id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 14 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090514.18 Rolnummer: 1994/FR/375 Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2009-09-10 Raadplegingen: 97 - laatst gezien 2026-07-02 19:45 Fiche UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Bewijsmiddelen administratie belastingen Vrije woorden: Tekenen en indiciën - Indiciair tekort n.a.v. aankoop onroerend goed - Tegenbewijs Gelden ter bekostiging van de uitgaven - 'Mogelijkheid tot sparen' - Theoretische berekening - Geen voldoende bewijs van liggende gelden Gelden afkomstig van lening/schenking moeder - Som ter beschikking - Aanvaard als tegenbewijs Periode indiciaire afrekening - Sommen waarop wettelijk vermoeden van artikel 341 WIB/92 slaan - Komen voort van inkomsten tijdens het belastbaar tijdperk behaald Tekst van de beslissing HOF van BEROEP te BRUSSEL Zesde fiscale kamer Nr. van de zaak : 1994/FR/375 Openbare terechtzitting van 14/5/09 IN ZAKE VAN : 1. De heer X, restaurantuitbater, en zijn echtgenote, 2. Mevrouw Y, samenwonende te 1930 Zaventem, /.../, verzoekers, vertegenwoordigd door Meester Michel Kiekens, advocaat te 1082 Brussel, Dokter Schweitzerplein 18, TEGEN : DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, administratie der ondernemings- en inkomensfiscaliteit, vertegenwoordigd door de heer gewestelijke directeur der directe belastingen te Leuven, met kantoren te 3001 Leuven (Heverlee), Philipssite 3 A, bus 1, vertegenwoordigd door Meester Bogaerts, loco Meester Ariane Destrycker, advocaat te 1170 Brussel, Vorstlaan 100, ***** Het hof, na beraad, spreekt in openbare terechtzitting volgend arrest uit : De procedurestukken. Het verzoekschrift werd samen met de aanzegging ervan aan de administratie neergelegd ter griffie van dit hof op 4 augustus 1994. R. EINDARREST - gegrond 1994/FR/375 2 zesde fiscale kamer De voorziening is gericht tegen de directoriale beslissing van de door de gewestelijke directeur der directe belastingen te Leuven gedelegeerde ambtenaar van 27 juni 1994 met referentie Nr. 13019312915/13019410940, waarbij de bezwaarschriften van verzoekers van 14 november 1993 en 1 april 1994 tegen de in hunnen hoofde gevestigde aanslagen in de personenbelasting (P.B.) voor de aanslagjaren 1991 en 1992 onder de respectieve kohierartikelen 3726941 en 741726489 grotendeels werden afgewezen. De ontvankelijkheid van de voorziening wordt niet betwist. De gevolgde procedure is deze van de artikelen 247-251 W.I.B. 1964 voor het aanslagjaar 1991 en van de artikelen 341-346 W.I.B. 1992 voor het aanslagjaar 1992. Discussie.
- a)Ten gronde Verzoekers wijzen erop dat de betwiste aanslagen werden gevestigd in toepassing van art. 247 W.I.B. 1964 voor het aanslagjaar 1991 en in toepassing van art. 341 W.I.B. 1992 voor het aanslagjaar 1992, zodat zij gevestigd zijn volgens tekenen en indiciën waaruit een hogere graad van gegoedheid zou blijken dan uit de aangegeven inkomsten. Zij menen het op hen rustende tegenbewijs te hebben geleverd en te hebben aangetoond dat zij in de kwestieuze jaren wel degelijk hebben kunnen beschikken over de gelden nodig ter bekostiging van de door de administratie in aanmerking genomen of in aanmerking te nemen uitgaven. Zo hebben zij uit de verwezenlijkte winsten voor de jaren 1987 tot 1990 voldoende spaargelden kunnen verwerven om de tijdens de betwiste aanslagjaren weerhouden uitgaven te dekken (zij konden naar eigen zeggen een bedrag van 2.219.037 BEF sparen). 