id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 13 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090513.5 Rolnummer: 2004/AR/306 Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2009-09-08 Raadplegingen: 96 - laatst gezien 2026-07-02 19:44 Fiche UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - VOORHEFFING EN BELASTINGKREDIET - Voorheffingen - Onroerende voorheffing Vrije woorden: Onroerende voorheffing - vrijstelling - instellingen die andere hulpbehoevenden dan bejaarden opvangen - in concreto crisisopvang van mensen die niet meer weten waarheen, bewoning door gehandicapten en thuisloze mannen die worden ondersteund - begrip 'soortgelijke weldadigheidsinstelling' - ruime interpretatie - ratio legis - bestemd voor weldadigheidswerk analoog aan dit uitdrukkelijk in de wet vermeld - vereiste van erkenning + duurzaam verblijf - voorwaarden door administratie toegevoegd, niet in tekst van wet - vrijstelling OV toegestaan Tekst van de beslissing HOF van BEROEP te BRUSSEL Zesde fiscale kamer Nr. van de zaak : 2004/AR/306 Openbare terechtzitting van 13/5/09 IN ZAKE VAN : De VZW OIKONDE, met maatschappelijke zetel te 3010 Kessel-Lo, Tiensevest 17, appellante op hoofdberoep, geïntimeerde op incidenteel beroep, vertegenwoordigd door Meester Guy Michel, advocaat te 3000 Leuven, Philipslaan 20, TEGEN : De BELGISCHE STAAT, Federale Overheid Financiën, in de persoon van de heer gewestelijke directeur der directe belastingen te Leuven, wiens burelen gevestigd zijn te 3001 Leuven, Philipssite 3A, bus 1, geïntimeerde op hoofdberoep, appellant op incidenteel beroep, vertegenwoordigd door Meester Van de Velde, loco Meester Fernand Colpaert, advocaat te 1780 Wemmel, Steenweg op Brussel 123, ***** Het hof, na beraad, spreekt in openbare terechtzitting volgend arrest uit : R. EINDARREST - gedeeltelijk gegrond 2004/AR/306 2 zesde fiscale kamer In deze zaak heeft het hof op 13 december 2006 een tussenarrest geveld, waarin het hoger beroep en het incidenteel beroep reeds ontvankelijk werden verklaard en waarin het hof, alvorens recht ten gronde te doen, een prejudiciële vraag stelde aan het Grondwettelijk Hof. Korte herhaling van de feiten en retroacten Appellante werd in 1969 opgericht met als maatschappelijk doel de opvang van gehandicapten, psychiatrische patiënten en thuislozen in de meest ruime zin van het woord. Zij zorgt voor kleinschalige opvang in pleeggezinnen, in doorstromingshuizen, in huizen van lang verblijf of voorziet in een zelfstandige bewoning met ondersteuning. In het kader van haar activiteit heeft appellante zes woningen verworven, gelegen te 3000 Leuven, Frederik Lintstraat 172, Schapenstraat 51, O.L.Vrouwstraat 11 en Regastraat 11 en te 3001 Heverlee, Schreursvest 75 en 77. Volgens appellante worden die woningen uitsluitend aangewend tot verwezenlijking van haar sociale doelstellingen. Volgens appellante hebben de drie eerste woningen sedert 1993 zonder probleem vrijstelling van onroerende voorheffing (O.V.) gekregen op grond van de artikelen 253, 1° en 12, § 1 W.I.B. 1992. Voor de drie andere woningen gelegen te 3000 Leuven, Regastraat 11 en te 3001 Heverlee, Schreursvest 75 en 77 ontving appellante voor het aanslagjaar 1997 de aanslagen in de O.V. van 11 juli 1997. Op 23 juli en 19 november 1997 diende appellante bezwaarschriften in, waarbij zij vrijstelling van de O.V. vroeg. Op 20 januari 2003 werden de bezwaarschriften bij directoriale beslissing afgewezen. 