id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour d'appel de Bruxelles Jugement/arrêt du 02 juin 2009 No ECLI: ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090602.4 No Rôle: 2007AR1625 Domaine juridique: Droit civil Date d'introduction: 2009-06-15 Consultations: 153 - dernière vue 2026-07-02 19:53 Fiche I. Artikel 1593 B.W. doelt op kosten die gemaakt moeten worden om juridische zekerheid te creëren rond een welbepaalde rechtshandeling. Dit is o.a. het geval met registratierechten die verschuldigd zijn om aan een overeenkomst vaste datum te geven en bijgevolg betaald moeten worden omwille van het ontstaan van een rechtshandeling of een overeenkomst. De BTW verplichtingen hebben integendeel geen uitstaans met het ontstaan van een contract of een rechtshandeling maar is verschuldigd omwille van de uitvoering van een overeenkomst, in casu de levering van goederen in het kader van een koop - verkoopovereenkomst. De reden overigens waarom de kosten die verband houden met het ontstaan van een overeenkomst of een rechtshandeling ten laste gelegd worden van de koper is dat het deze partij is die hieraan het meeste voordeel heeft. De koper heeft er inderdaad belang bij van te beschikken over een betrouwbare eigendomstitel terwijl de verkoper, bij gebreke hieraan, hoe dan ook eigenaar blijft van zijn goed. De koper haalt echter geen enkel voordeel uit het betalen van BTW gezien vanaf het bestaan van de overeenkomst de verkoper hoe dan ook verplicht is tot leveren. Of hierbij al dan niet BTW wordt betaald ontneemt de verplichting niet in hoofde van de verkoper om tot levering van de goederen over te gaan, voorwerp van de afgesloten koop - verkoopovereenkomst. De BTW maakt bovendien deel uit van de prijs. Artikel 1593 B.W. is in deze dan ook niet van toepassing en de bestreden vonnissen worden op dit punt bevestigd. II. Tijdens de onderhandelingsfase - d.i. zolang er nog geen juridische binding bestaat tussen partijen - zijn de partijen niettemin jegens elkaar tot een bijzondere zorgvuldigheidsplicht gehouden. Deze zorgvuldigheidsplicht uit zich o.a. in een informatieverplichting waartoe zij over en weer gehouden zijn. De schending van een dergelijke pre - contractuele verplichting leidt tot de verplichting om, op grond van artikel 1382 e.v., de aan de wederpartij berokkende schade te herstellen . Het is dan ook ten onrechte dat de eerste rechter oordeelde dat gelet op de contractuele relatie tussen partijen artikel 1382 B.W. geen toepassing kon vinden. Thésaurus UTU: DROIT CIVIL - OBLIGATIONS CONVENTIONNELLES - Formation des conventions - Responsabilité précontractuelle DROIT CIVIL - OBLIGATION (QUASI) DELICTUELLE - Responsabilité directe - Faute - acte - Imprudence - négligence DROIT CIVIL - CONTRATS SPÉCIAUX - Vente - Obligations de l'acheteur DROIT CIVIL - PRESCRIPTION (DROIT CIVIL) - Durée - Délais généraux de prescription - 10 ans actions personnelles Mots libres: Verkoop. Verkoop van voertuigen - BTW - Vrijstelling van BTW - Precontractuele aansprakelijkheid (artikelen 1382-1383 B.W.) - Verjaring - Kosten van de verkoop die ten laste zijn van de koper. Bases légales: ancien Code Civil - Artikel 1593 Arrêté Royal - 29-12-1992 - Artikel 3 Code de la taxe sur la valeur ajoutée - Artikel 39bis ancien Code Civil - Artikel 1382 Texte de la décision ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2009/ A.R. nr. 2007/AR/1625 INZAKE VAN : De naamloze vennootschap CEGEAC, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 1030 BRUSSEL (Schaerbeek), Jacques Georginlaan 11-13, ingeschreven in het handelsregister te Brussel onder het nummer 464.971, ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 0426.452.184, appellante tegen de vonnissen uitgesproken door de rechtbank van koophandel te Brussel op 11 maart 2005 en 23 maart 2006, vertegenwoordigd door Meester Daniel GARABEDIAN, advocaat te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan 3, 1ste kamer TEGEN : De vennootschap naar Frans recht SARL IDEAL IMPORT EXPORT, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te F-68.120 RICHWILLER (FRANKRIJK), rue du