← België

ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090514.15

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 14 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090514.15 Rolnummer: 2005/AR/1923 Rechtsgebied: Overige - Belastingrecht Invoerdatum: 2009-09-08 Raadplegingen: 124 - laatst gezien 2026-07-02 19:45 Fiche UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Beginselen (gerechtelijk recht - algemene beginselen) - Uitleggingswetten FISCAAL RECHT - LOKALE BELASTINGEN - Gemeentebelastingen Vrije woorden: Belastingreglement gemeente Ukkel 16/12/1996 - Artikel 1b - Uitzondering - 'Onmogelijkheid tot gebruik volgens oorspronkelijke doeleinden wegens een beslissing van de openbare overheid' Duidelijke tekst - Behoeft geen interpretatie - Ratio legis niet van belang - Begrip 'oorspronkelijke doeleinden ' is synoniem van 'aanvankelijke bestemming ' - Reglement schiet voorbij aan zijn doel - Gevolg van de bewoordingen zelf ervan - Strikte interpretatie belastingwet - Voorkomen dat feit belastbaar wordt gesteld wanneer dit niet uitdrukkelijk is voorzien - Teleolische interpretatie - In casu contra legem Tekst van de beslissing HOF van BEROEP te BRUSSEL Zesde fiscale kamer Nr. van de zaak : 2005/AR/1923 Openbare terechtzitting van 14/5/09 IN ZAKE VAN : De GEMEENTE UKKEL, vertegenwoordigd door het college van burgemeester en schepenen, gevestigd te 1180 Ukkel, Jean Vander Elstplein 29, appellante, ter terechtzitting vertegenwoordigd door meester Serge CARTON, loco meester Winand VAN ROSSUM, advocaat, met kantoor gevestigd te 1640 Sint-Genesius-Rode, Kerkstraat 55. TEGEN: De V.Z.W. CONGREGATIE GASTHUISZUSTERS AUGUSTINESSEN VAN LEUVEN, gevestigd te 1180 Ukkel, Langeveldstraat 151, geïntimeerde, ter terechtzitting vertegenwoordigd door meester VAN HERREWEGHE, loco meester Thierry AFSCHRIFT, advocaat, met kantoor gevestigd te 1050 Brussel, Louizalaan 208. ***** R. EINDARREST - ongegrond 2005/AR/1923 2 zesde fiscale kamer Het hof, na beraad, spreekt in openbare terechtzitting volgend arrest uit. PROCEDURE Gelet op de procedurestukken, inzonderheid het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 25 maart 2005, waarvan geen betekeningakte wordt voorgelegd, en waartegen hoger beroep werd aangetekend bij verzoekschrift op de griffie van het hof neergelegd op 15 juli 2005. FEITEN EN BESTREDEN BESLISSING Op naam van geïntimeerde werden voor de dienstjaren 1998, 1999, 2000 en 2001 aanslagen in de gemeentebelasting op de onafgewerkte, gedeeltelijk of totaal onbewoonde, onuitgebate of verwaarloosde gebouwen gevestigd onder artikel nrs. 25, 26 en 27 voor een te betalen bedrag van 47.372,20 EUR (dienstjaar 1998), artikel nrs. 6, 16 en 17 voor een te betalen bedrag van 46.372,20 EUR (dienstjaar 1999), artikel nrs. 8, 21 en 22 voor een te betalen bedrag van 46.372,20 EUR (dienstjaar 2000), en artikel nrs. 4, 21 en 22 voor een te betalen bedrag van 154.574,00 EUR (dienstjaar 2001). Geïntimeerde was tijdens de litigieuze dienstjaren eigenares van een aantal percelen, gelegen te Ukkel, opgedeeld in vier verschillende zones. Op die percelen was een klooster gevestigd, werd een rusthuis en een kinderkribbe uitgebaat door de V.Z.W. FAC SIMILITER, en waren oude gebouwen gelegen, die voordien als kliniek en verpleegsterschool dienst deden. Laatstgenoemde gebouwen, voorwerp van de in het geding zijnde aanslagen, verhuurde geïntimeerde aan de V.Z.W. EUROPA ZIEKENHUIZEN. 