id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 04 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090604.8 Rolnummer: Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2009-06-12 Raadplegingen: 105 - laatst gezien 2026-07-02 19:54 Fiche 'Op 16 maart 2007 besliste het Hof van Cassatie dat een verklaring van lossing in de zin van art. 18. 2.
- c)van de EEG-Verordening nr. 3665/87 kennelijk een weerlegbaar bewijs vormt van het feit dat de goederen daadwerkelijk de markt van het land van bestemming hebben bereikt en aldaar in de handel zijn gebracht. Het Hof van Cassatie oordeelde dat het hof van beroep ten onrechte had beslist dat, eens de verklaring inzake lossing voorhanden is, de voorwaarden voor een gedifferentieerde restitutie moeten worden geacht vervuld te zijn, als ware deze verklaring een onweerlegbaar vermoeden. Het Hof van Cassatie vernietigde dan ook het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 21 december 2004 en verwees de aldus beperkte zaak naar dit hof. ' 'Het B.I.R.B. wijst erop dat deze stelling van de NV SGS tegenstrijdig is met haar oorspronkelijke houding. Oorspronkelijk hield zij immers voor dat de goederen daadwerkelijk waren ingevoerd in Libanon en op de markt waren gebracht, wat zij bewees door het voorleggen van een certificaat op grond van art. 18. 1.
- b)van de Verordening 3665/87. De NV SGS kon haar oorspronkelijke houding evenwel niet aanhouden toen zij werd geconfronteerd met de tegenstrijdigheid van dit certificaat met haar eigen interne fax. Dientengevolge hield de NV SGS voor dat de goederen voor hun aankomst in Libanon door overmacht verloren waren gegaan. Het hof sluit zich op dit punt bij het B.I.R.B. aan dat er een tegenstrijdigheid bestaat in de gewijzigde houding van de NV SGS. Evenwel belet dit niet dat de NV SGS gerechtigd is zich ook in deze zaak op de uitzondering van overmacht te beroepen. In geen geval heeft de NV SGS het recht verwerkt of verloren om zich op overmacht te beroepen. Overigens wordt de gehele discussie omtrent het certificaat op grond van art. 18. 1.
- b)van de Verordening 3665/87 irrelevant en zelfs zonder voorwerp indien het voorhanden zijn van overmacht kan worden aangetoond.' 'Op de tweede plaats betwist het B.I.R.B. dat deze zaak zou kunnen vallen onder de toepassing van het aangehaalde art. 5, lid 3 van de Verordening 3665/87.' 'Nu het hof twijfels heeft omtrent de juiste interpretatie van het begrip 'overmacht', en deze twijfels betrekking hebben op de juiste interpretatie van een bepaling van het Gemeenschapsrecht (meer bepaald art. 5, lid 3 van de Verordening 3665/87), meent het hof de door de NV SGS gesuggereerde prejudiciële vraag te moeten stellen aan het Europees Hof van Justitie.' 'Alvorens recht te doen, stelt de volgende prejudiciële vraag aan het Europees Hof van Justitie : 'Dient de term 'overmacht' in artikel 5, lid 3 van de Verordening EEG 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 houdende Gemeenschappelijke Uitvoeringsbepalingen van het Stelsel van Restituties bij Uitvoer voor Landbouwproducten zo te worden geïnterpreteerd dat het bederven van rundvlees tijdens het vervoer in de gepaste verpakking en in een koelcontainer waarbij continu de voorgeschreven temperatuur wordt aangehouden, in beginsel overmacht vormt ?'. ' UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - EUROPEES RECHT - BELASTINGEN - EG- Verdrag (bepalingen belastingrecht) Vrije woorden: verordening 3665/87 - artikel 18.2.
- c)- verklaring van lossing - slechts weerlegbaar bewijs van het feit dat goederen daadwerkelijk de markt van het land van bestemming hebben bereikt en aldaar in de handel zijn gebracht - geen 'onweerlegbaar vermoeden' dat de voorwaarden voor een gedifferentieerde restitutie vervuld zijn (Cass. 16 maart 2007) verordening 3665/87 - artikel 18.2.
