← België

ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090519.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 19 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090519.3 Rolnummer: 2007AR3068 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-05-20 Raadplegingen: 171 - laatst gezien 2026-07-02 19:47 Fiche I. De Wetgever heeft het begrip 'gezondheid van geest' in artikel 901 van het Burgerlijk Wetboek niet omschreven. Er wordt aangenomen dat gezondheid van geest vrijheid van wil en helderheid van geest inhoudt, en dat de testator de betekenis en de draagwijdte van zijn daad moet begrijpen en er vrijwillig moet in toestemmen . II. Artikel 901 B.W. Bewijslast. Eenieder wordt geacht gezond van geest te zijn. Dit vermoeden kan weerlegd worden door het bewijs te leveren dat de testator niet gezond van geest was op datum van het opmaken van het testament. De eerste rechter en het hof beoordelen aldus de invulling van de bewijslast op een andere wijze dan appellante, maar anders dan appellante meent, maakt die andere appreciatie niet een schending uit van artikel 901 van het Burgerlijk Wetboek, van de artikelen 870, 915 en 933 van het Gerechtelijk Wetboek, of van artikel 6.1 EVRM. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - SCHENKINGEN EN TESTAMENTEN - Giften - Bekwaamheid Vrije woorden: Art. 901 B.W. Testament. Vereiste bekwaamheid in hoofde van de testator. 'Gezond van geest zijn'. Draagwijdte van dit begrip. Bewijsmiddelen en bewijslast. Art. 870 Ger. W. en 1353 B.W. Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2009/ A.R. nr. 2007/AR/3068 Testament - gezondheid van geest INZAKE VAN : Mevrouw L. K., appellante tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 17 september 2007, vertegenwoordigd door Meester Chantal JULIENS, advocaat te 1980 ZEMST, Brusselsesteenweg 80, 1ste kamer TEGEN : 1) De heer A. V.V., en zijn echtgenote 2) Mevrouw S. V., 3) Mevrouw J. N., geïntimeerden, vertegenwoordigd door Meester Nicky BURETTE loco Meester Erik PEETERS, advocaat te 2800 MECHELEN, Willem Geetsstraat 9,

  1. De procedure In dit arrest oordeelt het hof over het hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 17 september
  2. De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder art. 24, zijn nageleefd. Het arrest wordt gewezen na tegenspraak. Partijen verklaren dat het vonnis niet werd betekend. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld.
  3. De feiten De eerste rechter heeft de relevante feiten correct en volledig weergegeven als volgt: " Op 20 augustus 2005 is mevrouw J. M. overleden te Zemst; Verweerster [appellante] is de dochter en de wettige en reservataire erfgename van wijlen mevrouw M.; Deze laatste heeft twee testamenten opgesteld, te weten: - een notarieel testament, gedateerd 9 oktober 2003, waarin de decujus haar dochter, zijnde verweerster aanstelde als enige en algemene legataris, op last voor haar om de volgende bijzondere legaten uit te keren:
  4. Aan A. V.V., eiser en zijn echtgenote S. V., eerste eiseres, of de langstlevende onder hen, een som van 20.000,00 EUR
  5. Aan Jeanne N., tweede eiseres eveneens een som van 20.000,00 EUR; In dezelfde akte wordt aan verweerster ook verbod opgelegd om het woonhuis te verkopen aan dokter M. uit Zemst-Laar. - een tweede notarieel testament, gedateerd 20 juli 2004, waarin de decujus het testament van 9 oktober 2003 bevestigt en voor het overige stelt "indien mijn dochter ondanks het verbod om mijn huis te verkopen aan dokter M. dit toch zou doen of zou verkopen aan een van zijn familieleden, dan dient zij van deze verkoopprijs een bedrag van 20.000, 00 EUR uit te keren aan de vereniging " Kom op tegen Kanker"."
  6. Het onderwerp van de vordering 3.
  7. Voor de eerste rechter vorderden geïntimeerden de afgifte van de bijzondere legaten, en de veroordeling van appellante tot afgifte van 20.000,00 EUR aan het echtpaar V.V.-V. en 20.000,00 EUR aan J. N., telkens plus de gerechtelijke interesten. Zij vroegen ook de veroordeling van appellante tot betaling van een schadevergoeding bestaande uit de wettelijke intresten op 8.440,00 EUR en 1.000,00 EUR provisioneel voor advocatenkosten, en 750,00 EUR wegens tergend en roekeloos verweer. Appellante concludeerde tot de ongegrondheid van de vorderingen van geïntimeerden, ondergeschikt tot de bepaling van de aanvangsdatum van de interesten op de bijzondere legaten op 10 oktober
  8. Bij tegeneis vorderde appellante de testamenten van 9 oktober 2003 en 20 juli 2004 nietig te verklaren op grond van artikel 901 B.W. Ondergeschikt bood zij het getuigenbewijs aan van een reeks feiten. Ondergeschikt vorderde zij de nietigverklaring wegens verboden erfstelling over de hand, op basis van artikel 896 B.W. Nog meer ondergeschikt vroeg zij bepaalde testamentaire beschikkingen voor niet geschreven te houden op grond van artikel 900 B.W. Nog meer ondergeschikt vroeg zij geïntimeerden te veroordelen tot de terugbetaling van haar advocaatkosten, provisioneel begroot op 1,00 EUR. 3.