Moulin 4A, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester France WILMET, advocaat te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 149/16, Gelet op de procedurestukken: · de voor eensluidend verklaarde afschriften van de vonnissen uitgesproken door de rechtbank van koophandel te Brussel op 11 maart 2005 en op 23 maart 2006, beslissingen waarvan geen akte van betekening wordt overgelegd; · het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 14 juni 2007; · de syntheseconclusie van appellante neergelegd ter griffie op 14 december 2007; · de syntheseconclusie van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 28 december 2007. Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 27 april 2009 en gelet op de stukken die zij neerlegden. Het hoger beroep werd regelmatig naar vorm en termijn ingesteld en is bijgevolg ontvankelijk. I. Voorwerp van de vorderingen. 1.1. De oorspronkelijke eis van appellante strekte ertoe geïntimeerde en de BVBA Selection (niet meer inzake) in solidum te horen veroordelen tot betaling van een bedrag van (
- a)327.603,94 euro plus de compensatoire intresten tegen de wettelijke intrestvoet sinds 21 september 2001 en (
- b)het bedrag van 23.266,53 euro zijnde de intresten aan de wettelijke intrestvoet op het bedrag van 183.815,63 euro sinds 19 december 2001 tot 9 oktober 2003, datum waarop dat bedrag door de Belgische Staat aan haar is teruggestort. Zij vroeg tevens om haar akte te verlenen dat zij onmiddellijk na betaling door de oorspronkelijke verweerders een factuur voor de BTW zou opstellen. 1.2. De BVBA Selection stelde een tegenvordering in en vroeg de veroordeling van appellante tot betaling van een bedrag van 5.000 euro plus de gerechtelijke intresten wegens het instellen van een tergend en roekeloos geding. 1.3. De eerste rechter heeft bij tussenvonnis van 11 maart 2005 de heropening van de debatten bevolen m.b.t. de werkelijke toedracht van de rechtsverhoudingen tussen partijen. 1.4. Bij eindvonnis van 23 maart 2006 heeft de eerste rechter (
- a)de (hoofd)vordering ontvankelijk doch ongegrond verklaard, (
- b)de tegenvordering tevens ontvankelijk doch ongegrond verklaard en (
- c)appellante veroordeeld in de kosten van het geding. 1.5. Het hoger beroep van appellante beoogt in hoofdorde de toekenning te horen bekomen van haar aanvankelijke vordering met dien verstande dat zij zich in hoger beroep enkel richt tegen geïntimeerde en niet meer tegen de BVBA Selection gezien deze laatste vennootschap inmiddels failliet werd verklaard en geen activa meer heeft. In ondergeschikte orde vraagt zij de betaling van een bedrag van 163.801,97 euro plus de intresten en van een bedrag van 11.633,27 euro . 1.6. Geïntimeerde vraagt het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren wat impliciet neerkomt op een bevestiging van de bestreden beslissingen. II. De Feiten. 2.1. De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar de bestreden vonnissen. 2.2. Samengevat komt het hierop neer dat appellante de Belgische concessiehouder is van het merk Ford die naast nieuwe voertuigen ook regelmatig tweedehands voertuigen te koop stelt. Geïntimeerde is een vennootschap naar Frans recht die groothandelaar is in tweedehands voertuigen dewelke zij doorverkoopt aan autoverkopers gespecialiseerd in de verkoop aan eindgebruikers. Selection oefende een gelijkaardige activiteit uit in België. In totaal werden er 213 voertuigen verkocht waarvoor appellante telkens een factuur opstelde met vrijstelling van de BTW wegens intracommunautaire levering van België aan Frankrijk overeenkomstig artikel 39bis, eerste lid, 1° van het BTW - wetboek. In de loop van 2001 deelde de Belgische BTW - administratie aan appellante mede dat gezien 196 van die voertuigen door de koper (= geïntimeerde) niet in Frankrijk werden ingevoerd doch integendeel rechtstreeks verkocht werden op de Belgische markt (om nadien versast te worden richting Duitsland) de vrijstellingsvoorwaarden niet vervuld waren en zij bijgevolg een bedrag diende te betalen van 364.268,13 euro aan achterstallige BTW Appellante vraagt de terugbetaling van dit bedrag aan geïntimeerde. III. Wat de verjaring betreft: 3.1. Geïntimeerde is de mening toegedaan dat de vordering verjaard is - 5 jarige termijn voorzien in het BTW - wetboek van toepassing op vorderingen tot recuperatie van belastingen vanwege de BTW-administratie - omdat appellante na de betaling van de betwiste BTW in de rechten zou zijn getreden van de BTW - administratie wiens rechten zij thans zou uitoefenen. Door de betaling van de betwiste BTW heeft appellante een eigen schuld betaald en niet - zoals geïntimeerde ten onrechte voorhoudt - de schuld van een ander. 