- b)- certificaat van invoer ten verbruik - materiële vergissing aan het licht gebracht door interne fax - kan gelden als verklaring van lossing (artikel 18.2.c)) tegenstrijdige houding - beroep op artikel 5, lid 3 - exceptie van overmacht - goederen voor aankomst 'verloren' gegaan - geen rechtsverwerking/verlies van recht om zich te beroepen op overmacht wegens gewijzigde houding toepassing artikel 5, lid 3 Verordening 3665/87 - juiste betekenis begrip overmacht (périr/verlies van goederen onderweg) - prejudiciële vraag vesteld aan het Europees Hof van Justitie Tekst van de beslissing HOF van BEROEP te BRUSSEL Zesde fiscale kamer Nr. van de zaak : 2007/AR/1603 Openbare terechtzitting van 4 juni 2009 IN ZAKE VAN : I. De NV SGS BELGIUM, met maatschappelijke zetel te 2030 Antwerpen, Noorderlaan 87, met ondernemingsnummer 0404.882.750, vertegenwoordigd door Meester Matthias Storme, advocaat te 1000 Brussel, Verenigingstraat 28, TEGEN : 1. Het BELGISCH INTERVENTIE EN RESTITUTIEBUREAU, afgekort B.I.R.B., openbare instelling met rechtspersoonlijkheid, opgericht bij het K.B. van 10 november 1967, zoals gewijzigd bij de wet van 6 augustus 1993, met zetel te 1040 Brussel, Trierstraat 82, vertegenwoordigd door Meester Eric Vervaecke, advocaat te 2000 Antwerpen, Lange Nieuwstraat 21-23, 2. De NV FIRME DERWA, met maatschappelijke zetel te 4020 Luik, avenue de Jupille 4, ingeschreven in het Handelsregister van Luik onder het nummer 123.075, vertegenwoordigd door Meester Gevers, loco Meester Luc Misson, advocaat te 4020 Luik, rue de Pitteurs 41, R. Tussenarrest - prejudiciële vraag Europees Hof van Justitie 2007/AR/1603 2 zesde fiscale kamer 3. De NV CENTRAAL BEHEER ACHMEA, verzekeringsmaatschappij naar Nederlands recht, Prins Willem Alexanderlaan 651, Apeldoorn - Nederland, vertegenwoordigd door Meester Frans Ponet, advocaat te 2018 Antwerpen, Van Putlei 9, II. 1. De NV FIRME DERWA, met maatschappelijke zetel te 4020 Luik, avenue de Jupille 4, ingeschreven in het Handelsregister van Luik onder het nummer 123.075, vertegenwoordigd door Meester Gevers, loco Meester Luc Misson, advocaat te 4020 Luik, rue de Pitteurs 41, 2. De NV CENTRAAL BEHEER ACHMEA, verzekeringsmaatschappij naar Nederlands recht, Prins Willem Alexanderlaan 651, Apeldoorn - Nederland, vertegenwoordigd door Meester Frans Ponet, advocaat te 2018 Antwerpen, Van Putlei 9, TEGEN : 1. De NV SGS BELGIUM, met maatschappelijke zetel te 2030 Antwerpen, Noorderlaan 87, met ondernemingsnummer 0404.882.750, vertegenwoordigd door Meester Matthias Storme, advocaat te 1000 Brussel, Verenigingstraat 28, 2007/AR/1603 3 zesde fiscale kamer 2. Het BELGISCH INTERVENTIE EN RESTITUTIEBUREAU, afgekort B.I.R.B., openbare instelling met rechtspersoonlijkheid, opgericht bij het K.B. van 10 november 1967, zoals gewijzigd bij de wet van 6 augustus 1993, met zetel te 1040 Brussel, Trierstraat 82, vertegenwoordigd door Meester Eric Vervaecke, advocaat te 2000 Antwerpen, Lange Nieuwstraat 21-23, ***** Het hof, na beraad, spreekt in openbare terechtzitting volgend arrest uit : Gezien de procedurestukken en meer in het bijzonder : - het afschrift van het arrest van de zesde kamer van het hof van beroep te Antwerpen van 21 december 2004 (A.R. nrs. 03/AR/1761 en 03/AR/2006); - het afschrift van het arrest van het Hof van Cassatie van 16 maart 2007 (Nr. C.05.0248.