← België

ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090514.16

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 14 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090514.16 Rolnummer: 2007/AR/898 Rechtsgebied: Overige - Belastingrecht Invoerdatum: 2009-09-08 Raadplegingen: 117 - laatst gezien 2026-07-02 19:45 Fiche UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Territoriale bevoegdheid GERECHTELIJK RECHT - BIJZONDERE RECHTSPLEGINGEN (BURGERLIJKE ZAKEN) - Geschillen i.v.m. toepassing belastingwet FISCAAL RECHT - REGIONALE BELASTINGEN - Vlaanderen Vrije woorden: Leegstandsheffing - Dwangbevel - Formulering van de eis in de inleidende dagvaarding - Geen uitvoeringsgeschil Artikel 40§2, 2e lid decreet 22/12/1995 - Verzet tegen dwangbevel - Gemeenrechtelijke fiscale procedure (artikel 632 + 1385undecies Ger.W.) van toepassing in het kader van geschillen m.b.t. leegstandsheffing - Geschil betreffende de toepassing van een belastingwet - Territoriale bevoegdheid - Uitsluitende bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel Artikel 1385 undecies Ger.W., termijn 3 maanden verstreken - Ambtenaar die uitspraak doet over bezwaar tegen leegstandsheffing doet dit als administratieve overheid - Openbaarheid van bestuur - Artikel 26 decreet 18/5/1999 van toepassing - Beroepsmogelijkheden niet (onjuist of onvolledig) vermeld in de kennisgeving - Sanctie: termijn voor indienen beroep neemt geen aanvang - vordering ontvankelijk Verplichting om beroepsmogelijkheden te vermelden - Adagium nemo censetur ignorare legem als zuivere fictie Artikel 39§2 Leegstandsdecreet - Ingeroepen overmacht: klasseringsprocedure opgestart onafhankelijk van en tegen zijn wil - Verhindering tot slopen om aan leegstandsheffing te ontsnappen - Door restauratiedossier in te dienen, attest uit te lokken kon aan beslissing verholpen worden (artikel 42, §2, Z° Leegstandsdecreet) - Geen sprake van voorval waarop appellante geen vat had Tekst van de beslissing HOF van BEROEP te BRUSSEL Zesde fiscale kamer Nr. van de zaak : 2007/AR/898 Openbare terechtzitting van 14/5/09 IN ZAKE VAN : De heer X, zaakvoerder, wonende te , straat , appellant, ter terechtzitting vertegenwoordigd door meester Luc DUPONT, advocaat, met kantoor gevestigd te 9600 Ronse, Politiekegevangenenstraat

  1. TEGEN: Het VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, ten verzoeke van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening, met kabinet te 1210 Brussel, Koning Albert II-laan 19, geïntimeerde, ter terechtzitting vertegenwoordigd door meester Serge CARTON, loco meester Bart STAELENS, advocaat, met kantoor gevestigd te 8000 Brugge, Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46 bus
  2. ***** R. EINDARREST - gedeeltelijk gegrond 2007/AR/898 2 zesde fiscale kamer In deze zaak spreekt het hof volgend arrest uit. PROCEDURE Gelet op de procedurestukken, inzonderheid het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde van 21 juni 2004, het tussenvonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 15 maart 2005, en het eindvonnis van deze rechtbank van 5 december 2006, van welke vonnissen geen betekeningakte wordt voorgelegd, en waartegen hoger beroep werd aangetekend bij verzoekschrift op de griffie van het hof neergelegd op 27 maart
  3. Op de zitting deed appellant afstand van zijn vraag om de zaak te laten behandelen door een kamer met drie rechters. BESTREDEN BESLISSINGEN Appellant dagvaardde op 30 september 2003 geïntimeerde voor de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde, teneinde het dwangbevel, hem op 2 september 2003 betekend in zake de leegstandsheffing voor het heffingsjaar 1999, op zijn naam gevestigd onder artikel nr. 770338 voor een te betalen bedrag van 991,57 EUR, van nul en generlei waarde te verklaren, en teneinde te zeggen voor recht dat de woningen 8, 10 en 12 worden geschrapt van de inventaris van leegstand en verkrotting. De gemachtigde ambtenaar had tevoren, bij beslissing van 27 april 2000, het bezwaarschrift van appellant tegen voormelde leegstandsheffing afgewezen als ongegrond. De rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde was van oordeel dat geschillen in zake leegstand en verkrotting tot de uitsluitende bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel behoren, en verzond de zaak dienvolgens naar de eerste rechter bij bestreden vonnis van 21 juni