3.2. Persoonlijke rechtsvorderingen verjaren in principe door verloop van 10 jaar zodat de vordering ingesteld door appellante niet verjaard is. IV. Beoordeling. 4.1. Uit de neerlegde stukken (bestellingen, betalingen en facturen) blijkt afdoend dat enkel tussen huidige partijen in het geding een contractuele relatie bestond. Desbetreffend wordt verwezen naar de pertinente motieven van de eerste rechter die als volledig hernomen worden beschouwd . Alle overige door partijen ingeroepen feitelijkheden m.b.t. de rechtspositie van Selection in deze hele zaak steunen op loutere veronderstellingen en zijn niet van aard de juridische bewijzen die voorhanden zijn te ontkrachten. 4.2. Appellante beroept zich vooreerst op artikel 1593 B.W. dat bepaalt dat de kosten van de akten en andere bijkomende kosten van de koop ten laste komen van de koper. Zij is de mening toegedaan dat op basis van deze rechtsgrond geïntimeerde gehouden is de BTW te betalen die haar ten laste werd gelegd door de BTW - administratie. Artikel 1593 B.W. doelt op kosten die gemaakt moeten worden om juridische zekerheid te creëren rond een welbepaalde rechtshandeling. Dit is o.a. het geval met registratierechten die verschuldigd zijn om aan een overeenkomst vaste datum te geven en bijgevolg betaald moeten worden omwille van het ontstaan van een rechtshandeling of een overeenkomst. De BTW verplichtingen hebben integendeel geen uitstaans met het ontstaan van een contract of een rechtshandeling maar is verschuldigd omwille van de uitvoering van een overeenkomst, in casu de levering van goederen in het kader van een koop - verkoopovereenkomst. Het BTW - wetboek bepaalt overigens duidelijk dat leveringen van goederen en diensten die door een als zodanig handelend belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht, aan de belasting onderworpen zijn wanneer ze in België plaatsvinden. Onder levering dient dan weer verstaan te worden de overdracht of de overgang van macht om als eigenaar te beschikken over een lichamelijke zaak. De reden overigens waarom de kosten die verband houden met het ontstaan van een overeenkomst of een rechtshandeling ten laste gelegd worden van de koper is dat het deze partij is die hieraan het meeste voordeel heeft. De koper heeft er inderdaad belang bij van te beschikken over een betrouwbare eigendomstitel terwijl de verkoper, bij gebreke hieraan, hoe dan ook eigenaar blijft van zijn goed. De koper haalt echter geen enkel voordeel uit het betalen van BTW gezien vanaf het bestaan van de overeenkomst de verkoper hoe dan ook verplicht is tot leveren. Of hierbij al dan niet BTW wordt betaald ontneemt de verplichting niet in hoofde van de verkoper om tot levering van de goederen over te gaan, voorwerp van de afgesloten koop - verkoopovereenkomst. De BTW maakt bovendien deel uit van de prijs. Indien de verkoper de mening toegedaan is dat een bepaalde verkoop vrijgesteld is van BTW en een factuur opstelt in die zin is er een overeenkomst tussen partijen ontstaan omtrent de prijs van de verkoop. De verkoper kan dan niet achteraf - zelfs niet als hij zich vergist zou hebben m.b.t. de toepassing van een bepaling in het BTW - Wetboek - bijkomend toch BTW vragen gezien hij hierdoor eenzijdig terugkomt op de tussen partijen overeengekomen prijs. Komt hierbij nog dat in deze zaak zowel de koper als de verkoper BTW - plichtig zijn doch deze BTW niet meer recupereerbaar is voor geïntimeerde - periode van 5 jaar is verlopen - zodat het thans toch doorrekenen van BTW aan geïntimeerde des te meer neerkomt op een eenzijdige verhoging van de netto - prijs zoals die werd gefactureerd en destijds volledig betaald werd door de koper. Artikel 1593 B.W. is in deze dan ook niet van toepassing en de bestreden vonnissen worden op dit punt bevestigd. 