arrest stelt vast dat de oorspronkelijke steunmaatregel evenals de wijziging van de oorspronkelijke maatregel niet werden aangemeld aan de Commissie. Het arrest dat beslist dat het gewijzigde stelsel aan de Commissie moest worden medegedeeld en dat bij gebrek hiervan de bedragen onrechtmatig werden geïnd, schendt de in het onderdeel aangewezen wetsbepalingen niet. (p. 19 van het arrest) De stelling van de Belgische Staat is op grond van die overwegingen die het hof tot de zijne maakt kennelijk verkeerd. De meldingsplicht was van toepassing op artikel 185 van de wet van 21 december
- Voorts werden discriminerende maatregelen ingevoerd. De regeling was bij gevolg in haar geheel onwettig en werd onregelmatig toegepast tot en met 8 augustus
- In de gegeven periode van 1 januari 1988 tot en met 8 augustus 1996 werden de bijdragen onrechtmatig betaald.
- De omstandigheid dat de door geïntimeerde vennootschappen betaalde bijdragen geen betrekking zouden hebben op ingevoerde dieren impliceert, voor zoveel als bewezen, niet dat ze regelmatig betaald werden nu het stelsel, zoals hierboven uiteengezet, in zijn geheel onrechtmatig was.
- Volgens de Belgische Staat is de verplichte bijdrage ten voordele van het begrotingsfonds thans niet (meer) verschuldigd op grond van de dierengezondheidswet van 24 maart 1987 en het K.B. van 11 december 1987 noch op grond van de wet van 21 december 1994 maar slechts op grond van de wet van 23 maart 1998, en zulks vanaf 1 januari 1988 (artikelen 14 en 23, hierboven geciteerd, randnummer 14.) De Belgische Staat benadrukt dan dat deze wet van 23 maart 1998 volledig in overeenstemming werd bevonden met het Europees gemeenschapsrecht, met verwijzing naar de beschikking van de Europese Commissie van 9 augustus
- De terugwerkende kracht van de wet van 23 maart 1998 werd echter niet bij de beschikking van de Europese Commissie van 9 augustus 1996 goedgekeurd (arrest van 21 oktober 2003 van het Hof van Justitie, hierboven geciteerd, randnummer 18.) Een deel van de bij de wet van 1998 opgelegde bijdragen betreft een periode voorafgaand aan de beschikking van
- In de mate dat de wet van 23 maart 1998 bijdragen voor de periode van 1 januari 1988 tot en met 1996 oplegt, is zij derhalve onrechtmatig nu dienaangaande niet is voldaan aan de verplichting om de steunregeling aan te melden vóór de tenuitvoerlegging ervan, zulks in uitvoering van artikel 88.3 (ex artikel 93.3) van het geconsolideerde E.G.-Verdrag. Deze laatste bepaling heeft directe werking . De ratio legis van de terugwerkende kracht van de wet van 23 maart 1998 was uitsluitend van budgettaire aard ("om de negatieve financiële gevolgen te beperken van rechterlijke uitspraken die een zeer zware terugbetalingsverplichting zouden inhouden voor de Belgische Staat" .)
- De advocaat-generaal stelde in zijn advies van 10 april 2003 (overweging 14) dat "uit de wordingsgeschiedenis ... duidelijk (blijkt) dat deze terugwerkende kracht tot doel had terugbetaling van in het kader van de regeling van 1987 geïnde bijdragen te vermijden, aangezien een dergelijke terugbetaling naar verluidt de financiële stabiliteit van het stelsel in gevaar zou brengen" . Het hof van Justitie oordeelde in het arrest van 21 oktober 2003 (zie randnummer 18): Zoals de advocaat-generaal in punt 14 van zijn conclusie heeft opgemerkt, heeft de Belgische wetgever op die manier de gevolgen van de niet-nakoming van de verplichting om de in de wet van 1987 vervat liggende steunmaatregel vooraf aan te melden, willen wegwerken. Een dergelijke wetgevingstechniek kan niet verenigbaar met de aanmeldingsplicht van artikel 93, lid 3, (thans 88.3) van het Verdrag worden geacht. Anders zou aan de lidstaten de mogelijkheid worden geboden, een voorgenomen steunmaatregel zonder aanmelding onmiddellijk ten uitvoer te leggen en de gevolgen van het niet aanmelden weg te werken door de maatregel op te heffen en tegelijkertijd met terugwerkende kracht opnieuw in te voeren (overwegingen 59-60 van het arrest.)