  4. 2007/AR/898 3 zesde fiscale kamer In het bestreden vonnis van 14 maart 2005 oordeelde de eerste rechter dat, nu appellant de door artikel 1385undecies, tweede lid, Ger. W. voorgeschreven termijn van drie maanden liet verstrijken, hij de zaak niet langer ten gronde kan beoordelen, en zich dient te beperken tot het controleren van de geldigheid en de wettelijkheid van het dwangbevel. Tegelijkertijd vroeg hij zich af of het verzet tegen een dwangbevel niet eerder onder de bevoegdheid van de beslagrechter valt op basis van artikel 1395 Ger. W., en lokte een verdelingsincident uit. Bij beschikking van 27 mei 2005 besliste de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel dat de eerste rechter het verdelingsincident niet in limine litis had uitgelokt, en verzond de zaak dienvolgens terug naar de eerste rechter. In het bestreden vonnis van 5 december 2006 oordeelde de eerste rechter dat de vordering te zeggen voor recht dat de woningen 8, 10 en 12 worden geschrapt van de inventaris leegstand en verkrotting, de beoordeling ten gronde van de heffing en van de aan de vestiging ervan voorafgaande administratieve handelingen beoogt. De eerste rechter stelde dat hij in het vonnis van 14 maart 2005 reeds had geoordeeld dat die vordering laattijdig werd ingesteld. Hij verklaarde de vordering dan ook onontvankelijk. In voormeld vonnis oordeelde de eerste rechter verder dat het dwangbevel voldoet aan alle wettelijke en decretale vereisten. Hij verklaarde de vordering dienvolgens voor het overige ongegrond, en verwees appellant in de kosten. GRIEVEN Appellant tekende hoger beroep aan tegen alle drie voormelde vonnissen. Hij houdt staande dat de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde zich ten onrechte territoriaal onbevoegd verklaarde en de zaak verzond naar de eerste rechter. 2007/AR/898 4 zesde fiscale kamer Hij betwist ook de onontvankelijkheid wegens laattijdigheid van zijn vordering, waartoe de eerste rechter in de vonnissen van 14 maart 2005 en 5 december 2006 besloot. Ten gronde roept appellant overmacht in. Subsidiair, stelt appellant geïntimeerde aansprakelijk voor de foutief vermelde inlichtingen aangaande de beroepsmogelijkheden tegen de beslissing van de gemachtigde ambtenaar. Appellant vordert derhalve te zeggen voor recht dat de litigieuze woningen ten onrechte op de inventaris leegstand en verkrotting werden vermeld, en ze te schrappen met terugwerkende kracht tot op de datum van de eerste inschrijving. Hij vordert tevens te statueren dat het dwangbevel van nul en generlei waarde is. In ondergeschikte orde, vordert hij geïntimeerde aansprakelijk te stellen voor de foutief verstrekte inlichtingen en de daaruit ontstane schade en geïntimeerde vervallen te verklaren van het recht op invordering van de leegstandsheffing, en de uitvoeringskosten lastens geïntimeerde te leggen. Tenslotte vordert appellant geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen. Geïntimeerde tekent incidenteel beroep aan tegen het tussenvonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 4 maart 2005, om reden dat de eerste rechter zich ten onrechte materieel bevoegd verklaarde om uitspraak te doen over de wettelijkheid van het dwangbevel. Hij vraagt voor het overige de bestreden vonnissen te bevestigen en appellant te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen. 2007/AR/898 5 zesde fiscale kamer DE BEVOEGDHEID
  5. De rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde was van oordeel dat geschillen in zake leegstand en verkrotting tot de uitsluitende bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel behoren, en verzond de zaak dienvolgens naar de eerste rechter bij bestreden vonnis van 21 juni
