id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 04 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090604.7 Rolnummer: 1998/FR/98 Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Handelsrecht - Belastingrecht Invoerdatum: 2009-06-12 Raadplegingen: 118 - laatst gezien 2026-07-02 19:54 Fiche Ten onrechte beroept verzoekster zich op de beginselen van behoorlijk bestuur en het vertrouwenbeginsel, nu de Belgische Staat voor aanslagjaar 1996 het bestaan van een geveinsde huurovereenkomst voorhoudt, terwijl hij dat voor de voorgaande aanslagjaren niet deed, nu de belasting geheven wordt per aanslagjaar (art. 171 G.W.) en zij geheven moet worden overeenkomstig de wet, zodat het de Belgische Staat vrij staat voor het aanslagjaar 1996 in te roepen dat wettelijke beginselen, in casu de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek die de leer der tegenbrief betreffen, geschonden zouden zijn, daar het belastingrecht, voor zover geen afwijkende bepalingen bestaan, geheven wordt overeenkomstig de wet, zij het in deze het burgerlijk recht ('le droit fiscal est serve du droit civil', cfr. bv. Bergen 9 juni 1977, J.D.F. 1977, 306). Niettemin moet daarbij tevens in acht genomen worden dat artikel 1321 Burgerlijk Wetboek geen toepassing vindt in belastingzaken (cfr. Cass. 4 januari 1991, Arr. Cass. 1990-91, 466). De door de Belgische Staat aangehaalde overtreding van het toenmalig artikel 60 Venn. W., in zijn toenmalige formulering, laat derden niet toe de nietigheid van de verrichting op grond van artikel 60 Venn.W. te vorderen. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BEWIJS VAN VERBINTENISSEN - Schriftelijk bewijs - Authentieke akte BURGERLIJK RECHT - BEWIJS VAN VERBINTENISSEN - Vermoedens HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VENNOOTSCHAPPEN - Naamloze vennootschap - Bestuur - Belangenconflicten FISCAAL RECHT - FISCAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Algemeen (fiscaal recht - algemene beginselen) FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - PERSONENBELASTING - Grondslag - Beroepsinkomen - Belastbare inkomsten FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - PERSONENBELASTING - Grondslag - Diverse inkomsten - Bepaling FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - PERSONENBELASTING - Grondslag - Diverse inkomsten - Vaststelling netto-inkomen FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Bewijsmiddelen administratie belastingen Vrije woorden: diverse inkomsten (artikel 90,5° WIB/92) - vaststelling netto-huurinkomsten (artikel 100 WIB/92) - bewijslast (echtheid/aard/bedrag) herkwalificatie D.I. in bestuurdersbezoldigingen (artikel 32 WIB/92) - op grond van bewijstechniek feitelijke vermoedens - bewijs van veinzing (artikel 1321 B.W.) 'le droit fiscal est serve du droit civil' - artikel 1321 B.W. vind geen toepassing in belastingzaken overtreding artikel 60 (oud) Venn.W. (thans art. 523 W.Venn.) - derden kunnen niet de nietigheid van de handeling gesteld met overtreding van de toenmalige venoootschapswet vorderen Tekst van de beslissing HOF van BEROEP te BRUSSEL Zesde fiscale kamer Nr. van de zaak : 1998/FR/98 Openbare terechtzitting van 4 juni 2009 IN ZAKE VAN : Mevrouw X, wonende te, verzoekster, vertegenwoordigd door Meester Willie Dierick , advocaat, (3200 Aarschot, Gijmelsesteenweg 81) TEGEN : DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Heer Minister van Financiën, in de persoon van de heer Gewestelijk Directeur van de Directe Belastingen te Leuven, wiens burelen gevestigd zijn te 3001 Leuven, Philipssite 3A, vertegenwoordigd door Mr Herreman loco Ph. Declercq, advocaat, ( 1050 Brussel, Louizalaan 89) ***** Het hof, na beraad, spreekt in openbare terechtzitting volgend arrest uit : DE PROCEDURE De voorziening van verzoekster werd, samen met het origineel van het exploot van kennisgeving, neergelegd ter griffie van dit Hof op 6 maart
