← België

ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090514.14

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 14 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090514.14 Rolnummer: 2004/AR/1290 Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2009-09-08 Raadplegingen: 111 - laatst gezien 2026-07-02 19:45 Fiche UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - PERSONENBELASTING - Grondslag - Beroepsinkomen - Beroepskosten FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Sancties - Administratieve sancties Vrije woorden: Overdracht goodwill - Betaling via jaarlijkse royalty op netto omzetcijfer - Variabele aankoopprijs (aanschaffingswaarde niet gekend) - Immaterieel vast activum - afschrijvingen Afschrijvingen variabele aankoopprijs - Toe te passen percentage, afschrijvingstechniek - Geen fiscale regeling - Primauteit van het boekhoudrecht op fiscaal recht Afschrijving aanschaffingswaarde op lineaire wijze - Spreiding over nog te lopen boekjaren tot het einde van de 'vermoedelijke gebruiksduur' vanaf ogenblik dat onderneming genot van het activum heeft - Staat los van de mogelijke spreiding van de prijs - Voorschriften voldaan - Geen inbreuk op artikel 61, 63 W.I.B./92 - Geen niet-toegelaten degressieve afschrijving Niet aangegeven inkomsten (artikel 444 WIB/92) - Boeken van royalties in kosten i.p.v. aanschaffingswaarde activeren en afschrijven - Gebruik woord royalty in boekhouding - Misleidend - Belastingverhoging 10% terecht Tekst van de beslissing HOF van BEROEP te BRUSSEL Zesde fiscale kamer Nr. van de zaak : 2004/AR/1290 Openbare terechtzitting van 14/5/09 IN ZAKE VAN : De BELGISCHE STAAT, in de persoon van de heer minister van Financiën, vertegenwoordigd door de gewestelijke directeur der directe belastingen te Leuven, met kantoren te 3001 Leuven, Philipssite 3A, bus 1, appellant op hoofdberoep, geïntimeerde op incidenteel beroep, vertegenwoordigd door Meester Luc Van Helshoecht, advocaat te 1070 Brussel, G. Stassartlaan 1, TEGEN : De NV SPAR RETAIL, voorheen NV SPAR BELGIUM en nog eerder NV LAURUS BELGIUM, met maatschappelijke zetel te 1740 Ternat, Industrielaan 23, ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen onder het nummer RPR 0413.970.957, voorheen ingeschreven in het handelsregister te Brussel onder het nummer 534.263, geïntimeerde op hoofdberoep, appellante op incidenteel beroep, vertegenwoordigd door Meester Alain Claes, advocaat te 1000 Brussel, Tour & Taxis, Havenlaan 86c b113, R. EINDARREST - ongegrond 2004/AR/1290 2 zesde fiscale kamer Het hof, na beraad, spreekt in openbare terechtzitting volgend arrest uit : Gezien de procedurestukken en meer in het bijzonder het afschrift van het vonnis van de twaalfde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven, op tegenspraak gewezen op 28 februari 2003 (A.R. nr. 01/891/A), vonnis dat werd betekend op 20 april 2004 en waartegen door appellant een naar vorm en tijd regelmatig hoger beroep werd ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit hof op 19 mei

  1. De ontvankelijkheid van het hoger beroep wordt niet betwist. Het vonnis verklaarde de vordering van geïntimeerde ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. Deze vordering strekte ertoe : - in hoofdorde, de aangevochten aanslagen te vernietigen, minstens te ontheffen, te zeggen dat ten titel van afschrijvingen de betaalde bedragen in mindering van de belastbare grondslag moeten worden gebracht, de aanslagen overeenkomstig te herberekenen en de ontheffing te bevelen in de mate dat deze de aldus herberekende bedragen te boven gaan en appellant te veroordelen om haar alle uit hoofde van de aanslagen betaalde sommen, te verhogen met de moratoire interesten, terug te betalen; - subsidiair, de belastingverhoging kwijt te schelden, minstens te verminderen. I. De feiten Op 30 november 1990 kocht de rechtsvoorgangster van geïntimeerde van de rechtsvoorgangster van de NV Unistore een handelsfonds, nl. een groothandel in levensmiddelen gelegen te Heist-op-den-Berg, waarbij de koopster voor de goodwill aan de verkoopster een "royalty" betaalde gedurende 8 jaar (dus tot het jaar 1998) van 0,50 % op het door de koopster gerealiseerde netto-omzetcijfer. 