id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 05 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090505.11 Rolnummer: 2006AR1275 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-05-11 Raadplegingen: 92 - laatst gezien 2026-07-02 19:41 Fiche I Het dient onderlijnd te worden dat de in artikel 5 van de wet van 3 december 1999 vastgestelde voorwaarden om als landbouwbedrijf in aanmerking te komen voor steun, waaronder de economische zelfstandigheid van een dergelijk bedrijf, grondvoorwaarden uitmaken waarvan de bijkomende voorwaarden en modaliteiten bepaald door de Koning niet kunnen afwijken . II. Het begrip 'een economisch zelfstandig landbouwbedrijf'. III. Het onderscheid dat gemaakt wordt tussen landbouwbedrijven zonder garantieovereenkomst die recht hebben op een forfaitaire vergoeding en landbouwbedrijven met garantieovereenkomst die hun schade en het oorzakelijk verband moeten bewijzen, is niet in strijd met de wet en maakt geen schending uit van het gelijkheidsbeginsel. IV. Het verschil in behandeling tussen landbouwbedrijven verbonden door contracten met gegarandeerde afnameprijzen en deze die dergelijke contracten niet aangingen. Het al dan niet afsluiten van dergelijke contracten is een objectief criterium en het maken van een onderscheid naargelang dergelijke contracten al dan niet werden aangegaan, is redelijk gezien de alleenstaande dierenfokker/vetmester voor de afname van zijn dieren volledig is overgeleverd aan de marktevolutie terwijl de 'gebonden' soortgelijke landbouwers zekerheid hebben over de afname en het bekomen van minimumprijzen overeenkomstig het afgesloten contract. V. Het K.B. van 24 december 1999 betreffende de nadere regels voor de toekenning van vergoedingen in uitvoering van de wet van 3 december 1999 betreffende steunmaatregelen ten gunste van landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis is derhalve niet onwettig en de overheid heeft geen enkele fout begaan bij het uitvaardigen van deze regelgeving. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - AGRARISCH RECHT - Andere (agrarisch recht) Vrije woorden: Dioxine. Wet van 3 december 1999 (artikel 5). Artikelen 6 en 7, van het K.B. 24 december 1999 betreffende de nadere regels voor de toekenning van vergoeding in uitvoering van de wet van 3 december 1999 betreffende de steunmaatregelen ten gunste van landbouwbedrijven getoffen door de dioxine crisis. Voorwoorden voor de toekenning van de vergoeding. Beoordeling van de wettigheid van het KB 24 december
- Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2009/ A.R. nr. 2006/AR/1275 INZAKE VAN : Mevrouw Y. D.-H., appellante tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 8 december 2003, vertegenwoordigd door Meester Sofie SPRIET loco Meester Stefaan BEELE, advocaat te 8500 KORTRIJK, President Kennedypark 26a, 1ste kamer TEGEN : De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, waarvan het kabinet gevestigd is te 1210 BRUSSEL, Kunstlaan 7, FEDERALE OPVERHEIDSDIENST VOLKSGEZONDHEID, VEILIGHEID VAN DE VOEDSELKETEN EN LEEFMILIEU, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 1000 BRUSSEL, W.T.C. III, Simon Bolivarlaan 30, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Yoeri VASTERSAVENDTS loco Meester Alfons VASTERSAVENDTS, advocaat te 1730 ASSE, Steenweg
- Gelet op de procedurestukken: · het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 8 december 2003, beslissing waarvan geen akte van betekening wordt overgelegd; · het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 4 mei 2006; · de conclusie van appellante neergelegd ter griffie op 21 februari 2007; · de syntheseconclusie van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 18 mei
- Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 31 maart 2009 en gelet op de stukken die zij neerlegden. Het hoger beroep werd regelmatig naar vorm en termijn ingesteld en is bijgevolg ontvankelijk. I. Voorwerp van de vorderingen. 1.
- De oorspronkelijke eis van appellante strekte ertoe geïntimeerde te horen veroordelen tot betaling van een bedrag van 133.244 BEF of 3.303,03 euro ten titel van provisie plus de intresten. Bij conclusie werd deze vordering uitgebreid tot een bedrag van 8.141,12 euro plus de vergoedende intresten vanaf 21 juni 2001 te verhogen met een bijkomende vergoeding van 1.000 euro plus de vergoedende en de gerechtelijke intresten vanaf de datum van het neerleggen van de conclusie. 1.