- R. EINDARREST - gedeeltelijk gegrond 1998/FR/98 2 zesde fiscale kamer De voorziening is gericht tegen de directeursbeslissing van de gewestelijke directeur der directe belastingen te Leuven (ref. nr. 13019510341, 13019511030, 13019511453, 13019711065, 13019612748) waarbij het bezwaarschrift van verzoekster werd afgewezen tegen de volgende aanslagen in de personenbelasting, gemeente Leuven : - artikel nr. 471111, aanslagjaar 1992, inkomsten 1991, dd. 16 december 1994, voor een bedrag van 195.819 BEF (4.854,22 euro ); - artikel nr. 751732661, aanslagjaar 1993, inkomsten 1992, dd. 1 maart 1995, voor een bedrag van 209.044 BEF (5.182,06 euro ); - artikel nr. 752593793, aanslagjaar 1994, inkomsten 1993, dd. 4 april 1995, voor een bedrag van 252.861 BEF (6.268,26 euro ); - artikel nr. 767511704, aanslagjaar 1995, inkomsten 1994, dd. 1 oktober 1996, voor een bedrag van 297.926 BEF (7.385,39 euro ); - artikel nr. 772012630, aanslagjaar 1996, inkomsten 1995, dd. 13 maart 1997, voor een bedrag van 1.086.348 BEF (26.929,86 euro ). Verzoekster huurde in de belastbare tijdperken ter discussie een onroerend goed, gelegen te ..., straat. Zij huurde dit onroerend goed van de N.V. Sankt Antonio. Het administratief dossier bevat een huurovereenkomst tussen verzoekster en deze vennootschap over de periode 1.1.1991 tot 31.12.1992 (stuk 32). De huurprijs bedraagt 100.000 BEF per maand voor het eerste jaar respectievelijk 110.000 BEF voor het tweede jaar van de verhuring. Artikel 4 van de huurovereenkomst bepaalt dat de huurder het onroerend goed moet onderhouden overeenkomstig de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek. 1998/FR/98 3 zesde fiscale kamer Deze N.V. werd opgericht op 18 september 1984 (stuk 29 administratief dossier). Een zekere Mr. Y werd benoemd als één van de drie bestuurders en als afgevaardigde bestuurder. Bij buitengewone algemene vergadering van 9 november 1988 werd het ontslag van deze persoon goedgekeurd en werd verzoekster benoemd als afgevaardigde bestuurder (stuk 31 administratief dossier). Volgens de gegevens verstrekt door de Belgische Staat zouden de Heer Y en Mevrouw X vanaf 23 februari 1990 tot 30 januari 1997 beiden het adres ... als wettelijke woonplaats hebben gehad. Verzoekster verhuurde in de belastbare tijdperken ter discussie de kamers in dit gebouw, haar verhuurd door de N.V. Sankt Antonio, als studentenkamers aan diverse studenten (zie bv. huurovereenkomst stuk 34 administratief dossier). De aangifte van verzoekster voor aanslagjaar 1992 vermeldde geen andere inkomsten dan onroerende inkomsten, zijnde het K.I. van een goed gelegen te Ieper. Bij bericht van wijziging van 9 november 1994 wijzigde de Belgische Staat de aangifte van verzoekster voor aanslagjaar
