id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 22 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090622.2 Rolnummer: 2002AR1426 Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Constitutioneel recht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-06-24 Raadplegingen: 109 - laatst gezien 2026-07-02 20:02 Fiche Vooraleer uitspraak te doen ten gronde, worden hierna volgende prejudiciële vragen gesteld aan het Grondwettelijk Hof,
- Schendt artikel 4 van de wet van 25 juli 2008 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en de gecoördineerde wetten van 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in de mate dat, samen gelezen met het algemeen beginsel van het verbod op retroactieve werking zoals opgenomen in artikel 2 van het Burgerlijk wetboek, de instanties die de verjaring hebben verworven onderling ongelijk worden behandeld naargelang een op het ogenblik van de inwerkingtreding van de wet ingestelde vordering op dat ogenblik wel of niet aanleiding heeft gegeven tot een in kracht van gewijsde getreden rechterlijke beslissing?
- Schendt artikel 4 van de wet van 25 juli 2008 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en de gecoördineerde wetten van 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit het algemeen rechtsbeginsel van de evenredigheid alsook het beginsel van de federale loyauteit, zoals opgenomen in artikel 143, §1 van de Grondwet, in de mate dat de federale staat haar bevoegdheid heeft uitgeoefend op een wijze die het de deelstaten, gezien de impact van de uitgeoefende federale bevoegdheid, onmogelijk of bijzonder moeilijk maakt om de hun toegewezen bevoegdheden uit te oefenen? UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERJARING (BURGERLIJK RECHT) - Bijzondere verjaringen - Verjaring schuldvordering op de Staat PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Rechten en vrijheden - Gelijkheid - art. 10-11bis PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - OVERHEIDSOPDRACHTEN - Aanneming werken Vrije woorden: Artikel 4 van de wet van 25 juli 2008 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en van de gecoördineerde wetten van 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit. Impact van een beroep tot vernetiging bij de Raad van State, op de verjaringstermijn. Overgangsrecht vervat in voormeld artikel 4, getoetst aan de artikelen 10 en 11 Gw., juncto art. 2 B.W. Algemeenrechtsgeginsel van de evenredigheid. Algemeen echtsbeginsel van de federale loyaliteit (art. 149§1 GW) Prejudiciële vragen gesteld aan het Grondwettelijk Hof. Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2009/ A.R. nr. 2002/AR/1426 INZAKE VAN : De naamloze vennootschap BALLAST NEDAM GROEP, vennootschap naar Nederlands recht, statutair gevestigd in Nederland, te AMSTELVEEN, en met zaakadres te NIEUWEGEIN, Ringwade 1, appellante tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 7 februari 2002, vertegenwoordigd door Meester Peter FLAMEY en Meester Joost BOSQUET, advocaten te 2018 ANTWERPEN, Jan Van Rijswijcklaan 16 1ste kamer TEGEN : 1) Het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, in de persoon van de Minister van Mobiliteit, Openbare Werken, Energie en Leefmilieu , waarvan het kabinet gevestigd is te 1000 BRUSSEL, Koning Albert II-laan 20 bus 1, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Katelijne RONSE, advocaat te 1050 BRUSSEL, Guillaume Macaulaan 33, door Meester David D'HOOGHE en Meester Jan ARNOUTS,advocaten te 1000 BRUSSEL, Loksumstraat 25, 2) De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Mobiliteit en Verkeer, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1040 BRUSSEL, Wetstraat 63-65, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Katrien DEPOORTER loco meester Bernard RENSON, advocaat te 1040 BRUSSEL , Jachtlaan 132, Gelet op de procedurestukken: · het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 14 februari 2002, beslissing die betekend werd op 13 juni 2002 aan de NV Balast ten verzoeke van het Vlaamse Gewest; · het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 13 juni 2002; · de vervangende conclusie van appellante neergelegd ter griffie op 17 maart 2009; · de vervangende conclusie van eerste geïntimeerde neergelegd ter griffie op 21 april 2009; · de vervangende conclusie van tweede geïntimeerde neergelegd ter griffie op 21 april
- Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 25 mei 2009 en gelet op de stukken die zij neerlegden. I. Voorwerp van de vorderingen. 1.
- De oorspronkelijke eis van appellante strekte ertoe in hoofdorde het Vlaamse Gewest, huidige eerste geïntimeerde, te horen veroordelen tot betaling van een bedrag van 3.419.210.000 BEF plus intresten. Er werd tevens gevraagd toepassing te maken van artikel 1154 B.W. In ondergeschikte orde vroeg appellante, alvorens uitspraak te doen ten gronde, een deskundige - bedrijfsrevisor aan te stellen met (samengevat) als opdracht een becijferd gemotiveerd advies te verschaffen omtrent de hoegrootheid van de door haar geleden schade. 1.
- Het Vlaamse Gewest ging hierna over tot het dagvaarden in gedwongen tussenkomst en vrijwaring van de Belgische Staat . 1.
- Bij conclusie breidde appellante haar vordering uit en vroeg, in ondergeschikte orde
(1)naast de aanstelling van een deskundige tevens de betaling vanwege het Vlaamse Gewest van een provisie van 500.000.000 BEF en
(2)het Vlaamse Gewest te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van 1.000.000 BEF wegens het instellen van een tergende en roekeloze vordering in vrijwaring. 1.
- Bij conclusie vroeg de Belgische Staat eveneens het Vlaamse Gewest te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van 250.000 BEF wegens het instellen van een tergende en roekeloze vordering. 1.