- De eerste rechter heeft deze vordering ontvankelijk doch ongegrond verklaard. 1.
- Het hoger beroep van appellante beoogt de toekenning van haar vordering zoals uitgebreid voor de eerste rechter. 1.
- Geïntimeerde vraagt het hoger beroep ongegrond te verklaren en bijgevolg het bestreden vonnis te willen bevestigen II. De Feiten. 2.
- De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis. 2.
- Samengevat komt het hierop neer dat appellante een bedrijf uitbaat in M., deelgemeente O., dat zich inlaat met het vetmesten van varkens. Appellante beweert schade te hebben geleden ingevolge de maatregelen die genomen werden in het kader van de dioxinecrisis in
- Zij diende op 25 maart 2000 een aanvraag in bij het Ministerie van Landbouw tot het bekomen van steun overeenkomstig het K.B. van 24 december 1999, genomen in uitvoering van de wet van 3 december
- Na onderzoek van haar dossier werd beslist geen economische schadevergoeding toe te kennen aan appellante omdat zij niet voldeed aan artikel 6 van het K.B. van 24 december 1999 (de in aanmerking te nemen schade was minder dan het minimumbedrag dat kon uitgekeerd worden). Bij schrijven van 27 januari 2001 vroeg appellante een herziening van deze beslissing dewelke op 7 mei 2001 verworpen werd. Op 26 juni 2001 protesteerde appellante tegen de verworpen herziening. Bij schrijven van 27 juni 2001 werd haar medegedeeld dat de reglementering slechts voorzag in één herzieningsaanvraag. Appellante ging dan over tot dagvaarding bij exploot betekend op 29 oktober
- III. Beoordeling. 3.
- Voor de eerste rechter wierp geïntimeerde de onbevoegdheid op van de burgerlijke rechter. Dit middel werd door de eerste rechter verworpen. Geïntimeerde vraagt thans het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en vraagt bijgevolg impliciet de bevestiging van het bestreden vonnis, ook wat dit punt betreft. Het hof kan derhalve geen kennis meer nemen van deze rechtsvraag. 3.
- De wet van 3 december 1999 legt het principe vast van een recht op steun in de vorm van een vergoeding in contanten voor landbouwbedrijven die schade hebben geleden ingevolge de dioxinecrisis ( = artikel 4 ) en bepaalt verder de voorwaarden - in totaal vier - waaraan een landbouwbedrijf moet voldoen om in aanmerking te komen voor een dergelijke steun ( = artikel 5 ). Eén van deze voorwaarden is dat het landbouwbedrijf in kwestie de voorwaarden van economische zelfstandigheid moet vervullen t.a.v. afnemers van vee en leveranciers zoals bepaald bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit ( = artikel 5,4° ). 3.
- Op 24 december 1999 werd een K.B. genomen betreffende de voorwaarden van economische zelfstandigheid waaraan de landbouwbedrijven dienen te voldoen om in aanmerking te komen voor steun in toepassing van de wet van 3 december 1999 betreffende steunmaatregelen ten gunste van landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis ( B.S. 30 december 1999, blz. 50168 ). Artikel 1,2° van dit K.B. bepaalt het volgende: " Een landbouwbedrijf wordt geacht economisch zelfstandig te zijn indien het aan elk van volgende voorwaarden voldoet: 1°... 2°Het bedrijf het kweekmateriaal en de nodige grondstoffen voor de teelt zelf heeft aangekocht en deze niet aangekocht heeft bij de afnemer van het slachtrijpe vee of, indien deze laatste een vennootschap is, bij een met deze verbonden onderneming.... 3°... 4°... 5°... 6°..." Artikel 2 van dat zelfde K.B. bepaalt verder: " Een landbouwbedrijf dat voldoet aan de voorwaarden van economische zelfstandigheid, bedoeld in artikel 1,2° tot 6° en dat gebonden is door een contract met gegarandeerde afnameprijzen voor dieren die het fokt of vetmest, of voor producten van dierlijke oorsprong die het produceert, komt slechts in aanmerking voor steun vanwege het Fonds voor de schadeloosstelling van landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis in zoverre die steun betrekking heeft op schade welke verband houdt met het deel van de productie waarvoor het landbouwbedrijf gegarandeerde afnameprijzen geniet voor zover het bewijst ten gevolge van de dioxinecrisis een reële schade te hebben geleden boven deze welke kan vergoed worden krachtens voornoemd contract. Bij niet - naleving van het contract door de tegenpartij is vergoeding van de schade van het landbouwbedrijf mogelijk op voorwaarde dat de Staat wordt gesubrogeerd in de betrokken contractuele rechten van het landbouwbedrijf. " 3.
