id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 05 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090505.9 Rolnummer: 2004AR1817 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2009-05-11 Raadplegingen: 93 - laatst gezien 2026-07-02 19:41 Fiche De partij die een vonnis doet uitvoeren waarvan de rechter in eerste aanleg de voorlopige tenuitvoerlegging heeft toegestaan, dient anderzijds, bij gehele of gedeeltelijke hervorming of vernietiging ervan in hoger beroep, boven de teruggave van hetgeen zij ingevolge de hervormde of vernietigde beslissing heeft ontvangen, de schade te vergoeden die door de enkele tenuitvoerlegging is ontstaan, zonder dat daartoe is vereist dat bij de tenuitvoerlegging enige kwade trouw of fout aanwezig was. Deze foutloze aansprakelijkheid is vervat in art. 1398, tweede lid Ger. W. De voormelde schadevergoeding neemt hier de vorm van vergoedende interesten aan. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BESLAG EN EXECUTIE - Voorafgaande regels (beslag en executie) - Uitvoerbaarheid - Uitvoerbaarheid bij voorraad BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Rechtstreekse aansprakelijkheid - Fout - de daad - Risicoaansprakelijkheid Vrije woorden: Artikel 1398, lid 2 Ger. W. Uitvoerbaarheid van een vonnis bij voorraad. Uitvoering van een vonnis dat later werd hervormd of tenietgedaan. Foutloze aansprakelijkheid vervat in artikel 1398, lid 2 Ger. W. Schadevergoeding in casu in de vorm van vergoedende intresten. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Artikel 1398, lid 2 Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2009/ A.R. nr. 2004/AR/1817 AANNEMING GEVELWERKEN - GEBREKEN - SCHADEVERGOEDING INZAKE VAN : De heer M. D., handeldrijvende onder de benaming MADRIEMA, thans B.V.B.A. MADRIEMA, ingeschreven in het handelsregister te Hasselt onder het nummer 72.098, ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 0641.382.212, appellant tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 3 februari 2004, vertegenwoordigd door Meester Eric VANDER STADT, advocaat te 1060 BRUSSEL, Schotlandstraat 24, 1ste kamer TEGEN : 1) De heer H. C. en zijn echtgenote 2) Mevrouw B. G., geïntimeerden, vertegenwoordigd door Meester MOMBAERS loco Meester Steven VERBEKE, advocaat te 3300 TIENEN, O.L.V. Broedersstraat 3, I. DE PROCEDURE In deze zaak oordeelt het hof over het hoger beroep dat ingesteld is tegen een vonnis, gewezen na tegenspraak door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Leuven, op 3 februari 2004 (A.R. 96/60479/A). Overeenkomstig artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken wordt voor de rechtspleging de Nederlandse taal gebruikt. De zaak wordt behandeld en berecht na tegenspraak. Het bestreden vonnis werd op 14 juni 2004 betekend. Het hoger beroep werd ingesteld door de heer D. op 13 juli
- Het is ontvankelijk, want tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld. II. HET ONDERWERP VAN HET GESCHIL De betwisting tussen partijen betreft gevelwerken die in 1994 door de heer D. werden uitgevoerd aan de woning van de heer en mevrouw C.-G.. III. DE VORDERINGEN EN DE BESTREDEN BESLISSING a. Eerste aanleg Op 29 november 1994 stelde de heer D. een inleidende vordering in voor het Vredegerecht van het tweede kanton te Hasselt ertoe strekkende de heer en mevrouw C.-G. solidair te horen veroordelen tot betaling van 743,68 EUR (30.000 Bef), uit hoofde van een saldo van factuur 7/94, plus gerechtelijke intresten en kosten. Bij vonnis op tegenspraak van de vrederechter van het tweede kanton Hasselt van 22 november 1995 werd de zaak verwezen naar de Rechtbank van Eerste Aanleg te Leuven ingevolge de door de heer en mevrouw C.-G. opgeworpen exceptie van onbevoegdheid. Bij vonnis op tegenspraak van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Leuven van 8 maart 1996 werd op verzoek van partijen gerechtsdeskundige Vincent CROLLA aangesteld teneinde de werken uitgevoerd door de heer D. te onderzoeken. Bij vonnis van 6 mei 1999 werd deskundige CROLLA vervangen door deskundige CLAESSENS. De deskundige legde zijn eindverslag neer ter griffie op 9 september
