id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 04 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090604.9 Rolnummer: 2006/AR/2288 Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2009-06-12 Raadplegingen: 212 - laatst gezien 2026-07-02 19:54 Fiche 'Het Hof van Cassatie oordeelde dat uit de samenhang van de bepalingen van art. 210, §§ 2 en 3 A.W.D.A. volgt dat de inlichtingen en gegevens die tijdens een onderzoek door een fiscale administratie rechtmatig werden verkregen, kunnen worden gebruikt door een andere fiscale administratie met het oog op het vestigen van een andere belasting ten laste van de gecontroleerde persoon of te nlaste van een andere belastingplichtige.' 'Geïntimeerden q.q. leiden uit (artikel 210 §3 A.W.D.A.) af dat de bedoelde ambtenaren bijkomend alle inlichtingen kunnen opzoeken en inzamelen welke de juiste heffing verzekeren van enige andere belasting verschuldigd door de persoon bij wie zij de controle of het onderzoek voerden. Volgens geïntimeerden q.q. geldt bijgevolg de vereiste van identiciteit van personen, vereiste waaraan in deze niet is voldaan.' 'Naar het oordeel van het hof houdt deze interpretatie van geïntimeerden q.q. een niet voorziene beperking in van art. 210, § 2 A.W.D.A., dat bepaalt dat elke inlichting, stuk, proces-verbaal of akte ontdekt of verkregen in het uitoefenen van zijn functies door een ambtenaar van een fiscaal Rijksbestuur, door de Staat, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van één van de in § 1 van deze wetsbepaling aangeduide diensten, kan worden ingeroepen voor het opsporen van elke krachtens de belastingwetten verschuldigde som. Met deze tweede paragraaf wordt de bevoegdheid omschreven van elke ambtenaar in de uitoefening van zijn eigen functie, ongeacht de in de verkregen inlichtingen betrokken persoon. Uit dit stelsel van de onderzoeksbevoegdheden van de ambtenaren van fiscale besturen moet worden afgeleid dat, wanneer een onderzoek wettelijk gebeurt, hetgeen in deze het geval is, de administratie gemachtigd is gebruik te maken van alle verkregen informatie om een correcte toepassing van de belastingwet te verzekeren.' Schending van artikel 189 A.W.D.A. 'Het hof gaat met geïntimeerden q.q. akkoord dat appellant terzake dient aan te tonen dat de aangeslagen en meegenomen stukken, waarop hij zijn vordering tegen de BVBA Munosan België steunt, ertoe strekken het bewijs bij te brengen van de zg. sluikse invoer van apparaten uit Zwitserland. Naar het oordeel van het hof levert appellant dit bewijs niet. Het feit dat de BVBA Munosan België een directe commerciële band had met de heer Y en mevrouw X is alleszins geen voldoende grondslag voor de inbeslagname van de documenten overeenkomstig art. 189 A.W.D.A.' ' Het hof komt aldus tot het besluit dat de fotokopies van de leveringsnota's op onwettige wijze in beslag werden genomen, nu dit in overtreding van art. 189 A.W.D.A. is geschied.' UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Algemene wet inzake douane en accijnzen - Visitatie - peiling FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Algemene wet inzake douane en accijnzen - Controlemaatregelen Vrije woorden: Artikel 210§2 A.W.D.A. - persoon bij wie controle/onderzoek wordt gevoerd en verkregen informatie aangaande persoon die belasting verschuldigd is - geen vereiste van identiciteit van personen - indien onderzoek wettelijk gevoerd - administratie is gemachtigd gebruik te maken van alle verkregen informatie om een correcte toepassing van de belastingwet te verzekeren artikel 189 A.W.D.A. - mogelijkheid tot aanslaan en medenemen van stukken waarop administratie zijn vordering steunt - restrictieve toepassing - stukken moeten ertoe strekken het bewijs bij te brengen van sluikerij inzake douane en accijnzen/strafbaarheid van de overtreder te bewijzen - directe commerciële band - geen voldoende grondslag voor inbeslagname documenten Tekst van de