← België

ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090505.12

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 05 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090505.12 Rolnummer: 2008AR2611 Rechtsgebied: Overige - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-05-11 Raadplegingen: 88 - laatst gezien 2026-07-02 19:41 Fiche I. De wetgever heeft, in artikel 1210 Ger. W., op weloverwogen wijze, UITSLUITEND de gerechtelijke aanstelling van een man van het vak met een strenge plichtenleer, zijnde een notaris, voorzien. De rechtbank kan bij toepassing van artikel 1210 Ger. W. geen particulier en - zoals gevraagd wordt door appellanten -, of een advocaat aanstellen, maar louter en alleen een notaris. II. De gerechtelijke aanstelling van een notaris bij toepassing van artikel 1210 Ger. W. dringt zich in deze zaak bovendien op gelet op de meningsverschillen en de ‘diepgewortelde' onenigheid tussen de erfgenamen inzake het beheer van de goederen afhangende van de nalatenschap van hun ouders. III. De toepassing van artikel 1210 Ger. W. is mogelijk van zodra er een rechtspleging van vereffening - verdeling is ingeleid, en dit met betrekking tot al de goederen, voorwerp van de gerechtelijke verdeling. Artikel 1210 Ger. W. wordt niet buiten werking gesteld, en is derhalve ook van toepassing, in de hypothese van het bestaan van bijzondere legaten. IV. Artikel 1210 Ger. W. is van toepassing zolang de gerechtelijke verdeling, met inbegrip van de impliciete aflevering van de bijzondere legaten, nog niet definitief geregeld is. V. Een gerechtelijke legaataflevering kan de facto begrepen zijn in een gerechtelijke verdeling: de legaataflevering ligt dan impliciet besloten in het resultaat van de gerechtelijke verdeling van de nalatenschappen. VI. De wetgever heeft de bijzondere legaten geregeld in de art. 1014 tot 1024 B.W., onder andere qua bezit, vruchten, intresten en afgifte (art. 1014 tot 1016 B.W.). De art. 1014 tot 1016 B.W. staan evenwel de aanstelling van een notaris - beheerder in de zin van en op basis van artikel 1210 Ger. W. helemaal niet in de weg, nu deze bewarende maatregel ieders rechten onverlet laat , zeker op het vlak van het eigendomsrecht en de vruchten van de gedane legaten. De eerste rechter heeft derhalve terecht, bij toepassing van artikel 1210 een notaris als beheerder over de geheelheid van de nalatenschap van beide voormelde overledenen gerechtelijk aangesteld, en hierbij even terecht geen voorbehoud gemaakt met betrekking tot de gelegateerde onroerende goederen. VII. De kosten van de notaris - beheerder komen ten laste van de massa bij toepassing van artikel 870 B.W. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BIJZONDERE RECHTSPLEGINGEN (BURGERLIJKE ZAKEN) - Onverdeelde goederen - Gerechtelijke verdeling GERECHTELIJK RECHT - NOTARIAAT - Andere (notariaat) BURGERLIJK RECHT - SCHENKINGEN EN TESTAMENTEN - Testamenten - Legaat - Bijzonder legaat Vrije woorden: Artikel 1210 Ger. W. Ratio legis. Toepassingsvoorwaarden. Beheer van een onverdeelde nalatenschap. Vereiste van de hoedanigheid van notaris om als beheerder in de zin van artikel 1210 Ger. W. te worden aangesteld. Kosten van de gerechtelijk aangestelde notaris-beheerder lastens de massa. Mogelijkheid van toepassing van artikel 1210 Ger. W. over de ganse nalatenschap zelfs in geval van bestaan van reservatairen aan wie bijzondere legaten zijn vermaakt. Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2009/ A.R. nr. 2008/AR/2611 INZAKE VAN : 1) De heer J. V., 2) De heer K. V., 3) appellanten tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op vertegenwoordigd door Meester Sven DE KERPEL loco Meester Pieter DERVEAUX, advocaat te 1930 ZAVENTEM, Parklaan 54, 1ste kamer TEGEN : 1) Mevrouw A. V., eerste geïntimeerde, in persoon verschijnende; 2) De heer J. V., 3) Mevrouw M. V., 4) Mevrouw H. V., tweede, derde en vierde geïntimeerden, de derde geïntimeerde in persoon verschijnende, alle vertegenwoordigd door Meester Pieter VAN WAEG, advocaat te 1000 BRUSSEL, Ernest Allardstraat 35-37, 5) Mevrouw E. V., vijfde geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Pieter VAN WAEG loco Meester Ann CALEWAERT, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Lange Gasthuisstraat 27, 6) Mevrouw D. V., geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Mark SCHUURMANS, advocaat te 2820 BONHEIDEN, Dorp 62, Gelet op de procedurestukken: · het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 12 februari 2008, beslissing die betekend werd op 11 september 2008; · het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 9 oktober 2008 ; · de conclusie van geïntimeerde sub 1 neergelegd ter griffie op 6 Januari 2009; · de conclusie van geïntimeerde sub 6 neergelegd ter griffie op 27 Januari 2009; · de conclusie van appellanten neergelegd ter griffie op 17 februari 2009; · de syntheseconclusie van geïntimeerde sub 5 neergelegd ter griffie op 6 maart 2009; · de syntheseconclusie van geïntimeerden sub 2 t.e.m. 4 neergelegd ter griffie op 6 maart 2009; · de syntheseconclusie van geïntimeerde sub 1 neergelegd ter griffie op 6 maart 2009. Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 23 maart 2009 en gelet op de stukken die zij neerlegden. Het hoger beroep en de incidentele beroepen werden regelmatig naar vorm en termijn ingesteld en zijn bijgevolg ontvankelijk. Door partijen worden geen specifieke middelen van niet-ontvankelijkheid opgeworpen en door het hof worden dergelijke middelen niet ambtshalve ingeroepen. I. Voorwerp van de vorderingen. M. 1.1. Bij exploot betekend op 7 mei 2003 gingen J., K., A. en D. V. - huidige appellanten en geïntimeerden sub 1 en 6 - over tot het dagvaarden van J., E., M. en H. V. - geïntimeerden sub 2, 5, 3 en 4 - teneinde de vereffening en verdeling te horen bekomen de nalatenschap van hun respectievelijke ouders, R. V. en M. V., en van de huwgemeenschap die tussen beiden bestaan had. Eisers vroegen verder notaris D. V. met standplaats te X. aan te stellen als boedelnotaris en een tweede notaris om de afwezige of weigerachtige partijen te vertegenwoordigen en gezien de kunstwerken niet in natura verdeelbaar waren een deskundige aan te stellen om deze werken te schatten en er 8 gelijkwaardige loten van te maken. Er werd tenslotte gevraagd rekening te houden met de eigenhandige testamenten die door hun overleden ouders werden nagelaten. 1.2. De eerste rechter heeft bij tussenvonnis van 30 juli 2003 :

(1)bevolen dat er op vervolging van de meest gerede partijen en in aanwezigheid van de andere partijen, die minstens behoorlijk opgeroepen dienden te worden, zou overgegaan worden tot de verrichtingen van inventaris, regeling, vereffening en verdeling van de huwgemeenschap en de respectievelijke nalatenschappen,
(2)bevolen, indien een behoorlijke verdeling in natura niet mogelijk was, er overeenkomstig artikel 1211 Ger.W. diende overgegaan te worden tot de openbare verkoop van de goederen, zowel de roerende als de onroerende, afhangende van voornoemde onverdeeldheid,
(3)de heren G. V., met standplaats te Y., en D. V., met standplaats te X., aangesteld als boedelnotarissen,
(4)de heer J. C., met standplaats te Z., aangesteld als tweede notaris en
(5)de gerechtskosten ten laste van de massa gelegd. 1.
  1. Een P.V. van vereffening en verdeling werd opgesteld op 13 september 2005, alsmede een P.V. van zwarigheden en de opmerkingen hierop. Het slotadvies dateert van 24 J.uari
  2. 1.
