id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 27 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090427.5 Rolnummer: 2009AR102 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-04-28 Raadplegingen: 92 - laatst gezien 2026-07-02 19:38 Fiche I. Het bevel tot staking van artikel 154 van het Decreet houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening is een preventieve maatregel, en de rechter die kennis neemt van de vordering tot opheffing beslist ten gronde over die opheffing en toetst het bevel op zijn externe en interne wettigheid. Hij mag hierbij nagaan of het bevel een preventieve aard heeft dan wel berust op een machtsoverschrijding . Het bestaan van een bevolen herstelmaatregel verantwoordt op zich geen stakingsbevel . II. Of nadien een herstelvordering is of zal worden ingesteld, is zonder belang voor de wettigheid van het stakingsbevel. III.Evenmin is het van belang dat de handelingen waarvan de staking wordt bevolen, reeds lang voor het stakingsbevel ook gebeurden. IV. Dat die handelingen daarbij geruime tijd niet vergunningplichtig waren, is ook zonder belang: zij waren vergunningplichtig toen het bevel tot staken werd gegeven. V. Het hof gaat niet in op de vraag om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof, omdat het van oordeel is dat er klaarblijkelijk geen schending is van de vermelde grondwetsbepalingen. De gesuggereerde vraag heeft betrekking op verschillende behandeling van 'enerzijds zij jegens wie met toepassing van artikel 149 van dit decreet een herstelmaatregel wordt gevorderd en anderzijds zij aan wie met toepassing van artikel 154 van dit decreet een stakingsbevel wordt opgelegd', maar dat zijn geen onderscheiden en vergelijkbare categorieën. Uit de categorie van zij aan wie preventief een staking bevolen wordt zijn niet uitgesloten zij aan wie a posteriori een herstelmaatregel wordt opgelegd. Een verschillende behandeling van niet vergelijkbare categorieën kan geen schending van het gelijkheidsbeginsel meebrengen. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Inbreuken en sancties PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Inbreuken en sancties - Andere Vrije woorden: I. Artikel 154 van het Vlaams decreet van 18 mei 1999 tot organisatie van de ruimtelijke ordening. Stakingsbevel aard van de maatregel. Opheffing. II. Afwijziing van het verzpek tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof: artikel 149 en 154 van voormeld decreet betreffen niet-vergelikkbare categorrieën. Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 18-05-1999 - art. 154 Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2009/ A.R. nr. 2009/AR/102 Decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening - kort geding - opheffing bevel tot staking INZAKE VAN : De naamloze vennootschap AM & P ONDERNEMINGEN, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 1000 BRUSSEL, Groot Eiland 34, ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 433.135.187, appellante tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 23 december 2008, vertegenwoordigd door Meester Filip DE PRETER loco Meester Dirk LINDEMANS, advocaat te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan 3, 1ste kamer TEGEN : Het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, in de persoon van de Voorzitter van de Vlaamse Regering, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1000 BRUSSEL, Koolstraat 35, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Philippe DECLERCQ, advocaat te 3000 LEUVEN, Minckelersstraat 33,
- De procedure In dit arrest oordeelt het hof over het hoger beroep tegen een vonnis van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 23 december
- De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder art. 24, zijn nageleefd. Het arrest wordt gewezen na tegenspraak. Partijen verklaren dat het vonnis niet werd betekend. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld.
- De feiten De eerste rechter heeft de relevante feiten correct en volledig weergegeven als volgt: " 1.
- [AM&P ONDERNEMINGEN] exploiteert sinds 1974 een aannemingsbedrijf aan de Herdebeekstraat 329 te 1701 Dilbeek. De maatschappelijke zetel van [AM&P ONDERNEMINGEN] is gelegen te Brussel, Groot Eiland
- Volgens het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse vastgesteld bij KB van 28 maart 1997 is het bedrijf gelegen in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied. 1.
- - Op 14 mei 2007 komt de heer NIJS, verbonden aan het Agentschap Inspectie RWO ter plaatse en maakt een proces-verbaal op. De heer NIJS stelt vast dat [AM&P ONDERNEMINGEN] wederrechtelijke handelingen uitvoert die erin bestaan dat ze gewoonlijk gebruik maakt van een grond voor het stapelen van bouwmateriaal en bouwmaterieel, zonder voorafgaande en uitdrukkelijke vergunning vanwege het college van burgemeester en schepenen. In het proces-verbaal wordt verder vermeld dat de genoemde inbreuk aanleiding geeft tot de toepassing van dwang- en strafbepalingen voorzien in Titel V, Hoofdstuk 1 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening. Het proces-verbaal wordt bij brief van 30 mei 2007 overgemaakt aan [AM&P ONDERNEMINGEN]. In de brief wordt aan [AM&P ONDERNEMINGEN] gevraagd een einde te stellen aan het wederrechtelijk gebruik van de grond, bij gebreke waaraan een bevel tot staking van dit gebruik zal worden opgelegd. 1.
