id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 19 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090519.1 Rolnummer: 2006AR2160 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-05-20 Raadplegingen: 94 - laatst gezien 2026-07-02 19:47 Fiche Uit een schrijven van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand & Energie - zijnde de instantie die bij uitstek uitleg kan verschaffen over het begrip index - blijkt dat bij de indexhervorming van 1968 de alsdan geldende officiële benaming 'indexcijfer der kleinhandelsprijzen' afgeschaft werd, dan even overwogen werd het begrip 'levensindex' te gebruiken doch uiteindelijk gekozen werd voor de benaming 'indexcijfer der consumptieprijzen'. In het licht hiervan is het derhalve duidelijk en niet voor betwisting vatbaar dat partijen - bij het stipuleren van een oplegsom met aanpassing 'volgens levensindex' de bedoeling hadden dat de op een later tijdstip te betalen opleggen aangepast zouden worden aan het indexcijfer van de consumptieprijzen. Op dat punt hoeft de bewuste notariële akte geen interpretatie en wordt enkel vastgesteld dat in kwestieuze notariële akte een begrip werd gebruikt dat niet de officieel erkende benaming was. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Uitlegging overeenkomst Vrije woorden: Notariële akte. Schenking. Last. Oplegsom. Bewoordingen 'Volgens levensindex'. Uitlegging en draagwijdte. Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2009/ A.R. nr. 2006/AR/2160 INZAKE VAN : De heer Rb. V., appellant tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 29 mei 2006, vertegenwoordigd door Meester Anneleen VAN HOUT, advocaat te 1840 LONDERZEEL, Berkenlaan 44, 1ste kamer TEGEN : 1) Mevrouw J. V., 2) De heer Rg V., 3) De heer F. VD, 4) Mevrouw G. VD, geïntimeerden, vertegenwoordigd door Meester Ansie COOPMAN loco Meester Erik VERGAUWEN, advocaat te 3001 HEVERLEE, Koning Leopold III-laan 9, Gelet op de procedurestukken: · het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 29 mei 2006, beslissing waarvan geen akte van betekening wordt overgelegd; · het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 31 juli 2006; · de conclusie van appellant neergelegd ter griffie op 29 november 2007; · de conclusie van geïntimeerden neergelegd ter griffie op 29 en 30 januari
- Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 27 april 2009 en gelet op de stukken die zij neerlegden. Het hoger beroep werd regelmatig naar vorm en termijn ingesteld en is bijgevolg ontvankelijk. I. Voorwerp van de vorderingen. 1.
- De oorspronkelijke eis van appellant strekte ertoe: - geïntimeerde sub 1 te horen veroordelen tot betaling van een bedrag van 577.752 BEF of 14.322,10 euro , plus de vergoedende intresten vanaf 10 februari 1997 en de gerechtelijke intresten; - geïntimeerde sub 2 te horen veroordelen tot betaling van een bedrag van 402.809 BEF of 9.985,37 euro , plus de vergoedende intresten vanaf 10 februari 1997 en de gerechtelijke intresten; - geïntimeerden sub 3 en 4 te horen veroordelen tot betaling van een bedrag van 1.136.629 BEF of 28.176,30 euro , plus de vergoedende intresten vanaf 4 juli 1995 en de gerechtelijke intresten. 1.
- De eerste rechter heeft deze vordering ontvankelijk doch ongegrond verklaard. 1.
- Het hoger beroep van appellant beoogt de toekenning te bekomen van zijn aanvankelijke vordering. 1.
- Geïntimeerden vragen het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en bijgevolg het bestreden vonnis te willen bevestigen. II. De Feiten. 2.
- De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis. 2.
