id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 28 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090528.18 Rolnummer: 2001/AR/2521 Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2009-09-10 Raadplegingen: 100 - laatst gezien 2026-07-02 19:51 Fiche UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - PERSONENBELASTING - Grondslag - Diverse inkomsten Vrije woorden: Herkwalificatieregel art. 18,1e lid, 3° WIB/92 92 - Van toepassing op vanaf 27 maart 1992 betaalde of toegekende intresten - Arrest Grondwettelijk Hof 10/5/2006 - In casu niet van toepassing Datum van toekenning of betaalbaarstelling intresten - Saldo op een rekening-courant - Onmiddellijke betaling met intresten vorderbaar - Intresten toegekend Datum toekenning/betaalbaarstelling vermeld in aangifte van roerend voorheffing - Artikel 267 WIB/92 - Fictiebepaling - Intresten worden, ongeacht hun werkelijke datum van toekenning, geacht te zijn toegekend op de datum van inschrijving op een rekeningOvereenkomst afgesloten met bestuurder - Verzaking aan een gedeelte van de intresten op rekening courant - Overeenkomst teneinde herkwalificatie te vermijden - Twijfel omtrent juiste datum overeenkomst niet relevant - Intresten ten laste van resultatenrekening genomen - Inkomstenbelasting te heffen over de bij de wet bepaalde inkomsten op grond van de door de belastingplichtige werkelijk gehanteerde juridische constructie - Geen veinzing - alle rechtsgevolgen van de overeenkomst aanvaard Tekst van de beslissing HOF van BEROEP te BRUSSEL Zesde fiscale kamer Nr. van de zaak : 2001/AR/2521 Openbare terechtzitting van 28/5/09 IN ZAKE VAN : De N.V. INTERLEX, met maatschappelijke zetel te 1050 Brussel, Ernest Solvaystraat 25, appellante, ter terechtzitting vertegenwoordigd door meester P. SOETE, loco meester Johan DUMON, advocaat, met kantoor gevestigd te 1000 Brussel, Verenigingstraat 57/
- TEGEN:
- De BELGISCHE STAAT, ministerie van Financiën, administratie der directe belastingen, in de persoon van de gewestelijke directeur van Brussel I, vennootschappen, wiens kantoren zijn gevestigd te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan 50 bus 330,
- De BELGISCHE STAAT, ministerie van Financiën, in de persoon van de minister van Financiën, wiens kabinet is gevestigd te 1000 Brussel, Wetstraat 12, geïntimeerden, ter terechtzitting vertegenwoordigd door meester COLOGNE, loco meester Philippe DECLERCQ, advocaat, met kantoor gevestigd te 1050 Brussel, Louizalaan
- ***** R. EINDARREST - gegrond 2001/AR/2521 2 zesde fiscale kamer In deze zaak spreekt het hof volgend arrest uit. PROCEDURE Gelet op de procedurestukken, inzonderheid het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 8 juni 2001, waarvan geen betekeningakte wordt voorgelegd, en waartegen hoger beroep werd aangetekend bij verzoekschrift op de griffie van het hof neergelegd op 9 oktober
- FEITEN EN BESTREDEN BESLISSING De oorspronkelijke vordering strekte tot vernietiging van de aanvullende aanslagen in de vennootschapsbelasting voor de aanslagjaren 1992 en 1993, op naam van appellante gevestigd onder artikel nr. 844400337 (aanslagjaar 1992) en artikel nr. 844403126 (aanslagjaar 1993) van de rollen van de gemeente Elsene, na toepassing van de wijzigingsprocedure. Aan de belastbare basis van de betwiste aanslagen werden interesten van rentegevende voorschotten toegevoegd, welke interesten bij toepassing van artikel 18, eerste lid, 3° WIB