2005/AR/1923 3 zesde fiscale kamer Bij koninklijk besluit van 15 april 1988 werd een bijzonder plan van aanleg (B.P.A.) nr. 51 goedgekeurd voor de wijk Florida-Langeveld. Het koninklijk besluit bepaalde dat het hospitaalcomplex St. Elisabeth en de daarmee verbonden verpleegsterschool, dit zijn alle vier zones, daarin begrepen de kliniek, de school en het klooster, een gebied voor uitrustingen van collectief belang uitmaakte, dit met het oog op een eventuele heropbouw van de kliniek. Kort na het B.P.A. nr. 51 verkocht geïntimeerde één van de percelen met de erop opgerichte gebouwen aan de V.Z.W. EUROPA ZIEKENHUIZEN, die wenste het oude complex te slopen en er een nieuw ziekenhuiscomplex voor in de plaats te bouwen. Het B.P.A. nr. 51 werd, wat betreft het gebied voor uitrustingen van collectief belang van het St. Elisabethziekenhuis aangepast bij koninklijk besluit van 14 april 1994 dat het B.P.A. nr. 51bis voor de wijk Florida-Langeveld goedkeurde. Het B.P.A. nr. 51bis acteerde dat op het perceel dat door geïntimeerde aan de V.Z.W. EUROPA ZIEKENHUIZEN werd verkocht, de zgn. zone 4, de wederopbouw van de nieuwe kliniek werd toegelaten door de bevoegde instanties. De zones 1, 2 en 3, waarvan geïntimeerde eigenares was gebleven, kregen een nieuwe bestemming: - zone 1: uitrustingen van collectief belang (klooster) - zones 2 en 3: permanente woongelegenheid - een niet genummerde groene zone De litigieuze aanslagen betreffen de oude gebouwen, gelegen in de zones 2 en 3, waarin geïntimeerde enkel nog permanente woongelegenheid voor derden kon organiseren. 2005/AR/1923 4 zesde fiscale kamer De bestemming van de zones 1, 2 en 3 werd opnieuw gewijzigd door een Gewestelijk Bestemmingsplan, goedgekeurd door het ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bij besluit van 3 mei 2001. Vanaf 14 juni 2001 werd aan de zones 2 en 3, waarop zich de gebouwen, voorwerp van de litigieuze aanslagen bevonden, een definitieve bestemming gegeven, nl. woongebied, groengebied en voorzieningen van collectief belang. Gelet op deze nieuwe definitieve bestemming konden de gebouwen, waarop de litigieuze aanslagen betrekking hebben, opnieuw worden gebruikt voor activiteiten van openbaar belang, nl. het inrichten van een medisch centrum. Geïntimeerde gaf de gebouwen, gelegen in zones 2 en 3, op 14 november 2002 in erfpacht aan de V.Z.W. EUROPA ZIEKENHUIZEN. Een ander gebouw in zone 3 droeg zij om niet over aan genoemde V.Z.W. Nadat het college van burgemeester en schepenen van appellant de bezwaarschriften, door geïntimeerde tegen de voormelde aanslagen ingediend, had afgewezen, stelde deze een vordering in rechte in voor de eerste rechter. Geïntimeerde betwistte voor de eerste rechter niet dat de gebouwen in de zones 2 en 3 in de jaren 1998 tot en met 2001 niet betrokken waren, maar meende dat zij zich bevond in de uitzonderingssituatie voorzien in artikel 1,

