← België

ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090513.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 13 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090513.6 Rolnummer: 2007/AR/1268 Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2009-09-08 Raadplegingen: 105 - laatst gezien 2026-07-02 19:44 Fiche UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - REGIONALE BELASTINGEN - Vlaanderen Vrije woorden: Leegstandsheffing - Motivering van de administratieve akte - Gehanteerde leegstandsindicaties - Rechterlijke controle - Correctheid van de kwalificatie - Omschrijving van het belaste pand als het gebouw/de woning - Belasting van het gehele pand als woning - Onregelmatige opname in de inventaris Tekst van de beslissing HOF van BEROEP te BRUSSEL Zesde fiscale kamer Nr. van de zaak : 2007/AR/1268 Openbare terechtzitting van 13/5/09 IN ZAKE VAN : 1. Het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, in de persoon van de minister van Financiën, waarvan het kabinet gevestigd is te 1210 Brussel, Koning Albert II-laan 19, 2. De MINISTER-PRESIDENT VAN DE VLAAMSE REGERING, waarvan het kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Martelaarsplein 19, appellanten, beiden vertegenwoordigd door Meester Ignaas Behaege, advocaat te 1000 Brussel, Kortenberglaan 75, TEGEN : De NV IMMO 70, met maatschappelijke zetel te 2500 Lier, Misstraat 70, ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen onder ondernemingsnummer 425.318.769, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meesters Kristof Spagnoli en Frank Hellemans, advocaten te 2000 Antwerpen, Cockerillkaai 18, ***** Het hof, na beraad, spreekt in openbare terechtzitting volgend arrest uit : R. EINDARREST - bevestiging 2007/AR/1268 2 zesde fiscale kamer Gezien de procedurestukken en meer in het bijzonder het afschrift van het vonnis van de vijfendertigste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op tegenspraak gewezen op 13 februari 2007 (A.R. nr. 2005/1150/A), vonnis waarvan geen betekeningakte voorligt en waartegen door appellanten een naar vorm en tijd regelmatig hoger beroep werd ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit hof op 30 april 2007. De ontvankelijkheid van het hoger beroep wordt betwist wat tweede appellant betreft. Het vonnis verklaarde de vordering van geïntimeerde ontvankelijk en gegrond. Deze vordering strekte ertoe het besluit van de gemachtigde ambtenaar van 7 juli 2003 te horen vernietigen evenals de bestreden heffingen gekend onder de artikelen 990020 en 2005100011 van de respectievelijk op 22 december 2000 en 21 december 2001 uitvoerbaar verklaarde kohieren, minstens van deze heffingen de ontheffing te horen bevelen. I. De feiten Geïntimeerde was eigenares van een pand gelegen te. Op 20 november 1996 werd, in toepassing van art. 33 van het Decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996, bij administratieve akte, waarin het pand werd omschreven als "het gebouw/de woning", de leegstand van dit pand vastgesteld op grond van de afwezigheid van een inschrijving in het bevolkingsregister sedert 30 januari 1992. Geïntimeerde betwistte de leegstand niet, maar vroeg op 2 december 1996 een schorsing van de heffing aan wegens de uitvoering van renovatiewerken. 2007/AR/1268 3 zesde fiscale kamer Met ingang van de datum van de administratieve akte werd het pand opgenomen op de lijst van de leegstaande woningen en/of gebouwen. Op 7 februari 1997 werd aan geïntimeerde een technisch verslag verzonden, waarin de door de bevoegde ambtenaar vastgestelde gebreken en tekenen van verval werden omschreven. Wederom betwistte geïntimeerde de vaststellingen niet, maar vroeg zij opnieuw een schorsing van de heffing aan wegens de uitvoering van renovatiewerken. Bij administratieve akte van 28 november 1997 werd, overeenkomstig art. 32 van voornoemd Decreet van 22 december 1995, de verwaarlozing van het pand vastgesteld en werd het, vanaf deze datum, een tweede maal opgenomen in de inventaris, ditmaal op de lijst van de verwaarloosde woningen en/of gebouwen. Op 22 december 1997 tekende geïntimeerde bezwaar aan tegen deze opname. Er werd een schorsing van de heffing toegekend voor de periode van 20 november 1996 tot 19 november 1998. Respectievelijk op 8 januari 2001 en op 10 januari 2002 werden aan geïntimeerde aanslagbiljetten verzonden voor de heffingen inzake de heffingsjaren 1999 en 2000, heffingen gekend onder de artikelen 990020, respectievelijk 2005100011 van de op 22 december 2000, respectievelijk op 21 december 2001 uitvoerbaar verklaarde kohieren. Respectievelijk op 5 februari 2001 en op 7 februari 2002 tekende geïntimeerde bezwaar aan tegen deze heffingen. Op 7 juli 2003 werden deze bezwaren bij beslissing van de gemachtigde ambtenaar afgewezen. Op 7 oktober 2003 ging geïntimeerde over tot dagvaarding van eerste appellant om te verschijnen voor de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen. 2007/AR/1268 4 zesde fiscale kamer Op 7 december 2004 verzond de rechtbank te Mechelen de zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Bij het bestreden vonnis van 13 februari 2007 willigde de rechtbank te Brussel de vordering van geïntimeerde in. II. Discussie

  1. a)Wat het door tweede appellant ingestelde hoger beroep betreft Het hof stelde vast dat tweede appellant in de procedure voor de eerste rechter niet in zake was en onderwierp dit punt aan het oordeel van partijen ter openbare zitting van 25 maart 2009. *** Het recht op hoger beroep komt uitsluitend toe aan wie in eerste aanleg partij is geweest als eiser, gedaagde of tussenkomende partij. Dit is niet het geval voor tweede appellant. Derhalve dient zijn hoger beroep ontoelaatbaar te worden verklaard.