2004/AR/1290 3 zesde fiscale kamer In een addendum aan deze overeenkomt van dezelfde datum (30 november 1990) werd bepaald dat de koopster een vergoeding betaalde voor bepaalde opslag- en bewaringsactiviteiten, evenals een kostenplusvergoeding. Deze verbintenissen werden aangegaan voor een duur van 5 jaar en waren stilzwijgend verlengbaar voor eenzelfde duur. Bij overeenkomst van 28 januari 1993 werd de periode, waarin de "royalty" moest worden betaald, verlengd tot 2008, maar werd het bedrag ervan verminderd tot 0,35 % van het netto-omzetcijfer vanaf de maand januari 1993 tot en met januari
  2. Deze overeenkomst werd afgesloten voor een vaste en onopzegbare periode van 15 jaar en 3 dagen ingaande op 28 januari 1993 en verstrijkend op 31 januari
  3. Bij gebrek aan een tijdige en geldige vooropzeg werd de overeenkomst evenwel voor onbepaalde duur verlengd. De rechtsvoorgangster van geïntimeerde heeft deze "royalties" als beroepskosten geboekt en dus meteen in aftrek genomen. De administratie van haar kant heeft deze "royalties" belast in de mate dat deze sommen moesten worden geactiveerd bij toepassing van art. 25, 4° W.I.B. 1992 en slechts mochten worden afgeschreven over 10 jaar, waarbij het lineaire afschrijvingspercentage moest worden toegepast op iedere afzonderlijke betaling. Tevens werd een belastingverhoging van 10 % opgelegd. Voor de aanslagjaren 1995, 1996, 1996 en 1997 werden supplementaire aanslagen in de vennootschapsbelasting (Venn. B.) lastens de rechtsvoorgangster van geïntimeerde gevestigd onder de respectieve kohierartikelen 874400917, 880001694, 882800619 en
  4. Tegen deze aanslagen diende de rechtsvoorgangster van geïntimeerde op 9 februari 1998, 9 februari 1998, 9 oktober 1998 en 27 oktober 1998 bezwaarschriften in. 2004/AR/1290 4 zesde fiscale kamer Op 24 januari 2001 wees de ambtenaar gedelegeerd door de gewestelijke directeur der directe belastingen te Leuven deze bezwaarschriften af. Op 12 april 2001 legde de rechtsvoorgangster van geïntimeerde een tegensprekelijk verzoekschrift neer ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven. Op 29 juni 2001 verklaarde de rechtbank te Leuven, bij tussenvonnis, de vordering van de rechtsvoorgangster van geïntimeerde ontvankelijk, zegde zij dat appellant niet rechtsgeldig was vertegenwoordigd door de verschijning van zijn ambtenaar en verzond zij de zaak naar de rol om appellant toe te laten zich alsnog rechtsgeldig te laten vertegenwoordigen. Bij het bestreden eindvonnis van 28 februari 2003 beval de rechtbank te Leuven de herberekening van de bestreden aanslagen. Voor de eerste rechter erkende de rechtsvoorgangster van geïntimeerde dat zij verkeerdelijk ieder jaar de betaalde vergoeding onmiddellijk en integraal in aftrek nam. Partijen gingen er derhalve mee eens dat de bedongen jaarlijkse prijs van 0,50 %, nadien herleid tot 0,35 %, hoewel geboekt als "royalty", de overdracht van goodwill vergoedde, goodwill die een immaterieel vast activum uitmaakt en derhalve moet worden afgeschreven. Bijgevolg oordeelde de eerste rechter dat de betwisting tussen partijen zich beperkt tot het toe te passen percentage en de afschrijvingstechniek. Omtrent het toe te passen afschrijvingspercentage kwam de eerste rechter tot het besluit dat, op basis van het realiteitsbeginsel, een afschrijvingspercentage van 11,11 % (of een afschrijvingsduur van 9 jaar) moest worden toegepast. Omtrent de afschrijvingstechniek stelde de eerste rechter dat immateriële vaste activa in beginsel worden afgeschreven met vaste annuïteiten. Door de laatste tranche van het variabel gedeelte van de aanschaffingsprijs (in het tiende jaar) lineair af te schrijven over de gebruiksduur van het activum (10 jaar) betekent dit volgens de eerste rechter dat een gedeelte van de aanschaffingsprijs over een periode van 20 jaar wordt afgeschreven, terwijl de economische levensduur van het activum slechts 10 jaar bedroeg. Volgens de eerste rechter dienen afschrijvingen gebaseerd te zijn op de 2004/AR/1290 5 