- Daarin stelt de Belgische Staat dat in hoofde van verzoekster krachtens artikel 90,5 W.I.B.92 zoals van toepassing voor dat aanslagjaar, diverse inkomsten belastbaar zijn uit onderverhuring van 26 studentenkamers-studio's in de straat te .... In concreto ging het om een wijziging van code 182 (2.989.500 BEF huurgelden) en code 183 (1.200.000 BEF huurgelden zelf betaald aan de N.V. Sankt Antonio). Een belastingverhoging van 10 % werd in het vooruitzicht gesteld. Verzoekster meldde op 5 december 1994 (stuk 95 administratief dossier) een gedeeltelijk akkoord met de voorgenomen wijziging, 1998/FR/98 4 zesde fiscale kamer voorhoudend dat nog een groter bedrag in mindering moest komen van de bruto-huurgelden uit de onderverhuring, met name een bijkomend bedrag van 1.635.200 BEF betaald aan de Heer Y, zijnde "betaalde onkosten". In bijlage van dat antwoord werd door verzoekster een handgeschreven overeenkomst voorgelegd dd. 10.1.1991 waarin gestipuleerd staat dat Y aan haar een "partij bouwmateriaal zijn eigendom zijnde en zich bevindende in het pand zelf en in de hof van het pand Straat 93 Leuven" verkoopt onder de voorwaarde dat de materialen in het pand verwerkt zullen worden. Verder staat geschreven dat de "verwerking moet geschieden in het jaar 1991-1992-1993". Een beschrijving is opgenomen in de handgeschreven overeenkomst, zijnde ondermeer witstenen goederen en massieve traptreden, bloembakken, waterputten (stuk 97 administratief dossier). Verder zijn in bijlage een reeks ontvangstbewijzen gevoegd voor sommen, die de ontvangst vanwege van verzoekster van geldsommen vermeldden (stuk 98 en volgende administratief dossier). Bij bericht van wijziging van respectievelijk 15.12.1994 (aanslagjaar 1993), 21.12.1994 (aanslagjaar 1994) en 21 mei 1996 (aanslagjaar 1995) wijzigde de Belgische Staat telkens de aangifte van verzoekster, die initieel geen diverse inkomsten uit onderverhuring aangaf. Verzoekster antwoordde telkens dat zij akkoord ging met de opname in de belastbare grondslag van de bruto-huur, verminderd met de huur betaald aan de N.V. Sankt Antonio, zoals telkens door de Belgische Staat weerhouden, doch vroeg telkens om bijkomende aftrek van bedragen betaald aan de Heer Y, waarbij zij telkens reeksen ontvangstbewijzen van bedragen voorlegde, met de vermelding "keukens", "badkamers", "afkorting bouwmaterialen", ... 1998/FR/98 5 zesde fiscale kamer In haar aangifte voor aanslagjaar 1996 gaf verzoekster de ontvangen huurgelden, verminderd met de betaalde huurgelden aan de N.V. Sankt Antonio en een bedrag aan "betaalde onkosten Y ." aan als divers inkomen. Bij kennisgeving van aanslag van ambtswege van 12 december 1996 stelde de Belgische Staat de belastingheffing van de huurgelden, verminderd met de betaalde huurgelden in het vooruitzicht als een krachtens artikel 32 W.I.B.92 belastbare bezoldiging van bestuurders. In concreto overweegt de Belgische Staat in de kennisgeving van aanslag van ambtswege (stuk 220 administratief dossier) dat hij krachtens artikel 340 W.I.B. met alle door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen, de eed uitgezonderd, het bestaan en het bedrag van een belastingschuld mag bewijzen. De Belgische Staat zet door een motivering uiteen dat volgens hem de huurovereenkomst tussen de N.V. Sankt Antonio en verzoekster, alsmede de onderverhuring van de studio's door verzoekster, geveinsd is en dat het "in feite de bedoeling is een bijkomende bezoldiging aan de bestuurder van de vennootschap toe te kennen". Bijgevolg herkwalificeert de Belgische Staat de ontvangen huurgelden verminderd met de door verzoekster betaalde huurgelden aan de N.V. Sankt Antonio, als een bezoldiging van bestuurder. De bestreden aanslag voor aanslagjaar 1996 werd dienovereenkomstig gevestigd. Verzoekster tekende tegen al deze aanslagen bezwaar aan, die werden verworpen bij de bestreden directeursbeslissing. Verzoekster legde daarop een fiscaal verzoekschrift neer ter griffie dat huidige vordering aanhangig maakte. De door de Belgische Staat gevolgde aanslagprocedure is deze van artikel 346 W.I.B.1992 voor de aanslagjaren 1992 tot 1995 en deze van artikel 351 W.I.B.1992 voor aanslagjaar