- Op 21 december 1995 sloot appellante een " garantie - overeenkomst vleesvarkens " af met de NV Agroservice. Uit deze overeenkomst blijkt o.a. het volgende: - Appellante verbond er zich toe alle biggen die vetgemest werden aan te kopen bij Agroservice of een door deze laatste partij erkende leverancier ( = artikel 4 ); - Appellante verbond er zich toe voor alle deze biggen uitsluitend voeder aan te kopen bij Agroservice (= artikel 5 waarin de onderstreping eveneens voorkomt ); - Agroservice diende appellante "te ondersteunen" bij de verkoop van haar vetgemeste varkens aan een door Agroservice erkende varkenshandelaar of slachthuis, die o.a. aan de vastgestelde betalingsmodaliteiten voldeed en garandeerde hierbij aan appellante de overeengekomen prijs per netto levend en goedgekeurde kg vleesvarken op voet ( = artikel 6: garanties vanwege Agroservice ); - De verschafte prijsgarantie maakte het noodzakelijk dat Agroservice de evolutie van de varkens en de juistheid van de gegevens kon nagaan zodat appellante meteen aan de Agroservice - afgevaardigde onvoorwaardelijk en onherroepelijk toelating tot toegang tot de stallen gaf, terwijl appellante tevens een technische opvolgingsfiche moest bijhouden volgens het model en de richtlijnen van Agroservice, die aan deze laatste moest overhandigd worden telkens bij het einde van iedere ronde ( = artikel 9: Bijkomende modaliteiten ); - Tussen partijen werd tenslotte overeengekomen hoeveel varkens per ronde moesten opgezet worden en vetgemest en welke korting toegekend werd op het door appellante aangekochte veevoeder ( = Deel II: Bijzondere voorwaarden die één geheel vormen met de algemene voorwaarden van de garantieovereenkomst vleesvarkens ). 3.
- Uit de analyse van de voorliggende gegevens blijkt afdoend dat het landbouwbedrijf uitgebaat door appellante geen economisch zelfstandige entiteit is in de zin van artikel 5,4° van de wet van 3 december 1999 en niet voldoet aan de voorwaarden die geëist worden door het K.B. van 24 december 1999 om geacht te worden een economisch zelfstandig bedrijf te zijn. Als bedrijf gebonden door een contract met gegarandeerde afnameprijzen maar dat niet voldeed aan de voorwaarden van economische zelfstandigheid bedoeld in artikel 1, 2° tot 6° van voornoemd K.B. kwam zij evenmin in aanmerking voor de toepassing van artikel 2 ( zie punt 3.
- van huidig arrest ). Als niet economisch zelfstandig veeteeltbedrijf kwam appellante derhalve niet eens in aanmerking voor het bekomen van een tegemoetkoming. 3.
- Het Grondwettelijk Hof heeft bij arrest van 8 november 2006 bovendien beslist dat de beperking van de staatssteun zoals voorzien in artikel 4 van de wet van 3 december 1999 tot de in artikel 5 van dezelfde wet omschreven landbouwbedrijven ( = economisch zelfstandige landbouwbedrijven ) waarbij geïntegreerde landbouwbedrijven werden uitgesloten niet strijdig was met het gelijkheidsbeginsel zoals vastgelegd in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Het Grondwettelijk Hof verwees hierbij enerzijds naar de parlementaire voorbereiding waarin gesteld werd dat het in de landbouwsector aangewezen was om de beperkte middelen bij voorrang aan te wenden voor steun aan zelfstandige ondernemingen omdat voor geïntegreerde bedrijven de nood aan steun, beoordeeld op groepsbasis, over het algemeen minder dwingend was en anderzijds naar de briefwisseling tussen de Europese Commissie en de Belgische Staat, gevoerd n.a.v. de aanmelding van de steunmaatregelen aan landbouwbedrijven die door de dioxinecrisis waren getroffen, waarin naar voren kwam dat de Europese Commissie het criterium van de "economische zelfstandigheid" betrok in haar beoordeling omtrent de verenigbaarheid van de aangemelde steun met artikel 87, lid 2, onder b) van het EG - Verdrag. Zodoende kwam het Grondwettelijk Hof tot de conclusie dat het bekritiseerde verschil in behandeling tussen beide categorieën van landbouwbedrijven niet kennelijk onredelijk was, nu het vanuit sociaal economische overwegingen kon worden verantwoord, inzonderheid vanuit de bekommernis van de wetgever om, gelet op de beperkte budgettaire middelen en de omvang van de schade, de levensvatbaarheid van economisch minder draagkrachtige bedrijven niet nog meer in het gedrang te brengen. 3.