  3. Bij tussenvonnis van 25 september 2007 werd :
(1)de vordering tot vervanging van de boedelnotarissen ongegrond verklaard,
(2)het dossier terug verzonden naar de boedelnotarissen V. en V. met het verzoek punt per punt hun gedetailleerd en gemotiveerd advies uit te brengen nopens de verschillende door partijen opgeworpen zwarigheden,
(3)gezegd voor recht dat de boedelnotarissen aan alle partijen mededeling dienden te doen van de reeds bestaande schattingsverslagen betreffende de roerende en onroerende activa, behorende tot de kwestieuze nalatenschappen en gezegd voor recht dat een gedetailleerde en volledige opgave diende opgemaakt te worden, met afrekening van de sinds de aanvang van de opdracht van de boedelnotarissen, ontvangen bedragen en gemaakte uitgaven,
(4)de heropening van de debatten bevolen betreffende de vordering van J., M. en H. V. strekkende tot aanstelling van een notaris - beheerder. In het motiverend gedeelte van gezegd tussenvonnis werd tevens vermeld dat uit de door partijen gestelde zwarigheden thans reeds mag worden besloten dat elk der partijen zich principieel neerlegt bij de testamentaire beschikkingen ervan en met de gemotiveerde interpretatie gegeven daaraan door de notarissen. 1.
  1. Bij vonnis van 12 februari 2008 werd notaris H. V. met standplaats te X. aangesteld als beheerder van de roerende en onroerende goederen afhangende van de bestaand hebbende huwgemeenschap tussen R. V. en M. V. en afhangend van hun respectievelijke nalatenschappen overeenkomstig artikel 1210 Ger.W. 1.
  2. In het hoger beroep verzetten appellanten zich in hoofdorde tegen de aanstelling van een gerechtelijke beheerder. In ondergeschikte orde vragen zij te zeggen voor recht dat het voorlopig beheer van de "voorlopige bewindvoerder" in geen enkel geval betrekking kan hebben op de onroerende goederen die bij bijzonder legaat overeenkomstig het testament aan de reservataire erfgenamen werden toegekend en waarvan zij van rechtswege in het bezit zijn getreden vanaf het overlijden. Ingeval toch beslist wordt tot de aanstelling van een beheerder bieden zij zichzelf aan om deze taak te vervullen onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat hun beheer rekening en verantwoording zal moeten afleggen bij het einde van hun mandaat. 1.
  3. Geïntimeerde sub 1, A. V., stelt incidenteel beroep in en vraagt het bestreden vonnis van 12 februari 2008 beperkt te hervormen en opnieuw recht sprekende: - te zeggen voor recht dat wat betreft de in het testament toebedeelde bijzondere legaten de gerechtelijke notarissen de eigendomtitels dienen af te leveren aan de respectievelijke bijzondere legatarissen, op zijn minst, het beheer definitief wordt toegewezen aan de respectievelijke bijzondere legatarissen; - te zeggen voor recht dat wat betreft de inkomsten en onkosten van de bijzondere legaten deze dienen te worden beschouwd als toebehorende aan de respectievelijke bijzondere legatarissen met terugwerkende kracht tot op de dag dat de erfenis is opengevallen; - ingeval het hof toch zou beslissen de bijzondere legaten mede onder beheer te plaatsen, de kosten van beheer van deze bijzondere legaten en alle mogelijke gevolgen die de weigering van een vrijwillige afgifte met zich meebrengen ten laste te leggen van de wettige reservataire erfgenamen die blijven weigeren ter zitting van 23 maart 2009 inclusief de toepassing van de strafclausule zoals voorzien in de testamentaire bepalingen, die door iedereen aanvaard werden. 1.
  4. Geïntimeerden sub 2 t.e.m. 4, J., M. en H. V., en geïntimeerde sub 5, E. V., vragen het hoger beroep onontvankelijk minstens ongegrond te verklaren en vragen bijgevolg impliciet de bevestiging van het bestreden vonnis. 1.
  5. Geïntimeerde sub 6, D. V., stelt incidenteel beroep in en vraagt te zeggen voor recht dat van het beheer dient uitgesloten te worden de onroerende goederen die bij bijzonder legaat aan de erfgenamen werden toegekend. II. De Feiten. 2.
  6. M. V. en haar echtgenoot R. V. zijn de ouders van de huidige partijen in zake. Moeder is overleden op 18 juli 2002 en vader op 4 september
  7. 2.
