id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 28 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090528.17 Rolnummer: Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2009-09-10 Raadplegingen: 107 - laatst gezien 2026-07-02 19:51 Fiche UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE (B.T.W.) - Aftrek (B.T.W.) - Omvang recht op aftrek FISCAAL RECHT - BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE (B.T.W.) - B.T.W - Europees recht FISCAAL RECHT - FISCAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Algemene rechtsbeginselen fiscaal recht - Wettelijkheid belastingen Vrije woorden: Verzet tegen BTW dwangbevel - BTW op voertuigen volledig afgetrokken - Voertuig zowel voor personen- als voor goederenvervoer dienstig - Aftrek beperkt tot 50% (artikel 45§2 WBTW) Begrip 'voertuigen dienstig zowel voor goederen als personenvervoer - Geen omschrijving in fiscale wetgeving - Onderscheid personenwagens/wagens dubbel gebruik en lichte vracht - Administratieve criteria in aanschrijving 25 van 11 december 1990 - Uitbreiding beperking BTW-aftrek - Legaliteitsbeginsel - Administratieve aanschrijving geen bron van belasting - Aanschrijvingen 10 + 25 niet toepasselijk Gemeen recht van toepassing - Begrip lichte vracht omschreven in KB van 15/3/1968 houdende algemeen reglement op technische eisen auto's - 'Elk voertuig opgevat en gebouwd voor het vervoer van zaken waarvan de MTM 3.500 kg niet overschrijdt' - Vaststellingen in processen-verbaal - Litigieus voertuig Chrysler Voyager Crew Cab afgeleid van een personenwagen - niet opgevat en gebouwd voor het vervoer van zaken - administratie niet gebonden door classificatie FOD Mobiliteit en Vervoer - Werkelijke kenmerken Aftrekbeperking - Geen schending communautair recht - Leer arrest Metropol (artikel 17§6, 2e zesde BTW richtlijn) - Lidstaten mogen elke uitsluiting van recht op aftrek waarin hun wetgeving ttv inwerkingtreding van de zesde richtlijn voorzag, handhaven - Forfaitaire aftrekbeperking blijft van kracht Arrest S.A. Ampafrance - Machtiging lidstaat om afwijkende maatregelen te treffen - Heeft betrekking op uitsluiting van het recht op aftrek ná inwerkingtreding zesde richtlijn - Artikel 45 WBTW - Bepaling reeds in werking sedert 1 maart 1972 Tekst van de beslissing HOF van BEROEP te BRUSSEL Zesde fiscale kamer Nr. van de zaak : 2003/AR/2142 Openbare terechtzitting van 28/5/09 IN ZAKE VAN : De BELGISCHE STAAT, in de persoon van de minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de rekenplichtige van de Federale Overheidsdienst Financiën, met kantoor te 1500 Halle, Zuster Bernardastraat 32, appellant, ter terechtzitting vertegenwoordigd door meester Ariane DESTRYCKER, advocaat, met kantoor gevestigd te 1170 Brussel, Vorstlaan
- TEGEN:
- De B.V.B.A. SYPAC, met maatschappelijke zetel te 1600 Sint-Pieters-Leeuw, Bergensesteenweg 27, eerste geïntimeerde, ter terechtzitting vertegenwoordigd door meester UYTTENHOVE loco meester Bernard VINCOTTE, advocaat, met kantoor gevestigd te 1200 Brussel, Ter Kamerenstraat 22 C/
- De BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer, vertegenwoordigd door de minister van Mobiliteit en Sociale Economie, met kabinet gevestigd te 1040 Brussel, Wetstraat
- tweede geïntimeerde, ter terechtzitting vertegenwoordigd door meester Nathalie HEREMANS loco meesters DEVLIES & TILLEMANS, advocaten te 3000 Leuven, Bondgenotenlaan
- R. EINDARREST - gegrond 2003/AR/2142 2 zesde fiscale kamer
- N.V. CHRYSLER BELGIUM LUXEMBOURG, met maatschappelijke zetel te 1200 Brussel, Tollaan 68, derde geïntimeerde, ter terechtzitting vertegenwoordigd door meester Paul VANDEPITTE loco meester André LINDEN, advocaat, met kantoor gevestigd te 1000 Brussel, Keizerslaan
- *** In deze zaak spreekt het hof volgend arrest uit. PROCEDURE Gelet op de procedurestukken, inzonderheid het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 6 juni 2003, waarvan geen betekeningakte wordt voorgelegd, en waartegen hoger beroep werd aangetekend bij verzoekschrift op de griffie van het hof neergelegd op 5 september
- In een akte van gedinghervatting, op de griffie van het hof neergelegd op 9 februari 2009, verklaart de N.V. CHRYSLER BELGIUM LUXEMBOURG, hierna genoemd derde geïntimeerde, het geding, ingesteld tegen de N.V. DAIMLERCHRYSLER BELGIUM LUXEMBOURG, te hervatten. FEITEN EN BESTREDEN BESLISSING
- De B.V.B.A. SYPAC, hierna genoemd eerste geïntimeerde, tekende voor de eerste rechter verzet aan tegen het dwangbevel haar op 11 maart 1999 betekend, welk dwangbevel een BTW-bedrag in hoofdsom van 210.933 BEF en een geldboete van 21.000 BEF tot voorwerp had. Het dwangbevel volgde op een controle, waarbij werd vastgesteld dat eerste geïntimeerde de BTW op de levering van het voertuig 2003/AR/2142 3 zesde fiscale kamer Chrysler Grand Voyager Crew Cab met nummerplaat EYV106, de leasing van het voertuig Chrysler Grand Voyager Crew Cab met nummerplaat NSB060, en de leveringen en diensten m.b.t. die voertuigen, ten onrechte volledig had afgetrokken. De Belgische Staat, administratie van de BTW, hierna genoemd appellant, was van mening dat die voertuigen niet kunnen worden aangemerkt als lichte vrachtwagens, maar als voertuigen die zowel voor personen- als goederenvervoer kunnen dienen, zodat de aftrek overeenkomstig artikel 45, tweede paragraaf, W.BTW, diende te worden beperkt tot 50 %. Eerste geïntimeerde dagvaardde voor de eerste rechter ook de Belgische Staat, ministerie van Verkeerswezen, hierna genoemd tweede geïntimeerde, in tussenkomst en vrijwaring, nu de Dienst voor Inschrijvingen van Voertuigen (DIV) de litigieuze voertuigen had erkend als "lichte vrachtauto", alsmede de N.V. DAIMLERCHRYSLER BELGIUM LUXEMBOURG, rechtsvoorganger van derde geïntimeerde, wiens publiciteit de mogelijkheid van inschrijving als "bedrijfswagen-lichte vracht" vermeldde.