(1992)werden geherkwalificeerd in dividenden, ten belope van 659.700 BEF (aanslagjaar 1992) en 136.187 BEF (aanslagjaar 1993). De gewestelijke directeur had voordien, bij beslissing van 24 november 1999, voor het aanslagjaar 1993 de aldus geherkwalificeerde dividenden herleid tot het bedrag van 88.726 BEF, teneinde rekening te houden met de belastbare reserves op 1 januari 1993, wat de taxatieambtenaar had nagelaten te doen, en had dienovereenkomstig een ontheffing verleend. Hij had de bezwaarschriften voor het overige afgewezen. De eerste rechter was voor beide aanslagjaren van oordeel dat het totaal bedrag van de rentegevende voorschotten hoger was dan het gestort kapitaal verhoogd met de belastbare reserves bij het begin van het belastbare tijdperk, wat overigens door appellante niet werd 2001/AR/2521 3 zesde fiscale kamer betwist. Hij was verder van oordeel dat geïntimeerde terecht overging tot herkwalificatie. De eerste rechter wees de vordering dienvolgens af als ongegrond, en veroordeelde appellante tot de kosten. GRIEVEN Wat betreft het aanslagjaar 1992 verdedigt appellante dat de uitbetaalde interesten zowel volgens het gemeen recht werden verworven, als in fiscale zin werden toegekend of betaalbaar werden gesteld, vóór 27 maart 1992, zodat artikel 18, eerste lid, 3° WIB
(1992), van toepassing op vanaf 27 maart 1992 betaalde of toegekende interesten, in deze niet toepasselijk is. Wat betreft het aanslagjaar 1993 beroept appellante zich op de overeenkomst die zij afsloot met haar bestuurder, naar luid van welke overeenkomst deze geen recht op enige interestvergoeding had voor de periode van 28 maart 1992 tot 31 december 1992. Appellante vordert het bestreden vonnis te vernietigen, en dienvolgens de directeursbeslissing van 24 november 1999 te vernietigen, en de betwiste aanslagen, zoals door de directeursbeslissing bevestigd, te ontheffen. Zij vraagt tevens geïntimeerde te veroordelen tot terugbetaling van alle sommen, die op grond van deze aanslagen zouden zijn geïnd, vermeerderd met de moratoriuminteresten van artikel 418 WIB
(1992). Zij nodigt tenslotte het hof uit geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen. Geïntimeerde vraagt het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren, en appellante te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen. 2001/AR/2521 4 zesde fiscale kamer BEOORDELING 1. Artikel 18, eerste lid, 3° WIB
(1992)bepaalde, na de vervanging ervan bij artikel 1, 1° van de wet van 28 juli 1992 houdende fiscale en financiële bepalingen, en vóór de wijziging ervan bij artikel 3, 1° van het koninklijk besluit van 20 december 1996 houdende diverse fiscale maatregelen, met toepassing van de artikelen 2, eerste paragraaf en 3, eerste paragraaf, 2° en 3° van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie: "Dividenden omvatten: (...) 3° interest van voorschotten wanneer één van de volgende grenzen wordt overschreden en in de mate van die overschrijding: ofwel de in artikel 55 gestelde grens, ofwel wanneer het totaal bedrag van de rentegevende voorschotten hoger is dan het gestort kapitaal verhoogd met de belaste reserves bij het begin van het belastbare tijdperk". 2. Wat betreft het aanslagjaar 1992, slaat de betwisting op de datum waarop de litigieuze interesten werden toegekend. Krachtens artikel 47, zesde paragraaf, van de wet van 28 juli 1992 houdende fiscale en financiële bepalingen, is de herkwalificatie-regeling van artikel 18, eerste lid, 3° WIB
(1992)van toepassing op vanaf 27 maart 1992 betaalde of toegekende interesten. In het arrest van 10 mei 2006 besliste het Grondwettelijk Hof dat artikel 47, zesde paragraaf, van de wet van 28 juli 1992 houdende fiscale en financiële bepalingen, in zoverre het artikel 18, eerste lid, 3°, tweede streepje, WIB
