← België

ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090602.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 02 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090602.7 Rolnummer: 2005AR726 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-06-15 Raadplegingen: 96 - laatst gezien 2026-07-02 19:52 Fiche Er blijkt niet dat een normaal, voorzichtige en redelijke overheid, geplaatst in dezelfde omstandigheden (d.i. op het ogenblik van de feiten zelf en niet met de kennis die ze nadien vergaarde) de drastische maatregelen had kunnen vermijden waarvan het slachtoffer voorhoudt dat ze haar schade berokkende. De overheid heeft immers een middelenverbintenis om de burgers te beschermen tegen contaminaties, maar geen resultaatverbintenis. Van een normale overheid kan bijgevolg niet verwacht worden dat zij op elk ogenblik op constante wijze voor elk hypothetisch gevaar dat de burgers zou kunnen bedreigen, vooraf de meest doeltreffende infrastructuur en optimale maatregelen uitgewerkt heeft. Eerste geïntimeerde bewijst in dit verband in casu niet dat een besmetting van veevoeder door dioxine in 1999 een dergelijk voorzienbaar gebeuren was dat van de overheid moest verwacht worden dat zij vóór 1999 al een volledig performant systeem zou uitgebouwd hebben om tegemoet te komen aan een dergelijke besmetting. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Overheidsaansprakelijkheid Vrije woorden: Dioxine Dioxinecrisis - Beweerde aansprakelijkheid van de Staat voor schade geleden door een bedrijf gespcialiseerd in verwerking van slacjhtafval, ingevolge dioxine-crisis - Algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Informatieplicht van de overheid. Vertrouwensbeginsel Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2009/ A.R. nr. 2005/AR/726 INZAKE VAN : De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Volksgezondheid, waarvan het kabinet gevestigd is te 1000 BRUSSEL, Bisschoffsheimlaan 33, appellant tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 8 februari 2002, vertegenwoordigd door Meester H. VERMEIRE loco Meester Patrick DEVERS, advocaat te 9000 GENT, Kouter 71-72, 1ste kamer TEGEN : 1) De naamloze vennootschap BAWY, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 9270 LAARNE, Bukstraat 8, ingeschreven in het handelsregister te Dendermonde onder het nummer 40.429, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester E. VAN BOGAERT loco Meester Patrick LACHAERT, advocaat te 9820 MERELBEKE, Hundelgemsesteenweg 166-5, 2) De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Landbouw en Middenstand, waarvan het kabinet gevestigd is te 1000 BRUSSEL, Maria-Theresiastraat 1, geïntimeerde, niet verschijnende; Gelet op de procedurestukken: · het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 8 februari 2002, beslissing waarvan geen akte van betekening wordt overgelegd; · het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 15 maart 2005; · de conclusie van eerste geïntimeerde neergelegd ter griffie op 17 januari 2006; · de conclusie van appellante neergelegd ter griffie op 15 mei 2006 en 16 mei 2006; · de conclusie van eerste geïntimeerde neergelegd ter griffie op 16 juni 2006. Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 23 februari 2009 en gelet op de stukken die zij neerlegden. Het hoger beroep werd regelmatig naar vorm en termijn ingesteld en is bijgevolg ontvankelijk. I. Voorwerp van de vorderingen. 1.1. De oorspronkelijke eis van Bawy, huidige eerste geïntimeerde, strekte ertoe de Belgische Staat, huidige appellante en tweede geïntimeerde, te horen veroordelen tot betaling van een provisie van 1 BEF ten titel van schadevergoeding en vooraleer verder uitspraak te doen ten gronde een deskundige te horen aanstellen met o.a. als opdracht de schade te begroten die Bawy geleden had tengevolge van de dioxinecrisis. 1.2. De eerste rechter heeft

(1)de vordering ontvankelijk en principieel gegrond verklaard,