- Na deskundig verslag besloten de heer en mevrouw C.-G. tot de ongegrondheid van de vordering en stelden zij een tegenvordering in ertoe strekkende de heer D. te veroordelen tot betaling van 5.038,38 EUR, uit hoofde van schadevergoeding wegens gebreken in de uitvoering van de werken, plus gerechtelijke intresten vanaf 29 november
- Verder verzochten zij akte te verlenen van het voorbehoud betreffende de eventuele minderwaarde inzake het schrijnwerk na uitvoering van de werken. De heer D. heeft niet meer besloten na deskundig onderzoek en gaf via zijn raadsman mondeling toelichting ter zitting. Bij bestreden vonnis werd de vordering van de heer D. ongegrond en de tegenvordering van de heer en mevrouw C.-G. gegrond verklaard. De heer D. werd veroordeeld tot betaling van 5.038,38 EUR plus gerechtelijke intresten vanaf 29 november 1994 en akte werd verleend van het voorbehoud betreffende de eventuele minderwaarde inzake het schrijnwerk na de uitvoering van de werken. b. Hoger beroep De heer D. stelt hoger beroep in en herneemt zijn oorspronkelijke vordering, met dien verstande dat thans vergoedende intresten worden gevorderd vanaf de datum van dading, zijnde eind september
- Hij verzoekt tot afwijzing van de oorspronkelijke tegeneis. De heer D. stelt een incidentele vordering in ertoe strekkende de heer en mevrouw C.-G. te veroordelen tot betaling van 8.000 EUR plus "de intrest sinds een gemiddelde datum". De heer en mevrouw C.-G. besluiten tot de ongegrondheid van het hoger beroep en de gewijzigde vordering. IV. DE GRONDEN VAN DE BESLISSING EN HET ANTWOORD OP DE MIDDELEN VAN DE PARTIJEN
- De heer en mevrouw C.-GUELINKCX ondertekenden voor akkoord een prijsofferte voor de gevelwerken aan hun woning voor de prijs van 455.300 Bef excl. BTW. Op 30 april 1994 betaalden zij een voorschot van 115.000 Bef en op 18 mei 1994 een bedrag van 210.000 Bef, hetzij in totaal 325.000 Bef. Op 24 juni 1994 werd de factuur nr 7/94 opgemaakt door de heer D. voor een totaal bedrag van 514.418 Bef incl. BTW. Deze factuur bevat volgens de heer D. een materiële vergissing doordat de prijs van de offerte wordt bepaald op 445.300 Bef. in plaats van 455.300 Bef. Deze factuur vermeldt dat er nog een saldo verschuldigd is van 179.418 Bef. Per aangetekende brief van 13 juli 1994 wordt deze factuur omstandig betwist door de heer en mevrouw C.-G.. Ten onrechte stelt de heer D. dat dit protest, 18 dagen na factuurdatum, laattijdig is. De heer en mevrouw C.-G. zijn geen handelaar en een protest 18 dagen na facturatiedatum kan niet als laattijdig worden beschouwd.
- In de brief van 13 juli 1994 beklagen de heer en mevrouw D. zich enerzijds over de aangerekende prijs voor de meerwerken en anderzijds over het onprofessioneel werk van de heer D. en stellen zij bereid te zijn "aangezien deze verschillende punten" nog een resterend bedrag van 100.000 Bef te betalen en te onderhandelen. Bij deze brief wordt tevens een lijst van de meest zichtbare gebreken gevoegd. Op 1 augustus 1994 wordt door de heer en mevrouw C.-G. 100.000 Bef betaald, met de vermelding "onder voorbehoud van mijn rechten betaling factuur 7/94 van datum 24/06/94". Deze betaling gebeurde duidelijk onder voorbehoud en kan dus niet als een onvoorwaardelijke verbintenis worden beschouwd.