- De eerste rechter achtte vooreerst de aftrekbeperking van artikel 45, tweede paragraaf, W.BTW niet strijdig met artikel 17, zesde paragraaf, tweede lid, van de Zesde BTW-richtlijn. De eerste rechter oordeelde vervolgens dat in gevolge het arrest S.A. Ampafrance van 19 september 2000 van het Hof van Justitie de beperking van de aftrek van de BTW op autokosten niet kan worden gehandhaafd. De eerste rechter was nog van oordeel dat de uitbreiding van de beperking van de BTW-aftrek via de verstrenging en aanpassing, door de aanschrijving nr. 25 van 11 december 1990 die de aanschrijving nr. 10 van 11 september 1987 wijzigt, van de 2003/AR/2142 4 zesde fiscale kamer voorwaarden waaraan voertuigen moeten voldoen om te worden erkend als lichte vrachtwagen, in strijd is met de leer van het arrest Metropol Treuhand Wirtschaft GmbH van 8 januari 2002 van het Hof van Justitie, naar luid waarvan artikel 17, zesde paragraaf, tweede lid, van de Zesde BTW-richtlijn er zich tegen verzet dat een Lidstaat, na de inwerkingtreding van voormelde richtlijn, de uitgaven voor bepaalde motorvoertuigen van het recht op aftrek van de BTW uitsluit, wanneer voor deze uitgaven ten tijde van de inwerkingtreding van de richtlijn recht op aftrek van de BTW bestond. De eerste rechter willigde het verzet tegen het dwangbevel op die twee gronden in. Hij besliste wel dat de rentevoet van de wettelijke interesten inzake BTW sedert 1 januari 1999 7% bedraagt. De eerste rechter wees de exceptie van onontvankelijkheid van de vordering in tussenkomst, vrijwaring en gemeenverklaring, exceptie opgeworpen door tweede geïntimeerde, af, en verklaarde die vordering ongegrond. De vordering in tussenkomst, vrijwaring en gemeenverklaring tegen de rechtsvoorganger van derde geïntimeerde, verklaarde de eerste rechter zonder voorwerp. Hij veroordeelde appellant tot de kosten, uitgezonderd de kosten van de vordering in tussenkomst, vrijwaring en gemeenverklaring, die hij lastens eerste geïntimeerde legde. GRIEVEN Appellant betwist de door de eerste rechter in aanmerking genomen schendingen van het communautaire recht, en betoogt dat op basis van de bestaande regelgeving en de werkelijke kenmerken van de litigieuze voertuigen, dient te worden vastgesteld dat ze zowel voor personen- als voor goederenvervoer kunnen dienen, en de toepassing van artikel 45, tweede paragraaf, W.BTW zich derhalve opdringt. 2003/AR/2142 5 zesde fiscale kamer Hij vraagt het bestreden vonnis dienvolgens teniet te doen en het verzet ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren, en eerste geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen. Eerste geïntimeerde vraagt de bevestiging van het bestreden vonnis. Zij tekent incidenteel beroep aan in geval het hoofdberoep ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard. Zij vordert dan de kosten van de vordering in tussenkomst ten laste van tweede geïntimeerde te leggen. Zij tekent ook incidenteel beroep aan, in geval het hoofdberoep ontvankelijk en gegrond wordt verklaard. Zij vordert dan tweede geïntimeerde te veroordelen tot terugbetaling van de ten onrechte ingehouden BTW, meer de inmiddels vervallen interesten en de kosten. Zij tekent geen incidenteel beroep aan wat betreft haar vordering in tussenkomst, vrijwaring en gemeenverklaring tegen derde geïntimeerde, welke vordering de eerste rechter zonder voorwerp verklaarde. Zij preciseert nog dat zij in afwachting van de conclusies van de andere partijen, de conclusies herneemt die zij voor de eerste rechter nam, onder voorbehoud van aanpassing, en dat de voor de eerste rechter neergelegde stukken te beschouwen zijn als appeldocumenten. Tweede geïntimeerde tekent incidenteel beroep aan wat betreft de vordering in tussenkomst, gemeenverklaring en vrijwaring, die de eerste rechter, volgens hem, ten onrechte onontvankelijk verklaarde. Hij vraagt die vordering minstens ongegrond te verklaren. 2003/AR/2142 6 zesde fiscale kamer Derde geïntimeerde vraagt het hoger beroep van appellant onontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren, en deze te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen. Zij licht haar exceptie van onontvankelijkheid niet toe. BEOORDELING