  2. b)Wat de uitdrukkelijke motivering van de administratieve akten betreft Appellant meent dat geïntimeerde ten onrechte aanvoert dat de administratieve akten niet voldoende gemotiveerd zijn. *** Ter zitting van het hof van 7 januari 2009, waarop de zaak oorspronkelijk voor pleidooien vastgesteld stond, werd deze zaak in voortzetting gesteld op de zitting van 25 maart 2009 teneinde partijen toe te laten te concluderen over de regelmatigheid van de administratieve akten. In deze akten wordt het belaste pand immers aangeduid met de omschrijving "het gebouw/de woning", daar 2007/AR/1268 5 zesde fiscale kamer waar beide partijen het erover eens zijn dat het pand in kwestie geen dubbele bestemming heeft. Ten onrechte minimaliseert eerste appellant het belang van deze kwestie. Binnen de procedure van vestiging van de heffingen op grond van voornoemd Decreet van 22 december 1995 maken de administratieve akten zeer belangrijke akten uit. Zij identificeren de betrokken woning of het betrokken gebouw als object van de leegstandheffingen en stellen het verwaarloosd karakter of de leegstand ervan vast. Inzake leegstand hanteert het Vlaamse Gewest een aantal leegstandindicaties (die een omkering van de bewijslast tot gevolg hebben en dus van het allergrootste belang zijn), leegstandindicaties die terug te vinden zijn in de administratieve akten en die verschillend zijn voor woningen en gebouwen. Het spreekt voor zich dat de rechter inzage moet hebben van deze administratieve akten teneinde na te gaan of de daarin voorkomende kwalificatie van het pand (woning en/of gebouw) correct werd opgenomen en of de daarin gehanteerde leegstandindicaties met deze kwalificatie overeenstemmen. De omstandigheid dat geïntimeerde de vaststellingen in kwestie niet heeft betwist, doet aan dit controlerecht van de rechter geen afbreuk, gelet op het openbare ordekarakter van het fiscaal recht. In deze doen de administratieve akten de werkelijkheid geweld aan door enerzijds het pand te kwalificeren als "het gebouw/de woning" en door anderzijds het gehele pand te belasten als woning. Derhalve zijn de administratieve akten niet correct en is de opname in de inventaris evenmin correct gebeurd. Nu de opname van het kwestieuze pand in de inventaris onregelmatig was, dienen de op dergelijke onregelmatige opname 2007/AR/1268 6 zesde fiscale kamer in de inventaris gesteunde heffingen voor de heffingsjaren 1999 en 2000 te worden vernietigd. Derhalve dient het bestreden vonnis te worden bevestigd zij het op andere gronden. Bijgevolg dient het hoger beroep van eerste appellant te worden afgewezen.
  3. c)Wat de kosten betreft Op 1 januari 2008 is de Wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat en haar uitvoerings-K.B. van 26 oktober 2007 in werking getreden. Deze wet en dit K.B. vinden toepassing op onderhavige zaak. In tegenstelling tot hetgeen geïntimeerde voorhoudt, is de vordering in deze wel degelijk in geld waardeerbaar. Gelet op de begroting van de vordering en het bedrag van de tot het ogenblik van de indiening van de fiscale voorziening gelopen interesten, dient de rechtsplegingvergoeding, gewaardeerd op het basisbedrag zoals door beide partijen gevraagd, te worden begroot op het bedrag van 1.100 EUR. Het bedrag van de kosten van de procedure in eerste aanleg werd definitief begroot en vereffend door de eerste rechter. Nu het hof het eerste vonnis bevestigt, dient het zich uitsluitend over de kosten in hoger beroep uit te spreken. OM DEZE REDENEN, HET HOF, rechtsprekend op tegenspraak, Gelet op art 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; 2007/AR/1268 7 zesde fiscale kamer Verklaart het hoger beroep van tweede appellant ontoelaatbaar en dat van eerste appellant ontvankelijk, doch ongegrond; Bevestigt het bestreden vonnis, zij het op andere gronden; Veroordeelt appellant tot de beroepskosten, begroot op 1.100,00 EUR voor appellant en op 1.100,00 EUR voor geïntimeerde. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de zesde fiscale kamer van het hof van beroep te Brussel, op alwaar aanwezig waren en zitting namen : - J. Verstappen, alleenzetelend raadsheer, - C. De Nollin, griffier. C. De Nollin. J. Verstappen. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.