zesde fiscale kamer economische levensduur van het actiefbestanddeel, los van het feit dat de betalingswijze in de tijd wordt gespreid. Op dit punt willigde de eerste rechter de vordering van de rechtsvoorgangster van geïntimeerde in. Voor de rest wees hij haar vordering af. II. Discussie A. WAT HET HOOFDBEROEP VAN APPELLANT BETREFT Appellant wijst erop dat in deze de vergoedingen worden gespreid van januari 1990 tot en met januari 2008, terwijl de afschrijvingsduur van de goodwill slechts 9 jaar bedraagt. De afschrijvingstechniek van geïntimeerde leidt ertoe dat enkel de vergoedingen van januari 1990 tot en met januari 1998 worden afgeschreven, terwijl de resterende vergoedingen (van februari 1998 tot en met januari 2008) onmiddellijk in aftrek worden genomen. Bovendien voorziet het contract in een voortzetting van het contract van onbepaalde duur na januari 2008 bij gebrek aan een tijdige en geldige vooropzeg. Appellant leidt daaruit af dat de economische levensduur van het activum geenszins beperkt is tot 10 jaar, zoals aangenomen door de eerste rechter. De door de eerste rechter toegepaste afschrijvingstechniek is volgens appellant tevens in tegenspraak met art. 61 W.I.B. 1992, volgens hetwelk de afschrijvingen moeten worden berekend op de aanschaffings- of beleggingswaarde van de afschrijfbare bestanddelen en niet op een gedeelte daarvan. Volgens appellant moet bij toepassing van art. 63 W.I.B. 1992, gelet op het feit dat de grondslag van de afschrijvingen bij immateriële vaste activa tegen variabele prijzen pas tot stand komt naargelang de variabele prijs definitief verschuldigd wordt, het lineaire afschrijvingspercentage op ieder gedeelte van de tot stand gekomen afschrijvingsprijs afzonderlijk worden toegepast. Zodoende dient elke tranche op zich over een periode van 9 jaar te worden afgeschreven. 2004/AR/1290 6 zesde fiscale kamer Op fiscaal vlak bevatte het W.I.B. 1964 voor de Wet van 22 december 1989 geen enkele bijzondere bepaling met betrekking tot de afschrijving van immateriële vaste activa. De Wet van 22 december 1989 heeft in het W.I.B. 1964 het art. 48, § 4 ingevoegd (het huidige art. 63 W.I.B. 1992), volgens hetwelk het cliënteel moet worden afgeschreven met vaste annuïteiten waarvan het aantal niet minder dan 5 mag bedragen. Nu in deze de overeenkomst houdende overdracht van goodwill dateert van 30 november 1990, vindt voornoemd art. 48, § 4 W.I.B. 1964 / art. 63 W.I.B. 1992 in deze toepassing. Met de invoering van de tekst van deze bepaling wilde de wetgever degressieve afschrijvingen uitsluiten (zie : Gedr. St., Senaat, 1989-1990, nr. 806/1, p. 76; St. VAN CROMBRUGGE, "Tegen variabele prijzen verkregen activa : hoe afschrijven ?", Fiscoloog 26 maart 1997, nr. 607, p. 5). De fiscale wet regelt niet hoe een variabele aankoopprijs moet worden afgeschreven. Zodoende bevat de fiscale wet geen bepalingen die afwijken van het boekhoudrecht. In dat geval geldt het beginsel van de primauteit van het boekhoudrecht op het fiscaal recht. De boekhoudrechtelijke regeling is terug te vinden in het advies nr. 126/10 van de Commissie voor Boekhoudkundige Normen (C.B.N.). Boekhoudkundig moet de aanschaffingswaarde van een activum worden gespreid over de vermoedelijke gebruiksduur daarvan. De onderneming beschikt over het betrokken activum van zodra zij er het genot van heeft. Volgens de C.B.N. moet de raming van de vermoedelijke gebruiksduur worden berekend vanaf dat ogenblik. Deze gebruiksduur is inherent aan het activum en staat over het algemeen los van de prijs die ervoor wordt betaald en van de mogelijke spreiding van de betaling van die prijs. Dit impliceert dat, in geval van spreiding van de betaling waarvan de hoogte bovendien afhankelijk wordt gesteld van een op het ogenblik van de overdracht van het immaterieel vast activum niet gekende parameter, en die dus boekjaar na boekjaar variabel is, 2004/AR/1290 7 zesde fiscale kamer deze per boekjaar verschuldigde vergoeding in het geval van een lineaire afschrijving moet worden gespreid over het nog te lopen aantal boekjaren tot het einde van de waarschijnlijke gebruiksduur