(2)appellante en tweede geïntimeerde veroordeeld tot betaling van een provisie van 0,02 euro ten titel van schadevergoeding en
(3)vooraleer verder te beslissen ten gronde, de heer W.J. Huybrechts, bedrijfsrevisor, aangesteld als deskundige met een wel omschreven opdracht. 1.3. Het hoger beroep van appellante beoogt de oorspronkelijke vordering ontvankelijk doch ongegrond te horen verklaren. 1.4. Eerste geïntimeerde vraagt het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en bijgevolg het bestreden vonnis te willen bevestigen. 1.5. Tweede geïntimeerde legde geen conclusie neer en niemand verscheen voor deze partij ter zitting van 23 februari 2009. II. De Feiten. 2.1. De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis. 2.2. Huidige zaak situeert zich in de dioxinecrisis die ontstond in de tweede helft van 1999. De eerste tekenen van besmetting deden zich voor begin 1999 en in maart 1999 werd een haard van besmetting ontdekt bij een kippenkweker. Volgens de NV Bawy werd dit geval door de dierenarts gemeld zowel aan het Ministerie van Volksgezondheid als aan het Ministerie van Landbouw die echter niet zouden gereageerd hebben totdat het verhaal uitlekte via de pers met ontslag van ministers als gevolg alsmede een hele reeks van sancties die opgelegd werden door de Europese Commissie aan België. Bawy is een bedrijf dat zich voornamelijk inlaat met het verhandelen van slachtafval. Haar voornaamste afnemers zijn China, Rusland, Congo, Gabon en de Filippijnen. Zij houdt verder voor dat ingevolge de dioxinecrisis alle voornoemde landen overgingen tot een boycot van Belgische vleesproducten en dat zij van de ene dag op de andere quasi gebroodroofd werd. Zij meent dan ook recht te hebben op een schadevergoeding wegens het vermeend nalatig optreden van de overheid tijdens de dioxinecrisis. III. Beoordeling. 3.1. Bawy verwijt de overheid onzorgvuldig te zijn opgetreden en steunt haar vordering bijgevolg op artikel 1382 - 1383 B.W. Zij verwijt o.a. aan de overheid niets gedaan te hebben met de informatie die haar verstrekt werd door dierenarts Destickere - en van zelfs niet eens de Europese Commissie ingelicht te hebben over de besmetting - waardoor die besmetting een zeer vlugge verspreiding kende via de voedselketens als gevolg waarvan sancties werden genomen tegen België die nefast waren voor de Belgische economie in het algemeen en een groot aantal bedrijven in het bijzonder. Bawy voert verder aan dat België tijdens deze crisis niet kon rekenen op enige Europese steun omdat de Europese autoriteiten van oordeel waren dat niettegenstaande het feit dat de Belgische overheid op de hoogte was van de specifieke besmetting, zij hiervan niet (tijdig) werden ingelicht en evenmin iets gedaan werd om de volksgezondheid te beschermen. Bawy is derhalve van oordeel dat het duidelijk is dat de Belgische Staat, en meer specifiek haar ministers van Landbouw en Volksgezondheid onzorgvuldig, stuntelig en op een dilettantische manier tewerk zijn gegaan en dat door hun amateuristische wijze van handelen het onheil uitdeinde met alle catastrofale gevolgen van dien voor bedrijven zoals zijzelf. Bawy verwijt verder aan de overheid inbreuken te hebben gepleegd op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name inbreuk op de informatieplicht (= rechtsonderhorigen niet op een passende wijze te hebben geïnformeerd) en het vertrouwensbeginsel (= als overheid zich niet gedragen te hebben als behoeder van de burger die het gemeenschappelijk belang voor ogen moet houden). 