  6. Appellant houdt vast aan de territoriale bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde.
  7. Appellant steunt vooreerst op het feit dat zijn vordering zowel over de grond van de zaak, dit is de leegstandsheffing alsdusdanig, als over een uitvoeringsgeschil handelt. Dat appellant een uitvoeringsgeschil voor de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde zou hebben aanhangig gemaakt, blijkt evenwel niet uit de gedinginleidende dagvaarding. In die dagvaarding heeft appellant het over zijn beroep tegen de opname van zijn onroerend goed in de inventaris van leegstand en verkrotting, en tegen de leegstandsheffing, welk beroep door de Vlaamse regering werd afgewezen. Hij roept in de dagvaarding overmacht in, doordat hij ten gevolge van de klassering als monument niet kon overgaan tot het slopen van de gebouwen, zodat de leegstand en verkrotting bleven duren in gevolge een beslissing van de overheid, terwijl ook een renovatie of verbouwing van de woningen financieel niet haalbaar was. Dergelijke middelen betreffen geenszins een uitvoeringsgeschil. Overigens, noch in de gedinginleidende dagvaarding voor de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde, noch in zijn conclusie genomen voor de eerste rechter, noch in zijn beroepsconclusie formuleert appellant enig middel betreffende een uitvoeringsgeschil. In conclusie genomen voor de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde bevestigde appellant zelfs dat het 2007/AR/898 6 zesde fiscale kamer "geen geschil betreft over de uitvoering doch over de grond van de zaak" (conclusie, blz. 3).
  8. Appellant steunt aangaande de bevoegdheid vervolgens op de kennisgeving van 8 mei 2000 van de beslissing van de gemachtigde ambtenaar die het bezwaarschrift van appellant tegen de leegstandsheffing afwees. De kennisgeving wordt door geen van partijen bijgebracht, maar dezen zijn het erover eens dat zij als volgt luidt: "Bij gebreke aan tijdige betaling zal desgevallend de invordering van het dwangbevel kunnen geschieden. Overeenkomstig art. 40 par. 2, 2e lid van het decreet van 22.12.1995 kan U binnen 30 dagen na de betekening van het dwangbevel bij gerechtsdeurwaardersexploot een met redenen omkleed verzet aantekenen houdende dagvaarding van het Vlaamse Gewest voor de Rechtbank van Eerste Aanleg van de plaats waar het onroerend goed is gelegen". Naar luid van het in de voormelde kennisgeving bedoelde artikel 40, tweede paragraaf, tweede lid, van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996, hierna genoemd het Leegstandsdecreet, kan de belastingplichtige binnen zestig dagen na de betekening van het dwangbevel bij deurwaardersexploot een met redenen omkleed verzet aantekenen, houdende dagvaarding van het Vlaamse Gewest bij de rechtbank van eerste aanleg van de plaats waar het onroerend goed gelegen is, en schorst het verzet de tenuitvoerlegging van het dwangbevel. Volgens appellant "kan (het) niet dat (hij), door de procedure voorzien in het decreet te volgen, zou stuiten op de territoriale onbevoegdheid van de Rechtbank" (beroepsakte, blz. 7). Nu het Grondwettelijk Hof in een arrest van 21 september 2005 oordeelde dat "Noch uit de tekst van de in het geding zijnde bepaling, noch uit de parlementaire voorbereiding ervan blijkt dat het de bedoeling van de decreetgever was om door artikel 40, § 2, 2007/AR/898 7 zesde fiscale kamer van het decreet van 22 december 1995 een algemene fiscale geschillenprocedure inzake de leegstandsheffingen in te voeren (Parl. St., Vlaamse Raad, 1995-1996, nrs. 147/1 tot 147/25). Meer nog, naar aanleiding van de wijziging van het decreet van 22 december 1995 bij het decreet van 30 juni 2000, heeft de Vlaamse decreetgever bevestigd dat de gemeenrechtelijke fiscale procedure van de artikelen 632 en 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing is in het kader van de geschillen met betrekking tot de leegstandsheffing (Parl. St., Vlaams Parlement, 1999-2000, nr. 277/1, p. 12)" (Grondwettelijk Hof 21 september 2005, nr. 144/2005, r.O. B.4), moet worden aangenomen dat de rechtbank van eerste aanleg te Brussel wel degelijk de territoriaal bevoegde rechtbank is. Blijkens de gedinginleidende dagvaarding maakte appellant voor de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde een geschil betreffende de toepassing van een belastingwet aanhangig. Het is derhalve terecht dat de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde de zaak verzond naar de eerste rechter, nu het ontvangkantoor gevestigd is te Brussel. Het hoger beroep, in zoverre gericht tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde van 21 juni 2004, dient derhalve ongegrond te worden verklaard.