- Naar luid van artikel 45, tweede paragraaf, W.BTW, zoals van toepassing op onderhavig geschil, is de BTW-aftrek m.b.t. "automobielen voor personenvervoer, daaronder begrepen de voertuigen die zowel voor personenvervoer als voor goederenvervoer kunnen dienen" beperkt tot maximum 50 %. Artikel 45, tweede paragraaf, W.BTW noch de fiscale wetgeving geven een definitie van de begrippen "automobielen voor personenvervoer" en "voertuigen die zowel voor personenvervoer als voor goederenvervoer kunnen dienen". Wel wordt in artikel 1, tweede paragraaf, 5° van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen, het begrip "lichte vrachtwagen" omschreven als "elk voertuig opgevat en gebouwd voor het vervoer van zaken waarvan de maximale toegelaten massa 3.500 kg niet overschrijdt". Om een onderscheid te maken tussen enerzijds personenwagens en wagens voor dubbel gebruik, onderworpen aan de aftrekbeperking uit artikel 45, tweede paragraaf, W.BTW, en anderzijds lichte vrachtwagens, waarvoor de aftrekbeperking niet geldt, baseert de administratie zich op strikte criteria, vastgelegd in haar aanschrijving nr. 10 van 11 september 1987, zoals gewijzigd door de aanschrijving nr. 25 van 11 december
- 2003/AR/2142 7 zesde fiscale kamer Het is op basis van die aanschrijvingen dat de controleambtenaar in het proces-verbaal van 2 augustus 1996, gehecht aan het dwangbevel waartegen verzet, en in een proces-verbaal van 6 september 1996 vaststelde dat de litigieuze voertuigen vallen onder de aftrekbeperking uit artikel 45, tweede paragraaf, W.BTW. Ook appellant verwijst in zijn conclusie genomen voor het hof naar de aanschrijvingen nrs. 10 en nr. 25, en wel in volgende termen: "Het onderscheid tussen een voertuig dat opgevat en gebouwd is voor het vervoer van goederen enerzijds, en een voertuig voor dubbel gebruik (goederen- en personenvervoer) - waarop de beperking van de aftrekbare BTW van toepassing is - anderzijds, dient geval per geval beoordeeld te worden op grond van de karakteristieken van het desbetreffende voertuig én de criteria zoals omschreven in de overeenstemmende aanschrijvingen" (conclusie, blz. 12), of nog: "Echter, voor de toepassing van artikel 45, § 2 van het W.BTW dient de BTW-administratie zich te houden aan de classificatiecriteria zoals bepaald in bovengenoemde aanschrijvingen, dewelke hierna uitvoerig worden opgesomd, zodat in casu tot regularisatie werd overgegaan middels het proces-verbaal dd. 06 september 1996" (conclusie, blz. 16). De eerste rechter was van oordeel dat de uitbreiding van de beperking van de BTW-aftrek via de verstrenging en aanpassing, door de aanschrijving nr. 25 van 11 december 1990 die de aanschrijving nr. 10 van 11 september 1987 wijzigt, van de voorwaarden waaraan voertuigen moeten voldoen om te worden erkend als lichte vrachtwagen, in strijd is met de leer van het arrest Metropol Treuhand Wirtschaft GmbH van het Hof van Justitie, naar luid waarvan artikel 17, zesde paragraaf, tweede lid, van de Zesde BTW-richtlijn er zich tegen verzet dat een Lidstaat, na de inwerkingtreding van voormelde richtlijn, de uitgaven voor bepaalde motorvoertuigen van het recht op aftrek van de BTW uitsluit, wanneer voor deze uitgaven ten tijde van de inwerkingtreding van de richtlijn recht op aftrek van de BTW bestond. 2003/AR/2142 8 zesde fiscale kamer
- Derde geïntimeerde herneemt het middel dat zij voor de eerste rechter voordroeg, en naar luid waarvan het gebrek van een communautaire bepaling die een forfaitaire beperking van het recht op aftrek toestaat, dit recht onmiddellijk kan worden uitgeoefend op het totale bedrag van de BTW geheven op inkomende handelingen. Volgens derde geïntimeerde moet artikel 45, tweede paragraaf, W.BTW worden gelezen in samenhang met artikel 17, zesde lid, van de Zesde Richtlijn. Artikel 17, zesde lid, van de Zesde Richtlijn bepaalt: "Uiterlijk binnen vier jaar te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn, bepaalt de Raad, op voorstel van de Commissie, met eenparigheid van stemmen, voor welke uitgaven geen recht op aftrek van de belasting over de toegevoegde waarde bestaat. De uitgaven die geen strikt professioneel karakter hebben, zoals weelde-uitgaven en uitgaven voor ontspanning of representatie, zijn in elk geval van het recht op aftrek uitgesloten. Totdat de hierboven bedoelde voorschriften in werking treden kunnen de Lidstaten elke uitsluiting handhaven waarin hun wetgeving ten tijde van de inwerkingtreding van deze richtlijn voorzag". Op basis van de vaststelling dat de Raad er niet in slaagde om binnen de gestelde termijn een definitieve lijst (d.i. de Twaalfde Richtlijn tot harmonisatie van de aftrekbeperkingen) bekend te maken van uitgaven waarvoor geen aftrek bestaat, betoogt derde geïntimeerde dat de algemene bestaande regels inzake de aftrek van de BTW, en meer bepaald artikel 17, tweede lid, van de Zesde Richtlijn, van rechtswege toepassing vinden, zolang de Raad geen andere richtlijn in deze materie aanneemt, en dat de door de Lidstaten ingevoerde forfaitaire aftrekbeperkingen hun rechtskracht hebben verloren bij het verstrijken van de gestelde termijn. De eerste rechter wees dit middel terecht af, onder verwijzing naar de rechtspraak van het Hof van Justitie. 