- De wet van 23 maart 1998 heeft dus geen rechtmatige regeling kunnen invoeren in zoverre zij de betaling van de verplichte bijdragen met terugwerkende kracht oplegde. Het arrest van 9 februari 2000 van het Grondwettelijk Hof sluit dit niet uit. Het Hof had overigens geen weet van het arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 2003 m.b.t. de niet-conformiteit van de wet met de Europeesrechtelijke verplichtingen tot aanmelding van de steunmaatregelen. Niettegenstaande het arrest van het Grondwettelijk Hof blijft de rechter bevoegd om de wet van 26 maart 1998 te toetsen aan de Internationale verdragen, o.m. het E.G.-Verdrag.
- Voorts betwist ten onrechte de Belgische Staat dat er effectief betalingen van verplichte bijdrage verricht werden door de N.V. Marx en consorten. Volgens appellant hebben immers slechts de producenten die bijdragen effectief betaald terwijl geïntimeerden enkel deze bijdragen doorgerekend hebben. Geïntimeerden leveren echter het bewijs van daadwerkelijke betaling, na ontvangst van facturen, van de verplichte bijdragen. Zoals appellant het zelf opmerkt zijn de N.V. Marx en consorten thans overigens betrokken in tal van procedures die tegen hen door producenten gevoerd werden in terugbetaling van bijdragen. De omstandigheid dat de N.V. Marx en consorten de bijdragen doorgerekend zouden hebben sluit niet uit dat zij de bijdragen aan de gemeente Aubel (aan het slachthuis) betaald hebben en dat zij gerechtigd worden hiervan terugbetaling te eisen nu de bijdragen onverschuldigd blijken te zijn. Door de verplichte bijdragen te betalen hebben geïntimeerden zich "verarmd" tot beloop van deze bijdragen. De effectieve verarming van de N.V. Marx en consorten hangt niet af van het verhaal van de producenten tegen deze vennootschappen. De Belgische Staat bewijst evenmin dat hij het risico loopt twee of zelfs driemaal dezelfde bijdragen te moeten terugbetalen. De vordering van de N.V. Marx en consorten tegen de gemeente Aubel gesteund op artikel 1376 e.v. van het Burgerlijk Wetboek is gegrond. De vordering in vrijwaring van de gemeente Aubel tegen de Belgische Staat moet eveneens gegrond verklaard worden. 4°. De bedragen
- Geïntimeerden sub 1 tot 3 leggen officiële ondertekende documenten voor uitgaande van het slachthuis te Aubel waaruit blijkt dat zij in de handen van (het slachthuis van) de gemeente Aubel tussen 1988 en 2003 bedragen betaalden die gestort werden aan het Begrotingsfonds, meer bepaald: · door de N.V. Marx 2.085.112,09 euro · door de N.V. G.H.L. 1.144.267,58 euro en · door de N.V. Detry 1.340.676,08 euro . Slechts de bijdragen betaald tussen 1988 en 8 augustus 1996 komen als onverschuldigde betalingen in aanmerking. De stukken door geïntimeerden voorgelegd geven slechts de per jaar betaalde bijdragen weer. Wat eerste twee geïntimeerden betreft kan het hof niet uitmaken welk totaal bedrag in het jaar 1996 vóór of na 8 augustus betaald werd zodat de debatten op dit punt moeten heropend worden Wat de jaren 1988 tot 1995 betreft hebben geïntimeerden sub 1 tot 3 op grond van de voorgelegde afrekeningen als bijdragen betaald: · door de N.V. Marx 55.101.656 BEF of 1.365.934,30 euro · door de N.V. G.H.L. 24.792.933 BEF of 614.600,76 euro · door de N.V. Detry 54.082.739 BEF of 1.340.676,08 euro Deze laatste bedragen worden provisioneel aan geïntimeerden sub 1 en 2 toegekend.
- De aan geïntimeerde toekomende bedragen worden niet gecompenseerd door enige steunmaatregel die zij genoten zouden hebben. De Belgische Staat blijft immers in gebreke aan te tonen ooit enige som aan geïntimeerden te hebben betaald in het kader van het stelsel van steunmaatregelen.
- De gemeente Aubel is slechts interesten verschuldigd vanaf de ingebrekestelling en niet vanaf de betaling nu zij geen kwade trouw aan de dag legde. De N.V. Marx en consorten leggen geen ingebrekestelling vóór de betekening van de dagvaarding voor zodat zij slechts recht hebben op de gerechtelijke interesten aan de wettelijke interestvoet. De vordering tot betaling van (gekapitaliseerde) interesten vanaf het jaar 1989 wordt als ongegrond afgewezen.
- De betaling door de gemeente Aubel aan de Belgische Staat van dezelfde sommen is om dezelfde redenen eveneens onverschuldigd zodat de vordering tot vrijwaring van deze partij tegen de Belgische Staat eveneens gegrond voorkomt.