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070316.1). Deze zaak is voor dit hof gekomen na cassatie op 16 maart 2007 van een arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 21 december 2004. Bij dit arrest had het hof van beroep te Antwerpen een vonnis hervormd van de 1 F kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 11 april 2003. I. De feiten De NV Firme Derwa heeft in de loop van het jaar 1996 rundvlees uitgevoerd naar Libanon. Op 24 juni 1996 werd de aangifte ten uitvoer aanvaard door de douaneautoriteiten. Op 19 juli 1996 heeft het B.I.R.B. bij voorschot aan de NV Firme Derwa een exportrestitutie van 1.301.696 BEF betaald. 2007/AR/1603 4 zesde fiscale kamer Op 9 juli 1996 kwam het vlees aan in Beiroet, waar onder douaneregeling door de veterinaire diensten na monsterneming een bacterie in het vlees werd ontdekt. Als gevolg daarvan werd de volledige lading als ongeschikt voor menselijke consumptie bevonden, door de bestemmeling geweigerd en naderhand vernietigd. Om definitief recht te hebben op de verkregen restitutie, diende de NV Firme Derwa het bewijs van invoer in ongewijzigde staat in Libanon te leveren binnen de 12 maanden na de datum waarop de uitvoeraangifte was aanvaard. Op 3 juni 1997 vroeg de NV Firme Derwa aan het B.I.R.B. een supplementaire termijn om de bewijsstukken voor te leggen. Nu de NV Firme Derwa niet in het bezit was van het vereiste document, heeft de NV Centraal Beheer Achmea (zijnde de goederenverzekeraar) de NV SGS (zijnde een firma gespecialiseerd in controle en toezicht) op 14 april 1997 verzocht haar correspondenten in Beiroet te benaderen om een attest op te maken overeenkomstig art. 18. 1.
- b)van de EEG-Verordening 3665/87. Op 19 juli 1997 bevestigde de NV SGS dat de goederen in Libanon door de douane werden vrijgegeven ten verbruik. Daarop gaf het B.I.R.B. de door de NV Firme Derwa gestelde zekerheid vrij op 8 oktober 1997. Wel diende de NV Firme Derwa, nu zij laattijdig het bewijs van invoer ten verbruik in Libanon voorlegde, een deel van de ontvangen exportrestitutie terug te betalen. Ingevolge een in 1998-1999 bij de NV SGS uitgevoerd onderzoek door het Bestuur Economische Inspectie van het ministerie van Economische Zaken bleek uit een fax van 17 juni 1997 van SGS Libanon aan SGS Zelzate dat de goederen niet ten verbruik werden aangegeven. 