2003/AR/2142 9 zesde fiscale kamer Het Hof van Justitie oordeelde inderdaad in de zaak Royscot Leasing Ltd. e.a. dat artikel 17, zesde lid, van de Zesde Richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat de Lidstaten de bij de tweede alinea ervan bedoelde uitsluitingen van het recht op aftrek van de BTW mogen handhaven, hoewel de Raad vóór het verstrijken van de in de eerste alinea bedoelde termijn niet heeft bepaald voor welke uitgaven geen recht op aftrek van de BTW bestaat (H.v.J. 5 oktober 1999, Royscot Leasing Ltd., C-305/97, T.F.R. 2000, afl. 179, 364, noot P. DAUW). Zoals de eerste rechter vaststelde, op dit punt door eerste geïntimeerde evenmin bekritiseerd, dateert de aftrekbeperking van artikel 45, tweede paragraaf, W.BTW al van vóór 1 januari
- Dit is de datum waarop de Zesde Richtlijn in België in werking trad. In werkelijkheid trad de Richtlijn in België al op 1 januari 1978 in werking. De eerste rechter besloot dan ook terecht dat de litigieuze aftrekbeperking nog steeds van kracht was. Derde geïntimeerde roept nog de ratio legis van artikel 17, zesde lid, van de Zesde Richtlijn in, dat enkel voor uitgaven waarvoor er geen objectieve opdeling van het beroepsgebruik versus het particulier gebruik kan geschieden, een uniforme heffing alsmede het vermijden van fraude wilde waarborgen. Zij stelt ook dat een eventueel tijdelijk gebruik van de litigieuze voertuigen voor privé-doeleinden slechts aanleiding kan geven tot een BTW-heffing op grond van artikel 19, tweede paragraaf, W.BTW, en dus niet tot een beperking van het recht op aftrek. Voormelde bepaling stelt met een dienst verricht onder bezwarende titel gelijk het gebruiken van een tot het bedrijf behorend goed voor privé-doeleinden van de belastingplichtige of van zijn personeel of, meer algemeen, voor andere dan bedrijfsdoeleinden, wanneer voor dat goed recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de BTW is ontstaan. 2003/AR/2142 10 zesde fiscale kamer Derde geïntimeerde ziet hierbij evenwel over het hoofd dat het Hof van Justitie in voormeld arrest ook oordeelde dat de Lidstaten elke uitsluiting mogen handhaven, met inbegrip van uitsluitingen van uitgaven met een strikt beroepsmatig karakter (r.o. 23 van voormeld arrest).
- De eerste rechter kan daarentegen niet worden gevolgd waar hij oordeelde dat ingevolge het arrest S.A. Ampafrance van 19 september 2000 van het Hof van Justitie (H.v.J. 19 september 2000, S.A. Ampafrance, C-177/99 en C-181/99, Jur. 2000, I-7013) de beperking van de aftrek van de BTW op autokosten niet kan worden gehandhaafd. Dit arrest betreft de geldigheid van een beschikking 89/487 van de Raad van 28 juli 1989 waarbij aan Frankrijk op grond van artikel 27 van de Zesde Richtlijn de toelating werd verleend om de uitsluiting van het recht op aftrek, die reeds gold voor representatiekosten uit te breiden tot een algemene uitsluiting van de aftrek van de BTW op de uitgaven voor verblijf, spijzen of dranken, onthaal en ontspanning. Volgens artikel 27, eerste lid, van de Zesde Richtlijn kan de Raad, op voorstel van de Commissie, met eenparigheid van stemmen elke Lidstaat machtigen bijzondere, van de Richtlijn afwijkende maatregelen te treffen om de belastingheffing te vereenvoudigen of bepaalde vormen van belastingfraude of -ontwijking te voorkomen. Appellant bekritiseert terecht het oordeel van de eerste rechter, vermits het arrest S.A. Ampafrance betrekking heeft op de uitsluiting van het recht op aftrek na de inwerkingtreding van de Zesde Richtlijn. In deze wordt middels artikel 45, tweede paragraaf, W.BTW evenwel geen aanspraak gemaakt op een afwijkende maatregel. Voormelde bepaling bestaat met de litigieuze aftrekbeperking in de Belgische rechtsorde al sedert de wijzigingswet van 22 juni 1972, in werking op 1 maart
- 2003/AR/2142 11 zesde fiscale kamer Derde geïntimeerde betwist dit ten onrechte, door erop te wijzen dat de aanschrijvingen nr. 10 en nr. 25, waarop de administratie steunt om het recht op aftrek van de BTW te ontzeggen voor uitgaven waarvan eerste geïntimeerde het strikt beroepsmatige karakter kan aantonen, dateren van na de inwerkingtreding van de Zesde Richtlijn op 1 januari
- Zoals hierna wordt gepreciseerd (zie infra nr. 4), kunnen de aanschrijvingen nr. 10 en nr. 25 in deze niet worden toegepast. Het hof merkt voor zoveel als nodig op dat het proces-verbaal van 2 augustus 1996, gehecht aan het dwangbevel waartegen verzet, evenals het proces-verbaal van 6 september 1996, verwijst, benevens naar de aanschrijvingen nr. 10 en nr. 25, naar artikel 45, tweede paragraaf, W.BTW als grond van de navordering.