  9. Geïntimeerde tekent incidenteel beroep aan tegen het tussenvonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 4 maart 2005, om reden dat de eerste rechter zich ten onrechte materieel bevoegd verklaarde om uitspraak te doen over de wettelijkheid van het dwangbevel. Geïntimeerde stelt dat niet kan worden aanvaard dat "appellant met huidige procedure twee procedures opgestart heeft, nl. enerzijds een procedure waarbij het aanslagbiljet op zich betwist wordt en anderzijds een procedure waarbij het dwangbevel betwist wordt. 2007/AR/898 8 zesde fiscale kamer Hiervoor voorziet de wetgever en decreetgever in verschillende procedures, nl. respektievelijk de procedure van art. 1385decies en undecies Ger. W. en de procedure van art. 40, § 2 van het decreet van 22 december 1995" (syntheseconclusie, blz. 27). Volgens geïntimeerde is overeenkomstig artikel 1395 Ger. W. de beslagrechter van de plaats waar het onroerend goed gelegen is, bevoegd om zich over het dwangbevel uit te spreken. Het incidenteel beroep gaat er verkeerdelijk van uit dat de eerste rechter, benevens met een betwisting betreffende de leegstandsheffing, met een uitvoeringsgeschil werd geadieerd. Zoals hierboven vastgesteld, is dit laatste geenszins het geval. Ook de eerste rechter was verkeerdelijk van mening dat hij met een uitvoeringsgeschil werd geadieerd. Het incidenteel beroep is ongegrond. DE ONTVANKELIJKHEID VAN DE VORDERING TEGEN DE LEEGSTANDSHEFFING
  10. Overeenkomstig 1385undecies, tweede lid, Ger. W., in werking getreden op 6 april 1999, moet de vordering, op straffe van verval, binnen een termijn van drie maanden vanaf de kennisgeving van de beslissing m.b.t. het administratief verhaal worden ingesteld. Appellant stelde de vordering in op 30 september 2003, hetzij buiten de termijn van drie maanden vanaf de kennisgeving van 8 mei 2000 van de beslissing van de gemachtigde ambtenaar over het bezwaarschrift. De eerste rechter verklaarde de vordering onontvankelijk wegens laattijdigheid. 2007/AR/898 9 zesde fiscale kamer
  11. Met recht betoogt appellant dat "(het) kan niet dat (hij), door de procedure voorzien in het decreet te volgen, zou stuiten op de onontvankelijkheid van de vordering" (beroepsakte, blz. 8), en steunt hij op artikel 26 van het decreet van 18 mei 1999 betreffende de openbaarheid van bestuur, naar luid waarvan een beslissing die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of van een ander bestuur, slechts geldig ter kennis wordt gebracht als tevens de beroepsmogelijkheden en de modaliteiten van het beroep worden vermeld, bij ontstentenis waarvan de verjaringstermijn voor het indienen van het beroep geen aanvang neemt. De eerste rechter achtte voormeld decreet verkeerdelijk niet van toepassing. Weliswaar oordeelde het Hof van Cassatie in een arrest van 23 oktober 2000, waarop de eerste rechter steunde, "dat de directeur van de belastingen, die krachtens de voornoemde artikelen (artikelen 366, 367 en 376 WIB

(1992)) uitspraak doet over een bezwaar, geen administratieve overheid is in de zin van de wet van 11 april 1994, daar tegen zijn beslissing geen voorziening voor de Raad van State maar wel voor het hof van beroep kan worden ingesteld" (Cass. 23 oktober 2000, Arr. Cass. 2000, 570). Het Hof van Cassatie oordeelde in dezelfde zin in een arrest van 10 mei 2001 dat de wet van 12 november 1997 betreffende de openbaarheid in de provincies en gemeenten niet van toepassing is op geschillen in zake gemeentebelastingen, waarover de bestendige deputatie uitspraak deed als gerechtelijk orgaan (Cass. 10 mei 2001, F.00.0018.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010510.7). Evenwel bepaalt het bij artikel 32 van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen gewijzigde artikel 375, eerste lid, WIB
(1992)dat de directeur der belastingen of de door hem gedelegeerde ambtenaar als administratieve overheid uitspraak doet nopens de bezwaren. 2007/AR/898 10 zesde fiscale kamer Krachtens artikel 97, eerste lid, van voornoemde wet, treedt het aldus gewijzigde artikel 375, eerste lid, WIB
(1992)in werking vanaf het aanslagjaar 1999, voorwerp van onderhavig geschil. De gewestelijke directeur is derhalve een administratieve overheid, bedoeld in artikel 1 van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur en artikel 3 van het decreet van 18 mei 1999 betreffende de openbaarheid van bestuur. Zo ook doet de gemachtigde ambtenaar als administratieve overheid uitspraak over de bezwaren tegen de leegstandsheffing. Daarenboven besliste het Grondwettelijk Hof in een arrest van 16 november 2000 dat "het kwalificeren van de eerste fase van de bezwaarprocedure als een administratief beroep tot gevolg (heeft) dat (...) de openbaarheid van bestuur, waarin de wet van 11 april 1994 voorziet van toepassing is" (Grondwettelijk Hof 16 november 2000, nr. 114/2000, r.o. B.18). Zo ook heeft het kwalificeren van de bezwaarprocedure in zake leegstandsheffing tot gevolg dat de openbaarheid van bestuur, voorzien door het decreet van 18 mei 1999 betreffende de openbaarheid van bestuur, van toepassing is.