2007/AR/1603 5 zesde fiscale kamer Op 21 april 1999 deelde het B.I.R.B. de uitslag van het onderzoek mee aan de NV SGS. Op 1 februari 2001 deelde het B.I.R.B. aan de NV SGS mee dat in deze omstandigheden, op grond van art. 13 van de EEG-Verordening 3665/87, het recht op restitutie verviel, het ten onrechte uitbetaalde bedrag werd verhoogd met 15 % om reden dat de restitutie in voorschot werd betaald, een sanctie van 200 % werd aangerekend nu opzettelijk verkeerde gegevens werden verstrekt en interesten werden berekend vanaf de vrijgave van de bankzekerheid op 8 oktober 1997. Bijgevolg werd de NV SGS verzocht om de volgende bedragen te betalen : - hoofdsom : 1.131.910 BEF; - verhoging 15 % : 169.786 BEF; - sanctie van 200 % : 2.263.820 BEF; - interesten aan 7 % van 8 oktober 1997 tot 8 februari 2001 : 264.112 BEF Totaal : 3.829.628 BEF. Op 11 april 2001 ging het B.I.R.B. over tot dagvaarding van de NV SGS in betaling van het bedrag van 3.829.628 BEF, te vermeerderen met de verwijlinteresten op de som van 3.565.516 BEF vanaf 2 februari 2001 en de gerechtelijke interesten. Op 21 september 2001 ging de NV SGS over tot dagvaarding in tussenkomst en vrijwaring van de NV Firme Derwa en de NV Centraal Beheer Achmea. Op 8 augustus 2002 gingen de NV Firme Derwa en de NV Centraal Beheer Achmea over tot dagvaarding van het B.I.R.B. Op 11 april 2003 oordeelde de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen dat onomstotelijk vaststond dat de douaneformaliteiten voor invoer tot verbruik niet vervuld waren, zodat de voorwaarden voor de betaling van een gedifferentieerde restitutie dan ook niet vervuld waren. De rechtbank veroordeelde derhalve de NV SGS om aan het B.I.R.B. te betalen de som van 3.829.628 BEF, te vermeerderen met de verwijlinteresten en gerechtelijke interesten. 2007/AR/1603 6 zesde fiscale kamer Zij veroordeelde de NV Firme Derwa en de NV Centraal Beheer Achmea in solidum om de NV SGS algeheel te vrijwaren en wees ten slotte de vordering van de NV Firme Derwa en de NV Centraal Beheer Achmea af als ongegrond. Op 21 december 2004 oordeelde het hof van beroep te Antwerpen dat de NV SGS geen foutief gedrag kon worden verweten, nu de verklaring van 19 juli 1997, gedaan op grond van art. 18. 1.
- b)van de EEG-Verordening nr. 3665/87, in feite een materiële vergissing inhield en deze verklaring kon gelden als een verklaring van lossing in de zin van art. 18. 2.
- c)van de Verordening die aan de NV Firme Derwa recht gaf op restitutie. Volgens het hof vloeide daaruit voort dat de restitutie aan de NV Firme Derwa niet onrechtmatig werd uitbetaald en dat bijgevolg de NV SGS geen onregelmatigheid had begaan of aan het begaan van een onregelmatigheid had deelgenomen, waardoor de algemene begroting van de Gemeenschappen of de door de Gemeenschappen beheerde begrotingen werden benadeeld. Het B.I.R.B. tekende cassatieberoep aan tegen dit arrest van het hof van beroep te Antwerpen. Op 16 maart 2007 besliste het Hof van Cassatie dat een verklaring van lossing in de zin van art. 18. 2.