- - Op 27 maart 2008 richt [AM&P ONDERNEMINGEN] tot het college van burgemeester en schepenen een aanvraag tot het bekomen van een planologisch attest. Op 2 september 2008 levert de gemeente een negatief planologisch attest af. 1.
- - Op 28 oktober 2008 komt de heer NIJS opnieuw ter plaatse en stelt vast dat de toestand op het perceel ongewijzigd is. Hij stelt vast dat [AM&P ONDERNEMINGEN] zich schuldig maakt aan een inbreuk op de artikelen 99 en 146 van het genoemde decreet van 18 mei
- De heer NIJS laat een schriftelijk bevel achter tot onmiddellijke staking van het wederrechtelijk gebruik van de grond voor het stapelen van bouwmaterialen en materieel. Bij beslissing van 31 oktober 2008 wordt het stakingsbevel bekrachtigd. "
- Het onderwerp van de vordering 3.
- Voor de eerste rechter vorderde AM&P ONDERNEMINGEN te zeggen voor recht dat het stakingsbevel opgeheven is, of ondergeschikt met toepassing van artikel 19, 2de lid van het Gerechtelijk Wetboek de voorlopige opheffing te bevelen. Het VLAAMSE GEWEST concludeerde tot de ongegrondheid van de vordering. 3.
- De eerste rechter verklaarde de vordering van AM&P ONDERNEMINGEN ongegrond. 3.
- In hoger beroep herneemt AM&P ONDERNEMINGEN haar oorspronkelijke vordering, en breidt ze uit tot de latere stakingsbevelen, in het bijzonder dat van 14 januari
- Aan haar vraag om ondergeschikt met toepassing van artikel 19, 2de lid van het Gerechtelijk Wetboek de voorlopige opheffing te bevelen voegt zij het verzoek toe om volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof: "Schendt het artikel 154 van het decreet houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening dat stelt dat de in dit decreet bepaalde ambtenaren mondeling ter plaatse de onmiddellijke staking van het werk, van de handelingen of van het gebruik kunnen bevelen indien zij vaststellen dat het werk, de handelingen of de wijzigingen een inbreuk vormen, in de interpretatie dat deze bepaling het ook mogelijk maakt om de staking te bevelen van een gebruik dat reeds geruime tijd in ongewijzigde vorm bestaat, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat het een onderscheiden behandeling in het leven roept tussen, enerzijds zij jegens wie met toepassing van artikel 149 van dit decreet een herstelmaatregel wordt gevorderd en anderzijds zij aan wie met toepassing van artikel 154 van dit decreet een stakingsbevel wordt opgelegd, aangezien de eerstgenoemden voorafgaand aan de maatregel toegang hebben tot een rechter, die bovendien zelf een termijn voor de uitvoering van de maatregel bepaalt, en bovendien de waarborg hebben dat het herstel slechts gevorderd kan worden na eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid, terwijl de anderen slechts achteraf toegang hebben tot de rechtbank, waarbij de maatregel onmiddellijke ingang heeft en het bevel niet geschorst wordt hangende de procedure voor de rechtbank, en er bovendien geen eensluidend advies dient te worden gevraagd". Het VLAAMSE GEWEST concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep.
- De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen 4.
- De beslissing van de eerste rechter De eerste rechter besliste op grond van volgende overwegingen. Het gebruik van de grond voor het stapelen van materieel of afval is vergunningplichtig, en AM&P ONDERNEMINGEN beschikt niet over een vergunning. Het gebruik vormt dus een handeling waarvan de staking kan bevolen worden. Dat AM&P ONDERNEMINGEN ook voor de inwerkingtreding van het Decreet houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening het terrein op die manier gebruikte, doet daaraan niets af. 4.