- De eerste rechter kan evenmin worden gevolgd, waar hij oordeelde dat de uitbreiding van de beperking van de BTW-aftrek via de verstrenging en aanpassing, door de aanschrijving nr. 25 van 11 december 1990 die de aanschrijving nr. 10 van 11 september 1987 wijzigt, van de voorwaarden waaraan voertuigen moeten voldoen om te worden erkend als lichte vrachtwagen, in strijd is met de leer van het arrest Metropol Treuhand Wirtschaft GmbH van 8 januari 2002 van het Hof van Justitie (H.v.J. 8 januari 2002, Metropol Treuhand Wirtschaft GmbH, C-409/99, Jur. 2002, I-81), naar luid waarvan artikel 17, zesde paragraaf, tweede lid, van de Zesde BTW-richtlijn er zich tegen verzet dat een Lidstaat, na de inwerkingtreding van voormelde richtlijn, de uitgaven voor bepaalde motorvoertuigen van het recht op aftrek van de BTW uitsluit, wanneer voor deze uitgaven ten tijde van de inwerkingtreding van de richtlijn recht op aftrek van de BTW bestond. Eerste en derde geïntimeerden betwisten terecht de toepasselijkheid van de aanschrijvingen nrs. 10 en 25 bij de feitelijke beoordeling of 2003/AR/2142 12 zesde fiscale kamer de litigieuze voertuigen personenwagens of wagens voor dubbel gebruik, dan wel lichte vrachtwagens zijn. Het grondwettelijk gewaarborgd legaliteitsbeginsel sluit uit dat een administratieve aanschrijving bron van belasting is. Nu de aanschrijvingen nrs. 10 en 25 in deze niet toepasselijk zijn, dient hun eventuele strijdigheid met de leer van het arrest Metropol Treuhand Wirtschaft GmbH niet te worden onderzocht.
- Eerste en derde geïntimeerden betogen terecht dat, vermits het W.BTW geen definitie geeft van het begrip lichte vrachtwagen, dient te worden verwezen naar de omschrijving van artikel 1, tweede paragraaf, 5° van het voormeld koninklijk besluit van 15 maart
- Het gemeenrecht is inderdaad toepasselijk op het fiscaal recht, voor zover dit laatste er niet anders over beschikt (Cass. 9 juli 1931, Pas. 1931, I, 218). Overeenkomstig artikel 1, tweede paragraaf, 5° van het voormeld koninklijk besluit van 15 maart 1968 is een lichte vrachtwagen "elk voertuig opgevat en gebouwd voor het vervoer van zaken waarvan de maximale toegelaten massa 3.500 kg niet overschrijdt". Het proces-verbaal van 2 augustus 1996, gehecht aan het dwangbevel waartegen verzet, beschrijft de litigieuze voertuigen als volgt: - het voertuig Chrysler Grand Voyager met nummerplaat EYV106 is uitgerust met meer dan één rij zetels vooraan of meer dan één zitbank vooraan en de bestuurdersruimte is niet volledig gescheiden van de ruimte voor de goederen - het voertuig Chrysler Grand Voyager met nummerplaat NSB060 is uitgerust met meer dan één rij zetels vooraan of meer dan één zitbank vooraan en is door verbouwing afgeleid van een auto voor dubbel gebruik en niet van een gesloten bestelwagen. 2003/AR/2142 13 zesde fiscale kamer Het proces-verbaal van 6 september 1996 beschrijft de litigieuze voertuigen in identieke termen. Het proces-verbaal van 27 februari 2001 beschrijft de litigieuze voertuigen als volgt: het voertuig Chrysler Grand Voyager met nummerplaat NSB060: - aantal zitplaatsen vooraan: chauffeur + passagier op zetel naast chauffeur; direct daarachter een zitbank met drie zitplaatsen; dit maakt dus twee rijen zetels vooraan - bestuurdersruimte gescheiden van goederenruimte door een geplaatst tussenschot in harde PVC, eenvoudig vastgehecht aan carrosserie d.m.v. vijzen (na verbouwing). In het tussenschot ter hoofdhoogte bevond zich een open opening (doorkijk-, spreek- of controleopening) - goederenruimte: de oorspronkelijke verankerings-, aanhechtings- en bevestigingspunten van een derde oorspronkelijk voorziene en aanwezige zitbank waren verwijderd, in de vloer waren de voormelde punten weggelast en bedekt met een gelast bodemplaatje; een daarop gewoon neergelegd bodembedekkingstapijt werd door de controleambtenaar opgetild en weggenomen: aanhechtings- noch andere punten waren nog zichtbaar - voormelde derde (achterste) zitbank, oorspronkelijk geplaatst achter de twee rijen zetels vooraan, werd nog steeds bewaard en de controleambtenaar door de verkoopsdirecteur van eerste geïntimeerde spontaan getoond in de stockruimte aanwezig op het adres van de maatschappelijke zetel, doch de betrokken zitbank werd volgens de verkoopsdirecteur niet meer gebruikt - de oorspronkelijk aanwezige zijruiten achter de zijruiten ter hoogte van de chauffeur en alle passagiers waren weggenomen en vervangen door metalen platen geschilderd in dezelfde kleur (bordeaux) als de oorspronkelijke kleur van het voertuig het voertuig Chrysler Grand Voyager met nummerplaat EYV106: - dezelfde vaststellingen en kenmerken als het voertuig met nummerplaat NSB060, behalve wat de kleur en de achterste zijruiten betreft: volledige grijskleurige carrosserie en nog steeds de oorspronkelijke achterste zijruiten in doorzichtig glas. 2003/AR/2142 14 zesde fiscale kamer Op basis van voormelde vaststellingen is het duidelijk dat de litigieuze voertuigen niet zijn opgevat en gebouwd voor het vervoer van zaken, in de zin van artikel 1, tweede paragraaf, 5° van het koninklijk besluit van 15 maart
- Uit het proces-verbaal van 27 februari 2001 blijkt inderdaad dat de beide voertuigen oorspronkelijk waren uitgerust met een derde (achterste) zitbank achter de twee rijen zetels vooraan. De verwijderde zitbank werd overigens nog op de maatschappelijke zetel van eerste geïntimeerde bewaard. Ook het tussenschot in harde PVC dat de bestuurdersruimte van de goederenruimte scheidt en dat eenvoudig is vastgehecht aan de carrosserie na verbouwing, sluit uit dat de litigieuze voertuigen zijn opgevat en gebouwd voor het vervoer van zaken. Tenslotte wijst ook het feit dat de zijruiten van de goederenruimte oorspronkelijk waren zoals de zijruiten ter hoogte van de chauffeur en werden weggenomen en vervangen door metalen platen, erop dat de voertuigen niet zijn opgevat en gebouwd voor het vervoer van zaken. Volgens eerste geïntimeerde draait appellant de zaken om, wanneer deze stelt dat de litigieuze Chrysler Voyager Crew Cab een door verbouwing afgeleid model van een personenwagen is. Volgens eerste geïntimeerde staat niemand erbij stil dat de bij het publiek ingeburgerde "mono-volume" Chrysler Voyager eigenlijk is afgeleid van een gesloten bestelwagen. Op basis van deze historiek van de ontwikkeling van de Chrysler Voyager betoogt eerste geïntimeerde dat bij de ontwikkeling van de litigieuze Chrysler Voyager Crew Cab niet werd uitgegaan van het "afgeleide model", maar van het "oorspronkelijk model", d.i. de bestelwagen. 2003/AR/2142 15 zesde fiscale kamer De vaststellingen de voormelde processen-verbaal tonen nochtans duidelijk aan dat de litigieuze voertuigen wel degelijk zijn afgeleid van een personenwagen. Noch de historiek van de Chrysler Voyager, noch de foto's die eerste geïntimeerde bijbrengt, ontkrachten die vaststellingen. Met een subsidiair gevraagd deskundigenonderzoek of getuigenverhoor wil eerste geïntimeerde nog aantonen dat de bestuurdersruimte wel degelijk "met een wand, niet wegneembaar gemaakt door lassen of door een ander gelijkwaardig procédé de goederenruimte volledig van de passagiersruimte gescheiden is, zonder mogelijkheid van doorgang van de ene naar de andere ruimte" (conclusie, blz. 14). De scheiding van de passagiersruimte van de goederenruimte is evenwel slechts één aspect van de problematiek, en is derhalve niet van aard aan de overige vaststellingen van de processen-verbaal i.v.m. de verwijderde zitbank en de vervangen zijruiten, afbreuk te doen. Op het bewijsaanbod van eerste geïntimeerde kan derhalve niet worden ingegaan. Voor het overige wordt door geen van partijen betwist dat de maximale toegelaten massa van de litigieuze voertuigen 3.500 kg niet overschrijdt.