  1. b)van het belastingreglement van 16 december 1996. Zij meende meer bepaald dat de gebouwen vanaf 4 mei 1994, datum van inwerkingtreding van het B.P.A. nr. 51bis, niet langer konden worden gebruikt volgens hun oorspronkelijke doeleinden, nl. het inrichten van diensten van algemeen belang (ziekenhuis, ouderentehuis, crèche, e.d.m.), nu door een beslissing van de openbare overheid de bestemming ervan werd gewijzigd van collectief nut naar woongebied. 2005/AR/1923 5 zesde fiscale kamer Het was dus, volgens geïntimeerde, de beslissing van de openbare overheid, die ervoor zorgde dat de gebouwen in zone 2 en 3 niet langer konden worden gebruikt voor hun oorspronkelijke doeleinden, nl. het verschaffen van collectieve diensten, en bijgevolg leegstonden. De eerste rechter was van oordeel dat geïntimeerde zich inderdaad bevond in de uitzondering bepaald in artikel 1,
  2. b)van het belastingreglement (onmogelijkheid tot gebruik volgens de oorspronkelijke doeleinden omwille van een beslissing van de openbare overheid) en willigde de vordering van geïntimeerde op die grond in. GRIEVEN Appellante verwijt de eerste rechter een verkeerde interpretatie van artikel 1,
  3. b)van het belastingreglement, welke interpretatie daarenboven ingaat tegen de ratio legis van het reglement en van de wetten inzake stedenbouw. Appellante duidt de eerste rechter vervolgens een verkeerde lezing van de feiten ten kwade, nu geïntimeerde zelf een beslissende rol speelde in de wijziging van het B.P.A. nr. 51 in het B.P.A. nr. 51bis. Appellante vordert het bestreden vonnis dienvolgens te vernietigen en de bestreden aanslagen te bevestigen. Zij vraagt ook geïntimeerde te veroordelen tot de gerechtelijke interesten en de kosten van beide aanleggen. Ook vraagt zij de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het arrest. Geïntimeerde voert, in hoofdorde, de afwezigheid van belastbare grondslag aan, nu zij zich bevond in de uitzondering voorzien in artikel 1,
  4. b)van het belastingreglement. 2005/AR/1923 6 zesde fiscale kamer In ondergeschikte orde, roept geïntimeerde in dat de leegstand en verwaarlozing van de litigieuze gebouwen het gevolg zijn van overmacht. Zij vraagt het bestreden vonnis dienvolgens te bevestigen in al zijn onderdelen, en appellante te veroordelen tot de kosten van het geding. DE TEKST VAN ARTIKEL 1,
  5. b)VAN HET BELASTINGREGLEMENT 1. Artikel 1,
  6. b)van het reglement van appellant van 19 december 1996 betreffende de belasting op de onafgewerkte, gedeeltelijk of totaal onbewoonde, onuitgebate of verwaarloosde gebouwen, bepaalt de "grondslag van de belasting" en luidt als volgt: "Er wordt voor de dienstjaren 1997 tot 2001 inbegrepen en jaarlijkse belasting geheven op de onafgewerkte, gedeeltelijk of totaal onbewoonde, onuitgebate of verwaarloosde gebouwen. (...)