  8. Beide ouders lieten o.a. een 15-tal onroerende goederen na alsmede verscheidene niet onbelangrijke kunst - en siervoorwerpen en meubilair. 2.
  9. Op 10 juni 1997 hebben elk van de ouders een eigenhandig testament opgesteld met bijzondere legaten van onroerende goederen aan elk van hun acht kinderen, met een strafbeding, en met de slotvermelding dat de andere goederen (waaronder twee onroerende goederen) gelijkelijk moet verdeeld worden tussen hun kinderen zoals zij verder zullen overeenkomen. III. Voorafgaande opmerkingen: 3.
  10. Geïntimeerde sub 1, A. V., legde op 24 maart 2009 en op 30 maart 2009 op de griffie nog bijkomende stukken neer. De zaak werd in beraad genomen op 23 maart 2009 en voornoemde stukken werden bijgevolg neergelegd tijdens het beraad (zonder voorafgaand verzoekschrift tot heropening van de debatten). 3.
  11. Deze stukken dienen dan ook uit de debatten te worden geweerd. 3.
  12. Aan het hof wordt enkel de betwisting ter beoordeling voorgelegd die het voorwerp uitmaakt van het verzoekschrift in hoger beroep neergelegd ter griffie op 9 oktober 2008 en die gekend is onder het A.R. nr. 2008/AR/2611 ( = de vraag of er al dan niet dient overgegaan te worden tot de aanstelling van een beheerder). Het is enkel deze problematiek die bij P.V. van 5 december 2008 hoogdringend werd geacht en om die reden bij spoedeisendheid werd vastgesteld op de zitting van 23 maart
  13. IV. Beoordeling. 4.
  14. Wat het beheer van de goederen betreft, voorwerp van een gerechtelijke vereffening, heeft de wetgever, in artikel 1210 Ger. W., op weloverwogen wijze, UITSLUITEND de gerechtelijke aanstelling van een man van het vak met een strenge plichtenleer, zijnde een notaris, voorzien. De rechtbank kan bij toepassing van artikel 1210 Ger. W. geen particulier en - zoals gevraagd wordt door appellanten -, of een advocaat aanstellen, maar louter en alleen een notaris. De notaris is trouwens een openbaar ambtenaar (art. 1 Org. W. Not.) en onderworpen aan een strenge plichtenleer/deontologie en aan strikte regels in zake consignatie van gelden. Het is, in casu dan ook uitgesloten dat, de rechter zou overgaan tot de aanstelling van één of meer particulier en of andere personen, nu de wetgever uitdrukkelijk geopteerd heeft voor de gerechtelijke aanstelling van een notaris. 4.
  15. De gerechtelijke aanstelling van een notaris bij toepassing van artikel 1210 Ger. W. dringt zich in deze zaak bovendien op gelet op de meningsverschillen en de ‘diepgewortelde' onenigheid tussen de erfgenamen inzake het beheer van de goederen afhangende van de nalatenschap van hun ouders. De argumentatie ontwikkeld door geïntimeerden sub 2, 3, 4 en 5, die erop neerkomt dat zij ten zeerste ontevreden zijn over het huidig beheer van één der appellanten, wettigt in deze zaak des te meer de aanstelling van een notaris als beheerder bij toepassing van artikel 1210 Ger. W. 4.
  16. De toepassing van artikel 1210 Ger. W. is mogelijk van zodra er een rechtspleging van vereffening - verdeling is ingeleid, en dit met betrekking tot al de goederen, voorwerp van de gerechtelijke verdeling. Artikel 1210 Ger. W. wordt niet buiten werking gesteld, en is derhalve ook van toepassing, in de hypothese van het bestaan van bijzondere legaten. Artikel 1210 Ger. W. is bijgevolg van toepassing zolang de gerechtelijke verdeling, met inbegrip van de impliciete aflevering van de bijzondere legaten, nog niet definitief geregeld is. Een gerechtelijke legaataflevering kan de facto begrepen zijn in een gerechtelijke verdeling: de legaataflevering ligt dan impliciet besloten in het resultaat van de gerechtelijke verdeling van de nalatenschappen. 4.