  1. Het feit dat artikel 39, tweede paragraaf, tweede lid, van het Leegstandsdecreet, naar luid waarvan de beslissing over het beroep per aangetekend schrijven aan de belastingplichtige ter kennis wordt gebracht en de wijze vermeldt waarop tegen de beslissing in rechte kan worden getreden, pas bij decreetwijziging van 20 juni 2000, in werking getreden op 1 juli 2000, werd ingevoegd, en derhalve te dezen niet toepasselijk is, doet geen afbreuk aan de verplichting op grond van artikel 26 van het decreet van 18 mei 1999 betreffende de openbaarheid van bestuur. Overeenkomstig artikel 26 van dit decreet wordt een beslissing, die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of 2007/AR/898 11 zesde fiscale kamer van een ander bestuur, slechts geldig ter kennis gebracht als tevens de beroepsmogelijkheden en de modaliteiten van het beroep worden vermeld, bij ontstentenis waarvan de verjaringstermijn voor het indienen van het beroep geen aanvang neemt. De litigieuze kennisgeving van 8 mei 2000 vermeldde de beroepsmogelijkheden voortvloeiend uit de fiscale procedure niet. De eerste rechter kan niet worden gevolgd, waar hij overwoog dat appellant wordt geacht de wet te kennen. De verplichting om de beroepsmogelijkheden te vermelden is een maatregel die juist een erkenning inhoudt dat het adagium nemo censetur ignorare legem een zuivere fictie is.
  2. Ongeacht het niet naleven van de verplichting om de beroepsmogelijkheden te vermelden het gevolg is van het niet vermelden van de beroepsmogelijkheden, dan wel het gevolg van het onjuist of onvolledig vermelden van de beroepsmogelijkheden - de kennisgeving van 8 mei 2000 vermeldde enkel de beroepsmogelijkheden voortvloeiend uit artikel 40, tweede paragraaf, tweede lid, van het Leegstandsdecreet - de sanctie is dezelfde, nl. neemt de termijn voor het indienen van het beroep geen aanvang. Deze sanctie dient te dezen te worden toegepast. De vordering van appellant dient derhalve ontvankelijk te worden verklaard. DE OVERMACHT
  3. Appellant betwist niet dat hij niet in aanmerking komt voor één van de vrijstellingen voorzien in artikel 42, tweede paragraaf, van het Leegstandsdecreet. Hij roept een geval van overmacht in, op grond van artikel 39, tweede paragraaf, van het Leegstandsdecreet, naar luid waarvan, 2007/AR/898 12 zesde fiscale kamer indien het beroep wordt ingewilligd, de Vlaamse regering beslist of de heffing geheel of gedeeltelijk moet worden betaald, dan wel of het gebouw en/of de woning wordt geschrapt van de lijst, en naar luid waarvan de beslissing kan gesteund zijn op bewezen overmacht. De overmacht bestaat er, volgens appellant, in dat hij ten gevolge van de klassering als monument niet kon overgaan tot het slopen van de gebouwen, zodat de leegstand en verkrotting bleven duren in gevolge een beslissing van de overheid, terwijl ook een renovatie of verbouwing van de woningen financieel niet haalbaar was.