  7. b)Worden als gedeeltelijk of totaal onbewoonde, onuitgebate of verwaarloosde gebouwen beschouwd, de gebouwen of delen ervan die sinds één jaar niet effectief volgens de oorpronkelijke doeleinden gebruikt of uitgebaat worden, op basis van de vaststelling door een bevoegde ambtenaar aangeduid door het College, voor zover hun niet-bewoning of niet-uitbating het gevolg niet zijn van een beslissing of het feit van de openbare overheid of door een geval van overmacht (...)". Naar het oordeel van de eerste rechter is artikel 1,
  8. b)van het belastingreglement een duidelijke tekst, en kan de ratio legis van het belastingreglement niet tegen die duidelijke tekst worden aangevoerd, zelfs niet indien uit de ratio legis zou blijken dat appellante bij het invoeren van die norm een andere bedoeling had. 2005/AR/1923 7 zesde fiscale kamer De eerste rechter was van oordeel dat geïntimeerde zich inderdaad bevond in de uitzondering bepaald in artikel 1,
  9. b)van het belastingreglement, op grond dat "in casu de oude gebouwen niet volgens de oorspronkelijke doeleinden konden worden gebruikt, nu door een beslissing van de overheid de bestemming ervan werd gewijzigd van collectief nut naar woongebied (wijziging van het B.P.A. nr. 51 in het B.P.A. nr. 51bis) en nadien opnieuw werd gewijzigd naar woongebied, groengebied en voorzieningen van collectief belang (ingevolge het gewestelijk bestemmingsplan sinds juni 2001)". 2. Alhoewel appellante erkent dat de tekst van het belastingreglement "klaar en duidelijk" is (conclusie, blz. 2), meent zij toch dat "de ingeroepen leer van de duidelijke bewoordingen door de eerste rechter ingeroepen in casu niet kan worden gevolgd. Immers kon de rechter niet zonder het reglement te schenden de bewoordingen ‘oorspronkelijke doeleinden' gelijkschakelen met ‘oorspronkelijke bestemming', temeer daar in casu werd belast, niet omdat er geen medische activiteit/collectieve nutsvoorziening werd uitgebaat, maar omdat er geen bewoning was conform de bestemming zoals opgenomen in het toen geldende BPA 51bis. Bovendien waren de panden verwaarloosd, wat een voldoende heffingsgrondslag is voor de toepassing van het reglement. Ervan uitgaan dat, toen het reglement van kracht werd, de sedert jaren leegstaande gebouwen in kwestie, enkel en alleen nog voor geneeskunde of verpleging konden worden gebruikt, zonder mogelijkheid om zich aan te passen aan het toen geldende bestemmingsplan, is een al te strikte interpretatie van ‘oorspronkelijk doeleind', dat, naast de leer van de duidelijke bewoordingen, ook ingaat tegen de ratio legis van het gemeentereglement en de wetten inzake stedebouw" (conclusie, blz. 3, appellante onderlijnt). Onder verwijzing naar de aanhef van het belastingreglement, betoogt appellante dat de bedoeling is "(o.m.) de vrijwillige verwaarlozing van gebouwen en de aangroei van krotwoningen te 2005/AR/1923 8 zesde fiscale kamer bestrijden op een doeltreffende manier. Omdat deze gebouwen ten nadele van de gemeenschap niet meer beschikbaar zijn voor eventuele huisvesting en omdat zij de veiligheid en de volksgezondheid in het gedrang kunnen brengen" (conclusie, blz. 3). De lezing die appellante doet van de bewoordingen "oorspronkelijke doeleinden" voorkomend in artikel 1,
  10. b)van het belastingreglement, komt duidelijk tot uiting in haar overweging, naar luid waarvan "De passende wijze van gebruik is deze die overeenkomt met de bestemming van het pand volgens de stedebouwkundige voorschriften die op dat moment gelden. Het zijn die doeleinden conform de heersende stedenbouwkundige voorschriften welke in aanmerking moeten worden genomen als de ‘oorspronkelijke doeleinden', en niet die doeleinden die conform zijn aan de oorspronkelijke bestemming" (conclusie, blz. 4; het hof onderlijnt). Die lezing is totaal onverenigbaar met wat in artikel 1,