- Samengevat komt het hierop neer dat partijen de erfgenamen zijn van J. V., overleden op 4 februari 1970, en A. Vds, overleden op 17 december
- De consorten V. zijn de kinderen van deze laatsten en F. en G. Vd zijn de vader en de dochter van Agnes R die overleed op 2 augustus
- De ouders V. baatten een landbouwbedrijf uit dat zij in de loop van 1961 overlieten aan hun oudste zoon, zijnde appellant. Om de gelijkheid tussen de kinderen te vrijwaren werden, bij notariële akte verleden op 2 augustus 1961, de hoevedieren en het landbouwalaam geschonken aan appellant in volle eigendom, werd de naakte eigendom van de boerderij, bos, weiden en landbouwgronden geschonken aan alle kinderen waarbij de ouders het vruchtgebruik behielden, werd overgegaan tot de verdeling van de geschonken onroerende goederen waarbij dusdanig werd verkaveld dat de boerderij en de voornaamste gronden toekwamen aan appellant. Er werd tevens bedongen dat appellant een aantal opleggen moest betalen ter vergoeding van het (vervroegd) gebruik van de hem toegewezen roerende goederen en om gelijkwaardige kavels te bekomen wat de onroerende goederen betreft. M.b.t. het ogenblik waarop deze opleggen dienden betaald te worden, werd het volgende bedongen: " Op last van te betalen aan ieder zijner broeder en zusters, hierna genoemd, ene som van ... frank, betaalbaar één jaar en zes weken na het overlijden van de langstlevende der gevers, .... " Volledigheidshalve wordt ook vermeld dat bij notariële akte van 5 februari 1968 de ouders V. afstand deden van hun vruchtgebruik op een perceel grond, gelegen te Merchtem, kadastraal gekend onder wijk E, nr. 30c met een oppervlakte van 12a90ca waarop appellant een nieuwe woning oprichtte na de afbraak van de oude boerderij. Eén jaar en zes weken na het overlijden van de langstlevende (= 3 januari 1995) bood appellant aan om de opleggen te betalen. Vanaf dan ontstond er echter een betwisting tussen partijen enerzijds over het feit of deze opleggen al dan niet dienden aangepast te worden aan de index en anderzijds over het feit of appellant al dan niet recht had op een vergoeding voor kost, inwoon en verzorging van zijn ouders (bij wie hij eerst inwoonde en die na de afbraak van de boerderij bij hem gingen inwonen). Na vele uitvoeringsperikelen betaalde appellant uiteindelijk het laatste deel van de door hem verschuldigde opleg op 30 juli
- Op 31 januari 2000 ging appellant over tot het dagvaarden van geïntimeerden tot betaling van een uitgesteld loon in de landbouw, een tussenkomst in de begrafeniskosten van moeder en een tussenkomst in de onderhoudskosten van beide ouders. Bij vonnis van 5 november 2001, dat inmiddels definitief is, werd enkel de vordering in betaling van een tussenkomst in de begrafeniskosten gegrond verklaard. Op 22, 23 en 24 december 2004 ging appellant opnieuw over tot het dagvaarden van geïntimeerden (= huidige procedure) en vorderde hij de terugbetaling van een deel van de opleggen die hij inmiddels betaald had. III. Beoordeling. 3.
- Appellant is in hoofdorde van oordeel dat de notariële akte van 2 augustus 1961 geen titel verschafte aan geïntimeerden om de betaling te vorderen van geïndexeerde opleggen. Hij vraagt op grond van de rechtsfiguur van de onverschuldigde betaling de terugbetaling van het verschil tussen de opleg en de aan de index aangepaste opleg, de betaling van intresten op dat verschil en de betaling van de uitvoeringskosten die hij aan gerechtsdeurwaarder Beernaert heeft moeten betalen. In ondergeschikte orde beweert appellant dat hoogstens de opleg voor de onroerende goederen had mogen aangepast worden aan de index maar niet de opleg voor de roerende goederen. 3.
- De notariële akte van 2 augustus 1961 somt in een punt 1 de dieren en het landbouwalaam die geschonken worden aan appellant. Dat punt 1 eindigt met de vermelding: " Op last van te betalen aan ieder zijner broeders en zusters hierna genoemd, ene som van vijf en zestig duizend tweehonderd achttien frank, betaalbaar een jaar en zes weken na het overlijden van de langstlevende der gevers, zonder intrest tot alsdan ". In een punt 2 worden de onroerende goederen opgesomd waarvan de naakte eigendom geschonken wordt aan alle kinderen (= appellant en geïntimeerden). De akte bevat verder een tweede deel, "kaveling" genoemd waarin opgesomd wordt welk onroerend goed toekomt aan welke erfgenaam in naakte eigendom en welk het bedrag is dat bijgelegd moet worden door appellant in geld om kavels te vormen die gelijkwaardig zijn. De akte eindigt met een aantal algemeenheden zoals de kosten, rechten en erelonen, de wijze van registratie, de goedkeuring en aanvaarding door partijen, de ambtshalve inschrijving en de verklaringen van partijen. In dit hoofdstuk wordt onder de hoofding "Betaling der opleggen" gestipuleerd: " De opleggen zijn betaalbaar in volle eigendom, een jaar en zes weken na het overlijden van de langstlevende der voornoemde echtgenoten V. - Vanderstappen, zonder intrest tot alsdan, volgens levensindex." 3.