2004/AR/306 3 zesde fiscale kamer Op 5 maart 2003 legde appellante een tegensprekelijk verzoekschrift neer ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven. Bij het bestreden vonnis van 2 januari 2004 willigde de rechtbank te Leuven de vordering van appellante gedeeltelijk in, en zegde zij voor recht dat het kadastraal inkomen (K.I.) van de onroerende goederen gelegen te 3001 Heverlee, Schreursvest 75 en 77 werd vrijgesteld van de O.V. voor aanslagjaar 1997. In zijn tussenarrest van 13 december 2006 stelde het hof de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof : "Schenden de artikelen 12, § 1 en 153 van het W.I.B. 1992, in de veronderstelling dat de daarin voorkomende bijzondere doeleinden limitatief werden opgesomd en in de interpretatie dat de daarin voorkomende term "rusthuis" beperkt is tot gebouwen waar aan bejaarden (zijnde personen van 60 jaar of ouder), die er op duurzame wijze verblijven, huisvesting en verzorging wordt gegeven, waardoor instellingen die aan opvang doen van gehandicapten, psychiatrische patiënten, thuislozen, vluchtelingen en armen (die geen bejaarden zijn) niet worden beoogd, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet ?". Bij arrest nr. 84/2007 van 7 juni 2007 zegde het Grondwettelijk Hof voor recht dat de artikelen 12, § 1 en 253 W.I.B. 1992 de artikelen 10 en 11 G.W. schenden in de interpretatie volgens welke instellingen die andere hulpbehoevenden dan bejaarden opvangen niet voor de vrijstelling van de O.V. in aanmerking komen, en dat deze artikelen de artikelen 10 en 11 G.W. niet schenden in de interpretatie dat instellingen waar, zonder winstoogmerk, andere hulpbehoevende personen dan bejaarden worden opgevangen als soortgelijke weldadigheidsinstellingen in de zin van art. 253 W.I.B. 1992 kunnen worden beschouwd. 2004/AR/306 4 zesde fiscale kamer Discussie
- a)Ten gronde Uit voormeld arrest van het Grondwettelijk Hof van 7 juni 2007 blijkt dat een ruime inhoud dient te worden gegeven aan het begrip ‘soortgelijke weldadigheidsinstellingen'. Wat de woning aan de Regastraat 11 betreft, die wordt aangewend voor crisisopvang van mannen en vrouwen, koppels of mensen die niet meer weten waarheen, voor een maximum verblijf van drie weken, meent geïntimeerde dat appellante voor deze woning niet als ‘soortgelijke weldadigheidsinstelling' kan worden beschouwd, nu het erkenningsbesluit van het Vlaams Fonds voor Sociale Integratie van Personen met een Handicap van 1 juli 1996 geen melding maakt van de adressen van de onroerende goederen die voor vrijstelling in aanmerking zouden komen. Verder meent geïntimeerde dat er, gezien de beperkte verblijfsperiode, niet kan worden gesproken van een duurzaam verblijf waar men geheel of gedeeltelijk de gebruikelijke gezins- en huishoudelijke verzorging aanbiedt. Het is evenwel de bedoeling van de wetgever geweest vrijstelling van O.V. te verlenen voor alle onroerende goederen die zonder winstoogmerk worden bestemd voor een weldadigheidswerk dat analoog is aan degene die uitdrukkelijk in de wet worden vermeld. In deze wordt niet betwist dat het onroerend goed in kwestie zonder winstoogmerk wordt uitgebaat door appellante. De ruime interpretatie van de term ‘soortgelijke weldadigheidsinstelling', die het Grondwettelijk Hof voorstaat, in gedachten, is het hof van oordeel dat de bestemming die appellante aan het onroerend goed heeft gegeven overeenstemt met de doelstellingen van de wetgever in art. 12, § 1 W.I.B. 1992, en dat de twee voorwaarden die geïntimeerde inroept en die niet in de tekst van de wet voorkomen, niet in acht kunnen worden genomen, nu zij aan de tekst van de wet toevoegen. 2004/AR/306 5 zesde fiscale kamer Daarmee schaart het hof zich achter de vroegere rechtspraak die in dezelfde richting gaat. Wat de vereiste van erkenning betreft, besliste het hof van beroep te Gent immers terecht dat een VZW die als een soortgelijke weldadigheidsinstelling functioneert, recht heeft op de volledige vrijstelling van haar K.I., zelfs als ze slechts voor 30/70 als dispensarium werd erkend (zie : Gent 21 april 1994, F.J.F. 1994, N° 94/169, p. 386). In deze werd appellante bij erkenningsbesluit van 1 juli 1996 voor de periode van 1 januari 1996 tot 31 december 2000 erkend voor "het plaatsen van gehandicapten van alle categorieën en van alle leeftijden in gezinnen". Het feit