  11. b)van het belastingreglement staat. Het adjectief "heersend" is inderdaad juist het tegendeel van "oorspronkelijk". Op grond van het Woordenboek van de Nederlandse Taal Van Dale (oorspronkelijk: de oorsprong, het begin uitmakende van, het eerste in een opeenvolgende reeks of daarbij behorende, synoniem aanvankelijk; doeleinden: 1. datgene waarnaar men streeft (vooral als meervoud van doel), 2. bestemming), betoogt geïntimeerde terecht dat "aanvankelijke bestemming" kan worden beschouwd als synoniem van "oorspronkelijke doeleinden". Artikel 1,
  12. b)van het belastingreglement is derhalfe onmiskenbaar een klare en duidelijke tekst, zoals de eerste rechter terecht besliste. Ook in fiscale zaken dient een duidelijke tekst niet te worden geïnterpreteerd (Cass. 22 december 1949, Pas., 1950, I, 179; Cass. 2005/AR/1923 9 zesde fiscale kamer 20 februari 1951, Pas., 1951, I, 410; Cass. 10 juni 1952, Pas., 1952, I, 656; Cass. 11 december 1962, Bull. Bel., 1962, nr. 395; Cass. 15 januari 1963, Bull. Bel., 1963, nr. 397). De eerste rechter ging dan ook terecht niet in op de vraag van appellante om artikel 1,
  13. b)van het belastingreglement vooralsnog te interpreteren aan de hand van de ratio legis van deze bepaling. Het is derhalve tevergeefs dat appellante betoogt dat de interpretatie van de eerste rechter ertoe leidt dat aan eventuele bestemmingswijzigingen door een verandering/evolutie in de stedenbouwkundige voorschriften of door praktische wijzigingen/evoluties in het gebruik van het gebouw elke betekenis wordt ontnomen, en dat aan de rol van de eigenaar om invloed uit te oefenen op de bestemming van zijn goed, elke betekenis wordt ontnomen. Geïntimeerde wil niet betwisten dat het belastingreglement voorbijschiet aan zijn doel door te bepalen dat, behoudens uitzonderingen, de leegstandsheffing verschuldigd wordt in hoofde van eigenaars van wie de gebouwen sinds één jaar niet effectief worden gebruikt volgens de oorspronkelijke doeleinden. Maar, zoals geïntimeerde ook stelt, is die lezing van het belastingreglement het gevolg van de bewoordingen zelf ervan, en niet van de wijze waarop de eerste rechter artikel 1,
  14. b)zou hebben geïnterpreteerd. Appellante houdt nog staande dat de interpretatie die zij geeft van de zinsnede "volgens de oorspronkelijke doeleinden" niet strijdig is met het beginsel van de stricte interpretatie van de belastingwet, omdat "aldus minder categorieën van belastingplichtigen onder het toepassingsgebied van het gezegde belastingreglement zullen vallen" (conclusie, blz. 4). 2005/AR/1923 10 zesde fiscale kamer De belastingwet is inderdaad van strikte interpretatie. I.t.t. wat appellante suggereert, strekt het beginsel van de strikte interpretatie van de belastingwet er evenwel niet toe om zo weinig mogelijk categorieën van belastingplichtigen te viseren. Het beginsel strekt er wel toe te voorkomen dat een feit belastbaar wordt gesteld, wanneer dit niet uitdrukkelijk is voorzien door de wettekst. De door appellante voorgestane teleologische interpretatie, naar luid waarvan "het gaat erom dat eigenaars hun gebouwen nuttig gebruiken, en er een (desnoods nieuwe) bestemming aan geven, volgens de geldende stedebouwkundige voorschriften. Speculeren op grote winsten ten nadele van de gemeenschap is uit den boze. Anders gesteld: de bedoeling is dat eigenaars hun gebouwen gebruiken op een gepaste manier, conform de mogelijkheden en opportuniteiten die de ruimte kan bieden, met dien verstande dat de bouwvoorschriften geëerbiedigd