4.3. Appelante verwijt verder aan geïntimeerde enerzijds te kort te zijn gekomen aan zijn precontractuele informatieverplichting wat een fout zou uitmaken in de zin van artikel 1382 e.v. B.W. en anderzijds de overeenkomst niet ter goeder trouw te hebben uitgevoerd zoals vereist door artikel 1146 B.W. Appellante is meer bepaald de mening toegedaan dat het aan geïntimeerde toekwam - vóór het sluiten van de eigenlijke koopovereenkomsten - haar in te lichten dat de aangekochte voertuigen niet bestemd waren voor Frankrijk doch in eerste instantie bestemd waren voor de Belgische markt. Tijdens de onderhandelingsfase - d.i. zolang er nog geen juridische binding bestaat tussen partijen - zijn de partijen niettemin jegens elkaar tot een bijzondere zorgvuldigheidsplicht gehouden. Deze zorgvuldigheidsplicht uit zich o.a. in een informatieverplichting waartoe zij over en weer gehouden zijn. De schending van een dergelijke pre - contractuele verplichting leidt tot de verplichting om, op grond van artikel 1382 e.v., de aan de wederpartij berokkende schade te herstellen . Het is dan ook ten onrechte dat de eerste rechter oordeelde dat gelet op de contractuele relatie tussen partijen artikel 1382 B.W. geen toepassing kon vinden. Artikel 39bis van het BTW - wetboek bepaalt dat van BTW zijn vrijgesteld de leveringen van goederen door de verkoper die vervoerd worden buiten België maar binnen de Europese Gemeenschap. Het K.B. nr. 52 van 29 december 1992 bepaalt verder het volgende: Artikel 1. De in artikel 39bis van het Wetboek bedoelde vrijstellingen zijn afhankelijk van het bewijs dat de goederen verzonden of vervoerd zijn buiten België maar binnen de Gemeenschap. Artikel 2: De in artikel 39bis, eerste lid, 1° van het Wetboek bedoelde vrijstelling is bovendien afhankelijk van het bewijs dat de levering geschiedt voor een belastingplichtige of voor een niet - belastingplichtige rechtspersoon, die voor de belasting over de toegevoegde waarde geïdentificeerd is in een andere Lidstaat. Artikel 3: De verkoper moet te allen tijde in het bezit zijn van alle stukken waaruit de echtheid van de verzending of het vervoer van de goederen blijkt: hij moet ze op ieder verzoek van de met de controle van de belasting over de toegevoegd waarde belaste ambtenaren overleggen. Die stukken zijn onder meer de contracten, de bestelbons, de vervoerdocumenten en de betalingsstukken. Deze bepalingen zijn van openbare orde en er volgt hieruit dat het aan de verkoper toekomt alle mogelijke garanties op te vragen m.b.t. het land van bestemming van de aangekochte goederen. Uit de stukken blijkt dat de verkoop doorging in de loop van 1996 en dat eerst in de loop van 2001 - in het kader van een onderzoek gevoerd door de BTW - administratie - de nuttige stukken door appellante opgevraagd werden. Bovendien was geïntimeerde - zoals ze zelf in conclusie stelt - een vennootschap die recent vóór de aankoop van die 200 - tal voertuigen was opgericht - en dus potentieel een nieuwe klant was voor appellante - zodat appellante als professionele en gespecialiseerde verkoper, die bovendien concessiehouder is van het merk Ford, gehouden was voornoemde bepalingen in de gegeven omstandigheden op de meest strikte wijze na te leven - waartoe ze overigens bij wet verplicht werd - i.p.v. de wet naast zich neer te leggen en er maar van uit te gaan dat de verkochte goederen wel degelijk zouden uitgevoerd worden buiten België maar binnen de Gemeenschap. Volledigheidshalve wordt hieraan nog toegevoegd dat anders oordelen mogelijke collusie tussen kopers en verkopers alleen maar in de hand kan werken en de weg opent voor het in leven roepen van allerhande constructies tussen koper en verkoper m.b.t. het vrijstellen van BTW met medeweten van de verkoper. Er rustte bijgevolg enkel op appellante de wettelijke verplichting om zekerheid te bekomen