- 1998/FR/98 6 zesde fiscale kamer IN RECHTE ONTVANKELIJKHEID De fiscale voorziening, regelmatig ingesteld door verzoeker, binnen de wettelijke termijn, is ontvankelijk. TEN GRONDE A. De betwisting voor de aanslagen voor de aanslagjaren 1992 tot en met 1995 Tussen partijen is in betwisting of van de huurgelden die verzoekster ontving uit onderverhuring (-waarmee zij zich, wat het bruto-bedrag betreft, akkoord verklaarde-) naast de huurgelden die zij zelf betaalde aan haar verhuurder, de N.V. Sankt Antonio, ook nog de volgens haar in aanmerking te nemen bedragen, zijnde betalingen gedaan aan de Heer Y in mindering gebracht kunnen worden. Tussen partijen is derhalve in betwisting of die aan de Heer Y betaalde bedragen, "huurlasten" of "kosten" zijn als bedoeld in artikel 100, 1, b W.I.B.1992 (art. 69 paragraaf 3 W.I.B.1964) die verzoekster overeenkomstig die bepaling heeft verantwoord als zijnde gedaan of gedragen in de respectievelijke belastbare tijdperken om de door haarzelf ontvangen huurgelden te verkrijgen of te behouden. Gezien verzoekster de aftrek van uitgaven vraagt, rust daarvan op haar de bewijslast. In haar besluiten stelt verzoekster dat er "geen enkele reden voorhanden is om de investeringen welke concluante gedaan heeft om de diverse studio's te kunnen verhuren of verhuurbaar te maken niet in aanmerking te nemen als aftrekbare kosten". 1998/FR/98 7 zesde fiscale kamer Verder zet zij in haar besluiten uiteen : - dat op 10.1.1991 een overeenkomst werd gesloten door haar en de Heer Y voor de verkoop van allerhande bouwmaterialen voor 6.000.000 BEF om kosteloos verwerkt te worden in het bewuste gebouw; - dat de betaling zou geschieden per maand en de interest op het nog niet betaalde bedrag 12 % per jaar zou zijn; - dat op 20.6.1994 tussen verzoekster en Y bij overeenkomst bepaald werd dat de intrest van de overeenkomst van 10.1.1991 moest betaald worden na 1995 en dat tevens 26 keukens en badkamers verkocht werden voor 1.950.000 BEF; - dat het bewijs van betaling de in het administratief dossier opgenomen "betalingsbewijzen" zijn. Gezien verzoekster de aftrek van kosten vraagt om, volgens haar, in haren hoofde belastbare inkomsten, zijnde huurgelden, te verkrijgen of te behouden, moet worden onderzocht of bewezen is : - dat de kosten daadwerkelijk zijn gedaan of gedragen, met andere woorden, dat de echtheid ervan vaststaat; - dat de kosten van aard zijn belastbare huurgelden te verkrijgen of te behouden; - dat hun bedrag bewezen is, in voorkomend geval op grond van deugdelijke en aanvaardbare bewijsstukken. Na onderzoek van alle voorliggende gegevens en van de stukken voorgelegd door verzoekster, komt het Hof tot de vaststelling dat verzoekster aan haar bewijslast niet voldoet. In de eerste plaats is de aard van de uitgaven waarvan verzoekster de aftrek vraagt, niet duidelijk omschreven, ook niet naar aard en hoeveelheid van de aangekochte goederen en diensten opgenomen in de stukken voorgelegd door verzoekster. De "overeenkomst" tussen haar en Y van 10.1.1991 heeft het over "witsteen", "Bourgondische dallen", "bloembakken", "dorpels", "traptreden" en over het "verwerken" ervan in een pand gelegen te , straat . 