- c)van de EEG-Verordening nr. 3665/87 kennelijk een weerlegbaar bewijs vormt van het feit dat de goederen daadwerkelijk de markt van het land van bestemming hebben bereikt en aldaar in de handel zijn gebracht. Het Hof van Cassatie oordeelde dat het hof van beroep ten onrechte had beslist dat, eens de verklaring inzake lossing voorhanden is, de voorwaarden voor een gedifferentieerde restitutie moeten worden geacht vervuld te zijn, als ware deze verklaring een onweerlegbaar vermoeden. Het Hof van Cassatie vernietigde dan ook het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 21 december 2004 en verwees de aldus beperkte zaak naar dit hof. 2007/AR/1603 7 zesde fiscale kamer II. Discussie A. WAT DE SAMENVOEGING VAN DE TWEE ZAKEN BETREFT Het Hof van Cassatie heeft bij zijn arrest van 16 maart 2007 het bestreden arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 21 december 2004 vernietigd, behalve inzoverre dit arrest het hoger beroep ontvankelijk verklaarde. Daarmee heeft het Hof van Cassatie impliciet de samenvoeging van de twee zaken gekend op het hof van beroep te Antwerpen onder de rolnummers 2003/AR/1761 en 2003/AR/2006 bevestigd. B. TEN GRONDE Ten tijde van de feiten werd het stelsel voor restituties bij uitvoer van landbouwproducten geregeld door de Verordening EEG 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 houdende Gemeenschappelijke Uitvoeringsbepalingen van het Stelsel van Restituties bij Uitvoer voor Landbouwproducten. De NV SGS houdt voor dat in deze voldaan was aan de voorwaarden om recht te hebben op de toegekende restitutie, zodat er geen aanleiding bestaat om deze terug te vorderen. Zo waren de goederen op het tijdstip van de uitvoer van gezonde handelskwaliteit en geschikt voor menselijke consumptie, maar zijn zij, naar haar oordeel, onderweg als gevolg van overmacht verloren gegaan (toepassing van art. 5, lid 3 van voormelde Verordening 3665/87). Het B.I.R.B. wijst erop dat deze stelling van de NV SGS tegenstrijdig is met haar oorspronkelijke houding. Oorspronkelijk hield zij immers voor dat de goederen daadwerkelijk waren ingevoerd in Libanon en op de markt waren gebracht, wat zij bewees door het voorleggen van een certificaat op grond van art. 18. 1.
- b)van de Verordening 3665/87. De NV SGS kon haar 2007/AR/1603 8 zesde fiscale kamer oorspronkelijke houding evenwel niet aanhouden toen zij werd geconfronteerd met de tegenstrijdigheid van dit certificaat met haar eigen interne fax. Dientengevolge hield de NV SGS voor dat de goederen voor hun aankomst in Libanon door overmacht verloren waren gegaan. Het hof sluit zich op dit punt bij het B.I.R.B. aan dat er een tegenstrijdigheid bestaat in de gewijzigde houding van de NV SGS. Evenwel belet dit niet dat de NV SGS gerechtigd is zich ook in deze zaak op de uitzondering van overmacht te beroepen. In geen geval heeft de NV SGS het recht verwerkt of verloren om zich op overmacht te beroepen. Overigens wordt de gehele discussie omtrent het certificaat op grond van art. 18. 1.
- b)van de Verordening 3665/87 irrelevant en zelfs zonder voorwerp indien het voorhanden zijn van overmacht kan worden aangetoond. Op de tweede plaats betwist het B.I.R.B. dat deze zaak zou kunnen vallen onder de toepassing van het aangehaalde art. 5, lid 3 van de Verordening 3665/87. Het B.I.R.B. verwijst naar de Franse tekst van deze bepaling uit de aangehaalde Verordening, die spreekt van "péri en cours de transport par suite d'un cas de force majeure". Het B.I.R.B. meent dat het woord "périr" geenszins "bederven" betekent, zoals voorgehouden door de NV SGS. Verlies onderweg of tijdens het transport betekent volgens het B.I.R.B. dat de goederen zelf verloren gaan voor de exporteur, hetgeen wil zeggen dat hij het bezit ervan verliest, zodat zij bijgevolg hun bestemming niet meer konden bereiken. Wanneer daarentegen goederen aankomen op hun bestemming zelf, al dan niet in een andere toestand (b.v. bedorven), zijn zij volgens het B.I.R.B. niet verloren gegaan onderweg. Met reden wijst de NV SGS erop dat volgens de vaste rechtspraak van het Europees Hof van Justitie de term "overmacht", zoals die in de landbouwverordeningen wordt gebruikt, niet slechts volstrekte onmogelijkheid omvat, doch ook abnormale, buiten toedoen van de importeur c.q. exporteur ingetreden omstandigheden, waarvan de gevolgen, alle diligentie ten spijt, slechts ten koste van onevenredig grote offers te vermijden waren geweest. 