- Zoals hierboven uiteengezet betaalde de N.V. Detry bovendien in 1995 en 1996 rechtstreeks bedragen aan de Belgische Staat ingevolge export van dieren, meer bepaald 305.921,00 euro in 1995 en 344.367,73 euro in
- De vordering van de N.V. Detry tot terugbetaling van deze bedragen, die enkel gericht is tegen de Belgische Staat, is echter verjaard (zie randnummer 27).. 5°. De gerechtskosten
- Partijen hebben ter zitting verklaard hun rechtsplegingsvergoeding te begroten op het maximumtarief zoals vastgesteld bij het K.B. van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in art. 1022 Ger. W. en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de art. 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat. Partijen kunnen zich te dezen wel beroepen op de bijzondere complexiteit van de zaak. Gelet op de in de laatste conclusie respectievelijk gevorderde bedragen hebben partijen terecht de rechtsplegingsvergoeding begroot op 30.000 euro . Er is aanleiding om het bestreden vonnis te hervormen wat de begroting van de gerechtskosten betreft, en meer bepaald rekening houdend met de toepassing vanaf 1 januari 2008 van de wet van 21 april 2007 en het K.B. van 26 oktober
- Er worden geen verdedigingskosten meer gevorderd. Hierna worden de gerechtskosten tussen de partijen omgeslagen. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep en de incidentele beroepen ontvankelijk en in de volgende mate gegrond. Hervormt het bestreden vonnis. Stelt vast dat de oorspronkelijke hoofdvorderingen van de N.V. Marx, de N.V. G.H.L. en de N.V. Detry verjaard zijn in zoverre gericht tegen de Belgische Staat. Stelt vast dat de oorspronkelijke tussenvordering van de gemeente Aubel tot betaling van 316.717,44 euro (hoofdsom 167.833,91 euro + interesten) en gericht tegen de Belgische Staat verjaard is. Verklaart de oorspronkelijke vorderingen van de N.V. Marx, de N.V. G.H.L. en de N.V. Detry in de volgende mate gegrond in zoverre gericht tegen de gemeente Aubel. Veroordeelt de gemeente Aubel te betalen 1) aan de N.V. Marx de provisionele som van EEN MILJOEN DRIEHONDERD VIJFENZESTIGDUIZEND NEGENHONDERD VIERENDERTIG EURO DERTIG CENT (1.365.934,30 euro ), 2) aan de N.V. G.H.L de provisionele som van ZESHONDERD VEERTIENDUIZEND ZESHONDERD EURO ZESTIG CENT (614.600,76 euro ) en 3) aan de N.V. Detry de definitieve som van EEN MILJOEN DRIEHONDERD VEERTIGDUIZEND ZESHONDERD ZESENZEVENTIG EURO ACHT CENT (1.340.676,08 euro ), telkens te vermeerderen met de gerechtelijke interesten aan de wettelijke interestvoet. Bevestigt het bestreden vonnis in zoverre het de Belgische Staat veroordeelt om de gemeente Aubel te vrijwaren tegen alle veroordeling in hoofdsom, interesten en gerechtskosten. Heropent de debatten op de zitting van dinsdag 9 juni 2009, om 12.00 uur (30‘) teneinde partijen toe te laten bijkomende inlichtingen te verschaffen en stukken neer te leggen met betrekking tot de tussen 1 januari en 8 augustus 1996 door de N.V. Marx en de N.V. G.H.L. aan de gemeente Aubel betaalde bijdragen. Verklaart de hogere beroepen voor het overige ongegrond. Verwijst de N.V. Marx, de N.V. G.H.L. en de N.V. Detry samen, de gemeente Aubel en de Belgische Staat ieder in een derde van de gerechtskosten van beide aanleggen. Begroot de gerechtskosten van beide aanleggen, in hun geheel, - in hoofde van de Belgische Staat op euro 60.186 (30.000 rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg + 186 rolrecht + 30.000 rechts-plegingsvergoeding beroep), - in hoofde van de N.V. Marx, de N.V. G.H.L. en de N.V. Detry samen op euro 60.674,88 (674,88 dagvaarding en rolrecht + 30.000 rechts-plegingsvergoeding eerste aanleg + 30.000 rechtsplegingsvergoeding beroep), en - in hoofde van de gemeente Aubel op euro 60.000 (30.000 rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg + 30.000 rechtsplegings-vergoeding beroep). Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 27/4/09 waar aanwezig waren en zitting hielden : Astrid DE PREESTER, Raadsheer d.d. Voorzitter, Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer, Marc DEBAERE, Raadsheer, Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS M. DEBAERE E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div