- De aanvraag vanwege appellante om steun omwille van schade opgelopen ingevolge de dioxinecrisis werd echter een eerste maal door de bevoegde overheid afgewezen omdat het totaal bedrag van de in aanmerking te nemen schade slechts 11.200 BEF bedroeg, wat minder was dan het minimum - bedrag dat kon uitgekeerd worden overeenkomstig artikel 6, tweede streepje van het K.B. van 24 december 1999 ( zie verder punt 3.
- van huidig arrest wat dit K.B. betreft ). De herzieningsaanvraag werd eveneens verworpen op grond van hierna volgende motivering: " Volgens artikel 2 van het K.B. van 24 december 1999 betreffende de voorwaarden van economische zelfstandigheid waaraan de landbouwbedrijven dienen te voldoen, kan een landbouwbedrijf dat voldoet aan de voorwaarden van economische zelfstandigheid, bedoeld in artikel 1, 2° tot 6°, in aanmerking komen voor steun met betrekking tot schade welke verband houdt met de productie waarvoor het gegarandeerde afnameprijzen geniet, in zoverre door het landbouwbedrijf het bewijs wordt geleverd dat door de dioxinecrisis een reële schade werd geleden die hoger is dan de vergoeding van het prijsgarantiecontract. Bovendien moet volgens art. 7, 1° & 2° van het K.B. van 24 december 1999 betreffende de nadere regels voor de toekenning van vergoeding, de aanvrager het bewijs leveren van het oorzakelijk verband tussen een eventueel geleden schade en de dioxinecrisis. Om deze reden wordt uw aanvraag tot herziening van het uitbetalingsvoorstel m.b.t. de varkenssector verworpen. Op grond van artikel 6, lid 2 van het K.B. van 24 december 1999 betreffende de nadere regels voor de toekenning van vergoedingen in uitvoering van de wet van 3 december 1999 betreffende steunmaatregelen ten gunste van landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis worden uitsluitend de aanvragen in aanmerking genomen die betrekking hebben op een geleden schade van meer dan 20.000 BEF. Volgens de berekening bedraagt het totaal bedrag van de in aanmerking te nemen schade slechts 11.200 BEF, wat bijgevolg minder is dan het minimum - bedrag dat kan uitgekeerd worden. " 3.
- Op 24 december 1999 werd immers nog een tweede K.B. uitgevaardigd betreffende de nadere regels voor de toekenning van vergoedingen in uitvoering van de wet van 3 december 1999 betreffende steunmaatregelen ten gunste van landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis ( B.S. 30 december 1999, blz. 50169 ). In artikel 6 van dat K.B. wordt o.a. bepaald: " Worden uitsluitend in aanmerking genomen, de aanvragen: - ... - die betrekking hebben op een geleden schade van meer dan 20.000 BEF; - ..." In artikel 7 van dat K.B. wordt verder nog het volgende bepaald: " §
- Voor de volgende productieinrichtingen - of een deel ervan - die niet gebonden zijn door contracten met gegarandeerde afname prijzen, wordt de schadevergoeding uitsluitend op grond van de in bijlage I opgenomen forfaitaire bedragen en berekeningswijzen berekend. ... §
- In alle overige gevallen wordt de vergoeding vastgesteld op grond van de door de aanvrager gemaakte schatting van de schade. De aanvrager moet zowel de bewijzen leveren van de geleden schade als van het bestaan van een rechtstreeks oorzakelijk verband tussen de schade en de dioxinecrisis. " 3.