- Huidige discussie brengt een interpretatie met zich mee van de bewuste notariële akte van 2 augustus
- Het gaat bijgevolg niet om een geschil dat verband houdt met de rechtmatigheid of de regelmatigheid van een middel van tenuitvoerlegging. Bijgevolg behoort huidig geschil tot de bevoegdheid van de bodemrechter en niet van de beslagrechter. Het bestreden vonnis wordt op dit punt bevestigd. 3.
- Het feit dat de regeling betreffende de "Betaling der opleggen" opgenomen werd op het einde van de notariële akte tussen de algemene regels waarvan een aantal gelden voor alle authentieke aktes houdt in dat het de bedoeling was van partijen alle opleggen (zowel m.b.t. de roerende goederen als m.b.t. de onroerende goederen), waarop geen intresten verschuldigd waren, aan te passen aan een index. Dit standpunt stemt overigens overeen met het doel dat de ouders V. wilden bewerkstelligen door het opstellen van kwestieuze notariële akte, met name enerzijds het veilig stellen van de toekomst van appellant als landbouwer en anderzijds het verhinderen dat de andere kinderen hierdoor zouden benadeeld worden wanneer hun nalatenschap uiteindelijk zou openvallen. Het gelijk schakelen van alle kinderen kan niet bekomen worden indien de in 1961 vastgestelde bedragen aan opleggen niet zouden aangepast worden aan de index. Op dat ogenblik wist geen van de partijen hoelang de langstlevende in leven zou blijven en waardebepalingen uitgevoerd in 1961 stemmen duidelijk niet meer overeen met de waarde van de geschonken goederen in 1993 (= datum van het overlijden van de langstlevende). Het is dan ook terecht dat de eerste rechter beslist heeft dat het de bedoeling was van partijen dat alle door appellant verschuldigde opleggen aangepast dienden te worden. 3.
- Appellant houdt verder voor dat het in de notariële akte gebruikte begrip "levensindex" onbestaande is en de te interpreteren bewoordingen "volgens levensindex" dermate onduidelijk zijn dat bij toepassing van artikel 1162 B.W. deze moeten geïnterpreteerd worden in het nadeel van de bedinger en in het voordeel van diegene die zich gebonden heeft. Uit een schrijven van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand & Energie van 21 februari 2005 - zijnde de instantie die bij uitstek uitleg kan verschaffen over het begrip index - blijkt dat bij de indexhervorming van 1968 de alsdan geldende officiële benaming "indexcijfer der kleinhandelsprijzen" afgeschaft werd, dan even overwogen werd het begrip "levensindex" te gebruiken doch uiteindelijk gekozen werd voor de benaming "indexcijfer der consumptieprijzen". In het licht hiervan is het derhalve duidelijk en niet voor betwisting vatbaar dat partijen de bedoeling hadden dat de op een later tijdstip te betalen opleggen aangepast zouden worden aan het indexcijfer van de consumptieprijzen. Op dat punt hoeft de bewuste notariële akte geen interpretatie en wordt enkel vastgesteld dat in kwestieuze notariële akte een begrip werd gebruikt dat niet de officieel erkende benaming was. Ook op dit punt wordt het bestreden vonnis bevestigd. 3.
- Bijgevolg werden er door appellant geen onverschuldigde betalingen verricht zodat de eerste rechter de vordering van appellant terecht ontvankelijk doch ongegrond heeft verklaard. 3.
- Alle overige door partijen ingeroepen middelen zijn niet ter zake dienend in het licht van wat voorafgaat. 3.
- Beide partijen hebben ter zitting van 27 april 2009 gevraagd om het basistarief toe te kennen wat de rechtsplegingsvergoeding betreft. Gelet op de door appellant gevorderde bedragen werd het basisbedrag terecht begroot op 2.500 euro . Dit bedrag komt toe aan alle geïntimeerden samen - zij worden immers verdedigd door één en dezelfde raadsman - als de in het gelijk gestelde partijen. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis. Veroordeelt appellant in de kosten van hoger beroep, begroot - in hoofde van hemzelf op euro 2.686 (186 rolrecht + 2.500 rechtsplegingsvergoeding), en - in hoofde van alle geïntimeerden samen op euro 2.500 rechtsplegingsvergoeding. Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 19/05/09 waar aanwezig waren en zitting hielden : Astrid DE PREESTER, Raadsheer d.d. Voorzitter, Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer, Marc DEBAERE, Raadsheer, Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS M. DEBAERE E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div