  9. De eerste rechter verklaarde de vordering van geïntimeerden gegrond en verklaarde de tegenvordering gedeeltelijk gegrond. Hij veroordeelde appellante tot afgifte van de bijzondere legaten, plus de gerechtelijke intresten aan de wettelijke rentevoet, en zegde voor recht dat de clausules in de testamenten met betrekking tot het verbod van verkoop van het woonhuis aan de dokter en de sanctie daarop als ongeschreven moesten beschouwd worden. Hij veroordeelde appellante enerzijds en geïntimeerden anderzijds tot betaling van elk de helft van de kosten. 3.
  10. In hoger beroep herneemt appellante haar oorspronkelijk verweer en haar oorspronkelijke tegenvordering. Daaraan voegt ze toe een tegenvordering op grond van onrechtmatige daad, strekkende tot de veroordeling van geïntimeerden tot betaling van een vergoeding gelijk aan de waarde van de legaten. Geïntimeerden concluderen tot de ongegrondheid van het hoger beroep. Bij incidenteel hoger beroep hernemen zij hun oorspronkelijke vordering met betrekking tot een schadevergoeding bestaande uit de wettelijke intresten op 8.440,00 EUR vanaf 30 maart
  11. Bij incidentele vordering vragen zij de veroordeling van appellante tot betaling van een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep van 1.500,00 EUR.
  12. De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen 4.
  13. Artikel 901 van het Burgerlijk Wetboek Terecht overwoog de eerste rechter dat de Wetgever het begrip "gezondheid van geest" in artikel 901 van het Burgerlijk Wetboek niet omschreven heeft, maar dat wordt aangenomen dat gezondheid van geest vrijheid van wil en helderheid van geest inhoudt, en dat de testator de betekenis en de draagwijdte van zijn daad moet begrijpen en er vrijwillig moet in toestemmen . Eenieder wordt geacht gezond van geest te zijn, en het is aan appellante, eiseres op dat vlak, om dat vermoeden te weerleggen en het bewijs te leveren dat de testator niet gezond van geest was op 9 oktober 2003 en op 20 juli 2004 . Dit bewijs, van feiten, kan geleverd worden door alle middelen. Terecht oordeelde de eerste rechter dat appellante niet het bewijs levert dat mevrouw J. M. niet gezond van geest was. In conclusie doet appellante uitgebreide verhalen met betrekking tot incidenten en problemen in de verhouding met de overledene, maar zij levert niet het bewijs daarvan en ze maakt ze ook niet voldoende aannemelijk om een getuigenbewijs te rechtvaardigen. Bovendien leveren deze verhalen (als ze bewezen zouden worden) ook geen grond om met zekerheid te kunnen besluiten dat de decujus op de vermelde data geen vrije wil en helderheid van geest vertoonde, en dat zij de betekenis en de draagwijdte van haar daad niet begreep en er niet vrijwillig in toestemde. Zij illustreren alleen het moeilijke karakter van de decujus en haar paranoïde aard. De eerste rechter en het hof beoordelen aldus de invulling van de bewijslast op een andere wijze dan appellante, maar anders dan appellante meent, maakt die andere appreciatie niet een schending uit van artikel 901 van het Burgerlijk Wetboek, van de artikelen 870, 915 en 933 van het Gerechtelijk Wetboek, of van artikel 6.1 EVRM. Appellante legt een patiëntenfiche voor van huisarts S. uit mei 2005 , maar de nuttige vermeldingen daarop zijn beperkt tot "opvliegend karakter en paranoïde gedrag", en "MMSE/ 21/30". Dat laatste staat volgens huisarts V. voor Mini Mental State Examination, een test die het cognitief functioneren onderzoekt; huisarts V. schrijft dat 18 tot 25 /30 overeenkomt met "cognitieve dysfunctie, type dementia", maar schrijft ook dat de medewerking van de patiënt bepalend is voor de interpretatie van de test, en dat een gebrekkige medewerking de test waardeloos maakt . Een duiding van de test in dat verband door degene die de test heeft afgenomen ontbreekt. Wellicht is dat huisarts S.; diens genoemde verslag vermeldt wel dat de decujus elk verder onderzoek weigerde. De verklaringen van Dr. G. en mevrouw V. M. bevestigen alleen het paranoïde gedrag van de decujus. Uit de verklaring van R. V.M., die zich haar "beste vriendin" noemt , blijkt dan weer, zoals de eerste rechter opmerkt, dat een normale