1998/FR/98 8 zesde fiscale kamer De ontvangstbewijzen die verzoekster voorlegde, hebben ofwel geen vermelding van de causaliteit van de betaling, ofwel een vage, zoals "bouwmaterialen", of nog "keukens" en "badkamers". Op grond van die stukken is niet op controleerbare wijze aangetoond dat de tegenpartij van verzoekster, de beweerde verkoper van de goederen, daadwerkelijk goederen voorhanden had die hij, ten eerste, aan haar kon verkopen, en ten tweede, ook nog kon verwerken en zelf verwerkt heeft in het onroerend goed dat verzoekster huurde. De echtheid van de verkochte goederen en dienstprestaties voorgehouden door verzoekster, die naar de door haar omschreven aard zouden kunnen worden aanzien als goederen en dienstprestaties in de bouwsector, is op grond van de door haar voorgelegde stukken, niet bewezen. Voorts ligt geen enkel deugdelijk bewijs voor van de echtheid van aanhechting van enig bouwmateriaal, indien al aangekocht, in het door verzoekster gehuurde goed. De voorgelegde bewijsstukken leveren derhalve ook niet het bewijs van echtheid en exacte aard van de uitgave waarvan verzoekster beweert dat zij ze heeft gedaan. Ten overvloede moet worden opgemerkt dat geen gegevens voorgelegd worden tot staving van het feit dat deze persoon Y bekwaamheden heeft inzake het verrichten van werk in onroerende staat en zou hebben beschikt over de goederen waarvan verzoekster op niet bewezen wijze voorhoudt dat hij ze heeft gekocht, om ze aan haar te verkopen. Bovendien moet in acht genomen worden dat gezien de hoge bedragen voor "aankopen van goederen" en "dienstprestaties" die in alle aanslagjaren ter discussie als uitgaven door verzoekster worden voorgehouden, geenszins aannemelijk maken dat transacties zoals door verzoekster wordt voorgehouden zouden zijn geschied, nu bij het van hand tot hand gaan van bouwmaterialen en "badkamers" en "keukens" voor dergelijke hoge bedragen, verwacht had kunnen worden dat enig 1998/FR/98 9 zesde fiscale kamer bewijs zou kunnen worden voorgelegd over de vraag hoe deze persoon Y aan bouwmaterialen voor dergelijke hoeveelheden zou zijn geraakt. Voorts moet dan nog opgemerkt worden, zonder dat verzoekster daarover enige verantwoording geeft, dat zij wat haar betalingen betreft ook geen uitsplitsing maakte tussen betalingen van beweerdelijk bestaande "materialen", "werk" en "intresten" op afkortingen van materialen, en evenmin, wat dat laatste betreft, enige argumentatie verschaft over de vraag waarom die laatste post -niet uitgesplitst- evenzeer kosten zouden zijn bedoeld in artikel 69 paragraaf 3 W.I.B.1964 (art. 100, 1, b W.I.B.1992). Verzoekster vervult de op haar rustende bewijslast niet in, zodat haar vordering niet kan worden ingewilligd. Gezien geen deugdelijk bewijs voorligt van de door verzoekster volgens haar gedane uitgaven, komt het overbodig voor haar onderhouds- dan wel herstelverplichtingen inzake het huurcontract, zowel ten aanzien van haar contractuele verplichtingen als ten aanzien van die voortvloeiend uit de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek, verder te onderzoeken. Aanslagjaar 1996 De bestreden aanslag voor dit aanslagjaar werd gevestigd na vaststelling van de belastbare grondslag overeenkomstig de bewijstechniek der feitelijke vermoedens zoals omschreven in artikel 340 W.I.B.92 (art. 1353 B.W.). De kennisgeving van aanslag van ambtswege van 12 december 1996 (stuk 220 administratief dossier) met betrekking tot dit aanslagjaar, werd aan verzoekster toegezonden wegens het laattijdig doen van aangifte in de personenbelasting door haarzelf. Dit gegeven op zich, met name dat haar aangifte in de personenbelasting laattijdig zou zijn ingediend, wordt door verzoekster klaarblijkelijk niet tegengesproken. In de laattijdige aangifte gaf verzoekster de huurinkomsten uit de verhuring van 1998/FR/98 10 zesde fiscale kamer voormelde studio's aan als divers inkomen, meer bepaald als "ontvangen huurgelden uit onderverhuring", verminderd met de door haarzelf betaalde huurgelden aan de N.V. Sankt Antonio en met een bedrag van 774.481 BEF aan "betaalde onkosten Y.". Op grond van voormelde bewijstechniek houdt de Belgische Staat voor dat de volgende gegevens een geheel vormen van gewichtige en met elkaar overeenstemmende vermoedens die erop wijzen dat de verhuur van het gebouw gelegen in de Straat te door de vennootschap N.V. Sankt Antonio aan verzoekster, en, vervolgens, de onderverhuring door haarzelf van de daarin aanwezig zijnde studio's, geveinsd is. Op grond daarvan worden de ontvangen huurgelden, minus de door haarzelf betaalde huurgelden, in haren hoofde geherkwalificeerd als een bezoldiging van bestuurder als bedoeld in artikel 32 W.I.B.92 : - bij de oprichting van de N.V. Sankt Antonio op 2.10.1984 werd de persoon Y benoemd tot afgevaardigde bestuurder; - op 14.11.1988 nam deze persoon Y ontslag als afgevaardigde bestuurder en werd verzoekster benoemd tot afgevaardigde bestuurder met, overeenkomstig artikel 15 van de statuten van de N.V. Sankt Antonio, een organieke vertegenwoordigingsbevoegdheid; - de huurovereenkomst van 1.1.1991 tussen verzoekster en de N.V. Sankt Antonio stipuleert dat de huurder het goed moet onderhouden overeenkomstig de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek; - de huurovereenkomst van 1.1.1991 werd ondertekend door Y als bestuurder van de N.V. en door verzoekster als huurder; daarbij zou het toen van toepassing zijnde artikel 60 van de toenmalige vennootschapswet (thans artikel 523 vennootschapswet) overtreden zijn; - de ondertekening van de huurovereenkomst van 1.1.1991 is geschied op een wijze die strijdig is met artikel 15 van de statuten van de N.V. Sankt Antonio, dat bepaalt dat (stuk 29 administratief dossier) "behoudens bijzondere machtsoverdracht, en onverminderd de 1998/FR/98 11 zesde fiscale kamer vertegenwoordigingsbevoegdheid inzake dagelijks bestuur, alle akten die de vennootschap verbinden, erin begrepen de vertegenwoordiging in rechte, en de akten waaraan een openbaar of ministerieel ambtenaar zijn medewerking verleent, alsook de volmachten met betrekking tot deze akten, geldig zijn ondertekend, hetzij door één afgevaardigde bestuurder, alleen handelend, hetzij door twee bestuurders, gezamenlijk handelend, dewelke in geen geval ten overstaan van derden van een voorafgaande beslissing door de raad van bestuur moeten doen blijken"; - de huurders van de studio betaalden hun huurgelden op de privé-rekening van verzoekster, terwijl de huurovereenkomsten zouden zijn afgesloten met de N.V. Sankt Antonio zelf; - er is geen deugdelijk bewijs van verkoop van bouwmaterialen door Y aan verzoekster. Het bewijs van het bestaan van een geveinsde akte (artikel 1321 B.W.) houdt het bewijs in van de volgende gegevens (DE PAGE, Traité élémentaire du droit civil belge, Brussel, Bruylant, 1938, II, nr. 618) : "Il y a simulation lorsque les parties font un acte apparent dont elles conviennent de modifier ou de détruire les effects par une autre convention, demeurée secrète. La simulation suppose donc deux conventions, contemporaines l'une de l'autre, mais dont l'une n'est destinée qu'à donner le change. Il n'existe qu'une convention réelle, la convention secrète.", (hetgeen door het Hof wordt begrepen als : "er is veinzing indien de partijen een zichtbare akte maken waarover zij overeenkomen er de gevolgen van te wijzigen of te vernietigen door een andere overeenkomst, die geheim blijft. De veinzing veronderstelt dus twee gelijktijdige overeenkomsten, maar waarvan er één tot doel heeft de andere te wijzigen. Er bestaat derhalve maar één echte overeenkomst, de geheime overeenkomst."). Partijen kunnen gebruik maken van de vrijheid overeenkomsten te sluiten, voor zover zij daarbij alle wettelijke gevolgen van de door 1998/FR/98 12 zesde fiscale kamer hen gesloten overeenkomsten aanvaarden, en geen wettelijke bepalingen schenden (cfr. Cass. 19 oktober 1965, Bull. Bel. nr. 430, 710). In deze heeft de Belgische Staat de bewijslast van het bestaan van veinzing, gezien hij er zich op beroept (cfr. Cass. 25 januari 1993, F.J.F. 95/134), ook nu de aanslag van ambtswege werd gevestigd, gezien de verschuiving van de bewijslast naar verzoekster als tegenbewijs maar plaats grijpt bij een deugdelijke en aanvaardbare vaststelling van de belastbare grondslag in de kennisgeving van aanslag van ambtswege zelf. Ten onrechte beroept verzoekster zich op de beginselen van behoorlijk bestuur en het vertrouwenbeginsel, nu de Belgische Staat voor aanslagjaar 1996 het bestaan van een geveinsde huurovereenkomst voorhoudt, terwijl hij dat voor de voorgaande aanslagjaren niet deed, nu de belasting geheven wordt per aanslagjaar (art. 171 G.W.) en zij geheven moet worden overeenkomstig de wet, zodat het de Belgische Staat vrij staat voor het aanslagjaar 1996 in te roepen dat wettelijke beginselen, in casu de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek die de leer der tegenbrief betreffen, geschonden zouden zijn, daar het belastingrecht, voor zover geen afwijkende bepalingen bestaan, geheven wordt overeenkomstig de wet, zij het in deze het burgerlijk recht ("le droit fiscal est serve du droit civil", cfr. bv. Bergen 9 juni 1977, J.D.F. 1977, 306). Niettemin moet daarbij tevens in acht genomen worden dat artikel 1321 Burgerlijk Wetboek geen toepassing vindt in belastingzaken (cfr. Cass. 4 januari 1991, Arr. Cass. 1990-91, 466). Op grond van de door de Belgische Staat aangehaalde overwegingen kan evenwel in het voorliggende geval geen veinzing van de huurovereenkomst aangenomen worden, op grond waarvan moet worden vastgesteld dat door studenten betaalde huurgelden, als een bezoldiging van bestuurder van verzoekster belastbaar zouden zijn. 1998/FR/98 13 zesde fiscale kamer In de eerste plaats is het gegeven waarop de Belgische Staat zich beroept, met name dat huurcontracten rechtstreeks tussen de studenten en de N.V. Sankt Antonio zouden zijn gesloten, niet aangetoond door enig controleerbaar gegeven berustend in het administratief dossier. De anonieme klacht waarvan sprake in stuk 79 van het administratief dossier wordt verder door geen controleerbaar gegeven ondersteund, zodat met dergelijke overweging geen rekening kan worden gehouden. De door de Belgische Staat aangehaalde overtreding van het toenmalig artikel 60 Venn. W., in zijn toenmalige formulering, laat derden niet toe de nietigheid van de verrichting op grond van artikel 60 Venn.W. te vorderen. Er is evenmin aangetoond dat de N.V. Sankt Antonio het afsluiten van de huurovereenkomst niet zou hebben bekrachtigd of dat het onderverhuren niet de werkelijke wil van partijen bij de onderverhuringsovereenkomst zou zijn geweest, noch dat verzoekster in het stellen van die verrichting, niet alle wettelijke gevolgen daarvan zou hebben nageleefd. Er wordt derhalve niet op deugdelijke wijze door de Belgische Staat aangetoond dat de huurovereenkomst tussen de N.V. Sankt Antonio en verzoekster een geveinsde overeenkomst is, en dat verzoekster niet alle gevolgen van de door haar gestelde rechtshandeling, met name het sluiten van een huurovereenkomst van onderverhuring van een onroerend goed, zou hebben aanvaard, zodat de Belgische Staat niet voldoet aan de op hem rustende bewijslast en de bestreden aanslag voor aanslagjaar 1996 vernietigd moet worden. Er is immers niet op deugdelijke wijze aangetoond dat de huurgelden ontvangen door verzoekster van eigen huurders (-niet van de N.V. Sankt Antonio-), de geldelijke tegenprestatie zouden zijn voor werkzaamheden door verzoekster verricht in haar bestuursfunctie voor de N.V. Sankt Antonio. Gezien het voorgaande, komt het overbodig voor verder nog te onderzoeken of op grond van de onderhoudsverplichtingen zoals voorzien in het Burgerlijk Wetboek voor huurders, verzoekster 1998/FR/98 14 zesde fiscale kamer gehouden was tot het doen van belangrijke en ingrijpende verbouwingen, en of de uitgaven aan Y bewezen zijn, gezien zij door de Belgische Staat impliciet verworpen worden als bedrijfsuitgaven. Het onderzoek naar de vraag of deze uitgaven daadwerkelijk "echt" zijn en aan de voorwaarden van aftrekbaarheid van bestuurdersbezoldigingen beantwoorden, komt evenwel, gezien de voorgaande bevinding van het Hof, overbodig over. Aangaande de kosten Op 1 januari 2008 is de Wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat en haar uitvoerings-K.B. van 26 oktober 2007 in werking getreden. Verzoekster en de Belgische Staat stelden ter zitting bij monde van hun raadsman dat geen rechtsplegingsvergoeding verschuldigd is en verklaarden zich daarmee akkoord. Krachtens art. 392 § 2 W.I.B. 1992 (art. 293 W.I.B. 1964) worden de kosten in huidige procedure geregeld als in strafzaken (bepaling W.I.B. zoals van kracht voor de opheffing door art. 34 Wet 15 maart 1999, cfr. art. 97, lid 9 Wet 15 maart 1999, B.S. 27.3.1999). Krachtens artikel 162, lid 1 Sv. verwijst ieder veroordelend vonnis, uitgesproken tegen de beklaagde en tegen de personen die voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijk zijn, hen in de kosten, zelfs jegens de openbare partij. Derhalve worden de kosten vereffend zoals aangehaald in het beschikkend gedeelte. 1998/FR/98 15 zesde fiscale kamer OM DEZE REDENEN, HET HOF, rechtsprekend na tegenspraak, Gelet op art 24bis van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Verklaart de voorziening aangaande de aanslagen gevestigd in hoofde van verzoekster voor de aanslagjaren 1992, 1993, 1994 en 1995, ontvankelijk, doch ongegrond, Verklaart de voorziening aangaande aanslagjaar 1996 ontvankelijk en gegrond, vernietigt de aanslag gekend onder artikel nr. 772012630, aanslagjaar 1996, inkomsten 1995, dd. 13 maart 1997, gevestigd in hoofde van verzoekster, Veroordeelt de Belgische Staat tot de terugbetaling van alle ten onrechte ontvangen bedragen, vermeerderd met de moratoriumintresten van art. 418 W.I.B.1992, Veroordeelt elke partij tot de helft van de kosten van de voorziening, vereffend zoals in strafzaken op 32,23 EUR. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de zesde fiscale kamer van het hof van beroep te Brussel, op 4 juni 2009 alwaar aanwezig waren en zitting namen : - J. Verstappen, raadsheer dd voorzitter, - P. Vandermotten, raadsheer, - C. Vanderkerken, raadsheer, - C. De Nollin, griffier. C. De Nollin. C. Vanderkerken. P. Vandermotten. J. Verstappen. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div