(1992), zoals het werd ingevoegd bij artikel 1, 1° van de wet van 28 juli 1992, toepasselijk maakt op de berekening van de vennootschapsbelasting die verschuldigd is door een N.V. die aan een van haar bestuurders een interest heeft betaald of toegekend die door die bepaling wordt beoogd, tussen 27 maart en 28 juli 1992, gedurende een belastbaar tijdperk dat werd afgesloten vóór 10 augustus 1992, datum van inwerkingtreding van 2001/AR/2521 5 zesde fiscale kamer de wet, het gelijkheidsbeginsel schendt (Grondwettelijk Hof 10 mei 2006, nr. 72/2006). Appellante hield tijdens het in het geding zijnde aanslagjaar 1992 haar boekhouding per kalenderjaar, zoals blijkt uit haar aangifte voor het aanslagjaar 1992, zodat haar belastbare periode, lopende op 27 maart 1992, werd afgesloten op 31 december 1992. Appellante bevindt zich derhalve niet in de toestand van een N.V. bedoeld in voormeld arrest van het Grondwettelijk Hof, en houdt overigens niet het tegendeel staande. De eerste rechter verwierp de stelling van appellante, naar luid waarvan creditinteresten verschuldigd op sommen, geboekt in rekening-courant, worden geacht van dag tot dag te zijn verworven, en besloot dat rekening dient te worden gehouden met de datum van toekenning of betaalbaarstelling van de interesten, vermeld in de aangifte in de roerende voorheffing, zijnde 13 april 1992, hetzij na 27 maart 1992, zodat geïntimeerde terecht de interesten herkwalificeerde in dividenden. Appellante betoogt, onder verwijzing naar de rechtsleer (H. DE PAGE, Traité élémentaire de droit civil belge, t. V, Brussel, Bruylant, 1975, nr. 143), dat overeenkomstig het burgerlijk recht de begunstigde van het saldo van de rekening-courant op ieder ogenblik terugbetaling van dat saldo met interesten kan vorderen, wat impliceert dat de interesten verschuldigd op een saldo van een rekening-courant een dag na dag verworven karakter hebben. Derhalve zijn de interesten, naar de mening van appellante, onmiddellijk opvraagbaar, hetgeen inhoudt dat ze zijn toegekend. De eerste rechter verwierp deze argumentering, om reden dat de geciteerde rechtsleer de onmiddellijke verschuldigdheid uitsluitend behandelt in het kader van de eenzijdige verbreking van de overeenkomst, d.w.z. in het kader van de beëindiging van de tussen partijen bestaande rekening-courant, en om reden dat de onmiddellijke verschuldigdheid vaak slechts theoretisch is, 2001/AR/2521 6 zesde fiscale kamer aangezien de rechter overeenkomstig de artikelen 1900 en 1244, tweede lid, B.W. een uitstel van betaling kan verlenen. Toekenning is het ter beschikking stellen van inkomsten aan de genieter (Cass. 28 februari 1974, Arr. Cass. 1974, 721). Betaling verwijst naar het nakomen van een verplichting (P. SMET, Handboek Roerende Voorheffing, Kalmthout, Biblo, 2003, nr. 669). De door de eerste rechter bedoelde toepassing van de artikelen 1900 en 1244, tweede lid, B.W. doelen op de betaling, om uitstel waarvan de schuldenaar verzoekt. Appellante stelt terecht dat dit niet de algemene regel, maar de uitzondering is. Wanneer de schuldenaar de rechter om een uitstel verzoekt op grond van de artikelen 1900 en 1244, tweede lid, B.W., had de toekenning reeds plaats. De overwegingen van de eerste rechter doen derhalve geen afbreuk aan het feit dat de begunstigde van een saldo op een rekening-courant er de onmiddellijke betaling met interesten kan vorderen. De interesten werden derhalve wel degelijk toegekend. Er moet derhalve worden besloten dat de uitbetaalde interesten, zoals vermeld in de resultatenrekening van het aanslagjaar 1992 (balans 31 december 1991) vóór 27 maart 1992 werden verworven. Geïntimeerde werpt hiertegen verkeerdelijk op dat indien wordt aangenomen dat de bestuurder van appellante over de interesten reeds kon beschikken op een datum voorafgaand aan 27 maart 1992, dit inhoudt dat artikel 267 WIB
(1992)niet werd nagekomen. De aangifte in de roerende voorheffing vermeldt inderdaad 13 april 1992 als de datum van toekenning of betaalbaarstelling van de interesten. De aangifte gebeurde overeenkomstig artikel 267 WIB