- Uit niets blijkt dat de houding die de heer en mevrouw CASTYEELS-G. aannamen, nadat zij de gebreken ontdekten, aantoont dat zij de gebrekkige toestand aanvaard hebben. Zij hebben integendeel beroep gedaan op een deskundige, de heer Boogaerts, om de werken te aanschouwen en hebben enkele dagen na uitvoering van de werken en versturen van de eindfactuur duidelijk bij brief van 13 juli 1994 hun beklag geuit nopens de uitgevoerde werken, waarbij zij een minnelijke oplossing hebben nagestreefd. Evenmin zijn de rechten van verdediging van de heer D. met betrekking tot de geuite klachten geschonden en kon de bewijsvoering nog nuttig beoordeeld worden, zoals blijkt uit het deskundig verslag. Meer nog, uit de procedure in eerste aanleg blijkt dat "beide partijen" de aanstelling van een gerechtsdeskundige hebben gevraagd met de opdracht de werken uitgevoerd door de heer D. te onderzoeken en de eventuele gebreken te beschrijven. De heer D. heeft zich derhalve niet verzet tegen het deskundig onderzoek gevorderd door de heer en mevrouw C.-G. en heeft tevens ten gepaste tijde nooit opgeworpen dat de zichtbare gebreken door hen werden aanvaard. Van enige aanvaarding van de gebreken in hoofde van de heer en mevrouw C.-G. is geen sprake. De heer D. heeft trouwens ten gepaste tijde nooit betwist dat zijn werken behept waren met gebreken, reden waarom hij zich niet verzette tegen het deskundig onderzoek. In deze omstandigheden is de vordering van de heer en mevrouw C.-G. tot schadevergoeding niet laattijdig.
- De heer D. beweert thans, voor het eerst in beroepsbesluiten, dat er tussen partijen een dading tot stand is gekomen waarbij de heer en mevrouw C.-G. zich ertoe verbonden zouden hebben een bedrag van 130.000 Bef te betalen voor slot van alle rekeningen en verwijst hiervoor naar zijn brief van 8 augustus
- De heer en mevrouw C.-G. betwisten dat zij een dading hebben afgesloten. De heer D. bewijst in casu niet dat er tussen partijen een welkdanige dading zou zijn afgesloten waarbij de heer en mevrouw C.-GUELINCKS er zich toe verbonden zouden hebben 130.000 Bef. te betalen voor slot van alle rekeningen. Uit de brief van 13 juli 1994 blijkt enkel dat de heer en mevrouw C.-G. een aanbod doen om 100.000 Bef. te betalen ter minnelijke beëindiging van het geschil tussen partijen en bereid zijn te onderhandelen. De betaling van 100.000 Bef werd zelfs uitgevoerd door de heer en mevrouw C.-G. op 1 augustus 1994, weliswaar onder voorbehoud van rechten. Dit aanbod werd duidelijk niet aanvaard door de heer D. die een bijkomende betaling vordert van 30.000 Bef. en zelfs overgaat tot dagvaarding. In deze omstandigheden is er duidelijk geen akkoord van partijen omtrent de wederzijdse toegevingen om het geschil minnelijk te beëindigen en hernemen zij aldus hun oorspronkelijke rechten.
- De gerechtsdeskundige stelde vast dat de door de heer D. uitgevoerde werken op een aantal punten niet aan de regels van het goede vakmanschap voldoen. De herstellingskosten worden begroot op 6.220,47 EUR. De blijvende esthetische minderwaarde voor de resterende schade aan de metsel- en voegwerken van de gevels wordt begroot op 495,79 EUR. De deskundige maakt eveneens voorbehoud voor de minderwaarde van het schrijnwerk. Vervolgens maakt de deskundige een afrekening op tussen partijen, vertrekkende van de prijs voor de restauratie van de gevels van 445.300 Bef en waarbij de meerwerken worden begroot en de herstellingskosten in mindering worden gebracht. De deskundige komt na aftrek van de reeds uitgevoerde betalingen tot het besluit dat de heer D. een bedrag in hoofdsom moet terugbetalen van 5.038,38 EUR aan de heer en mevrouw C.-G.. De heer D. betwist op algemene wijze de hoegrootheid van de herstellingskosten maar voert hieromtrent geen concrete argumentatie. Ook tijdens het deskundig onderzoek werden door de heer D. geen opmerkingen gemaakt. De eerste rechter oordeelde terecht dat de deskundige op grond van oordeelkundige overwegingen tot hogervermeld besluit kwam en veroordeelde terecht de heer D. tot betaling aan de heer en mevrouw C.-G. van 5.038,38 EUR. De heer D. stelt terecht dat er in casu geen reden is tot toekenning van gerechtelijke intresten vanaf de datum van dagvaarding, zijnde 29 november
- De heer en mevrouw C.-GUEMLINCKX vorderen schadevergoeding wegens gebreken en terugbetaling van teveel betaalde gelden. De intresten hierop worden toegekend vanaf het instellen van hun vordering. In casu werd de tegeneis van de heer en mevrouw C.-G. slechts voor het eerst formeel gesteld bij besluiten van 24 februari
- De intresten aan de wettelijke intrestvoet worden toegekend vanaf 24 februari
- Het bestreden vonnis wordt op dit punt hervormd.