  4. Appellant kocht de drie huisjes, werkhuis en grond nrs. 8, 10 en 12 aan op 29 oktober
  5. De woning nr. 8 was al bij besluit van de burgemeester van 21 juni 1966 onbewoonbaar verklaard. De woningen nrs. 10 en 12 werden bij besluit van 5 december 1984 van de burgemeester onbewoonbaar verklaard. De drie woningen werden als monument beschermd bij ministerieel besluit van 18 maart
  6. De procedure hiertoe nam een aanvang in
  7. Volgens de besluiten tot onbewoonbaarverklaring van 21 juni 1966 en 5 december 1984 "zouden al de herstellings- en aanpassingswerken van bedoeld onroerend goed geen gezonde woning kunnen maken". Geïntimeerde kan dan ook niet worden gevolgd waar hij argumenteert dat niet kan worden aanvaard dat appellant door overmacht werd weerhouden de panden te renoveren. 2007/AR/898 13 zesde fiscale kamer
  8. Krachtens artikel 42, tweede paragraaf, 2°, van het Leegstandsdecreet, wordt van de heffing vrijgesteld de houder van het zakelijk recht op de gebouwen en/of woningen die krachtens het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten zijn beschermd als monument en waarvoor a) bij de bevoegde overheid een ontvankelijk verklaard restauratiedossier is ingediend, gedurende de termijn van behandeling, b) ofwel de bevoegde overheid attesteert dat het beschermde gebouw en/of woning in de bestaande toestand mag bewaard blijven. Dit attest vermeldt voor welke termijn en voor welke lijsten, waarop de gebouwen en/of woningen zijn geïnventariseerd vrijstelling wordt verleend. Zoals de gemachtigde ambtenaar vaststelde, blijkt uit de door de inventarisbeheerder verstrekte gegevens dat sedert voormelde bescherming appellant geen dossier indiende met het oog op de restauratie of renovatie van de betrokken panden. Alhoewel appellant uitdrukkelijk stelt geen aanspraak te maken op de vrijstelling voorzien in artikel 42, tweede paragraaf, 2°, van het Leegstandsdecreet, roept hij "de klasseringsprocedure die werd opgestart onafhankelijk van (zijn) wil (...) en trouwens tegen zijn zijn" (syntheseconclusie, blz. 6) als overmacht in. "Het is de klasseringsprocedure die (hem) heeft belet om te slopen en aldus aan de later ingevoerde leegstandsheffing te ontsnappen", aldus appellant (syntheseconclusie, blz. 6). Hier ligt weliswaar een beslissing van de overheid voor, maar aan welke beslissing appellant kon verhelpen, door een restauratiedossier in te dienen, of een attest van de bevoegde overheid uit te lokken. Van een voorval, waarop appellant geen vat had, is hier derhalve geen sprake. De vordering van appellant is derhalve ongegrond. 2007/AR/898 14 zesde fiscale kamer DE RECHTSPLEGINGSVERGOEDING Op de zitting verklaarden partijen zich akkoord omtrent het basisbedrag van 400,00 EUR van de rechtsplegingvergoeding. OM DEZE REDENEN, HET HOF, rechtsprekend na tegenspraak, Gelet op art 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Verklaart het hoofd- en incidenteel beroep beide ontvankelijk, doch enkel het hoofdberoep in de hierna bepaalde mate gegrond, Hervormt het bestreden vonnis van 14 maart 2005 in zoverre het de vordering van appellant laattijdig noemde, Hervormt het bestreden vonnis van 5 december 2006 in zoverre het de vordering van appellant onontvankelijk wegens laattijdigheid verklaarde, Verklaart de vordering van appellant ongegrond, 2007/AR/898 15 zesde fiscale kamer Veroordeelt appellant tot drievierden en geïntimeerde tot één vierde van de kosten van beide aanleggen, in hoger beroep aan de zijde van appellant begroot op het bedrag van 400,00 EUR, en aan de zijde van geïntimeerde op het bedrag van 400,00 EUR. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de zesde fiscale kamer van het hof van beroep te Brussel, op alwaar aanwezig waren en zitting namen : - P. Vandermotten, alleenzetelend raadsheer, - C. De Nollin, griffier. C. De Nollin. P. Vandermotten. Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010510.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.