communicatie met de decujus mogelijk bleef. Uit de kwalificatie van de 7 oproepen van of voor de decujus aan de politie in 1 jaar (onder meer in verband met "hulpgeroep algemeen") kan hoogstens paranoia afgeleid worden, of angstgevoel in het algemeen, maar niet een gebrek aan gezondheid van geest in de zin van artikel 901 van het Burgerlijk Wetboek. Anders dan appellante suggereert, kan ook de inhoud van de testamenten op zich, in het bijzonder het legateren aan personen met wie de decujus beweerdelijk weinig contacten had, of de opname van een verbod een huis te verkopen aan een ex-huisarts, in casu niet geduid worden als een bewijs van een gebrek aan gezondheid van geest in de zin van artikel 901 van het Burgerlijk Wetboek. Appellante voert nog aan dat geïntimeerden zich hebben bezondigd aan erfenisbejaging en de wil van de decujus hebben beïnvloed en gewijzigd. Zoals vermeld bewijst appellante echter niet dat de decujus niet gezond van geest was op het ogenblik van het verlijden van de testamenten. De incidenten en de context die appellante in dit verband verhaalt in conclusie wijzen op een toenadering tussen geïntimeerden en de decujus in haar laatste jaren, maar dat vormt geen bewijs van een handelen van geïntimeerden met het oog op het aantasten van de vrije wil van de decujus. Anders dan appellante voorhoudt, leveren de door haar aangehaalde feitelijke elementen geen vermoedens op in de zin van artikel 1353 van het Burgerlijk Wetboek; overigens bepaalt dat artikel dat de niet bij wet ingestelde vermoedens worden "overgelaten aan het oordeel en aan het beleid van de rechter". De vordering tot nietigverklaring op grond van artikel 901 van het Burgerlijk Wetboek is dus niet gegrond. 4.
  14. De gedingbeslissende eed Appellante vraagt ondergeschikt dat geïntimeerden een gedingbeslissende eed afleggen met toepassing van artikel 1358-1365 van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot hun aanwezigheid bij het opmaken van de testamenten. De eed die in ondergeschikte orde wordt opgedragen met betrekking tot die feiten is echter geen gedingbeslissende eed in de zin van artikel 1357, 1ste lid van het Burgerlijk Wetboek, want hij strekt niet tot beëindiging van het geschil . Verder ziet het hof geen reden om ambtshalve een eed op te leggen in de zin van artikel 1357, 2de lid van het Burgerlijk Wetboek. 4.
  15. Artikel 900 van het Burgerlijk Wetboek en de legaten Appellante voert aan dat de beschikkingen met betrekking tot de legaten aan geïntimeerden voor niet geschreven moet gehouden worden omdat zij tot stand zijn gekomen onder druk van geïntimeerden en daarom strijdig zijn met de wetten en de goede zeden, met toepassing van artikel 900 van het Burgerlijk Wetboek. Appellante levert niet het bewijs van die druk, zodat haar middel faalt in feite. Appellante steunt in dit verband ook op artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek en eist de betaling van 40.000,00 EUR, het bedrag van de legaten, als schadevergoeding. Uit de door haar beschreven toenadering tussen geïntimeerden en de decujus blijkt nochtans niet (zoals vermeld) een handelen van geïntimeerden met het oog op het aantasten van de vrije wil van de decujus, en ook niet een ander gedrag van geïntimeerden dat niet verzoenbaar is met het gedrag van een normaal zorgvuldige persoon in dezelfde omstandigheden. 4.
  16. Artikel 896 van het Burgerlijk Wetboek Ondergeschikt vraagt appellante de nietigverklaring van de testamenten in hun geheel op grond van het verbod van erfstelling over de hand uit artikel 896 van het Burgerlijk Wetboek. Dit bepaalt: Erfstellingen over de hand zijn verboden. Iedere beschikking waarbij de begiftigde, de benoemde erfgenaam of de legataris ermee belast wordt het geschonkene te bewaren en aan een derde uit te keren, is nietig, zelfs ten aanzien van de begiftigde, de benoemde erfgenaam of de legataris. De bedoelde beschikkingen met betrekking tot het woonhuis van de decujus houden echter geen last in voor appellante om het geschonkene te bewaren en aan een derde uit te keren. De vordering tot nietigverklaring op grond van artikel 896 van het Burgerlijk Wetboek is dus niet gegrond. 4.
