id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 14 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090514.17 Rolnummer: 1977/FR/90 Rechtsgebied: Overige - Belastingrecht Invoerdatum: 2009-09-10 Raadplegingen: 125 - laatst gezien 2026-07-02 19:45 Fiche UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BESLAG EN EXECUTIE - Voorafgaande regels (beslag en executie) - Beslagrechter - Materiële bevoegdheid FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Verjaring (fiscaal recht) Vrije woorden: Verjaring invordering belasting - Nieuwe grief - Uitvoeringsgeschil - Exclusieve bevoegdheid beslagrechter - Fiscale kamer niet bevoegd voor nieuwe grieven m.b.t. de inning van de belasting Tekst van de beslissing HOF van BEROEP te BRUSSEL Zesde fiscale kamer Nr. van de zaak : 1977/FR/90 Openbare terechtzitting van 14/5/09 IN ZAKE VAN : De heer X, restaurateur, wonende te 1730 Asse, /.../ 20, verzoeker, vertegenwoordigd door Meester Janssens, loco Meester Hugo Van Eecke, advocaat te 1082 Brussel, Gentsesteenweg 1097, TEGEN : DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de heer minister van Financiën, in de persoon van de heer gewestelijke directeur der directe belastingen te Brussel, directie Brussel II, wiens burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan 50, bus 3807, vertegenwoordigd door Meester Van de Velde, loco Meester Fernand Colpaert, advocaat te 1780 Wemmel, Steenweg op Brussel 123, ***** Het hof, na beraad, spreekt in openbare terechtzitting volgend arrest uit : De procedurestukken. Het verzoekschrift werd samen met de aanzegging ervan aan de administratie neergelegd ter griffie van dit hof op 18 mei 1977. R. EINDARREST - ongegrond 1977/FR/90 2 zesde fiscale kamer De voorziening is gericht tegen de directoriale beslissing van de gewestelijke directeur van de directe belastingen te Brussel IIe directie van 17 maart 1977 met referentie Nr. 611.375-612.308, waarbij de bezwaarschriften van verzoeker van 16 maart 1976 en 11 mei 1976 tegen de in zijnen hoofde gevestigde aanslagen in de personenbelasting (P.B.) voor de aanslagjaren 1973 en 1974 met respectieve kohierartikels 533.862 en 631.352 gedeeltelijk werden afgewezen. De ontvankelijkheid van de voorziening wordt betwist. De feiten. Na controle van zijn aangifte voor het aanslagjaar 1973 werd het belastbaar inkomen van verzoeker, die restauranthouder was, eerst vastgesteld op 1.090.287 BEF op basis van een coëfficiënt op de aankoopbedragen die werd berekend aan de hand van de normale winst of baten van drie soortgelijke belastingplichtigen, bij toepassing van het toenmalige art. 248 W.I.B. 1964, omdat volgens de Belgische Staat de ontvangsten van verzoeker voor het desbetreffende aanslagjaar door geen enkel stuk werden gestaafd. Hetzelfde gebeurde voor het aanslagjaar 1974, waarvoor het belastbaar inkomen van verzoeker op 686.707 BEF werd vastgesteld volgens dezelfde werkwijze, ditmaal omdat volgens de Belgische Staat geen verificatie mogelijk was van diens ontvangsten voor dat aanslagjaar wegens een onregelmatig gehouden boekhouding. Op 19 december 1975, respectievelijk op 22 maart 1976 ontving verzoeker de aanslagbiljetten voor het aanslagjaar 1973, respectievelijk voor het aanslagjaar 1974, waarna hij op 16 maart 1976, respectievelijk op 11 mei 1976 bezwaarschriften indiende. In de directoriale beslissing van 17 maart 1977 nam de gewestelijke directeur aan dat werd aangetoond dat de feitelijke winstpercentages voor de verkochte wijnen voor het inkomstenjaar 1972 slechts 120 % en voor het inkomstenjaar 1973 slechts 116 % 1977/FR/90 3 zesde fiscale kamer bedroegen en werden de belastbare bedragen verlaagd tot 924.040 BEF, respectievelijk 650.113 BEF. Voor de rest werden de bezwaarschriften van verzoeker afgewezen. Discussie.