beslissing HOF van BEROEP te BRUSSEL Zesde fiscale kamer Nr. van de zaak : 2006/AR/2288 Openbare terechtzitting van 4 juni 2009 IN ZAKE VAN : De BELGISCHE STAAT, administratie van de BTW, registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de heer minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te Brussel, op vervolging en benaarstiging van de heer gewestelijk directeur van de BTW, registratie en domeinen te Antwerpen - in de persoon van de rekenplichtige-ontvanger van het tweede BTW-ontvangkantoor te Antwerpen, wiens burelen gevestigd zijn te Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4, appellant, vertegenwoordigd door Meester André van Lidt de Jeude, advocaat te 2018 Antwerpen, Van Breestraat 21, TEGEN : 1. Meester Agnes SAELEN, advocaat te 2018 Antwerpen, Mechelsesteenweg 210 A, en 2. Meester Philip RAUTER, advocaat te 2018 Antwerpen, Mechelsesteenweg 166, in hun hoedanigheid van curatoren van de BVBA MUNOSAN BELGIË in faillissement, met maatschappelijke zetel te 2610 Wilrijk-Antwerpen, Moerelei 137 en met ondernemingsnummer 0420.493.416, geïntimeerden q.q., vertegenwoordigd door Meester Willy Huber, advocaat te 2018 Antwerpen, Brusselstraat 59, ***** R. EINDARREST - ongegrond 2006/AR/2288 2 zesde fiscale kamer Het hof, na beraad, spreekt in openbare terechtzitting volgend arrest uit : Gezien de procedurestukken en meer in het bijzonder : - het afschrift van het arrest van de vijfde kamer van het hof van beroep te Antwerpen van 12 september 2002 (A.R. nr. 01/AR/827); - het afschrift van het arrest van het Hof van Cassatie van 17 november 2005 (Nr. C.02.0631.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051117.6). Deze zaak is voor dit hof gekomen na vernietiging door het Hof van Cassatie op 17 november 2005 van een arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 12 september 2002, waarbij een vonnis van de eerste F kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 8 december 2000 werd bevestigd. De ontvankelijkheid van het hoger beroep wordt niet betwist. Het vonnis verklaarde de vordering van geïntimeerden q.q. ontvankelijk en gegrond. Deze vordering strekte ertoe : - het dwangbevel Reg. 127/3295, uitgevaardigd op 30 maart 1995 en betekend op 19 april 1995, te horen vernietigen; - dienvolgens te horen zeggen voor recht dat de gevorderde BTW en boete niet verschuldigd zijn; - appellant te horen veroordelen tot terugbetaling van alle ten onrechte ingehouden en/of door geïntimeerden q.q. reeds betaalde bedragen, te vermeerderen met de interesten. I. De feiten Bij een huisvisitatie uitgevoerd door de opsporingsinspectie der douane en accijnzen te Antwerpen in het appartement van mevrouw X, echtgenote van heer Y, gelegen te , werden stukken teruggevonden uitgereikt door de BVBA Munosan België. 2006/AR/2288 3 zesde fiscale kamer Op 15 juli 1993 werd, naar aanleiding van die vondst, een controle uitgevoerd door de inspectie van de BBI te Brugge. Op 24 januari 1995 werd proces-verbaal opgemaakt, waaruit blijkt dat de BVBA Munosan België aan appellant verschuldigd was : - als BTW : 1.148.709 BEF; - als wettelijke geldboeten op grond van art. 70, § 1 W.B.T.W. en op grond van art. 1, in fine van het K.B. nummer 41 : een evenredige geldboete gelijk aan het dubbel van de verschuldigde BTW; - interesten op de rechten op grond van art. 91, § 1 W.B.T.W. vanaf 21 januari 1991. Op 30 maart 1995 werd door de bevoegde ontvanger van het tweede BTW-ontvangkantoor te Antwerpen een dwangbevel uitgevaardigd, dat op 19 april 1995 werd betekend. Op 8 mei 1995 heeft de BVBA Munosan België daartegen verzet aangetekend. Op 25 maart 1999 werd de BVBA Munosan België bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Antwerpen failliet verklaard. Op 8 december 2000 verklaarde de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen de vordering van geïntimeerden q.q. ontvankelijk en gegrond en beval zij de nietigverklaring van het