- Vooreerst dient onderlijnd te worden dat de in artikel 5 van de wet van 3 december 1999 vastgestelde voorwaarden om als landbouwbedrijf in aanmerking te komen voor steun, waaronder de economische zelfstandigheid van een dergelijk bedrijf, grondvoorwaarden uitmaken waarvan de bijkomende voorwaarden en modaliteiten bepaald door de Koning niet kunnen afwijken . De vaststelling dat appellante niet kon aangezien worden als een economisch zelfstandig landbouwbedrijf - gelet op de bepalingen vervat in de garantieovereenkomst afgesloten op 21 december 1995 - volstond bijgevolg voor de weigering van enige tegemoetkoming omwille van schade ingevolge de dioxinecrisis ( zie punt 3.
- van huidig arrest ). 3.
- De overheid verwierp de aanvraag van appellante echter op grond van bepalingen vervat in het K.B. van 24 december 1999 betreffende de nadere regels voor de toekenning van vergoedingen in uitvoering van de wet van 3 december 1999 betreffende steunmaatregelen ten gunste van landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis ( zie punt 3.
- van huidig arrest ). Zij ging er derhalve - ten onrechte - van uit dat appellante een economisch zelfstandig bedrijf uitbaatte dat echter gebonden was door een contract met gegarandeerde afname prijzen en zodoende viel onder de toepassing van artikel 7, §2 van voornoemd K.B. Het is weliswaar niet zeer duidelijk op grond van welke specifieke stukken de overheid de aanvraag tot steun van appellante heeft moeten beoordelen. 3.
- Het is dan ook enkel ten overvloede en voor zoveel als nodig dat het hof ingaat op de toepassing van artikel 7, §2 van het voornoemde specifieke K.B. van 24 december
- 3.
- Het onderscheid dat gemaakt wordt tussen landbouwbedrijven zonder garantieovereenkomst die recht hebben op een forfaitaire vergoeding en landbouwbedrijven met garantieovereenkomst die hun schade en het oorzakelijk verband moeten bewijzen, is niet in strijd met de wet en maakt geen schending uit van het gelijkheidsbeginsel. Artikel 6, §2 van de dioxinewet bepaalt zelf dat de schade geleden tengevolge van de dioxinecrisis forfaitair kan bepaald worden op grond van objectieve indicatoren, behalve in het geval van landbouwbedrijven gebonden door contracten met gegarandeerde afnameprijzen voor dieren die zij fokken of vetmesten, of voor producten van dierlijke oorsprong die zij produceren, voor zover de dieren of producten onder de toepassing van deze contracten vallen. Het Grondwettelijk Hof heeft verder reeds meermaals beslist dat de grondwettelijke regels van gelijkheid niet uitsluiten dat de overheid een verschil in behandeling tussen verschillende categorieën van personen instelt op voorwaarde dat dit verschil in behandeling op een objectief criterium berust en redelijk verantwoord is, rekening houdende met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel. Hier voren werd reeds uiteengezet dat m.b.t. het verschil in behandeling tussen economisch zelfstandige landbouwbedrijven en deze die dat niet zijn het Grondwettelijk Hof tot de conclusie kwam dat het bekritiseerde verschil in behandeling tussen beide categorieën van landbouwbedrijven niet kennelijk onredelijk was, nu het vanuit sociaal economische overwegingen kon worden verantwoord, inzonderheid vanuit de bekommernis van de wetgever om, gelet op de beperkte budgettaire middelen en de omvang van de schade, de levensvatbaarheid van economisch minder draagkrachtige bedrijven niet nog meer in het gedrang te brengen ( punt 3.
- van huidig arrest ). Diezelfde redenering geldt voor het verschil in behandeling tussen landbouwbedrijven verbonden door contracten met gegarandeerde afnameprijzen en deze die dergelijke contracten niet aangingen. Het al dan niet afsluiten van dergelijke contracten is een objectief criterium en het maken van een onderscheid naargelang dergelijke contracten al dan niet werden aangegaan, is redelijk gezien de alleenstaande dierenfokker/vetmester voor de afname van zijn dieren volledig is overgeleverd aan de marktevolutie terwijl de "gebonden" soortgelijke landbouwers zekerheid hebben over de afname en het bekomen van minimumprijzen overeenkomstig het afgesloten contract. Het K.B. van 24 december 1999 betreffende de nadere regels voor de toekenning van vergoedingen in uitvoering van de wet van 3 december 1999 betreffende steunmaatregelen ten gunste van landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis ( B.S. 30 december 1999, blz. 50169 ) is derhalve niet onwettig en de overheid heeft geen enkele fout begaan bij het uitvaardigen van deze regelgeving. In dit verband verwijst appellante tevens naar artikel 16 van de dioxinewet waarin gesteld wordt dat binnen de grenzen toegestaan door de Commissie krachtens artikel 87 van het Verdrag er tegen de voorwaarden bepaald bij een in Ministerrad overlegd koninklijk besluit, de Staat voorschotten of vergoedingen kan toekennen aan ondernemingen wier producten van dierlijke oorsprong zijn vernietigd, in beslag genomen of uit de handel zijn genomen ingevolge maatregelen die de Belgische overheid genomen heeft in het kader van de dioxinecrisis. In één pennentrek wordt deze bepaling tevens nietig geacht terwijl deze niet eens van toepassing is in huidig geschil. De dieren van appellante zijn nooit het voorwerp geweest van een beslissing tot vernietiging, inbeslagname of het uit de handel nemen. 3.