van het activum in kwestie. In deze heeft de eerste rechter op grond van oordeelkundige motieven, die het hof de zijne maakt, de afschrijvingsduur van het activum in kwestie bepaald op 9 jaar. Door nu, zoals appellant voorstaat, het lineaire afschrijvingspercentage toe te passen op ieder gedeelte van de aanschaffingsprijs, komt men tot een situatie waarin het activum uiteindelijk wel degelijk in functie van de gespreide betaling wordt afgeschreven. Door ook op het laatste gedeelte van de aanschaffingsprijs het lineaire afschrijvingspercentage toe te passen, overstijgt de afschrijvingstermijn de economische gebruiksduur van het activum in kwestie. Een dergelijke werkwijze is niet terug te vinden in art. 63 W.I.B. 1992, zodat appellant terzake een voorwaarde toevoegt die niet in dit wetsartikel terug te vinden is. In geen geval kan de door de C.B.N. voorgestane werkwijze, die erin bestaat de afschrijving van de variabele vergoeding voor het verworven activum te spreiden over de nog te lopen tijd van de gebruiksduur van dit activum, werkwijze die ook door de eerste rechter werd gevolgd, worden beschouwd als een niet-toegelaten degressieve afschrijving, maar is daarmee voldaan aan het voorschrift van afschrijving op lineaire wijze. Evenmin maakt deze werkwijze een inbreuk uit op art. 61 W.I.B. 1992, gelet op de spreiding van de betaling van de prijs in functie van een niet-gekende parameter, zodat de aanschaffingsprijs of -waarde niet bekend is op het ogenblik dat men het activum begint af te schrijven. Derhalve dient het hoger beroep van appellant te worden afgewezen. 2004/AR/1290 8 zesde fiscale kamer B. WAT HET INCIDENTEEL BEROEP VAN GEÏNTIMEERDE BETREFT B.
  5. Wat de toepassing van art. 361 W.I.B. 1992 betreft Geïntimeerde meent dat appellant ten onrechte art. 361 W.I.B. 1992 heeft toegepast bij het vestigen van de aanslag voor het aanslagjaar
  6. In dit aanslagjaar werden de vermeende afschrijvingsexcedenten van de vorige aanslagjaren 1991 - 1994 voor een bedrag van 101.330.909 BEF ook beschouwd als winst van het belastbaar tijdperk verbonden aan het aanslagjaar
  7. Geïntimeerde meent dat er in deze ongetwijfeld rekening is gehouden met de onderwaarderingen (de vermeende ten onrechte in mindering gebrachte royalties als bedrijfsuitgaven). Zelfs indien art. 361 W.I.B. 1992 in principe van toepassing had kunnen zijn, kon dit artikel volgens geïntimeerde in deze niet worden toegepast, nu de administratie voorheen nooit enige opmerking heeft gemaakt over de waardering van het activum. Een dergelijke wijziging door appellant van zijn standpunt zou volgens geïntimeerde bovendien ook strijdig zijn met de beginselen van behoorlijk bestuur en de daarin vervatte beginselen van zorgvuldigheid en fair play (inclusief het vertrouwensbeginsel). Een bedrag van 101.330.909 BEF dient volgens geïntimeerde dan ook te worden geweerd uit de belastbare grondslag. *** Art. 361 W.I.B. 1992 bepaalt dat wanneer bij het onderzoek van de boekhouding over een bepaald belastbaar tijdperk onderwaarderingen van activa of overwaarderingen van passiva, vermeld in art. 24, lid 1, 4° W.I.B. 1992 worden vastgesteld, deze als winst van dat belastbaar tijdperk worden aangemerkt, zelfs indien ze blijken uit de boekhouding betreffende vorige belastbare tijdperken, tenzij de belastingplichtige bewijst dat ermee rekening is gehouden bij het bepalen van et resultaat van deze laatste tijdperken. 2004/AR/1290 9 zesde fiscale kamer Met reden besliste de eerste rechter terzake dat geïntimeerde in gebreke blijft het bewijs te leveren dat met de onderwaarderingen van het actief (de afschrijvingsexcedenten, reeds rekening werd gehouden bij het bepalen van het resultaat van de boekjaren waarin zij zijn ontstaan. Verder kan geïntimeerde zich niet beroepen op het vertrouwensbeginsel of de andere door haar aangevoerde beginselen van behoorlijk bestuur, nu zij niet aanvoert dat er ooit een controle met betrekking tot de rekening "royalties" werd gevoerd. Terzake verwijst het hof inzake beide punten naar de oordeelkundige motieven van de eerste rechter, die het de zijne maakt. B.