  17. Artikel 900 van het Burgerlijk Wetboek en de bepalingen met betrekking tot de verkoop van het huis Uit de overwegingen van geïntimeerden met betrekking tot de toepassing van artikel 900 van het Burgerlijk Wetboek op de bepalingen met betrekking tot de verkoop van het huis leidt appellante af dat geïntimeerden incidenteel hoger beroep instellen op dit punt. Het hof leest de overwegingen van geïntimeerden niet in die zin, maar wel als een verweer op het middel van appellante met betrekking tot de nietigverklaring van de testamenten in hun geheel op grond van het verbod van erfstelling over de hand (punt 4.4 hierboven). Daarbij vermelden geïntimeerden dat de testamenten geldig zijn, maar het hof begrijpt daaruit alleen dat geïntimeerden menen dat ze geldig zijn met betrekking tot hun legaten. Het petitum van hun conclusie vermeldt die eis ook niet. Overigens is het niet duidelijk wat het belang van geïntimeerden zou zijn bij de wijziging van het vonnis op dat punt. 4.
  18. Het incidenteel hoger beroep Geïntimeerden hernemen een vordering met betrekking tot een schadevergoeding bestaande uit de wettelijke intresten op 8.440,00 EUR vanaf 30 maart
  19. Het hof vindt in de overwegenden van hun conclusie geen middel met betrekking tot die eis. Mogelijk is de vermelding in het petitum van hun conclusie een redactionele vergissing. 4.
  20. Het tergend en roekeloos hoger beroep Geïntimeerden maken terecht melding van voor hen pijnlijke passages en kwalificaties in de conclusies van appellante. Bij de beoordeling van het procedureel optreden van appellante houdt het hof evenwel rekening met de aard van de zaak, die meebrengt dat vermogens- en emotionele elementen worden verstrengeld, en dat delicate en mogelijk kwetsende feiten en beweringen worden aangevoerd. Hieruit volgt niet zonder meer dat appellante heeft gehandeld uit kwaadwilligheid. Evenmin blijkt dat appellante haar hoger beroep heeft ingesteld terwijl zij wist of behoorde te weten dat dit ongegrond was en van aard om geïntimeerden te schaden, of dat zij de procedure anderszins heeft gevoerd op een wijze die niet verzoenbaar is met het gedrag van een normaal zorgvuldige persoon in dezelfde omstandigheden.
  21. De kosten Geïntimeerden vragen voor de rechtsplegingsvergoeding de toepassing van een verhoogd bedrag, wegens de complexiteit van de zaak. Uit de lengte van de conclusies met betrekking tot de feitelijke elementen volgt echter niet dat de zaak complex is; dit blijkt ook niet uit het antwoord op de middelen in dit arrest. Appellante vraagt een verhoogd bedrag wegens het arbeidsintensief karakter van het dossier, maar dat heeft voornamelijk betrekking op de eigen vrij uitvoerige redactie van de feitelijke elementen (haar syntheseconclusie telt 89 bladzijden). Het hof ziet geen reden om af te wijken van het basisbedrag. Met toepassing van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 bedraagt dat basisbedrag gelet op de waarde van de vordering 2.500,00 EUR. Ten onrechte tellen geïntimeerden de vordering en de tegenvordering samen voor de bepaling van de waarde van het geschil. De 40.000,00 EUR die appellante vordert op grond van onrechtmatige daad is dezelfde 40.000,00 EUR die geïntimeerden als legaat vragen. Het vermelde Koninklijk Besluit van 26 oktober 2007 bepaalt in zijn artikel 2 overigens dat het bedrag van de vordering wordt vastgesteld "overeenkomstig de artikelen 557 tot 562 en 618 van het Gerechtelijk Wetboek in verband met de bepaling van de bevoegdheid en de aanleg". Artikel 620 van het Gerechtelijk Wetboek, over de samenvoeging van de bedragen van de hoofd en tegenvordering, staat daar niet bij. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep van appellante en het incidenteel hoger beroep van geïntimeerden ontvankelijk maar ongegrond. Verklaart de vordering tot schadevergoeding van appellante ontvankelijk maar ongegrond; Verklaart de incidentele vordering van geïntimeerden ontvankelijk maar ongegrond; Veroordeelt appellante tot de betaling van de kosten van het hoger beroep, begroot - in hoofde van appellante op euro 2.686 (186 rolrecht + 2.500 rechtsplegingsvergoeding), en - in hoofde van geïntimeerden op euro 2.500 rechtsplegingsvergoeding. Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 19/5/09 waar aanwezig waren en zitting hielden : Astrid DE PREESTER, Raadsheer d.d. Voorzitter, Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer, Marc DEBAERE, Raadsheer, Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS M. DEBAERE E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.