- De heer D. vordert de terugbetaling van 8.000 EUR, zijnde het door hem op heden betaalde bedrag in uitvoering van het bestreden vonnis, plus intresten. Gelet op wat voorafgaat kan deze vordering alsdusdanig niet worden toegekend. De partij die een vonnis doet uitvoeren waarvan de rechter in eerste aanleg de voorlopige tenuitvoerlegging heeft toegestaan, dient anderzijds, bij gehele of gedeeltelijke hervorming of vernietiging ervan in hoger beroep, boven de teruggave van hetgeen zij ingevolge de hervormde of vernietigde beslissing heeft ontvangen, de schade te vergoeden die door de enkele tenuitvoerlegging is ontstaan, zonder dat daartoe is vereist dat bij de tenuitvoerlegging enige kwade trouw of fout aanwezig was. Deze foutloze aansprakelijkheid is vervat in art. 1398, tweede lid Ger. W. (zie Cass., 7 april 1995, met noot BROECKX, K., Risicoaansprakelijkheid bij voorlopige tenuitvoerlegging", R.W., 1995-96, 184; zie in dezelfde zin: LINDEMANS, D., "Onteigeningsvergoedingen en rente", in Recente Arresten van het Hof van Cassatie, 1995, 121, 123, nr. 6). De voormelde schadevergoeding neemt hier de vorm van vergoedende interesten aan.
- Sedert 1 januari 2008 is de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat en het K.B. van 26 oktober 2007 dat de nieuwe tarieven van de rechsplegingsvergoeding bepaalt, van toepassing. Gelet op de mate waarin partijen in het gelijk en in het ongelijk gesteld worden, worden de kosten omgeslagen zoals hierna bepaald. Het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding bedraagt 900 euro voor een geschil dat betrekking heeft op vorderingen voor een bedrag van 5.000,01 euro tot 10.000 euro. Er bestaat in casu geen reden tot afwijking van het basisbedrag. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het principaal hoger beroep ontvankelijk en in volgende mate gegrond; Hervormt het bestreden vonnis enkel in de mate het de heer D. veroordeelt tot betaling van gerechtelijke intresten op 5.038,38 EUR vanaf 29 november 1994, Opnieuw recht sprekend enkel op dit punt, Veroordeelt de heer D. tot betaling van gerechtelijke intresten op 5.038,38 EUR aan de wettelijke intrestvoet vanaf 24 november 2003, Bevestigt voor het overige de beschikkingen van het bestreden vonnis. Verklaart de incidentele vordering van de heer D. ontvankelijk en in volgende mate gegrond, Zegt voor recht dat de heer en mevrouw C.-G. gehouden zijn de door hen ontvangen bedragen in het kader van de voorlopige uitvoering van het bestreden vonnis, die het bedrag van de veroordeling, zoals in huidig arrest toegekend overstijgen, terug te betalen aan de heer D., desgevallend plus vergoedende intresten vanaf de respectieve betaaldata. Verwijst beide partijen ieder in de helft van de kosten van de rechtspleging in hoger beroep; Begroot deze kosten in hoger beroep, in hun geheel, als volgt: - in hoofde van de heer M. D. op euro 1.086 (186 rolrecht en 900 rechtsplegingsvergoeding, en - in hoofde van de heer en mevrouw C.-G. op euro 900 rechtsplegingsvergoeding; Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 05/05/09 waar aanwezig waren en zitting hielden : Nathalie DE RIJCK, Raadsheer, Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS N. DE RIJCK Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div