worden" (conclusie, blz. 4), is contra legem. Immers, terwijl het belastingreglement bepaalt dat men wordt belast indien men het goed sinds één jaar niet heeft gebruikt volgens de oorspronkelijke doeleinden en men dus de bestemming ervan wijzigt, verdedigt appellante dat het de bedoeling is dat de eigenaar zijn goed nuttig gebruikt, zelfs de bestemming ervan wijzigt en het goed niet meer gebruikt volgens de oorspronkelijke doeleinden ervan. DE BESLISSING VAN DE OPENBARE OVERHEID 1. Appellante verwijt de eerste rechter ook een verkeerde lezing van de feiten, door de leegstand als het gevolg van een beslissing van de openbare overheid, in de zin van artikel 1,
  15. b)van het belastingreglement, te aanzien. Appellante houdt voor dat geïntimeerde zelf een beslissende rol speelde in de wijziging van het B.P.A. nr. 51 in het B.P.A. nr. 51bis. 2005/AR/1923 11 zesde fiscale kamer Geïntimeerde werpt hiertegen op dat de wijziging van het B.P.A. nr. 51 in het B.P.A. nr. 51bis in werkelijkheid gebeurde op verzoek van buurtbewoners, die zich hadden gegroepeerd in de V.Z.W. WIJKCOMITE FLORIDA-LANGEVELD. 2. Beide partijen zoeken voor hun standpunt steun in het feitenrelaas van het arrest van de Raad van State van 15 januari 2001, van welk relaas zij bijgevolg de juistheid erkennen. Dit arrest werd gewezen op het annulatieberoep van de V.Z.W. EUROPA ZIEKENHUIZEN tegen het B.P.A. nr. 51bis. Geïntimeerde was geen partij bij dit arrest. Appellante en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest waren gedaagde partijen. De V.Z.W. WIJKCOMITE FLORIDA-LANGEVELD en twee particulieren kwamen vrijwillig tussen. De Raad van State verwierp de vrijwillige tussenkomst van de V.Z.W. WIJKCOMITE FLORIDA-LANGEVELD, omdat deze niet aantoonde aan bepaalde publicatievoorschriften te hebben voldaan, en verleende akte van de afstand van de twee andere vrijwillig tussenkomende partijen. De Raad van State verwierp de excepties van onontvankelijkheid, opgeworpen tegen de V.Z.W. EUROPA ZIEKENHUIZEN, en beval de heropening der debatten teneinde de middelen te onderzoeken. 3. De V.Z.W. FAC SIMILITER, handelend als beheerder van de goederen van geïntimeerde, die eigenaar was gebleven van de niet aan de V.Z.W. EUROPA ZIEKENHUIZEN overgedragen terreinen, diende op 10 juli 1990 een bouwaanvraag is om het klooster te verbouwen en uit te breiden en er een rusthuis voor ouderlingen in onder te brengen. 2005/AR/1923 12 zesde fiscale kamer In dit kader bereikten de V.Z.W. FAC SIMILITER en de V.Z.W. WIJKCOMITE FLORIDA-LANGEVELD een akkoord omtrent de wijzigingen van de inrichting van de goederen van geïntimeerde. Aldus werd een voorproject van herziening van het B.P.A. nr. 51 opgesteld door het studiebureau GUDRUN. Volgens dit document werden de percelen grond en de gebouwen, waarvan geïntimeerde eigenaar was, opgedeeld in drie zones: - zone 1: bestemd voor uitrusting van collectief belang, nl. het rust- en verzorgingstehuis dat het voorwerp was van de bouwaanvraag ingediend door de V.Z.W. FAC SIMILITER - zone 2: bestemd voor bewoning met gedeeltelijke mogelijkheid van uitrusting voor collectief belang - zone 3: bestemd voor bewoning en tuin. Bij overeenkomst van 14 december 1990 verbonden geïntimeerde en de V.Z.W. FAC SIMILITER zich jegens de V.Z.W. WIJKCOMITE FLORIDA-LANGEVELD om de gegevens van voormeld voorproject te eerbiedigen. Op 12 december 1990 verleende het Overlegcomité een gunstig advies voor de bouwaanvraag van de V.Z.W. FAC SIMILITER, op voorwaarde dat de herziening van het B.P.A. nr. 51 gebeurt volgens de basisprincipes overeenstemmend met die waaromtrent de V.Z.W. FAC SIMILITER en de V.Z.W. WIJKCOMITE FLORIDA-LANGEVELD akkoord waren. Het is op grond van deze feiten dat appellante staande houdt dat de bestemming voor bewoning er kwam op verzoek van geïntimeerde. Appellante ziet hierbij evenwel over het hoofd dat de bestemming voor bewoning reeds voordien werd vastgelegd in de beslissingen van appellante en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, en wel op verzoek van de buurtbewoners, die zich hadden gegroepeerd in de V.Z.W. WIJKCOMITE FLORIDA-LANGEVELD. 