- a)Wat de beweerde niet-ontvankelijkheid van de fiscale voorziening betreft De Belgische Staat merkt op dat de bestreden directoriale beslissing dateert van 17 maart 1977 en stelt dat deze de daarop volgende dag aan verzoeker werd betekend. Bijgevolg verstreek de termijn van 40 dagen voor de voorziening in beroep op 27 april 1977, terwijl de betekening van de voorziening in beroep pas op 17 mei 1977 gebeurde en de neerlegging ter griffie van het hof op 18 mei 1977. Derhalve werden de voorziening en het origineel van de betekening niet binnen de op straffe van verval bepaalde termijn van 40 dagen ter griffie neergelegd. Verzoeker stelt dat in deze niet vaststaat dat de bestreden beslissing hem effectief op 18 maart 1977 werd betekend. De Belgische Staat geeft toe dat hij niet over het bewijs van de afgifte van de beslissing per aangetekend schrijven aan verzoeker beschikt. Hij verklaart zich dienaangaande te gedragen naar de wijsheid van het hof. *** De voorziening in beroep moet inderdaad worden ingesteld binnen een termijn van 40 dagen vanaf de kennisgeving van de directoriale beslissing (art. 280 W.I.B. 1964). Het is duidelijk dat enkel een regelmatige kennisgeving deze termijn kan doen aanvangen. De kennisgeving van de directoriale beslissing geschiedt door de aanbieding van de aangetekende omslag met een afschrift van de beslissing op het domicilie van de belastingplichtige, overeenkomstig de postreglementering (art. 276, lid 3 W.I.B. 1964; 1977/FR/90 4 zesde fiscale kamer zie ook : Cass. 24 oktober 1977, J.D.F. 1979, 108; R.W. 1977-1978, 1243). Het hof stelt vast dat in deze geen enkel document voorhanden is, waaruit ondubbelzinnig blijkt wanneer precies de kennisgeving in kwestie heeft plaatsgevonden. Derhalve maakt de Belgische Staat zijn bewering dat dit op 18 maart 1977 is geschied niet hard. In die omstandigheden dient de fiscale voorziening van verzoeker ontvankelijk te worden verklaard.
- b)Wat de beweerde verjaring van de aanslagen betreft Verzoeker wijst erop dat de invordering van belastingbedragen binnen de termijn van 5 jaar te rekenen vanaf de dag van de ontvangst van het kohier door de met de invordering belaste ontvanger dient te gebeuren. Hij stelt geen weet te hebben van enige gerechtelijke vervolging die binnen deze termijn van 5 jaar tegen hem zou zijn ingesteld. In hoofdorde werpt verzoeker dan ook op dat de invordering van de belasting voor het aanslagjaar 1973 op 17 december 1980 is verjaard en deze voor het aanslagjaar 1974 op 17 maart 1981. Daarnaast roept verzoeker de verjaring van de belastingschulden in, nu die schulden meer dan 30 jaar geleden zijn ontstaan. Volgens de Belgische Staat gaat het hier om een nieuwe grief die onontvankelijk is. *** Het hof sluit zich terzake bij de Belgische Staat aan en meent dat het hier inderdaad gaat om een nieuwe grief die onontvankelijk dient te worden verklaard. De fiscale kamer van het hof van beroep is weliswaar bevoegd voor grieven, zelfs nieuwe grieven betreffende de verjaring van de aanslag, doch heeft geen bevoegdheid over de inning van de belasting. 1977/FR/90 5 zesde fiscale kamer Terecht doet de Belgische Staat gelden dat de verjaring waarvan sprake in art. 194, lid 1 van het K.B./W.I.B. 1964 (thans art. 145, lid 1 van het K.B./W.I.B. 1992), waarnaar verzoeker expliciet verwijst op pagina 4 van zijn op 2 juni 2005 ter griffie van het hof neergelegde besluiten, betrekking heeft op de invorderbaarheid van de aanslagen, opgenomen in een belastingkohier, en niets te maken heeft met de verjaringstermijnen bepaald in het Wetboek met betrekking tot het recht voor de Belgische Staat om een belasting gedurende een bepaalde periode in te kohieren. De betwisting met betrekking tot de verjaring van de invorderbaarheid van de belasting, eens het bedrag ervan werd vastgesteld, betreft een bezwaar in verband met de uitvoering van de authentieke titel die het kohier uitmaakt, en is dus een uitvoeringsgeschil dat tot de exclusieve bevoegdheid van de beslagrechter behoort.