2007/AR/1603 9 zesde fiscale kamer De NV SGS betwist de beperkende interpretatie van het begrip "overmacht", zoals aangehouden door het B.I.R.B. Nu het hof twijfels heeft omtrent de juiste interpretatie van het begrip "overmacht", en deze twijfels betrekking hebben op de juiste interpretatie van een bepaling van het Gemeenschapsrecht (meer bepaald art. 5, lid 3 van de Verordening 3665/87), meent het hof de door de NV SGS gesuggereerde prejudiciële vraag te moeten stellen aan het Europees Hof van Justitie. Het hof meent dat het antwoord op deze vraag noodzakelijk is voor de oplossing van het hoofdgeding dat betrekking heeft op de terugbetaling van de door het B.I.R.B. toegekende restitutie bij uitvoer. Om voormelde redenen meent het hof dat het B.I.R.B ten onrechte voorhoudt dat de door de NV SGS gesuggereerde vraag beoogt om het geschil door het Europees Hof van Justitie te doen oplossen. Evenmin kan het hof akkoord gaan met de opmerking van het B.I.R.B. dat het geval dat de NV SGS aan het Europees Hof van Justitie wil voorleggen louter hypothetisch van aard is, nu niet zou vaststaan of worden erkend dat het rundvlees, dat het voorwerp uitmaakt van onderhavig geschil, in een "gepaste" verpakking, in een koelcontainer met aangehouden temperatuur O° bedorven is tijdens het vervoer. Terecht werpt de NV SGS hiertegen op dat het rundvlees werd vervoerd in een koelcontainer en in de gepaste verpakking, en, dat het gebruik van koelcontainers er net op gericht is te voorkomen dat het vlees zou bederven. Op de Bill of Loading zijn instructies te vinden in verband met de koeling ("temperature O°") (zie : stuk 14 van het B.I.R.B. en stuk 1/3 van de NV Firme Derwa). Verder werd in het Lloyds rapport dat de NV Centraal Beheer Achmea voorlegt (zie haar stuk FP 3), bevestigd dat de juiste temperatuur werd aangehouden ("Thermochart indicated temperature maintained at O° C throughout the voyage and during storage"). Het feit dat de goederen van gezonde handelskwaliteit en geschikt voor menselijke consumptie waren op het ogenblik van de uitvoer wordt geenszins betwist door het B.I.R.B. of door een van de andere 2007/AR/1603 10 zesde fiscale kamer partijen in het geding. Dat de goederen bij aankomst te Beiroet reeds bedorven waren, vloeit voort uit de fax uit Beiroet, waarop het B.I.R.B. zijn vordering steunt, en waarin uitdrukkelijk vermeld staat dat het rundvlees in bedorven toestand aankwam in de haven ("This parcel reached Beirut port in a damaged condition") (zie : stuk 20 van het B.I.R.B.). OM DEZE REDENEN, HET HOF, rechtsprekend op tegenspraak, Gelet op art 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Alvorens recht te doen, stelt de volgende prejudiciële vraag aan het Europees Hof van Justitie : "Dient de term "overmacht" in artikel 5, lid 3 van de Verordening EEG 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 houdende Gemeenschappelijke Uitvoeringsbepalingen van het Stelsel van Restituties bij Uitvoer voor Landbouwproducten zo te worden geïnterpreteerd dat het bederven van rundvlees tijdens het vervoer in de gepaste verpakking en in een koelcontainer waarbij continu de voorgeschreven temperatuur wordt aangehouden, in beginsel overmacht vormt ?". Houdt de kosten aan. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de zesde fiscale kamer van het hof van beroep te Brussel, op alwaar aanwezig waren en zitting namen : - J. Verstappen, alleenzetelend raadsheer, - C. De Nollin, griffier. C. De Nollin. J. Verstappen. Gerelateerde publicatie(
- s)citeert: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070316.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.