- Appellante bewijst verder niet enige schade te hebben geleden in oorzakelijk verband met de dioxinecrisis. Zij legt enkel de brief neer van 30 mei 2001 waarin haar herzieningsaanvraag verworpen werd, een schadeberekening die volkomen onduidelijk is, haar schrijven van 21 juni 2001 waarin zij de "herziening" vraagt van de herzieningsbeslissing en het antwoordschrijven van 27 juni 2001 waarin haar tweede herzieningsverzoek verworpen wordt. In het dossier van geïntimeerde bevindt zich de reeds vermelde garantieovereenkomst waarvan appellante niet voorhoudt dat ze eenzijdig zou zijn verbroken door de afnemer, Agroservice. Appellante brengt evenmin bewijzen naar voor dat tijdens de in aanmerking te nemen periode haar dieren het voorwerp zijn geweest van enige beslagprocedure en/of opruimingsbevel en/of vervoerverbod wat inhoudt dat die dieren verder konden verhandeld worden overeenkomstig de bepalingen van het afgesloten afnamecontract. In haar eigen conclusie stelt appellante overigens zelf dat zij van de NV Vandenavenne - Ooigem ( = rechtsopvolger van Agroservice) gekregen heeft waarop zij volgens de prijsgarantieovereenkomst recht op had . Appellante steunt zich bijgevolg enkel op een aantal beweringen, hypotheses en veronderstellingen die op geen enkele wijze hard gemaakt worden. Zelfs indien rekening wordt gehouden met het bedrag ( = 11.200 BEF ) dat volgens de administratie in aanmerking zou kunnen genomen worden - maar waarvan het oorzakelijk verband met de dioxinecrisis niet voorligt - dan nog heeft appellante geen recht op enige tegemoetkoming gezien overeenkomstig artikel 6 van het K.B. van 24 december 1999 betreffende de nadere regels voor de toekenning van vergoedingen in uitvoering van de dioxinewet enkel aanvragen in aanmerking komen die betrekking hebben op een geleden schade van meer dan 20.000 BEF. 3.
- Voor het overige wordt, voor zoveel als nodig, verwezen naar de oordeelkundige beslissing van de eerste rechter desbetreffend waarvan de motieven als volledig hernomen worden beschouwd in zoverre ze niet tegenstrijdig zijn met deze ontwikkeld in huidig arrest. Alle andere door partijen ingeroepen middelen zijn niet ter zake dienend in het licht van wat voorafgaat. 3.
- Ter zitting van 31 maart 2009 hebben beide partijen om de toepassing gevraagd van het basistarief wat de rechtsplegingsvergoeding betreft. Gelet op de door appellante gevorderde bedragen ( 8.141,12 euro + 1.000 euro in hoofdsom + intresten tot de datum van de dagvaarding ) begroten beide partijen dit basisbedrag op 1.100 euro . Dit bedrag komt toe aan geïntimeerde als de in het gelijk gestelde partij. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis. Veroordeelt appellante in de kosten van hoger beroep, begroot - in hoofde van haarzelf op euro 1.286 ( 186 rolrecht + 1.100 rechtsplegingsvergoeding),en - in hoofde van geïntimeerde op euro 1.100 rechtsplegingsvergoeding. Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 5/5/09 waar aanwezig waren en zitting hielden : Astrid DE PREESTER, Raadsheer d.d. Voorzitter, Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer, Marc DEBAERE, Raadsheer, Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS M. DEBAERE E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div