over de bestemming van de aangekochte goederen en zij had dan ook de plicht, bij gebreke aan bewijskrachtige stukken desbetreffend, facturen uit te schrijven met BTW (wat overigens nadien nog had kunnen geregulariseerd worden indien vast kwam te staan dat de vrijstelling voorzien in artikel 39 bis van het BTW - wetboek wel van toepassing was). Eén en ander wordt overigens bevestigd in een cassatiearrest van 4 november 2005 waarin weliswaar gesteld wordt dat voor de toepassing van artikel 3 van het K.B. nr. 52 van 29 december 1992, genomen ter uitvoering van de artikelen 39bis en 40, §1, 1°, b van het BTW - wetboek de verkoper de echtheid van de verzending of het vervoer buiten België mag aantonen aan de hand van andere documenten dan die welke vermeld zijn in dit K.B. nr. 52 doch waarbij kernachtig onderlijnd wordt dat die documenten te allen tijde in het bezit moeten zijn van de verkoper en aan de bevoegde ambtenaar moeten kunnen voorgelegd worden. Tenslotte blijkt nergens uit dat geïntimeerde ter kwader trouw zou hebben gehandeld. Zij was een (recent opgerichte) vennootschap naar Frans recht en zij wordt niet geacht het Belgisch BTW systeem te kennen in tegenstelling met appellante als bovendien een meer dan professionele beroepsverkoper in wagens. De bestreden vonnissen worden derhalve bevestigd in zoverre hierin beslist werd dat geïntimeerde geen kwade trouw verweten kon worden. Er kan evenmin aan geïntimeerde een fout worden verweten in de zin van artikel 1382 e.v. B.W. tijdens de pre - contractuele fase. 4.4. Appellante verwijt geïntimeerde verder een inbreuk te hebben gepleegd op artikel 1135 en 1142 B.W. Zij legt meer bepaald aan geïntimeerde ten laste de overeenkomst tussen partijen niet te hebben uitgevoerd, meer bepaald haar verplichting om de aangekochte goederen te vervoeren naar Frankrijk niet te hebben nageleefd. Het feit dat appellante op haar facturen vermeld heeft dat de vrijstelling voorzien in artikel 39 bis BTW - wetboek van toepassing was en geïntimeerde bijgevolg geen BTW verschuldigd was, houdt niet in dat in hoofde van geïntimeerde de contractuele verplichting bestond de aangekochte goederen naar een welbepaald land uit te voeren. Koop is een overeenkomst waarbij de ene partij zich verbindt om een zaak te leveren en de andere om daarvoor een prijs te betalen. Een dergelijke overeenkomst is voltrokken en de koper verkrijgt van rechtswege de eigendom t.a.v. de verkoper, van zodra er wilsovereenstemming is omtrent de zaak en de prijs, hoewel de zaak nog niet geleverd is en de prijs nog niet betaald. Er kan derhalve aan geïntimeerde evenmin een inbreuk ten laste worden gelegd op grond van de artikelen 1135 en 1142 B.W. 4.5. De eerste rechter heeft om al deze redenen de vordering van appellante terecht ontvankelijk doch ongegrond verklaard. 4.6. Geïntimeerde verwijt appellante tenslotte een hele reeks van tekortkomingen die in het licht van wat hieraan voorafgaat niet nader onderzocht moeten worden. Er wordt immers beslist dat appellante haar vordering niet hard maakt en derhalve afgewezen wordt. Alle overige door partijen ingeroepen middelen zijn evenmin ter zake dienend rekening houdende met de hier voren uiteengezette argumentatie. 4.7. Beide partijen hebben ter zitting van 27 april 2009 om de toepassing gevraagd van het basistarief wat de rechtsplegingsvergoeding betreft . Gelet op de door appellante gevorderde bedragen bedraagt het basistarief 7.000 euro . Dit bedrag komt toe aan geïntimeerde als de in het gelijk gestelde partij. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt de bestreden vonnissen. Veroordeelt appellante in de kosten van hoger beroep, in totaal begroot - in hoofde van haarzelf op euro 7.186 (186 rolrecht +7.000 rechtsplegingsvergoeding), en - in hoofde van geïntimeerde op euro 7.000 rechtsplegingsvergoeding. Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 2/6/09 waar aanwezig waren en zitting hielden : Astrid DE PREESTER, Raadsheer d.d. Voorzitter, Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS A. DE PREESTER Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet <div