id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 04 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090604.6 Rolnummer: 2007/AR/2363 Rechtsgebied: Overige - Belastingrecht Invoerdatum: 2009-06-12 Raadplegingen: 91 - laatst gezien 2026-07-02 19:54 Fiche Het louter feit dat de overnemer van een geheel van goedern hoofdelijk gehouden is tot de betalin van een belastingschuld van de overdragen impliceert dus niet dat het initieel uitvoerbaar verklaard kohier, dat op hem geen betrekking had, noch kon hebben, tegen de overnemer zonder meer ten uitvoer kan worden gelegd. Derhalve dient de administratie in voorkomend geval voorafgaandelijk de overnemer voor de rechtbank te dagen, teneinde hem te horen veroordelen tot de belastingschuld waartoe hij gehouden is. Slechts op basis van dat vonnis kunnen dan vervolgingen worden ingesteld lastens de overnemer. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BESLAG EN EXECUTIE - Voorafgaande regels (beslag en executie) - Uitvoerbare titel FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Rechten - voorrechten Schatkist - Aansprakelijkheid openbare ambtenaar e.a. Vrije woorden: overdracht van 'alle rechten op de verzekeringscontracten in portefeuille bij diverse verzekeringsmaatschappijen gekend onder producentennummers' - valt onder toepassingsgebied artikel 442bis WIB/92 artikel 442bis WIB/92 - hoofdelijke gehoudenheid overnemer - intieel lastens overdrager uitvoerbaar kohier - niet zonder meer uitvoerbaar tegen de overnemer - nieuwe titel/veroordeling lastens de overnemer (hoofdelijke gehoudenheid van de belastingschuld van de overdrager) vereist Tekst van de beslissing HOF van BEROEP te BRUSSEL Zesde fiscale kamer Nr. van de zaak : 2007/AR/2363 Openbare terechtzitting van 4 juni 2009 IN ZAKE VAN : De NV ARLECO, met maatschappelijk zetel te 3290 Diest, Rothstraat 46, met K.B.O.-nummer 436.814.556, ingeschreven in het handelsregister te Leuven onder het nummer 108.759, appellante, vertegenwoordigd door Meester De Cort, loco Meester Michel Dillen, advocaat te 2020 Antwerpen, Jan van Rijswijcklaan 164, TEGEN : De BELGISCHE STAAT, in de persoon van de heer minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 14, vertegenwoordigd door de ontvanger der directe belastingen te Hasselt 3, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 3500 Hasselt, Maastrichterstraat 100, alwaar woonstkeuze, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Duerinck, loco Meester Luc Van Helshoecht, advocaat te 1070 Brussel, Guillaume Stassartlaan 1, ***** Het hof, na beraad, spreekt in openbare terechtzitting volgend arrest uit : Gezien de procedurestukken en meer in het bijzonder het afschrift van het vonnis van de vijftiende kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven, op tegenspraak gewezen op 27 R. EINDARREST - gegrond 2007/AR/2363 2 zesde fiscale kamer februari 2007 (A.R. nr. 03/2508/A), vonnis dat werd betekend op 3 augustus 2007 en waartegen door appellante een naar vorm en tijd regelmatig hoger beroep werd ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit hof op 31 augustus
- De ontvankelijkheid van het hoger beroep wordt niet betwist. Het vonnis verklaarde de vordering van appellante ontvankelijk, doch ongegrond. Deze vordering strekte ertoe : - het uitvoerend beslag op roerend goed van 1 oktober 2003 op te heffen; - geïntimeerde te veroordelen om binnen de 24 uren na uitspraak van het te wijzen vonnis vrijwillig opheffing te verlenen; - te zeggen voor recht dat bij gebrek aan vrijwillige opheffing binnen de gestelde termijn het vonnis als opheffing gold; - geïntimeerde te veroordelen in alle kosten van het beslag en de opheffing, alsook in de kosten van het geding. I. De feiten De NV Group Belver, met maatschappelijke zetel te 3630 Maasmechelen, Rijksweg 496, was op het Ontvangkantoor Hasselt 3 nog volgende openstaande aanslagen verschuldigd volgens de toestand in januari 2004 : - voor aanslagjaar 2000 : voor een totaal bedrag in hoofdsom, interesten en kosten van 10.256,18 EUR; - voor aanslagjaar 2001 : voor een totaal bedrag in hoofdsom, interesten en kosten van 158,03 EUR; hetzij samen : 10.414,21 EUR. Op 21 februari 2002 liet de vroegere aandeelhouder van de NV Group Belver, de heer X, het Ontvangkantoor Hasselt 3 weten dat de verzekeringsportefeuille werd overgedragen aan appellante. 2007/AR/2363 3 zesde fiscale kamer Op 29 maart 2002 stuurde geïntimeerde een vereenvoudigd fiscaal uitvoerend beslag onder derden naar Winterthur Assurances met het verzoek beslag te leggen op de tegoeden van de NV Group Belver. Daarop ontving geïntimeerde een antwoord van Winterthur Assurances, meer bepaald op 8 april 2002, waarin deze meedeelde dat de makelaar zijn portefeuille zou hebben verkocht op 1 januari 2001 en niet meer actief zou zijn. Op 6 mei 2002 stuurde geïntimeerde een ingebrekestelling op basis van art. 442bis W.I.B. 1992 aan appellante. Op 16 mei 2002 antwoordde appellante dat zij per 1 januari 2001 slechts een deel van de verzekeringsportefeuille had overgenomen en dat art. 442bis W.I.B. 1992 daarop niet toepasselijk was, omdat er nooit elementen waren geweest om het behoud van het cliënteel mogelijk te maken. Op 12 juni 2002 stuurde de ontvanger een ingebrekestelling aan de heer Y, waarin werd gesteld dat zowel uit de verkoopovereenkomst, als uit de daarop volgende betalingen bleek dat deze de aandelen van de NV Group Belver had overgenomen. Uit deze documenten bleek volgens geïntimeerde dat de activa van de NV Group Belver systematisch werden overgebracht naar appellante, waarbij de NV Group Belver verarmde zonder dat de belastingschulden werden vereffend. Op 12 juni 2002 werd ook aan appellante een ingebrekestelling verstuurd, waarin werd meegedeeld dat uit verschillende handelingen en documenten, die werden overgemaakt door diverse verzekeringsmaatschappijen, bleek dat de verzekeringsportefeuille van de NV Group Belver werd overgenomen door appellante. Op 19 december 2002 werd door geïntimeerde nogmaals een ingebrekestelling op grond van art. 442bis W.I.B. 1992 gericht aan appellante. 2007/AR/2363 4 zesde fiscale kamer Op 10 januari 2003 ontving geïntimeerde een schrijven van appellante, waarin deze stelde dat art. 442bis W.I.B. 1992 niet toepasselijk was, nu zij niet in de mogelijkheid was om cliënteel te behouden. Op 3 februari 2003 werd een dwangbevel betekend aan appellante. Daarop werd door geïntimeerde een schrijven van appellante ontvangen dat er bezwaar werd ingediend tegen de toepassing van art. 442bis W.I.B.
- Op 1 oktober 2003 werd een herhaald bevel betekend en een uitvoerend roerend beslag gelegd. Op 28 oktober 2003 werd een proces-verbaal van aanslag van een aanplakbiljet en van een afgifte of achterlating opgesteld. Op 5 november 2003 tekende appellante verzet aan tegen het uitvoerend roerend beslag. Bij tussenvonnis van 25 juli 2006 beval de beslagrechter in de rechtbank van eerste aanleg te Leuven de heropening der debatten, teneinde partijen toe te laten hun middelen voor te dragen betreffende de vraag of geïntimeerde op basis van de ten name van de NV Group Belver uitvoerbaar verklaarde kohieren kon overgaan tot gedwongen tenuitvoerlegging op het vermogen van appellante, die immers in die kohieren niet wordt vermeld. Bij het bestreden eindvonnis van 27 februari 2007 verklaarde de beslagrechter in de rechtbank van eerste aanleg te Leuven het verzet van appellante ontvankelijk, doch ongegrond. II. Discussie A. WAT HET HOGER BEROEP VAN APPELLANTE BETREFT Appellante verwijst naar art. 442bis W.I.B. 1992, waarvan het toepassingsgebied door de Wet van 22 december 1998 werd 2007/AR/2363 5 zesde fiscale kamer uitgebreid tot het geheel van goederen die voor de uitoefening van een vrij beroep, een ambt of post of industrieel, handels- of landbouwbedrijf worden gebruikt. De overdracht van alleenstaande elementen van een handelsfonds vallen, behoudens het geval van simulatie, niet onder het toepassingsgebied van deze bepaling. Appellante stelt dat zij in deze weliswaar de verzekeringsportefeuille op papier heeft overgenomen, doch dat de nodige elementen om het cliënteel te kunnen behouden haar niet werden overgemaakt (onder andere de contracten met de verzekerden). Verder stelt appellante dat bij een geplande overname van activa of handelsfonds aan de ontvanger een fiscaal attest moet worden gevraagd en dat de ontvanger 1 maand de tijd heeft om te antwoorden. Geïntimeerde werd door de heer X op 21 januari 2002 verwittigd dat er een overdracht van portefeuille was geweest. Pas op 6 mei 2002, dus meer dan 1 maand later, werd aan haar een ingebrekestelling verstuurd en dan nog aan een verkeerd adres. Ten slotte merkt appellante nog op dat geïntimeerde destijds het dwangbevel heeft laten betekenen en het uitvoerend roerend beslag heeft laten leggen krachtens de ten name van de NV Group Belver uitvoerbaar verklaarde kohieren. Volgens appellante is de beslagrechter niet bevoegd om te oordelen of een uitvoerbare titel ten uitvoer kan worden gelegd tegen een andere partij dan diegene die in die titel als schuldenaar wordt vermeld. Verder gaat art. 442bis W.I.B. 1992 volgens appellante over de hoofdelijke aansprakelijkheid van de overnemer en wordt nergens in dit artikel vermeld dat een invordering ingekohierd op naam van de overlater krachtens hetzelfde kohier mag worden voortgezet op de overnemer. ***
- Het hof stelt vast dat appellante voorhoudt initieel, meer bepaald in februari 2001, een overeenkomst tot verkoop en aankoop van aandelen van de NV Group Belver te hebben ondertekend, waarbij zij alle aandelen van deze vennootschap zou overnemen. Uit stuk 1 van appellante blijkt evenwel duidelijk dat niet appellante zelf, 2007/AR/2363 6 zesde fiscale kamer maar de heer Y de aandelen zou overnemen. Deze overeenkomst werd echter ondertekend onder voorbehoud van de overhandiging van de balans d.d. 31 december 2000 van de NV Group Belver. Appellante stelt dat, nu deze balans haar nooit werd overgemaakt, deze overeenkomst geen gevolgen kan ressorteren. Eenzelfde voorbehoud komt alleszins niet voor in de overeenkomst die nadien, meer bepaald op 1 maart 2001, werd ondertekend ditmaal tussen appellante zelf en de NV Group Belver en waarbij appellante een verzekeringsportefeuille van de NV Group Belver overnam (zie stuk 2 van appellante). Nu deze laatste overeenkomst tussen andere partijen en met een ander voorwerp dan de initiële overeenkomst werd afgesloten, dient het hof niet nader in te gaan op deze initiële overeenkomst, en kan het zich beperken tot het onderzoek van de laatste overeenkomst.
- Geïntimeerde acht art. 442bis W.I.B. 1992 op deze overeenkomst toepasselijk. Het hof stelt vast dat in de overnameovereenkomst van 1 maart 2001 uitdrukkelijk werd bedongen dat de overdrager (de NV Group Belver) alle rechten op de verzekeringscontracten in portefeuille, die bij de opgesomde maatschappijen bekend zijn onder bepaalde producentennummers, heeft overgedragen aan appellante. Uit de door geïntimeerde bij de verschillende verzekeringsmaatschappijen opgevraagde gegevens blijkt overigens duidelijk dat appellante als actieve bemiddelaar optreedt. Appellante houdt wel voor dat haar naar aanleiding van de overdracht niet de nodige elementen om het cliënteel te behouden (meer bepaald de contracten met de verzekerden) werden overgemaakt, maar levert daarvan niet het minste bewijs. Indien deze bewering van appellante correct ware geweest, had het volstaan terzake de tussen haar en de overdrager gevoerde briefwisseling voor te leggen of nog stukken met betrekking tot een gevoerde procedure wegens contactbreuk bij te brengen, hetgeen appellante evenwel nalaat te doen. 2007/AR/2363 7 zesde fiscale kamer Bijgevolg stelt geïntimeerde terecht dat deze overdracht onder toepassing van art. 442bis W.I.B. 1992 valt.
- Appellante vergist zich verder omtrent de toepassing van art. 442bis W.I.B.
- Ingevolge deze bepaling is de overnemer hoofdelijk aansprakelijk voor de belastingschulden van de overdrager, tenzij hij samen met de registratie van de overdracht een fiscaal certificaat laat registreren waaruit blijkt dat de overdrager geen fiscale schulden heeft. Het komt aan de overnemer toe het bedoelde certificaat aan te vragen en, bij gebreke daarvan, de overeengekomen prijs niet uit te keren alvorens hij zekerheid heeft omtrent de fiscale toestand van het bedrijf dat hij overneemt. In deze is een dergelijk certificaat niet voorhanden, nu het nooit door appellante werd aangevraagd.
- Ten onrechte beklaagt appellante zich over het op 6 mei 2002 door de ontvanger gebruikte adres, nu zijzelf in haar antwoord van 16 mei 2002 (zie : stuk 6 van geïntimeerde) toegaf op het adres in kwestie nog steeds een kantoor te hebben en geïntimeerde preciseerde, zonder daarin te worden tegengesproken door appellante, dat het dit uitbatingsadres was dat zij zelf gebruikte in haar rondschrijven aan de verzekeringsmaatschappijen van 8 mei
- Rest nog de kwestie van de voortzetting van de invordering krachtens een kohier op naam van de overdrager lastens de overnemer. Met reden houdt geïntimeerde voor dat appellante ten onrechte stelt dat de beslagrechter niet bevoegd zou zijn om te oordelen of een uitvoerbare titel ten uitvoer kan worden gelegd lastens een andere partij dan diegene die in die titel als schuldenaar wordt vermeld. Art. 1395 Ger. W. vermeldt immers uitdrukkelijk dat de beslagrechter bevoegd is voor alle vorderingen betreffende bewarende beslagen en de middelen van tenuitvoerlegging, hetgeen de hypothese is waarover het in deze gaat. 2007/AR/2363 8 zesde fiscale kamer Wat de grond van deze kwestie betreft, sluit het hof zich bij de stelling van appellante aan dat in deze het kohier lastens de overdrager niet zonder meer kan dienen voor de tenuitvoerlegging ten laste van de overnemer (in deze appellante) die niet in het kohier is vermeld. Het hof verwijst terzake naar en sluit zich aan bij het arrest van het Hof van Cassatie van 12 december 2008 (www.cass.be; zie ook : M. DELANOTE, "artikel 442bis WIB 92 - Kohier op naam overdrager is geen uitvoerbare titel t.a.v. aansprakelijke overnemer", Fisc. act. 2009, nr. 3, p. 7) waarin het Hof in die zin oordeelde. In beginsel kan het uitvoerbaar verklaard kohier slechts ten uitvoer worden gelegd tegen de bij naam in dat kohier vermelde belastingschuldige(n). Deze regel geldt met name ten aanzien van een op grond van art. 442bis W.I.B. 1992 hoofdelijk aansprakelijke derde. Het loutere feit dat de overnemer van een geheel van goederen hoofdelijk gehouden is tot de betaling van een belastingschuld van de overdrager impliceert dus niet dat het initieel uitvoerbaar verklaard kohier, dat op hem geen betrekking had, noch kon hebben, tegen de overnemer zonder meer ten uitvoer kan worden gelegd. Derhalve dient de administratie in voorkomend geval voorafgaandelijk de overnemer voor de rechtbank te dagen, teneinde hem te horen veroordelen tot de belastingschuld waartoe hij gehouden is. Slechts op basis van dat vonnis kunnen dan vervolgingen worden ingesteld lastens de overnemer.
- Derhalve dient het hoger beroep van appellante te worden ingewilligd zoals gepreciseerd in het dispositief van dit arrest. B. WAT DE TEGENVORDERING VAN GEÏNTIMEERDE BETREFT Geïntimeerde wijst erop dat appellante in hoger beroep geen enkel nieuw feit of argument heeft aangehaald. De eerste rechter heeft de argumenten van appellante op duidelijke en correcte wijze, conform de inhoud van de wet en de vaste rechtspraak, weerlegd. 2007/AR/2363 9 zesde fiscale kamer Tegen de inhoud van de stukken in, blijft appellante beweren dat zij de handelszaak van de NV Group Belver niet verder heeft kunnen uitbaten. In die omstandigheden dient het hoger beroep van appellante, volgens geïntimeerde, als tergend en roekeloos te worden gekwalificeerd, reden waarom geïntimeerde verklaart een schadevergoeding van 1.000 EUR, ex aequo et bono, te vorderen. *** Nu het hof het hoger beroep van appellante inwilligt, kan dit vanzelfsprekend niet als tergend en roekeloos worden beschouwd, zodat de tegenvordering van geïntimeerde dient te worden afgewezen. C. WAT DE KOSTEN BETREFT Op 1 januari 2008 is de Wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat en haar uitvoerings-K.B. van 26 oktober 2007 in werking getreden. Deze wet en dit K.B. vinden toepassing op onderhavige zaak. Ter openbare terechtzitting van het hof van 20 mei 2009 verklaarden beide partijen terzake de rechtsplegingvergoeding in hoger beroep op het basisbedrag van 1.100 EUR te begroten. OM DEZE REDENEN, HET HOF, rechtsprekend op tegenspraak, Gelet op art 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; 2007/AR/2363 10 zesde fiscale kamer Verklaart het hoger beroep van appellante ontvankelijk en in de hierna bepaalde mate gegrond; Verleent geïntimeerde akte van het instellen van zijn tegenvordering; Verklaart deze ontvankelijk, doch ongegrond; Verklaart dienvolgens het oorspronkelijk verzet van appellante ontvankelijk en gegrond; Heft het uitvoerend beslag op roerend goed op; Veroordeelt geïntimeerde om binnen de 24 uur na de betekening van dit arrest vrijwillig opheffing te verlenen; Zegt voor recht dat dit arrest als opheffing zal gelden bij gebrek van vrijwillige opheffing binnen de gestelde termijn door geïntimeerde; Veroordeelt geïntimeerde tot de kosten van het beslag en de opheffing, alsook tot de kosten van beide aanleggen, begroot 1.100,00 EUR voor appellante en op 1.100,00 EUR voor geïntimeerde. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de zesde fiscale kamer van het hof van beroep te Brussel, op alwaar aanwezig waren en zitting namen : - J. Verstappen, alleenzetelend raadsheer, - C. De Nollin, griffier. C. De Nollin. J. Verstappen. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div