(1992), dat bepaalt dat de toekenning of betaalbaarstelling van de inkomsten de opeisbaarheid van de roerende voorheffing met zich meebrengt. Geïntimeerde ziet over het hoofd dat artikel 267 WIB 2001/AR/2521 7 zesde fiscale kamer
(1992)een fictiebepaling is, volgens dewelke interesten, ongeacht hun werkelijke datum van toekenning, worden geacht te zijn toegekend op de datum van inschrijving op een rekening. Overigens, indien de datum van 13 april 1992 in aanmerking wordt genomen als de datum van toekenning of betaalbaarstelling, zoals wordt voorgestaan door geïntimeerde, hierin gevolgd door de eerste rechter, stelt zich wel een probleem wat betreft het éénjarigheidsbeginsel, bepaald in artikel 360 WIB
(1992), zoals appellante terecht opmerkt. De interesten werden dan immers toegekend tijdens het aanslagjaar 1993, zodat geïntimeerde verkeerdelijk tot herkwalificatie overging voor het aanslagjaar
- Het hoger beroep is gegrond wat betreft het aanslagjaar
- Wat betreft het aanslagjaar 1993 slaat de betwisting op de overeenkomst die appellante met haar bestuurder afsloot op 27 maart 1992, naar luid van welke overeenkomst (stuk 226 van het administratief dossier): "Overwegende dat Lucas Bergkamp een vordering in rekening-courant heeft op (appellante). Overwegende dat Lucas Bergkamp bereid is voor een beperkte periode geen interesten op deze rekening-courant aan te rekenen. Zijn de partijen als volgt overeengekomen: Artikel
- (Appellante) is Lucas Bergkamp slechts interesten op zijn rekening-courant verschuldigd tot en met 27 maart
- De gebruikelijke interest tarieven zullen toegepast worden. Artikel
- Vanaf 28 maart 1992 tot en met 31 december 1992 zal (appellante) aan Lucas Bergkamp geen interesten op zijn rekening-courant verschuldigd zijn. Lucas Bergkamp zal geen enkel recht hebben, ook niet een toekomstig recht, op enige interestvergoeding gedurende deze periode". 2001/AR/2521 8 zesde fiscale kamer Appellante preciseert in conclusie dat aldus werd overeengekomen, ten einde een herkwalificatie in dividenden te vermijden. De eerste rechter oordeelde aangaande deze overeenkomst dat appellante en haar bestuurder een constructie opzetten met de bedoeling de rekening-courant van de bestuurder, op het ogenblik waarop het boekjaar werd afgesloten, kunstmatig te splitsen in een rentegevend en een renteloos gedeelte, teneinde te vermijden dat de op de voorschotten in rekening-courant bedongen interesten als dividenden zouden worden geherkwalificeerd. De eerste rechter volgde aldus het standpunt van geïntimeerde, naar luid waarvan de verzaking aan een gedeelte van de interesten geen afzonderlijke lening tot stand brengt en de gehele lening als rentegevend moet worden beschouwd. De eerste rechter steunde zijn oordeel op het gebrek aan vaste datum van de overeenkomst, op het feit dat de datum van 27 maart 1992 niet kan kloppen, aangezien op die datum de wet van 28 juli 1992 nog niet was gepubliceerd (de publicatie gebeurde in het Belgisch Staatsblad van 31 juli 1992), en op het feit dat de overeenkomst pas voor de eerste maal werd voorgelegd als antwoord op het bericht van wijziging van 31 augustus 1994, welk antwoord dateert van 29 september 1994, datum die ook voorkomt onder de handtekening van de bestuurder. De eerste rechter besloot dat er redelijkerwijs van kan worden uitgegaan dat de overeenkomst dateert van 1994, terwijl de verzaking reeds werd verwerkt in de resultatenrekening boekjaar 1992, die reeds werd goedgekeurd door de algemene vergadering van 15 maart
- Dat grote twijfels toegelaten zijn aangaande de door appellante in haar antwoord op het bericht van wijziging vooropgestelde datum van 27 maart 1992 van de overeenkomst, mag nog blijken uit het feit dat het exemplaar van de overeenkomst, door appellante op de zitting neergelegd, nog een andere datum vermeldt, nl. 30 januari