- c)Wat de beweerde rechtsverwerking betreft Zelfs indien de belastingschulden niet verjaard zouden zijn, meent verzoeker dat er in deze sprake is van rechtsverwerking. In deze moet de fiscus, naar zijn oordeel, worden vermoed te hebben afgezien van zijn vordering met betrekking tot de belastingen voor de aanslagjaren 1973 en 1974, daar hij sinds meer dan 20 jaar niets meer van zich had laten horen. *** Daarbij verliest verzoeker wel de dwingende, publiekrechtelijke aard van de fiscale wetten, die de openbare orde aanbelangen, uit het oog, zodat een afstand door de Belgische Staat van zijn vordering tot inning van de belasting niet mogelijk is (zie : J. VAN HOUTTE, Beginselen van et Belgisch Belastingrecht, Gent, E. Story-Scientia, 1979, nr. 49, p. 51). Om dezelfde reden kan er evenmin sprake zijn van rechtsverwerking. 1977/FR/90 6 zesde fiscale kamer Overigens veronderstelt de rechtsverwerking dat de titularis van een recht of een bevoegdheid vrijwillig een houding aanneemt die onverenigbaar is met de uitoefening van dat recht of die bevoegdheid. Een louter stilzitten, d.w.z. niets ondernemen in het uitoefenen van een recht of bevoegdheid, hetgeen verzoeker in deze aan de Belgische Staat verwijt, doet dan ook geen rechtsverwerking intreden (in dezelfde zin, zie : Antwerpen 7 september 1998, A.J.T. 1999-2000, 395).
- d)Wat de aanrekening van nalatigheidinteresten betreft In uiterst ondergeschikte orde, in de hypothese dat het hof zou oordelen dat de grieven met betrekking tot de verjaring en de rechtsverwerking niet ontvankelijk zijn, vraagt verzoeker dat de bestreden beslissing (waarvan naar zijn oordeel onmogelijk nog kan worden nagegaan of ze correct is, gelet op het onvrijwillig verloren gaan van de meeste bewijsstukken) zonder meer zou worden vernietigd en dat zijn netto gezamenlijk belastbaar inkomen, conform zijn bezwaarschriften, zou worden vastgesteld op 741.842 BEF voor het aanslagjaar 1973 en op 479.935 BEF voor het aanslagjaar 1974. Zo er toch nog een invorderbare belastingschuld voor de aanslagjaren 1973 en 1974 zou bestaan, vraagt verzoeker dat daarop in geen geval enige interesten verschuldigd zouden kunnen zijn. Ook hier kan, naar zijn oordeel, toepassing worden gemaakt van de rechtsverwerking. Volgens de Belgische Staat gaat het hier om een nieuwe grief die onontvankelijk is en die overigens zonder voorwerp is, nu de aanslagen betaald zijn. Daarnaast heeft het hof, volgens de Belgische Staat, geen rechtsmacht wat de betwisting over de eventueel verschuldigde nalatigheidinteresten betreft. *** Het spreekt voor zich dat het feit dat de belastingplichtige niet langer over de nodige bewijsstukken beschikt, om welke reden dan ook, voor de Belgische Staat geen nadelige gevolgen met zich kan 1977/FR/90 7 zesde fiscale kamer meebrengen. Het onvrijwillig verlies van stukken kan dan ook geenszins tot de inwilliging van de vordering van verzoeker leiden. Terecht stelt de Belgische Staat verder dat het hier gaat om een niet-ontvankelijke nieuwe grief, die overigens zonder voorwerp is, nu de aanslagen werden betaald. Ter openbare zitting van het hof van 19 maart 2009 verklaarde de Belgische Staat, zonder daarin te worden tegengesproken door verzoeker, dat de belastingen voor 1990 daadwerkelijk werden betaald. Derhalve dient de voorziening van verzoeker voor het geheel te worden afgewezen.
- d)Wat de kosten betreft Op 1 januari 2008 is de Wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat en haar uitvoerings-K.B. van 26 oktober 2007 in werking getreden. Ter openbare zitting van 19 februari 2009 ondervroeg het hof partijen over de eventuele toepasbaarheid van voormelde wet en K.B. op onderhavige zaak, waarop deze beiden verklaarden dat deze wet en dit K.B. naar hun oordeel in onderhavige zaak geen toepassing vinden. Het hof sluit zich hierbij aan en meent dat voormelde wet en K.B. geen toepassing vinden op de zaken die worden beheerst door de oude fiscale procedure (d.w.z. van voor de Wetten van 15 en 23 maart 1999 tot hervorming van de fiscale procedure), waarin de kosten worden vereffend zoals in strafzaken. OM DEZE REDENEN, HET HOF, rechtsprekend op tegenspraak, Gelet op art 24bis van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; 1977/FR/90 8 zesde fiscale kamer Verklaart de voorziening van verzoeker ontvankelijk, doch ongegrond; Veroordeelt verzoeker tot de kosten, begroot zoals in strafzaken op 5, 21 EUR. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de zesde fiscale kamer van het hof van beroep te Brussel, op alwaar aanwezig waren en zitting namen : - J. Verstappen, raadsheer dd voorzitter - P. Vandermotten, raadsheer, - C. Vanderkerken, raadsheer, - C. De Nollin, griffier. C. De Nollin. C. Vanderkerken. P. Vandermotten. J. Verstappen. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div