3.2. In deze is het van belang de juiste feitelijke achtergrond van de dioxinecrisis te beschrijven: - op 27 mei 1999 werd officieel medegedeeld dat kippen en broedeieren hoge dioxinegehaltes bevatten; - deze incidentele dioxinebesmetting zou het gevolg zijn van een partij vet afkomstig van het Waalse bedrijf Fogra die gesmolten werd door vetsmelter Verkest en als dierlijk vet geleverd werd aan 9 veeteeltbedrijven die dat vet op hun beurt verwerkten in hun producten die verder verkocht werden aan 1400 pluimvee -, varkens - en rundveebedrijven ; - in de daaropvolgende week werden de van kippen en eieren afgeleide producten in de groothandel onder bewarend beslag geplaatst; eenzelfde maatregel werd getroffen t.a.v. slachthuizen; - hierop volgde niet alleen een slachtverbod voor pluimvee maar ook voor varkens en runderen omdat men op dat ogenblik vermoedde dat ook rundvee - en varkensbedrijven mogelijkerwijs besmet voeder geleverd kregen; - vervolgens stelde het Ministerie van Landbouw een lijst samen van alle bedrijven die voeder gebruikt hadden dat rechtstreeks of onrechtstreeks afkomstig was van de verdachte vetsmelter en alle dieren in die verdachte bedrijven werden onder bewarend beslag geplaatst ; - om verdere verspreiding van met dioxine gecontamineerde vleesproducten tegen te gaan, werd het in de handel brengen van vers vlees van gevogelte, varkens en runderen en van producten verkregen van gevogelte, varkens en runderen verboden tenzij (
  1. i)de producten niet afkomstig waren van dieren die gehouden waren op landbouwbedrijven die onder beslag werden geplaatst of (
  2. ii)uit de resultaten van analyses bleek dat de producten niet verontreinigd waren met dioxine; - door de dioxinewet poogde de federale overheid tegemoet te komen aan de financiële gevolgen van de dioxinecrisis voor de in die sectoren getroffen ondernemingen. 3.3. De Staat en andere publiekrechtelijke personen zijn - net zoals de burgers - onderworpen aan de rechtsregels, inzonderheid die welke betrekking hebben op de vergoeding van schade ten gevolge van fouten waardoor de subjectieve rechten en de gewettigde belangen van personen worden aangetast. Geen enkele grondwettelijke of wettelijke bepaling of algemeen beginsel stelt de administratieve overheid in de uitoefening van haar bevoegdheid vrij van de verplichting die door de artikelen 1382 en 1383 B.W., inclusief de daar beschreven zorgvuldigheidsplicht, wordt opgelegd . Het door de NV Bawy aangeklaagd gedrag van de overheid dient derhalve getoetst te worden aan de hypothetische handelwijze van de goede huisvader. Een gedraging kan beschouwd worden als ‘rechtmatig' indien ze strookt met hetgeen kan verwacht worden van een normaal voorzichtig en vooruitziend persoon, de zogenaamde ‘goede huisvader' of ‘bonus pater familias', in dezelfde omstandigheden geplaatst. ‘Zorgvuldig' betekent dat men poogt de nadelige gevolgen te voorkomen door de gepaste voorzorgsmaatregelen te nemen, terwijl ‘vooruitziend' inhoudt dat men in redelijkheid poogt zich de nadelige gevolgen van zijn handelen of niet - handelen in te beelden . Een fout dient als oorzaak van een schadegeval te worden beschouwd, zodra dit schadegeval, zoals het zich in concreto voordeed, zou zijn uitgebleven wanneer de fout niet was gepleegd of wanneer het tot aansprakelijkheid aanleiding gevend feit niet had plaatsgevonden. Bijgevolg kan een fout slechts aanleiding geven tot aansprakelijkheid wanneer deze fout in concreto de noodzakelijke voorwaarde uitmaakte voor het schadegebeuren. Van zodra dit vaststaat is de fout steeds en onvermijdelijk de oorzaak van het schadegebeuren, hoe onwaarschijnlijk, onrechtstreeks of uitzonderlijk de feitelijke gang van zaken die tot het schadegebeuren leidde, ook moge zijn . 3.4. Toegepast op dit concrete geval dient de NV Bawy het bewijs te leveren dat de overheid bij haar aanpak van de dioxinecrisis in gebreke is gebleven. Het is echter niet duidelijk in deze zaak of de NV Bawy aan de wetgevende macht verwijt geen toereikend wettelijk kader tot stand te hebben gebracht of integendeel aan de uitvoerende macht - zijnde haar organen - verwijt specifieke fouten te hebben begaan tijdens de behandeling van het dioxinedossier. 