- Weliswaar werden de litigieuze Chrysler Voyager Crew Cab door tweede geïntimeerde als lichte vrachtwagen erkend, zoals blijkt uit de processen-verbaal van goedkeuring, afgeleverd in juni 1992 voor de Chrysler Grand Voyager, waaruit de Chrysler Voyager Crew Cab is afgeleid, en uit de bijlagen 1 bij voormelde processen-verbaal van goedkeuring, afgeleverd op 9 mei 1994 voor de Chrysler Voyager Crew Cab. Ook de officiële documenten die eerste geïntimeerde m.b.t. de litigieuze voertuigen ontving (gelijkvormigheidsattest, 2003/AR/2142 16 zesde fiscale kamer inschrijvingsbewijs, keuringsbewijs) bevestigen dat het gaat om een lichte vrachtwagen. Dit laat eerste en derde geïntimeerden nog niet toe te beweren dat de litigieuze voertuigen lichte vrachtwagens zijn. Immers, zoals tweede geïntimeerde in conclusie erkent "(staat) onomstotelijk (vast) dat het voertuig ten onrechte werd goedgekeurd als lichte vrachtwagen" (conclusie, blz. 9). De bijlage 2 van 15 juni 1995 hefte inderdaad bijlage 1 van het proces-verbaal van goedkeuring op met ingang van 1 juli
- De bijlage 2 werd nog vervangen door een bijlage 2 van 9 augustus 1995, die de geldigheid van bijlage 1 deed ophouden vanaf 1 januari 1996 (stukken 9 en 10 van de bundel van appellant). Op grond hiervan betoogt appellant terecht dat de classificatie destijds doorgevoerd door tweede geïntimeerde foutief was en werd rechtgezet. Met recht ook acht appellant zich niet gebonden door de verkeerde classificatie doorgevoerd door tweede geïntimeerde, en meent hij dat hij zich dient te houden aan de werkelijke kenmerken van het voertuig. Overeenkomstig de Instructie B1/43.12/87-13 van tweede geïntimeerde werden de criteria opgenomen in de aanschrijvingen nrs. 10 en 25 uitgewerkt door tweede geïntimeerde in samenwerking met het ministerie van Financiën. Naar luid van punt 4 van de gecoördineerde tekst van de aanschrijving nr. 10/25 zijn "(de) criteria (ter differentiatie van personenauto's, auto's voor dubbel gebruik enerzijds, en lichte vrachtwagens anderzijds) geldig voor de BTW, de inschrijvingstaks, de verkeersbelasting en voor het ministerie van Verkeerswezen-Bestuur van het Vervoer (goedkeuring van de voertuigtypes en inschrijving)". 2003/AR/2142 17 zesde fiscale kamer Krachtens punt 11 van de aanschrijving nr. 10/25 gebeurt de bepaling van de aard van elk voertuigtype op basis van deze criteria door tweede geïntimeerde, in de vorm van een serienummer. Op basis van de samenlezing van bovenstaande administratieve teksten menen eerste en derde geïntimeerden dat appellant gehouden is door de inhoud van de processen-verbaal van goedkeuring m.b.t. de aard van het betreffende voertuigtype. Nochtans betwisten eerste en derde geïntimeerden de toepasselijkheid van de aanschrijvingen nrs. 10 en 25, waar het erop aankomt de litigieuze voertuigen te beschouwen als wagens voor dubbel gebruik dan wel als lichte vrachtwagens. Hierboven werd geoordeeld dat zij dit met recht betwisten (zie supra nr. 4). De processen-verbaal van goedkeuring steunen op de criteria van diezelfde aanschrijvingen nrs. 10 en
- Eerste en derde geïntimeerden kunnen derhalve die aanschrijvingen nrs. 10 en 25 niet in hun voordeel inroepen, waar het erop aankomt de processen-verbaal van goedkeuring, waarvan de onjuistheid vaststaat en die overigens werd rechtgezet, alsnog in aanmerking te doen aannemen. Appellant betoogt met recht dat de werkelijke kenmerken van de litigieuze voertuigen in aanmerking moeten worden genomen bij de beoordeling van het recht op aftrek van de BTW.
- Eerste geïntimeerde tekent incidenteel beroep aan, in geval het hoofdberoep ontvankelijk en gegrond wordt verklaard. Zij vordert dan tweede geïntimeerde te veroordelen tot terugbetaling van de ten onrechte ingehouden BTW, meer de inmiddels vervallen interesten en de kosten. Tweede geïntimeerde tekent incidenteel beroep aan wat betreft de vordering in tussenkomst, gemeenverklaring en vrijwaring, die de 2003/AR/2142 18 zesde fiscale kamer eerste rechter, volgens hem, ten onrechte onontvankelijk verklaarde. Hij vraagt die vordering minstens ongegrond te verklaren. Overeenkomstig artikel 705, tweede lid, Ger. W. mag de minister, die in de zaak betrokken is, niet betwisten dat het voorwerp van het geschil tot de bevoegdheid van zijn departement behoort, tenzij hij tevens de betrokken minister in zijn plaats stelt, hetgeen geschiedt bij eenvoudige conclusie. Tweede geïntimeerde betoogt dat appellant, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, overeenkomstig artikel 705, tweede lid, Ger. W. tweede geïntimeerde in de plaats had kunnen stellen, indien de zaak tot de bevoegdheid van tweede geïntimeerde behoort. Nu het geschil een BTW-schuld betreft, hetgeen tot de bevoegdheid van het departement van Financiën behoort, had eerste geïntimeerde geen belang meer om tweede geïntimeerde in de zaak te betrekken, aldus tweede geïntimeerde. Derhalve heeft eerste geïntimeerde geen belang meer om tweede geïntimeerde in de zaak te betrekken, aangezien de Belgische Staat reeds in de zaak vertegenwoordigd is, en is de vordering in tussenkomst, vrijwaring en gemeenverklaring onontvankelijk op grond van artikel 17 Ger. W., aldus nog tweede geïntimeerde. Appellant had geen enkele reden om te betwisten dat het voorwerp van het geschil tot de bevoegdheid van zijn departement behoort. Het geschil betreft immers een BTW-schuld. Artikel 705, tweede lid, Ger. W. is in deze niet toepasselijk. De eerste rechter verklaarde de vordering in tussenkomst, vrijwaring en gemeenverklaring terecht ontvankelijk. 2003/AR/2142 19 zesde fiscale kamer