  17. De wetgever heeft de bijzondere legaten geregeld in de art. 1014 tot 1024 B.W., onder andere qua bezit, vruchten, intresten en afgifte (art. 1014 tot 1016 B.W.). De art. 1014 tot 1016 B.W. staan evenwel de aanstelling van een notaris - beheerder in de zin van en op basis van artikel 1210 Ger. W. helemaal niet in de weg, nu deze bewarende maatregel ieders rechten onverlet laat , zeker op het vlak van het eigendomsrecht en de vruchten van de gedane legaten. 4.
  18. In deze zaak zijn de voorwaarden voor de toepassing van artikel 1210 er. W. vervuld, gelet op het ingewikkeld karakter van de nog te vereffenen nalatenschappen, de uitvoering van voormelde testamenten met bijzondere legaten, de grote onenigheid en het grote wantrouwen tussen de erfgenamen, o.a. inzake het beheer, de verhuring, en de verzekering van de gelegateerde onroerende goederen en het aanslepen van de gerechtelijke verdeling. De eerste rechter heeft derhalve terecht, bij toepassing van artikel 1210 een notaris als beheerder over de geheelheid van de nalatenschap van beide voormelde overledenen gerechtelijk aangesteld, en hierbij even terecht geen voorbehoud gemaakt met betrekking tot de gelegateerde onroerende goederen. Het concrete en volledige impact van al deze bijzondere legaten bij de vereffening van de nalatenschappen staat bovendien nog niet volledig vast. 4.
  19. De kosten van de notaris - beheerder komen ten laste van de massa bij toepassing van artikel 870 B.W. 4.
  20. Het hoger beroep wordt bijgevolg ontvankelijk doch ongegrond verklaard. De incidentele beroepen zijn tevens ontvankelijk doch ongegrond. Het bestreden vonnis wordt bijgevolg integraal bevestigd. Alle overige door partijen ingeroepen middelen zijn niet ter zake dienend in het licht van wat voorafgaat en gelet op het voorwerp van huidig debat. 4.
  21. Ter zitting van 23 maart 2009 hebben alle partijen om de toepassing gevraagd van het basistarief wat de rechtsplegingsvergoeding betreft. Terecht werd deze begroot op 1.200 euro , zijnde het basistarief voor vorderingen die niet in geld waardeerbaar zijn. Geïntimeerden zijn de in het gelijk gestelde partijen zodat het appellanten zijn die dienen over te gaan tot betaling van de rechtsplegingsvergoeding. Aan geïntimeerde sub 1, A. V., komt geen rechtsplegingsvergoeding toe gezien zij zichzelf verdedigd heeft en geen beroep deed op de tussenkomst van een raadsman. Het bedrag van 1.200 euro komt verder toe aan geïntimeerden sub 2 t.e.m. 4, J., M. en H. V., samen gezien zij verdedigd worden door dezelfde raadsman. Zij vragen enkel de bevestiging van het bestreden vonnis zodat dit bedrag hen integraal toekomt. Geïntimeerde sub 5, E. V., heeft ook recht op het volledige bedrag van 1.200 euro gezien zij verdedigd wordt door een afzonderlijke raadsman en tevens enkel de bevestiging vraagt van het bestreden vonnis. Aan geïntimeerde sub 6, D. V., komt enkel de ½ toe van het bedrag van 1.200 euro . Zij heeft weliswaar een afzonderlijke raadsman doch haar incidenteel beroep werd afgewezen. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Verklaart de incidentele beroepen ontvankelijk doch ongegrond. Weert de stukken uit de debatten neergelegd door A. V. op 24 maart en 30 maart
  22. Bevestigt het bestreden vonnis. Veroordeelt appellanten in de kosten van hoger beroep, begroot - in hoofde van eerste geïntimeerde op NIHIL, - in hoofde van tweede, derde en vierde geïntimeerden samen op euro 1.200 rechtsplegingsvergoeding, - in hoofde van vijfde geïntimeerde op euro 1.200 rechtsplegingsvergoeding, en - in hoofde van zesde geïntimeerde op euro 600 (1.200 : 2) rechtsplegingsvergoeding. Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 5/5/09 waar aanwezig waren en zitting hielden : Astrid DE PREESTER, Raadsheer, Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS A. DE PREESTER Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.