3.5. In haar conclusie verwijst de NV Bawy enerzijds naar de draconische maatregelen die genomen werden door Europese Commissie en anderzijds naar een verslag van de onderzoekscommissie (2e zitting van de 50e zittingsperiode) wat er eerder op wijst dat zij de overheid als wetgevende macht verwijt onzorgvuldig te zijn opgetreden in haar wetgevende taak. Per aanmaningsbrief van 21 juni 1999 bracht de Europese Commissie de inbreukprocedure van artikel 226 EEG-verdrag op gang tegen België. Dit houdt in dat volgens de Commissie België zijn verplichtingen in het kader van het Early Warning Systeem niet zou hebben nagekomen door de Commissie zelf en de andere lidstaten niet onmiddellijk gewaarschuwd te hebben wanneer er in levensmiddelen en diervoeder dioxine aangetroffen werd. In het kader van deze procedure komt het enkel aan het Hof van Justitie toe te onderzoeken en te beslissen over een mogelijke inbreuk door België op het EEG - verdrag. Het feit dat de inbreukprocedure van artikel 226 EEG - verdrag door de Europese Commissie ingeleid werd - en overigens enkel door deze instantie kan ingeleid worden - brengt niet het bewijs mee van het bestaan van een fout in hoofde van de overheid. Bovendien blijkt nergens uit dat de Europese Commissie niet dezelfde maatregelen zou genomen hebben indien zij vroeger op de hoogte was gesteld door de Belgische overheid. Er blijkt nergens uit dat een normaal, voorzichtige en redelijke overheid, geplaatst in dezelfde omstandigheden (d.i. op het ogenblik van de feiten zelf en niet met de kennis die ze nadien vergaarde) de drastische maatregelen had kunnen vermijden waarvan eerste geïntimeerde voorhoudt dat ze haar schade berokkende. De overheid heeft immers een middelenverbintenis om de burgers te beschermen tegen contaminaties, maar geen resultaatverbintenis. Van een normale overheid kan bijgevolg niet verwacht worden dat zij op elk ogenblik op constante wijze voor elk hypothetisch gevaar dat de burgers zou kunnen bedreigen, vooraf de meest doeltreffende infrastructuur en optimale maatregelen uitgewerkt heeft. Eerste geïntimeerde bewijst in dit verband niet dat een besmetting van veevoeder door dioxine in 1999 een dergelijk voorzienbaar gebeuren was dat van de overheid moest verwacht worden dat zij vóór 1999 al een volledig performant systeem zou uitgebouwd hebben om tegemoet te komen aan een dergelijke besmetting. Hierbij wordt toch onderlijnd dat er desbetreffend geen specifieke voorschriften voorhanden waren noch op Europees vlak noch in de andere lidstaten van de Europese Unie. Het feit dat in het beschrijvend gedeelde van het verslag van de onderzoekscommissie - waarnaar de NV Bawy expliciet verwijst - vastgesteld werd dat eind februari alles erop leek te wijzen dat het om een "one - shot " probleem ging en later is gebleken dat dit vermoeden onjuist was en dat er bijkomende contaminatie was opgetreden via een afgeleide bron is evenmin van aard enige aansprakelijkheid in hoofde van de overheid met zich mee te brengen. Volledigheidshalve wordt hierbij opgemerkt dat de dioxinecommissie een politiek getint onderzoeksinstrument uitmaakte die enkel als doel had het verloop van de dioxinecrisis - post factum bekeken - in kaart te brengen en de eventuele hieruit voortvloeiende politieke verantwoordelijkheid vast te leggen. In verslagen van dergelijke commissies wordt nooit gewag gemaakt van enige burgerechtelijke aansprakelijkheid. In 1999 met de alsdan bestaande kennis over besmetting d.m.v. dioxine kon de overheid niet weten - zelfs niet vermoeden - dat deze besmetting een dergelijke omvang zou krijgen. Het beginsel van de scheiding der machten dat een evenwicht beoogt tussen de verschillende machten van de Staat en dat overigens een grondwettelijk principe uitmaakt, dient bovendien in een dergelijke aangelegenheid gerespecteerd te worden. Het behoort in principe niet aan de rechterlijke macht zich te mengen in de wetgevende functies en in het politiek proces van de totstandkoming van de wetten . In het kader van het aansprakelijkheidscontentieux kan de rechter immers enkel de legaliteit beoordelen en niet de opportuniteit van het (ontbreken van een tijdig) wetgevend optreden . 