- Eerste geïntimeerde steunt haar vordering in tussenkomst, vrijwaring en gemeenverklaring tegen tweede geïntimeerde op dezes fout, bestaand in de schending van het vertrouwensbeginsel: nu tweede geïntimeerde de litigieuze voertuigen als lichte vrachtwagen had erkend, mocht eerste geïntimeerde erop vertrouwen dat de BTW voor deze voertuigen volledig aftrekbaar was. De volledige aftrekbaarheid van de BTW was voor haar juist het doorslaggevend argument bij haar keuze voor het model Chrysler Voyager Crew Cab. Op basis van de classificatie doorgevoerd door tweede geïntimeerde, mocht eerste geïntimeerde er inderdaad rechtmatig op vertrouwen dat de litigieuze voertuigen werkelijk lichte vrachtwagens zijn en dat zij aldus recht had op de volledige afrek van de BTW. Tweede geïntimeerde kan dit niet ernstig betwisten, nu punt 4 van de aanschrijvingen nrs. 10 en 25, die zij in samenwerking met appellant had uitgewerkt, juist bepaalt dat de criteria ter differentiatie van personenauto's, auto's voor dubbel gebruik enerzijds, en lichte vrachtwagens anderzijds, geldig zijn voor de BTW. Eerste geïntimeerde kan in haar verhouding met tweede geïntimeerde wel de aanschrijvingen nrs. 10 en 25 inroepen, welke verhouding immers niet de BTW betreft, dan wel de aansprakelijkheid van tweede geïntimeerde. Tweede geïntimeerde houdt nog staande dat de classificatie die zij doorvoerde geen gerechtvaardigd vertrouwen bij eerste geïntimeerde kon verwekken dat de BTW-administratie zonder onderzoek de classificatie zou overnemen. Zoals hierboven gesteld is dit echter het geval niet. Eerste geïntimeerde mocht erop vertrouwen dat de BTW-administratie na onderzoek de classificatie wel zou overnemen. 2003/AR/2142 20 zesde fiscale kamer De schending van het beginsel van behoorlijk bestuur, dat het vertrouwensbeginsel is, levert een fout in hoofde van het bestuur, tweede geïntimeerde, op. Wat het oorzakelijk verband betreft, noemt tweede geïntimeerde het een veronderstelling dat eerste geïntimeerde de litigieuze voertuigen niet zou hebben gekocht, maar voor een ander model van lichte vrachtwagen zou hebben gekozen, indien zij had geweten dat de BTW niet volledig aftrekbaar was. Volgens tweede geïntimeerde is zekerheid, anders gezegd, een noodzakelijk verband tussen fout en schade vereist. De erkenning door tweede geïntimeerde van de Chrysler Voyager Crew Cab als lichte vrachtwagen gebeurde in de processen-verbaal van goedkeuring, afgeleverd in juni 1992 met bijlage 1 afgeleverd op 9 mei
- Het stuk 4 van de bundel van eerste geïntimeerde betreft publiciteit van derde geïntimeerde, waarin de mogelijkheid tot inschrijving als bedrijfswagen en de volledige aftrekbaarheid van de BTW worden gepropageerd. Eerste geïntimeerde kocht de ene Chrysler Voyager Crew Cab op 17 augustus 1994 en leasde de andere Chrysler Voyager Crew Cab op 24 augustus
- Achteraf bleek dat tweede geïntimeerde een verkeerde classificatie als lichte vrachtwagen had doorgevoerd, welke classificatie zij achteraf ook rechtzette, waardoor ook de publiciteit van derde geïntimeerde misleidend bleek te zijn. Het is duidelijk dat zonder de verkeerde classificatie van tweede geïntimeerde, er ook geen misleidende publiciteit van derde geïntimeerde zou geweest zijn. Eerste geïntimeerde zou dan hebben geweten dat zij voor het betreffende voertuigtype geen recht op volledige aftrek van de BTW had. 2003/AR/2142 21 zesde fiscale kamer Of eerste geïntimeerde dan ook zou hebben gekozen voor een ander voertuig, waarvoor zij wel recht op volledige aftrek van de BTW had, is geenszins bewezen. Niets toont aan dat eerste geïntimeerde zich bij de keuze van de Chrysler Voyager Crew Cab uitsluitend liet leiden door de BTW-voordelen gepropageerd in de Chrysler-publiciteit, en niet door de andere kwalititeiten van het voertuig die eveneens in die publiciteit werden geprezen. De eerste rechter verklaarde de vordering in tussenkomst, vrijwaring en gemeenverklaring terecht ongegrond.
- Op de zitting verklaarden partijen zich akkoord omtrent het basisbedrag van 900,00 EUR van de rechtsplegingvergoeding. OM DEZE REDENEN, HET HOF, rechtsprekend na tegenspraak, Gelet op art 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Verklaart het hoofdberoep en de incidentele beroepen alle ontvankelijk, doch enkel het hoofdberoep in de hierna bepaalde mate gegrond, Hervormt het bestreden vonnis als volgt, Verklaart de hoofdvordering van eerste geïntimeerde tegen appellant ontvankelijk, doch ongegrond, Veroordeelt eerste geïntimeerde tot de kosten van beide aanleggen, in hoger beroep aan de zijde van appellant begroot op het bedrag van 900,00 EUR, aan de zijde van eerste geïntimeerde 2003/AR/2142 22 zesde fiscale kamer begroot op het bedrag van 900,00 EUR, aan de zijde van tweede geïntimeerde begroot op het bedrag van 900,00 EUR, en aan de zijde van derde geïntimeerde begroot op het bedrag van 900,00 EUR. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de zesde fiscale kamer van het hof van beroep te Brussel, op alwaar aanwezig waren en zitting namen : - P. Vandermotten, alleenzetelend raadsheer, - C. De Nollin, griffier. C. De Nollin. P. Vandermotten. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div