- 2001/AR/2521 9 zesde fiscale kamer Appellante noemt de datum van de overeenkomst niet relevant, nu, zoals de wetgever met terugwerkende kracht wetgeving mag invoeren, het ook de belastingplichtige vrijstaat om met terugwerkende kracht af te zien van de interesten. Zij herinnert eraan dat overeenkomstig vaste cassatierechtspraak de inkomstenbelastingen op grond van de door de belastingplichtige werkelijk gehanteerde juridische constructie over de bij de wet bepaalde inkomsten moeten worden geheven. Het hof treedt het standpunt van appellante bij. De twijfel omtrent de juiste datum van de overeenkomst doet geen afbreuk aan het feit dat ten laste van de resultatenrekening van het boekjaar 1992 het bedrag van 261.187 BEF aan interesten werd ten laste genomen, betrekking hebbende op de in de overeenkomst bedoelde periode van 1 januari tot 27 maart
- Omdat de interesten ten laste van de resultatenrekening werden genomen, kan er geen sprake zijn van veinzing. Appellante aanvaardde immers alle rechtsgevolgen van de overeenkomst. Veinzing wordt overigens door geïntimeerde niet aangevoerd. De overweging van de eerste rechter, naar luid waarvan "deze verzaking aan een gedeelte van de interest (brengt) geen afzonderlijke renteloze lening tot stand. De ganse lening moet daarentegen als rentedragend worden beschouwd (in dezelfde zin, zie GAUBLOMME, H., noot onder Brussel, 20 januari 1999, T.F.R., 1999, 504)" doet hier niet terzake, vermits appellante zich niet beroept op het bestaan van een afzonderlijke renteloze lening, maar de verzaking van een gedeelte van de interesten aanvoert. Op de zitting wierp het hof ambtshalve de toepassing van artikel 344, eerste paragraaf, WIB
(1992)op betreffende de overeenkomst tussen appellante en haar bestuurder. Partijen gedroegen zich op de zitting dienaangaande naar de wijsheid van het hof. Deze bepaling trad in werking op 31 maart
- 2001/AR/2521 10 zesde fiscale kamer De juiste datum van de overeenkomst staat niet vast. Nu, zoals de eerste rechter vaststelde, de verzaking reeds werd verwerkt in de resultatenrekening boekjaar 1992, die reeds werd goedgekeurd door de algemene vergadering van 15 maart 1993, werd de overeenkomst alleszins vóór 31 maart 1993, datum van inwerkingtreding van voormelde anti-misbruikbepaling afgesloten. Deze bepaling kan te dezen dan ook niet worden toegepast. Het hoger beroep is eveneens gegrond wat betreft het aanslagjaar
- Op de zitting verklaarden partijen zich akkoord omtrent het basisbedrag van 2.000,00 EUR van de rechtsplegingvergoeding. OM DEZE REDENEN, HET HOF, rechtsprekend na tegenspraak, Gelet op art 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond, Hervormt het bestreden vonnis, Beveelt de ontheffing van de aanvullende aanslagen in de vennootschapsbelasting voor de aanslagjaren 1992 en 1993, artikel nr. 844400337 (aanslagjaar 1992) en artikel nr. 844403126 (aanslagjaar 1993), Veroordeelt geïntimeerde tot terugbetaling van alle sommen, die op grond van deze aanslagen zouden zijn geïnd, vermeerderd met de moratoriuminteresten van artikel 418 WIB
(1992), 2001/AR/2521 11 zesde fiscale kamer Veroordeelt geïntimeerde tot de kosten van beide aanleggen, in hoger beroep aan de zijde van appellante begroot op het bedrag van 2.000,00 EUR, en aan de zijde van geïntimeerde op het bedrag van 2.000,00 EUR. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de zesde fiscale kamer van het hof van beroep te Brussel, op alwaar aanwezig waren en zitting namen : - P. Vandermotten, alleenzetelend raadsheer, - C. De Nollin, griffier. C. De Nollin. P. Vandermotten. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div