- Beoordeling Het bevel tot staking van artikel 154 van het Decreet houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening is een preventieve maatregel, en de rechter die kennis neemt van de vordering tot opheffing beslist ten gronde over die opheffing en toetst het bevel op zijn externe en interne wettigheid. Hij mag hierbij nagaan of het bevel een preventieve aard heeft dan wel berust op een machtsoverschrijding . Het bestaan van een bevolen herstelmaatregel verantwoordt op zich geen stakingsbevel . Ten onrechte laat AM&P ONDERNEMINGEN gelden dat het preventief karakter van de maatregel hier ontbreekt, omdat haar gebruik al lang bestaat en de toestand geruime tijd ongewijzigd is gebleven. In huidige zaak wordt geen staking bevolen van werken die reeds zijn uitgevoerd, in welk geval een staking inderdaad niet meer preventief kan zijn. Evenmin heeft het bevel de beëindiging op het oog van een instandhouding van een constructie of het gebruik van een constructie. Hier wordt de staking bevolen van een gebruik dat AM&P ONDERNEMINGEN maakt van het terrein, dat zij zelf als volgt beschrijft "voornamelijk de tijdelijke opslag van bouwmaterialen die niet rechtstreeks op de werf worden geleverd, alsook de beperkte opslag van bepaald materieel. Tevens staan er enkele voertuigen gestald, en wordt in beperkte mate afval dat afkomstig is van werven tijdelijk opgeslagen, alvorens die verder afgevoerd wordt naar een stortplaats of verwerker" . Het bevel beoogt niet het beëindigen van een toestand die het gevolg is van handelingen (dat zou niet meer preventief zijn), maar het beëindigen van die handelingen zelf, te weten het aanvoeren, stockeren en afvoeren. Het is niet betwistbaar dat dit bevel strekt tot het voorkomen van schade; de bijkomende aanvoer en stockering van bouwmateriaal en -materieel kan immers schade toebrengen aan de ruimtelijke ordening, in casu in een landschappelijk waardevol gebied. Aanleiding tot het stakingsbevel was overigens net een klacht over opslag die tot boven de haag kwam. AM&P ONDERNEMINGEN stelt dat een staking van gebruik een verplichting inhoudt tot een bepaald handelen, anders dan bij staking van werken. Dat overtuigt niet, omdat ook bij staking van bijvoorbeeld bouwwerken uiteraard maatregelen moeten genomen worden, en het heeft ook geen belang. Of nadien een herstelvordering is of zal worden ingesteld, is zonder belang voor de wettigheid van het stakingsbevel. Evenmin is het van belang dat de handelingen waarvan de staking wordt bevolen, reeds lang voor het stakingsbevel ook gebeurden. Dat die handelingen daarbij geruime tijd niet vergunningplichtig waren, is ook zonder belang: zij waren vergunningplichtig toen het bevel tot staken werd gegeven. Artikel 99, §1 5° Decreet houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening bepaalt dat niemand zonder voorafgaande stedebouwkundige vergunning mag "5° een grond gewoonlijk gebruiken, aanleggen of inrichten voor: het opslaan van gebruikte of afgedankte voertuigen, van allerhande materialen, materieel of afval". Anders dan AM&P ONDERNEMINGEN verdedigt, blijkt niet dat de Decreetgever alleen het aanleggen of inrichten, of het aanvangen van een nieuw gewoonlijk gebruik vergunningplichtig heeft willen maken; de tekst staat die lezing niet toe. Dat AM&P ONDERNEMINGEN voor de inwerkingtreding van die bepaling (1 mei 2000) het terrein ook reeds heeft aangelegd, ingericht en gebruikt voor het opslaan, neemt niet weg dat het gebruik voor het opslaan sinds de inwerkingtreding ervan wel vergunningplichtig is. Opnieuw en voor zoveel als nodig: niet de instandhouding van de aanleg of inrichting van het terrein is voorwerp van het bevel, maar het gebruik. Voor het overige vormt het middel van AM&P ONDERNEMINGEN op dit punt eigenlijk een kritiek op de gevolgen van de wijziging van artikel 99 van het decreet, en daarop kan het hof uiteraard niet ingaan. De overwegingen van AM&P ONDERNEMINGEN met betrekking tot de proportionaliteit van de maatregel tegen een onderneming in werking ten aanzien van de hinder hebben betrekking op de opportuniteit van het bevel, en daarover kan het hof niet oordelen. Het hof gaat niet in op de vraag om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof, omdat het van oordeel is dat er klaarblijkelijk geen schending is van de vermelde grondwetsbepalingen. De gesuggereerde vraag heeft betrekking op verschillende behandeling van "enerzijds zij jegens wie met toepassing van artikel 149 van dit decreet een herstelmaatregel wordt gevorderd en anderzijds zij aan wie met toepassing van artikel 154 van dit decreet een stakingsbevel wordt opgelegd", maar dat zijn geen onderscheiden en vergelijkbare categorieën. Uit de categorie van zij aan wie preventief een staking bevolen wordt zijn niet uitgesloten zij aan wie a posteriori een herstelmaatregel wordt opgelegd. Een verschillende behandeling van niet vergelijkbare categorieën kan geen schending van het gelijkheidsbeginsel meebrengen. De vraag van AM&P ONDERNEMINGEN om ingeval van vraagstelling een voorlopige maatregel te nemen, is dus zonder voorwerp. AM&P ONDERNEMINGEN toont dus niet aan dat het bevel onwettig is. De eerste rechter heeft terecht de vordering tot opheffing ongegrond verklaard.
- De kosten De partijen vragen voor de rechtsplegingsvergoeding de toepassing van het basisbedrag. Met toepassing van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 bedraagt dat basisbedrag gelet op de niet waardeerbaarheid van de vordering 1.200,00 EUR. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep van AM&P ONDERNEMINGEN ontvankelijk maar ongegrond. Veroordeelt AM&P ONDERNEMINGEN tot de betaling van de kosten van het hoger beroep, begroot - in hoofde van haarzelf op euro 1.552,90 ( 352,90 dagvaardingskosten en rolrecht rechtsplegingsvergoeding + 1.200 rechtsplegingsvergoeding), en - in hoofde van geïntimeerde op euro 1.200 rechtsplegingsvergoeding. Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 27/4/09 waar aanwezig waren en zitting hielden : Astrid DE PREESTER, Raadsheer d.d. Voorzitter, Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer, Marc DEBAERE, Raadsheer, Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS M. DEBAERE E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div