dwangbevel. Op 12 september 2002 bevestigde het hof van beroep te Antwerpen dit vonnis. Op 17 november 2005 vernietigde het Hof van Cassatie het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 12 september 2002 en verwees het de zaak naar dit hof. Het Hof van Cassatie oordeelde dat uit de samenhang van de bepalingen van art. 210, §§ 2 en 3 A.W.D.A. volgt dat de inlichtingen en gegevens die tijdens een onderzoek door een fiscale administratie rechtmatig werden verkregen, kunnen worden gebruikt door een andere fiscale administratie met het oog op het vestigen van een andere belasting 2006/AR/2288 4 zesde fiscale kamer ten laste van de gecontroleerde persoon of ten laste van een andere belastingplichtige. II. Discussie
- a)Wat de inhoud en omvang van de vordering betreft Appellant wijst erop dat de BVBA Munosan België betwist dat de documenten, die bij derden in beslag werden genomen, leveringsbons zijn die zij overeenkomstig art. 60 W.B.T.W. diende te bewaren. Appellant stelt dat de inspectie van de BBI te Brugge inzage heeft gehad van alle stukken enz... die in beslag werden genomen naar aanleiding van de huisvisitatie en dat er tussen deze stukken fotokopies van gedateerde leveringsnota's werden teruggevonden. Welnu, tijdens de controle bij de BVBA Munosan België op 15 juli 1995 is gebleken dat deze leveringsnota's door haar niet werden bewaard. De door de BVBA Munosan België uitgereikte leveringsnota's, waarvan de fotokopies werden teruggevonden in het appartement te , waren volgens appellant slechts gedeeltelijk terug te vinden in haar verkoopfacturatie. Op grond van art. 64, § 1 (oud) W.B.T.W. mag appellant, naar eigen zeggen, aannemen dat, behoudens tegenbewijs, de goederen die voorkomen op de leveringsnota's werden geleverd onder de voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt. *** Geïntimeerden q.q. houden voor dat appellant een onjuist uitgangspunt heeft ingenomen, ervan uitgaande dat de kwestieuze kopies van de leveringsbons leveringen zouden vaststellen, terwijl ze volgens hen hoogstens een bestelling genoteerd door een zelfstandig tussenpersoon inhouden. Het hof stelt evenwel vast dat de kwestieuze documenten de hoofding van de BVBA Munosan België, als opschrift de vermelding "leveringsnota - note de livraison" bevatten en werden gedagtekend. Overeenkomstig art. 60 W.B.T.W. diende de BVBA 2006/AR/2288 5 zesde fiscale kamer Munosan België deze leveringsnota's inderdaad te bewaren, hetgeen in deze niet is gebeurd. Terecht stelt appellant dat hij er op grond van art. 64, § 1 (oud) W.B.T.W. vanuit mocht gaan dat de goederen, die voorkomen op deze leveringsnota's, werden geleverd onder de voorwaarden die de BTW opeisbaar maken. Eveneens terecht heeft appellant de uitgereikte leveringsnota's vergeleken met de verkoopfacturatie van de BVBA Munosan België. Geïntimeerden stellen dat zij gedurende de gehele voorafgaande procedure van appellant de mededeling hebben geëist van alle stukken in verband met het gevoerde douaneonderzoek en de inbeslagname, teneinde in staat te zijn na te gaan of het oorspronkelijke onderzoek door de douaneambtenaren regelmatig werd gevoerd in de uitoefening van hun wettelijke opdracht en of de inbeslagname wettig is geschied. Terecht merkt appellant terzake op dat het dossier van de administratie van de BBI, aan wie de gevonden en in beslag genomen stukken werden overgemaakt door de opsporingsinspectie der douane en accijnzen, voorligt. Het is dit dossier waarover het in deze gaat. Als dusdanig heeft het dossier inzake douane en accijnzen betrekking op een andere belastingplichtige, nl. de firma Vibrex. De kwestie of de stukken, waarop de navordering inzake BTW van appellant is gesteund, rechtsgeldig zijn verkregen door de onderzoekende douaneambtenaren en vervolgens op rechtsgeldige wijze door deze ambtenaren zijn medegedeeld aan de ambtenaren bevoegd inzake BTW zal hierna onder
- b)worden onderzocht.