1994/FR/375 3 zesde fiscale kamer Zij geven wel toe dat zij geen enkel bewijs voorleggen betreffende de wijze waarop de bestaande spaargelden werden bewaard of belegd, maar deze afwezigheid van bewijs sluit het bezit van de spaargelden als dusdanig niet uit. Verder heeft de administratie volgens verzoekers geheel ten onrechte geen rekening gehouden met het ter beschikking stellen van een bedrag van 500.000 BEF door de moeder van tweede verzoekster, zoals bevestigd bij attest van notaris Van Winckel van 8 december 1993. Het door de administratie gehanteerde bedrag voor eigen levensonderhoud kan niet worden aanvaard volgens verzoekers, die erop wijzen dat zij restaurantuitbaters zijn en derhalve geen bijzondere uitgaven te maken hebben voor hun maaltijden. Verder stellen verzoekers dat de administratie bij het opmaken van de indiciaire staat ten onrechte geen rekening heeft gehouden met inkomsten die zij hebben genoten uit hoofde van kinderbijslag (64.718 BEF) en de verkoop van een oude wagen (60.000 BEF). Ten slotte wijzen verzoekers erop dat het indiciaire tekort werd weerhouden naar aanleiding van de aankoop van een onroerend goed. Zij menen dat de administratie dit vastgelegde tekort geheel ten onrechte heeft toegevoegd aan hun inkomsten zoals aangegeven voor de jaren 1990 en 1991. Naar hun oordeel laat niets toe te veronderstellen dat zij tijdens de jaren 1990 en 1991 dergelijke belangrijke inkomsten zouden hebben verworven, terwijl de voorafgaande jaren elke mogelijkheid tot sparen wordt verworpen. Zij menen dat het indiciaire tekort minstens over meerdere jaren diende te worden gespreid. Uit wat voorafgaat blijkt volgens verzoekers dat voor de aanslagjaren 1991 en 1992 geen indiciair tekort kan worden aangenomen, zodat ten onrechte werd overgegaan tot inkohiering van een aanvullende aanslag in de P.B. *** 1994/FR/375 4 zesde fiscale kamer Op grond van de door partijen neergelegde stukken komt het hof tot de volgende besluiten. Wat de spaarmogelijkheden uit voorgaande jaren en liggend geld betreft Terecht merkt de Belgische Staat op dat het inroepen van de mogelijkheid tot sparen op zichzelf niet volstaat om de aanwezigheid van liggend geld te bewijzen bij het begin van een belastbaar tijdperk en om een indiciaire berekening te weerleggen. Uit het administratief dossier blijkt dat de Belgische Staat wel degelijk rekening heeft gehouden met de effectief gespaarde gelden uit de vorige periodes in de mate verzoekers dit ten genoege van recht konden bewijzen. Wat de berekening van de beweerde spaarmogelijkheden ten belope van 2.219.037 BEF betreft, merkt de Belgische Staat terecht op dat deze louter theoretisch is en op generlei wijze wordt gestaafd door objectieve en controleerbare gegevens. Met reden doet de Belgische Staat gelden dat de belastingaangiften op zich geenszins het objectief en controleerbaar bewijs in de zin van art. 247 W.I.B. 1964 / art. 341 W.I.B. 1992 vormen van het in het bezit zijn in hoofde van verzoekers op 1 januari 1990 van de nodige geldvoorraden onder welke vorm dan ook. Het hof verwijst hiervoor naar de oordeelkundige motieven en berekeningen van de Belgische Staat op de pagina's 4 en 5 van zijn op 5 april 2004 ter griffie van het hof neergelegde besluiten, motieven en berekeningen die het hof tot de zijne maakt. Wat de lening en/of schenking van de moeder van tweede verzoekster ten bedrage van 500.000 BEF betreft Ten onrechte heeft de Belgische Staat geen rekening gehouden met deze post. Of het nu gaat om een lening, dan wel om een schenking doet niet ter zake. In beide gevallen hadden verzoekers de beschikking over de som in kwestie en kan deze als tegenbewijs in het kader van de indiciaire afrekening worden aanvaard. 