2005/AR/1923 13 zesde fiscale kamer 4. Inderdaad, kort nadat bij koninklijk besluit van 15 april 1988 het B.P.A. nr. 51 werd goedgekeurd, waarbij het St. Elisabethcomplex als gebied voor collectief belang werd bestemd, diende de V.Z.W. EUROPA ZIEKENHUIZEN eind 1988 bij appellante een bouwaanvraag in, met het oog op de afbraak van een gedeelte van de bestaande gebouwen en de bouw van een nieuw hospitaalcomplex. Het arrest van de Raad van State stelt in dit verband: "Deze aanvraag, onderworpen aan een openbaar onderzoek van 28 november tot 12 december 1988, heeft aanleiding gegeven tot bezwaren vanwege talrijke inwoners van de wijk, dewelke zich zorgen maken om het onbepaald karakter van de bestemming van de overblijvende gebouwen en die van oordeel zijn, volgens de bewoordingen van de vertegenwoordiger van het wijkcomité - namelijk de V.Z.W. WIJKCOMITE FLORIDA-LANGEVELD - dat men zou moeten opleggen dat een algemeen bestemmingsplan voor dit gedeelte van de zone voor uitrustingen van collectief belang wordt opgesteld, alvorens men om het even welke bouwvergunning toekent". Teneinde tegemoet te komen aan de bekommernissen van de verschillende betrokken partijen, ging op 16 juni 1989 een vergadering door op het kabinet van de Staatssecretaris van het Brusselse Gewest, waarop vertegenwoordigers aanwezig waren van de Brusselse regering, van appellante, van de administratie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, van de V.Z.W. EUROPA ZIEKENHUIZEN, van het architectenbureau door deze laatste gekozen, en van de V.Z.W. WIJKCOMITE FLORIDA-LANGEVELD. Geïntimeerde onderstreept dat zij noch aanwezig was noch vertegenwoordigd werd op deze vergadering. Uit het proces-verbaal van de vergadering van 16 juni 1989 blijkt dat partijen overeenkwamen dat het verzoek om het plan te 2005/AR/1923 14 zesde fiscale kamer wijzigen voor appellante als volgt kon worden verwoord: "Overwegende dat de keuze van inplanting van de nieuwe kliniek is gemaakt (zie plan), men dient het B.P.A. nr. 51 te herzien teneinde de bestemming van de andere percelen gelegen in de zone voor uitrustingen van collectief belang te wijzigen om hen aldus een gemengde bestemming te geven van zowel bewoning als uitrustingen van collectief belang". Op 29 juni 1989 besloot de gemeenteraad van appellante om de wijziging van het B.P.A. nr. 51 te vragen m.b.t. de zone voor uitrustingen voor collectief belang van het hospitaalcomplex St. Elisabeth. Uit de overwegingen van deze beslissing blijkt dat de wijziging van het B.P.A. nr. 51 gebeurde op verzoek van de buurtbewoners: "Overwegende dat deze onzekerheid over het lot van het surplus aan gebouwen (na de opbouw van de kliniek) de voornaamste bekommernis was van de 713 tegenstanders die zich hebben kenbaar gemaakt tijdens het openbaar onderzoek". Op 26 oktober 1989 werd door de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest beslist dat het B.P.A. nr. 51 moet worden herzien. 