- b)Wat de regelmatigheid van het door de douaneambtenaren ingestelde onderzoek betreft Appellant wijst erop dat er aanvankelijk een douaneonderzoek met een rechtmatige huisvisitatie en een rechtmatige inbeslagname van stukken is gebeurd. Dat er naar aanleiding van deze controle geen overtredingen op het vlak van de douanewetgeving konden worden vastgesteld, en er dus geen proces-verbaal diende te worden 2006/AR/2288 6 zesde fiscale kamer opgesteld, betekent volgens appellant daarom niet dat het geen douaneonderzoek was. Nu de gevonden informatie en in beslag genomen stukken eventueel op het vlak van de BTW dienstig konden zijn, werden deze op grond van art. 210, § 3 A.W.D.A. door de opsporingsinspectie der douane en accijnzen overgemaakt aan de administratie van de B.B.I. Pas daarna is het onderzoek op het vlak van de BTW gestart. Appellant wijst erop dat art. 186 A.W.D.A. in de mogelijkheid voorziet aan ambtenaren van de BBI om bijstand te verlenen tijdens een huisvisitatie. Verder is de gegevensuitwisseling tussen de verschillende administraties, naar zijn oordeel, voorzien in art. 210, §§ 2 en 3 A.W.D.A. Ten slotte betwist appellant ten stelligste dat hij willekeur aan de dag zou hebben gelegd bij de vergelijking van de fotokopies met de verkoopfacturen. *** I. Ten onrechte houden geïntimeerden q.q. voor dat appellant een vaag verhaal bijbrengt waaruit een verband moet blijken tussen de huisvisitatie te en de zaak Vibrex, die een douaneproblematiek zou betreffen. Zoals de eerste rechter terecht stelde, kaderde de huisvisitatie in een onderzoek betreffende het gebruik van een reeds geschrapt BTW-nummer van de firma Vibrex voor het invoeren van kooktoestellen en grilleerapparaten vanuit Zwitserland. Doordat de invoerfacturen waren voorzien van een oorsprongsverklaring waaruit de Zwitserse oorsprong van de ingevoerde goederen moest blijken, waren geen invoerrechten verschuldigd (preferentieel tarief EVA-landen). Op 15 oktober 1991 vroeg de opsporingsinspectie der douane en accijnzen een machtiging tot huisvisitatie aan teneinde er sluiks ingevoerde goederen vanuit Zwitserland, waarvan zij het bestaan vermoedde, op te sporen. Bij deze aanvraag was een schriftelijke verklaring gevoegd, waarin werd vermeld dat de apparaten vanuit Zwitserland werden ingevoerd op naam van de firma Vibrex, waarvan het BTW-nummer werd geschrapt, en dat de heer Y, die zou verblijven op het adres van de huisvisitatie, als geldschieter zou fungeren en de goederen op zijn verblijfplaats zou stockeren in verschillende garageboxen. Tevens werd vermeld 2006/AR/2288 7 zesde fiscale kamer dat de apparaten zouden worden aangebracht tegen de eenheidsprijs van 6.000 BEF, daar waar er bij de invoer facturen werden voorgelegd, waarop een waarde van 1.000 BEF werd vermeld. Verder onderzoek na de huisvisitatie bij de Zwitserse douanediensten bevestigde dat de ingevoerde goederen geheel in Zwitserland werden geproduceerd, zodat effectief geen invoerrechten verschuldigd waren en bijgevolg geen douaneovertredingen konden worden vastgesteld. Met reden stelde de eerste rechter dan ook dat er geen betwisting kan bestaan omtrent de regelmatigheid van het door de douaneambtenaren ingestelde onderzoek. Er kan dan ook niet worden ingegaan op de in ondergeschikte orde geformuleerde vordering van geïntimeerden q.q. om appellant, bij toepassing van art. 877 Ger. W., te verplichten het volledige onderzoeksdossier ten aanzien van de BVBA Vibrex, de heer Y, mevrouw X en/of de BVBA Munosan België zelf op het vlak van de douanereglementering en/of de BTW ter griffie neer te leggen. II. Daarnaast is er het argument van geïntimeerden q.q. dat de in beslag genomen stukken niet rechtsgeldig konden worden ingezameld ten aanzien van de BVBA Munosan België. Art. 210, § 3 A.W.D.A. bepaalt het volgende : "Elke ambtenaar van een belastingbestuur van de Staat, regelmatig belast met een