  8. Wat de belastingverhoging betreft In hoofdorde houdt geïntimeerde voor dat art. 444 W.I.B. 1992, dat enkel een belastingverhoging voorziet voor het gedeelte dat overeenstemt met de niet-aangegeven inkomsten, strikt dient te worden geïnterpreteerd. In casu is er geen sprake van het niet-aangeven van inkomsten, doch louter van het niet-aanvaarden van bepaalde bedrijfsuitgaven door appellant. Minstens meent geïntimeerde dat het opleggen van een belastingverhoging niet opportuun is, nu het verschil in aftrekbare bedrijfskosten niet zozeer het gevolg is van het kunstmatig opdrijven van de lasten, maar meer van principiële betwistingen. *** In deze is er, door het (misleidend) boeken van "royalties" in de kosten in plaats van de aanschaffingswaarde te activeren en vervolgens af te schrijven, sprake van een onjuiste aangifte die aanleiding geeft tot niet-aangegeven inkomsten in de zin van art. 444 W.I.B.
  9. 2004/AR/1290 10 zesde fiscale kamer Daarbij merkte de eerste rechter terecht op dat de principiële discussie met betrekking tot het afschrijvingspercentage en de afschrijving van tegen variabele prijzen verkregen activa niet mag doen vergeten dat het gebruik van het woord "royalty" in de boekhouding van geïntimeerde misleidend was. Met reden kwam de eerste rechter dan ook tot het besluit dat de belastingverhoging van 10 % terecht werd opgelegd. Derhalve dient ook het incidenteel beroep van geïntimeerde te worden afgewezen. C. WAT DE KOSTEN BETREFT Op 1 januari 2008 is de Wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat en haar uitvoerings-K.B. van 26 oktober 2007 in werking getreden. Deze wet en dit K.B. vinden toepassing op onderhavige zaak. Ter openbare terechtzitting van het hof van 23 april 2009 verklaarden beide partijen terzake de rechtsplegingvergoeding in graad van hoger beroep op het basisbedrag van 15.000 EUR te begroten. OM DEZE REDENEN, HET HOF, rechtsprekend op tegenspraak, Gelet op art 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Verklaart het hoofdberoep van appellant ontvankelijk, doch wijst het af als ongegrond; 2004/AR/1290 11 zesde fiscale kamer Verleent geïntimeerde akte van het instellen van haar incidenteel beroep; Verklaart dit ontvankelijk, doch ongegrond; Veroordeelt de Belgische Staat tot de beroepskosten, begroot op 15.000,00 EUR voor appellant en op 15.000,00 EUR voor geïntimeerde; Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de zesde fiscale kamer van het hof van beroep te Brussel, op alwaar aanwezig waren en zitting namen : - J. Verstappen, raadsheer dd voorzitter, - C. Vanderkerken, raadsheer, - B. Verhaeren, plaatsvervangend raadsheer, - C. De Nollin, griffier. C. De Nollin. B. Verhaeren. C. Vanderkerken. J. Verstappen. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.