3.6. De NV Bawy verwijt verder aan de ‘overheid' de rechtsonderhorigen niet op een ‘passende wijze' geïnformeerd te hebben en zodoende haar informatie - en voorlichtingsplicht niet op een ‘redelijke wijze' vervuld te hebben, wat zij eveneens kwalificeert als een schending van de zorgvuldigheidsnorm. Zij verwijt de ‘overheid' in deze context bovendien een ‘te lakse manier' van handelen. Deze verwijten zijn eerder gericht tegen de overheid als uitvoerende macht. De aanloop van de dioxinecrisis is te vinden in het feit dat begin februari 1999 in één wel bepaald kippenbedrijf bepaalde abnormale symptomen werden vastgesteld (= eerst een legdaling en een verminderde uitkipping bij de moederdieren, gevolgd door een verhoogd aantal sterftes van kuikens). Eind februari leek alles er nog op te wijzen dat het om een alleenstaand geval ging. Op dat ogenblik kon en moest de administratie er niet van uitgaan dat het hier om een haard ging van contaminatie met verregaande gevolgen, situatie die zich trouwens nooit eerder had voorgedaan. Er kan evenmin verweten worden aan de administratie dat zij overging tot verdere analyses en onderzoeken en het op schaal brengen van de bedrijven die blijkbaar tevens gecontamineerd bleken te zijn. In de hectische toestand die alzo ontstond in de diensten van Landbouw en Volksgezondheid wanneer stapsgewijze kwam vast te staan welke omvang de contaminatie aan het krijgen was en waarvoor ze zelf niet verantwoordelijk waren, kan hen niet verweten worden niet onmiddellijk te zijn overgegaan tot het informeren van de burgers. Er kan overigens de bevoegde diensten niet ten kwade geduid worden dat zij zelf eerst absolute zekerheid wilden hebben over de oorzaak en de omvang van de contaminatie vooraleer de bevolking op de hoogte te brengen teneinde hen niet nodeloos te alarmeren. Zoals reeds uiteengezet waren de concrete omstandigheden van de dioxinecrisis uitzonderlijk en niet redelijk voorzienbaar zodat de bevoegde overheidsdiensten niet kan verweten worden niet ten gepaste tijde de bevolking te hebben ingelicht of te laks te zijn opgetreden. Er wordt opnieuw herhaald dat op het ogenblik van het uitbreken van de dioxinecrisis er immers ter zake nog geen specifieke voorschriften voorhanden waren noch op Europees niveau noch in de andere lidstaten van de Europese Unie . 3.7. De overheid kan bijgevolg geen fout worden verweten . Het bestreden vonnis wordt op dit hervormd. Alle overige door partijen ingeroepen middelen zijn niet ter zake dienend in het licht van wat voorafgaat. 3.8. Beide partijen hebben ter zitting van 23 februari 2009 om de toepassing gevraagd van het basistarief wat de rechtsplegingsvergoeding betreft . De NV Bawy vraagt in haar laatste conclusie de bevestiging van het bestreden vonnis waarin haar een vergoeding werd toegekend van 0,02 euro , zonder intresten. De rechtsplegingsvergoeding bedraagt bijgevolg 150 euro . Dit bedrag komt enkel toe aan appellant gezien tweede geïntimeerde in de procedure voor het hof niet vertegenwoordigd werd door een raadsman. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Hervormt het bestreden vonnis behoudens in zoverre hierin de oorspronkelijke vordering ontvankelijk werd verklaard en de kosten begroot werden, en hervormend voor het overige, Verklaart de oorspronkelijke vordering ongegrond. Veroordeelt de NV Bawy in de kosten van beide aanleggen, in hoger beroep begroot - in hoofde van appellant op euro 336 ( 186 rolrecht + 150 rechtsplegingsvergoeding), - in hoofde van eerste geïntimeerde op euro 150 rechtsplegingsvergoeding, en - in hoofde van tweede geïntimeerde op NIHIL. Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 2/6/09 waar aanwezig waren en zitting hielden : Astrid DE PREESTER, Raadsheer d.d. Voorzitter, Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer, Marc DEBAERE, Raadsheer, Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS M. DEBAERE E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.