controle of een onderzoek in verband met de toepassing van een bepaalde belasting bij een natuurlijke of een rechtspersoon, is van rechtswege gemachtigd alle inlichtingen op te zoeken of in te zamelen welke de juiste heffing van alle door deze persoon verschuldigde andere rechten kunnen verzekeren". Geïntimeerden q.q. leiden uit deze bepaling af dat de bedoelde ambtenaren bijkomend alle inlichtingen kunnen opzoeken en inzamelen welke de juiste heffing verzekeren van enige andere belasting verschuldigd door de persoon bij wie zij de controle of het onderzoek voerden. Volgens geïntimeerden q.q. geldt bijgevolg 2006/AR/2288 8 zesde fiscale kamer de vereiste van identiciteit van personen, vereiste waaraan in deze niet is voldaan. Deze grief van geïntimeerden q.q. betreft de ongeldigheid van het inzamelen van de gegevens, niet de ongeldigheid van het doorgeven van de ingezamelde gegevens. Volgens geïntimeerden q.q. betreft voormeld cassatiearrest van 17 november 2005 enkel de uitwisseling van inlichtingen, maar spreekt het hof van cassatie zich niet uit over de inzameling van inlichtingen, waarover het in deze gaat. Naar het oordeel van het hof houdt deze interpretatie van geïntimeerden q.q. een niet voorziene beperking in van art. 210, § 2 A.W.D.A., dat bepaalt dat elke inlichting, stuk, proces-verbaal of akte ontdekt of verkregen in het uitoefenen van zijn functies door een ambtenaar van een fiscaal Rijksbestuur, door de Staat, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van één van de in § 1 van deze wetsbepaling aangeduide diensten, kan worden ingeroepen voor het opsporen van elke krachtens de belastingwetten verschuldigde som. Met deze tweede paragraaf wordt de bevoegdheid omschreven van elke ambtenaar in de uitoefening van zijn eigen functie, ongeacht de in de verkregen inlichtingen betrokken persoon. Uit dit stelsel van de onderzoeksbevoegdheden van de ambtenaren van fiscale besturen moet worden afgeleid dat, wanneer een onderzoek wettelijk gebeurt, hetgeen in deze het geval is, de administratie gemachtigd is gebruik te maken van alle verkregen informatie om een correcte toepassing van de belastingwet te verzekeren. Derhalve wijst het hof ook op dit punt de zienswijze van geïntimeerden q.q. af. III. Verder roepen geïntimeerden q.q. het onwettige karakter van de inbeslagname van de fotokopies van de leveringsnota's in wegens beweerde schending van art. 189 A.W.D.A. Art. 189 A.W.D.A. luidt als volgt : "De ambtenaren die, ter voldoening aan de wettelijke bepalingen omtrent het opsporen van 2006/AR/2288 9 zesde fiscale kamer sluikerij inzake douane en accijnzen, een fabriek, een magazijn of welkdanige andere plaats, daarin begrepen de privaatwoning van een particulier, visiteren, mogen (...) aldaar boeken, brieven en documenten aan de hand waarvan de strafbaarheid van de overtreder kan worden bewezen of welke op het spoor van hun medeplichtigen kunnen brengen, aanslaan en medenemen". Alleszins dient deze bepaling restrictief te worden toegepast. Het hof stelt vast dat in de aanvraag aan de politierechter om machtiging tot visitatie van huizen, erven of panden van particulieren (zie : stuk 5 van appellant - stuk 1 van geïntimeerden q.q.) machtiging wordt gevraagd om binnen te treden in het pand gelegen te 2600 Berchem, Fruithoflaan 118 betrokken door Y E., teneinde er sluiks ingevoerde goederen vanuit Zwitserland op te zoeken, evenals de documenten aan de hand waarvan de strafbaarheid van de overtreders kan worden bewezen, of welke op het spoor van hun medeplichtigen kunnen brengen. In het verslag dat aan deze aanvraag om machtiging was gevoegd, wordt uitdrukkelijk melding gemaakt van de firma Vibrex op wier naam de vanuit Zwitserland ingevoerde kooktoestellen (grilleerapparaten) werden gefactureerd, alsook van de heer Y die als geldschieter bij de invoer van deze toestellen zou fungeren. Op 15 oktober 1991 leverde de politierechter de machtiging af (zie : stuk 2 van geïntimeerden q.q.). In zijn beschikking verwijst de politierechter uitdrukkelijk naar de naar aanleiding van de aanvraag om machtiging voorgelegde bescheiden en de mondelinge toelichtingen terzake verstrekt. Geïntimeerden q.q. stellen dat de in deze in beslag genomen fotokopies, waarop de vordering van appellant tegen de BVBA Munosan België is gesteund, op zich geen strafbaarheid van sluikerij inzake douane en accijnzen kunnen bewijzen. Het hof gaat met geïntimeerden q.q. akkoord dat appellant terzake dient aan te tonen dat de aangeslagen en meegenomen stukken, waarop hij zijn vordering tegen de BVBA Munosan België steunt, ertoe strekken het bewijs bij te brengen van de zg. sluikse invoer van apparaten uit Zwitserland. Naar het oordeel van het hof levert appellant dit bewijs niet. 2006/AR/2288 10 zesde fiscale kamer Het feit dat de BVBA Munosan België een directe commerciële band had met de heer Y en mevrouw X is alleszins geen voldoende grondslag voor de inbeslagname van de documenten overeenkomstig art. 189 A.W.D.A. Ook het argument van appellant dat art. 189 A.W.D.A. niet diende te worden toegepast, nu de heer Y zich met het jegens de BVBA Munosan België gevoerde onderzoek akkoord zou hebben verklaard, gaat niet op, nu de heer Y een derde is ten aanzien van deze vennootschap. Ten slotte zijn in dit verband de door appellant ingeroepen bepalingen van art. 186 A.W.D.A. en de bevoegdheid ratione materiae van de administratie van de BBI niet ter zake doende. Het hof komt aldus tot het besluit dat de fotokopies van de leveringsnota's op onwettige wijze in beslag werden genomen, nu dit in overtreding van art. 189 A.W.D.A. is geschied. Derhalve is de naheffing inzake BTW op grond van de gegevens voortkomend uit onwettig door de opsporingsinspectie der douane en accijnzen in beslag genomen stukken eveneens onwettig en dient zij te worden vernietigd, zonder dat het noodzakelijk is de andere door partijen ontwikkelde middelen te onderzoeken. Bijgevolg dient het bestreden vonnis te worden bevestigd, zij het op andere gronden.
- c)Wat de kosten betreft Op 1 januari 2008 is de Wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat en haar uitvoerings-K.B. van 26 oktober 2007 in werking getreden. Deze wet en dit K.B. vinden toepassing op onderhavige zaak. Ter openbare terechtzitting van het hof van 20 mei 2009 verklaarde appellant terzake de rechtsplegingvergoeding in hoger beroep op het basisbedrag van 1.200 EUR te begroten, terwijl geïntimeerden q.q. het basisbedrag van 5.000 EUR naar voren schoven. 2006/AR/2288 11 zesde fiscale kamer Ten onrechte houdt appellant voor dat de vordering in deze niet in geld waardeerbaar zou zijn. Het hof sluit zich terzake aan bij geïntimeerden q.q., die stellen dat deze zaak betrekking heeft op een bedrag van 102.863,86 EUR, meer de interesten aan 0,80 % per maand vanaf 31 januari 1996 of 119.317,60 EUR. Nu onderhavige zaak in de waardeschijf van 100.000 tot 250.000 EUR valt, geldt als basisbedrag van de rechtsplegingvergoeding inderdaad het bedrag van 5.000 EUR. OM DEZE REDENEN, HET HOF, rechtsprekend op tegenspraak, Gelet op art 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Verklaart het beroep van appellant ontvankelijk, doch ongegrond; Bevestigt het bestreden vonnis, zij het op andere gronden; Veroordeelt appellant tot de beroepskosten, begroot in hoger beroep op 5.000,00 EUR voor appellant en op 5.000,00 EUR voor geïntimeerden; Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de zesde fiscale kamer van het hof van beroep te Brussel, op 4 juni 2009 alwaar aanwezig waren en zitting namen : - J. Verstappen, alleenzetelend raadsheer, - C. De Nollin, griffier. C. De Nollin. J. Verstappen. Gerelateerde publicatie(
- s)citeert: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051117.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div