dat het erkenningsbesluit van het Vlaams Fonds voor Sociale integratie van Personen met een Handicap van 1 juli 1996 geen melding maakt van de adressen van de onroerende goederen die voor vrijstelling in aanmerking zouden komen, doet verder niet ter zake. Met reden overwoog de eerste rechter dat de belastingwet moet worden toegepast op werkelijke feiten. Verder aanvaardt de administratie zelf dat een jongerenadviescentrum, waar vanzelfsprekend evenmin sprake is van een duurzaam verblijf met gezins- en huishoudelijke verzorging, als soortgelijke weldadigheidsinstelling wordt aangemerkt (zie : Admin. Circulaire 29 april 1992, Bull. Bel., nr. 717, p. 1576). Derhalve meent het hof dat appellante voor dit eerste pand als een soortgelijke weldadigheidsinstelling dient te worden beschouwd, zodat zij daarvoor aanspraak kan maken op de vrijstelling van de O.V. Wat de woningen aan de Schreursvest 75 en 77 betreft, waarvan evenmin wordt betwist dat zij zonder winstoogmerk worden uitgebaat door appellante, en die werden aangewend voor bewoning door gehandicapten die werden ondersteund door een nabij wonend vrijwilligersgezin, en voor bewoning door thuisloze mannen die werden ondersteund door de dienst thuislozenzorg van appellante, meent geïntimeerde dat er niet voldaan is aan de voorwaarde van gezinsvervangende hulp. Verder beroept 2004/AR/306 6 zesde fiscale kamer geïntimeerde zich op het erkenningsbesluit van appellante, waarin deze werd erkend voor "het plaatsen van gehandicapten van alle categorieën en van alle leeftijden in gezinnen", waarin evenmin de onroerende goederen worden aangeduid die in aanmerking komen. Om dezelfde redenen als hiervoor in verband met het pand gelegen aan de Regastraat 11 te Leuven uiteengezet, meent het hof dat appellante voor deze gebouwen eveneens als een soortgelijke liefdadigheidsinstelling dient te worden beschouwd en dat zij daarvoor eveneens aanspraak kan maken op de vrijstelling van de O.V. Derhalve dient het hoger beroep van appellante te worden ingewilligd en dient het incidenteel beroep van geïntimeerde te worden afgewezen.
- b)Wat de kosten betreft Op 1 januari 2008 is de Wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat en haar uitvoerings-K.B. van 26 oktober 2007 in werking getreden. Deze wet en dit K.B. vinden toepassing op onderhavige zaak. Ter openbare terechtzitting van het hof van 29 april 2009 verklaarden beide partijen terzake de rechtsplegingvergoeding in hoger beroep op het basisbedrag van 400 EUR te begroten. OM DEZE REDENEN, HET HOF, rechtsprekend na tegenspraak, Gelet op art 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; 2004/AR/306 7 zesde fiscale kamer Verklaart het hoger beroep van appellante gedeeltelijk gegrond; Verklaart het incidenteel beroep van geïntimeerde ongegrond; Doet het bestreden vonnis gedeeltelijk teniet voor zover het de vordering van appellante afwees wat het pand gelegen te 3000 Leuven, Regastraat 11 betreft en voor zover het appellante tot één derde en geïntimeerde tot twee derden van de kosten veroordeelde, En, opnieuw wijzende op deze twee punten, verklaart de vordering van appellante wat het pand gelegen te 3000 Leuven, Regastraat 11 betreft, ontvankelijk en gegrond, zegt voor recht dat het K.I. van het onroerend goed gelegen te 3000 Leuven, Regastraat 11 wordt vrijgesteld van de O.V. van het aanslagjaar 1997 en veroordeelt geïntimeerde tot het geheel van de kosten; Bevestigt het bestreden vonnis voor het overige; Veroordeelt geïntimeerde tot de beroepskosten, begroot op 400,00 EUR voor appellante en op 400,00 EUR voor geïntimeerde; Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de zesde fiscale kamer van het hof van beroep te Brussel, op alwaar aanwezig waren en zitting namen : - J. Verstappen, alleenzetelend raadsheer, - C. De Nollin, griffier. C. De Nollin. J. Verstappen. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div