1994/FR/375 5 zesde fiscale kamer Eveneens ten onrechte houdt de Belgische Staat voor dat geen enkel effectief bewijs wordt overgemaakt van de transactie tussen moeder en dochter. Dit bewijs wordt immers geleverd door het attest van notaris Van Winckel van 8 december 1993. Derhalve dient de vordering van verzoekers op dit punt te worden ingewilligd. Wat de kosten voor levensonderhoud betreft Met reden wijst de Belgische Staat erop dat verzoekers zich, wat de kosten van levensonderhoud voor het jaar 1990 betreft, akkoord hebben verklaard met een som van 636.431 BEF. Voor het jaar 1991 werd een bedrag van 782.174 BEF in aanmerking genomen door de taxatieambtenaar. Nu verzoekers voor dat jaar geen positieve en controleerbare gegevens voorleggen en hun argumentatie volgens dewelke zij als restaurantuitbaters geen bijzondere uitgaven te maken hebben voor hun maaltijden wordt ontkracht door voornoemd akkoord inzake het aanslagjaar 1991, kan het door de taxatieambtenaar in aanmerking genomen bedrag behouden blijven. Ten slotte merkt de Belgische Staat nog terecht op dat de taxatieambtenaar voor hetzelfde aanslagjaar 1991 voor de post "onttrekking van levensmiddelen uit de handelszaak" een bedrag van 200.000 BEF heeft aangenomen en dat deze post tijdens het onderzoek van het bezwaarschrift nooit ter discussie werd gesteld. Wat de kinderbijslag betreft Ter openbare terechtzitting van het hof van 23 april 2009 verklaarde de Belgische Staat dat terzake de nodige bewijsstukken werden neergelegd. Derhalve dient ook op dit punt de vordering van verzoekers te worden ingewilligd. 1994/FR/375 6 zesde fiscale kamer Wat de verkoop van een oude wagen betreft Nu verzoekers, zoals de Belgische Staat terecht opmerkt, in dat verband geen enkel bewijs voorleggen, hetgeen overigens door hun raadsman werd toegegeven op de openbare terechtzitting van het hof van 23 april 2009, kan met deze post geen rekening worden gehouden. Wat de periode van de indiciaire afrekening betreft Terecht stelt de Belgische Staat dat de administratie de indiciaire periode over de jaren 1990 en 1991 spreidt, hetgeen op zich reeds een voldoende lange periode is, nu volgens vaststaande cassatierechtspraak de sommen, waarop het wettelijk vermoeden van art. 247 W.I.B. 1964 / art. 341 W.I.B. 1992 slaat, geacht mogen worden voort te komen van inkomsten die tijdens het belastbaar tijdperk werden behaald.
- b)Wat de kosten betreft Op 1 januari 2008 is de Wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat en haar uitvoerings-K.B. van 26 oktober 2007 in werking getreden. Ter openbare zitting van 23 april 2009 ondervroeg het hof partijen over de eventuele toepasbaarheid van voormelde wet en K.B. op onderhavige zaak, waarop deze beiden verklaarden dat deze wet en dit K.B. naar hun oordeel in onderhavige zaak geen toepassing vinden. Het hof sluit zich hierbij aan en meent dat voormelde wet en K.B. geen toepassing vinden op de zaken die worden beheerst door de oude fiscale procedure (d.w.z. van voor de Wetten van 15 en 23 maart 1999 tot hervorming van de fiscale procedure), waarin de kosten worden vereffend zoals in strafzaken. 1994/FR/375 7 zesde fiscale kamer OM DEZE REDENEN, HET HOF, rechtsprekend op tegenspraak, Gelet op art 24bis van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Verklaart de voorziening van verzoeker ontvankelijk, en in de hierna bepaalde mate gegrond; Beveelt de herberekening van de bestreden aanslagen in het licht van hetgeen voorafgaat; Veroordeelt de Belgische Staat tot terugbetaling van hetgeen eventueel te veel werd betaald, vermeerderd met de moratoriuminteresten waarvan sprake in art. 418 W.I.B. 1992; Veroordeelt elke partij tot de eigen kosten, begroot zoals in strafzaken op 9,15 EUR. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de zesde fiscale kamer van het hof van beroep te Brussel, op alwaar aanwezig waren en zitting namen : - J. Verstappen, raadsheer dd voorzitter - P. Vandermotten, raadsheer, - C. Vanderkerken, raadsheer, - C. De Nollin, griffier. C. De Nollin. C. Vanderkerken. P. Vandermotten. J. Verstappen. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div