5. Uit het vorenstaande volgt dat de wijziging van het B.P.A. nr. 51 volledig buiten geïntimeerde om werd beslist, en er kwam door toedoen van de V.Z.W. WIJKCOMITE FLORIDA-LANGEVELD. De woonbestemming die n.a.v. de bouwaanvraag van de V.Z.W. FAC SIMILITER van 10 juli 1990 werd toegekend aan de zones 2 en 3, kwam er andermaal op verzoek van de V.Z.W. WIJKCOMITE FLORIDA-LANGEVELD. Geïntimeerde diende met de wensen van de V.Z.W. WIJKCOMITE FLORIDA-LANGEVELD rekening te houden, teneinde de reeds genomen 2005/AR/1923 15 zesde fiscale kamer beslissing van appellante van 29 juni 1988, bekrachtigd door de beslissing van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 26 oktober 1989 te eerbiedigen. 6. Appellante houdt nog voor dat de echte reden van de leegstand de afwerking van de nieuwe gebouwen, gelegen in zone 4, was, waarna de oude gebouwen door de St. Elisabethkliniek werden verlaten. Appellante verliest hierbij evenwel uit het oog dat in deze de heffingen voor de dienstjaren 1998 t.e.m. 2001, en derhalve de leegstand van deze periode, in het geding zijn. De leegstand in 1994 mag dan al, volgens appellante, te wijten zijn aan de verhuis van de St. Elisabethkliniek naar de nieuw opgerichte gebouwen, gelegen in zone 4, dit verklaart nog niet dat de leegstand bleef voortduren in de in het geding zijnde periode. Het bestendig voortduren van de leegstand gedurende de litigieuze periode wordt wel degelijk verklaard door de bestemmingswijziging van collectief nut naar woongebied, als gevolg van de wijziging van het B.P.A. nr. 51 in het B.P.A. nr. 51bis. Geïntimeerde merkt overigens terecht op dat de delen van de gebouwen waarin een activiteit van collectief belang mocht worden georganiseerd, in gebruik werden genomen en gehouden tijdens de betrokken dienstjaren. M.n. werd 10 % van het gebouw H in zone 2 ingericht als kindercrèche, het maximum dat het B.P.A. nr. 51bis toeliet. 7. Geïntimeerde levert het bewijs dat de oorzaak van het bestendig voortduren van de leegstand gelegen is in de beslissing van de openbare overheid om het B.P.A. nr. 51 te wijzigen in het B.P.A. nr. 51bis. 2005/AR/1923 16 zesde fiscale kamer Aangezien de oude gebouwen niet volgens de oorspronkelijke doeleinden konden worden gebruikt, ten gevolge van een beslissing van de openbare overheid, bevond geïntimeerde zich in de uitzonderingssituatie, voorzien in artikel 1,
  16. b)van het belastingreglement, en is zij de bestreden heffingen niet verschuldigd. Het hoger beroep is ongegrond. DE RECHTSPLEGINGSVERGOEDING Appellante meent dat niet dient te worden afgeweken van het basisbedrag van 7.000,00 EUR van de rechtsplegingvergoeding, nu de zaak niet bijzonder complex of uitgebreid is, en zij maar één conclusie opstelde, en de debatten normaal verliepen. Geïntimeerde meent dat de rechtsplegingvergoeding dient te worden bepaald op 10.000,00 EUR. Zij gedraagt zich naar de wijsheid van het hof voor het eventueel surplus tot maximum 14.000,00 EUR, zijnde het maximumbedrag van de rechtsplegingvergoeding. Geïntimeerde onderstreept de complexiteit van de materie, de uitgebreidheid van de conclusies van partijen en de intensiteit van de pleidooien. De zaak kan inderdaad complex worden genoemd, niet in het minst in zijn feitelijke aspecten. Het hof bepaalt de rechtsplegingvergoeding derhalve op het bedrag van 10.000,00 EUR. 2005/AR/1923 17 zesde fiscale kamer OM DEZE REDENEN, HET HOF, rechtsprekend na tegenspraak, Gelet op art 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond, Veroordeelt appellante tot de kosten van het hoger beroep, aan haar zijde begroot op het bedrag van 10.000,00 EUR, en aan de zijde van geïntimeerde op het bedrag van 10.000,00 EUR. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de zesde fiscale kamer van het hof van beroep te Brussel, op alwaar aanwezig waren en zitting namen : - P. Vandermotten, alleenzetelend raadsheer, - C. De Nollin, griffier. C. De Nollin. P. Vandermotten. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.