- De eerste rechter heeft
(1)de hoofdvordering niet ontvankelijk verklaard wegens verjaring en
(2)de vorderingen voor tergend geding niet gegrond verklaard. 1.
- In hoger beroep vordert appellante de veroordeling van geïntimeerden in solidum tot betaling van een bedrag van 84.784.791,24 euro (schade handelszaak + winstderving + immateriële en morele schade + intresten + schade wegens tergend en roekeloze vrijwaring) plus de intresten. Zij vraagt verder, minstens alvorens recht te doen, welbepaalde vragen te stellen aan het Europese Hof van Justitie enerzijds en aan het Grondwettelijk Hof anderzijds. In ondergeschikte herneemt zij haar verzoek tot aanstelling van een deskundige - bedrijfsrevisor en vraagt zij de veroordeling in solidum van de Belgische Staat en het Vlaamse Gewest tot betaling van provisie van 12.394.676,24 euro . 1.
- Het Vlaamse Gewest vraagt in hoofdorde eveneens voorafgaandelijk een aantal vragen te willen stellen aan het Grondwettelijk Hof. In ondergeschikte orde vraagt zij het bestreden vonnis te willen bevestigen minstens om de hoofd - en tussenvorderingen ongegrond te verklaren. 1.
- De Belgische Staat vraagt (impliciet) de bevestiging van het bestreden vonnis minstens om de hoofdvordering ongegrond te verklaren. Zij herneemt eveneens - bij wijze van incidenteel beroep - haar vordering tot schadeloosstelling wegens het instellen van een tergende en roekeloze vordering tot vrijwaring en begroot deze op 6.197,34 euro . II. De Feiten. 2.
- De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis . 2.
- Samengevat komt het hierop neer dat de NV Ballast een bouwbedrijf is dat in Nederland gevestigd is en werkzaam is op internationaal niveau. Gezien haar specifieke activiteiten is deze vennootschap sterk afhankelijk van overheidsopdrachten. De NV Ballast beschikte sinds 2 april 1971 over een erkenning als aannemer voor klasse 7, categorie E2 en voor klasse 8, categorieën A-B-C-D-E-G. Deze erkenning - die appellante ook toegang verleende tot Belgische overheidsopdrachten - werd hernieuwd op 13 mei 1982 en was geldig voor een periode van 5 jaar, dus tot 13 mei
- Op 14 februari 1986 liet de bevoegde minister aan appellante weten dat de regeling inzake erkenning van aannemers inmiddels grondig gewijzigd werd en werd haar gevraagd een aantal inlichtingen te verstrekken en stukken bij te brengen conform een bijgevoegde lijst. Na mededeling van de nodige stukken bracht de Erkenningscommissie op 24 juni 1986 een ongunstig advies uit. Dit ongunstig advies werd aan appellante medegedeeld bij schrijven van 4 augustus
- Uit dit schrijven blijkt dat de aanvraag van appellante tot herziening van haar erkenning op basis van de nieuwe erkenningsreglementering ongunstig werd geadviseerd omdat uit de gegevens van het dossier voortvloeide dat de juridische entiteit "Ballast Nedam Groep NV " niet kon worden beschouwd als een aannemer van werken zoals bedoeld in de toepasselijke reglementering omdat de uitgevoerde werken in werkelijkheid uitgevoerd werden door diverse dochterondernemingen en er bij de aanvragende rechtspersoon zelf blijkbaar geen arbeiders waren tewerkgesteld. Bij schrijven van 9 april 1987 liet de bevoegde minister aan appellante weten dat zij niet in aanmerking kwam om een erkenning te bekomen op grond van de nieuwe erkenningsreglementering en dat de geldigheid van de eertijds verleende erkenningen kwam te vervallen vanaf de datum van de poststempel. Op 27 mei 1987 legde appellante een annulatieberoep neer bij de Raad van State en vroeg de nietigverklaring van zowel de adviezen/voorstellen genomen door de erkenningscommissie als van de beslissing van de minister. Bij tussenarrest van 29 september 1992 werd hierna volgende prejudiciële vraag gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen: " Staat de Richtlijn nr. 71/304/EEG van 26 juli 1971 ...en de Richtlijn nr. 71/305/EEG van 26 juli 1971...toe dat bij de toepassing van de Belgische reglementering inzake de erkenning van aannemers t.a.v. de dominerende rechtspersoon van een groep naar Nederlands recht bij het beoordelen van de criteria, waaraan de aannemer o.a. inzake technische bekwaamheid dient te voldoen, alleen rekening wordt gehouden met de juridische entiteit van die dominerende rechtspersoon en niet met de "groepsmaatschappijen" die elk met een eigen rechtspersoonlijkheid tot die "groep" behoren? " Bij arrest van 14 april 1994 antwoordde het Hof van Justitie als volgt op de gestelde vraag: " Richtlijn 71/304 van de Raad van 26 juli 1971...en richtlijn 71/305/EEG van de Raad van 26 juli 1971...moeten aldus worden uitgelegd, dat bij de beoordeling van de criteria waaraan een aannemer moet voldoen bij het onderzoek van een erkenningsaanvraag ingediend door een dominerende rechtspersoon van een groep, rekening kan worden gehouden met de vennootschappen die van deze groep deel uitmaken, voor zover de betrokken rechtspersoon aantoont dat hij werkelijk kan beschikken over de middelen van deze vennootschappen die voor de uitvoering van de opdrachten noodzakelijk zijn. Het staat aan de nationale rechter te onderzoeken of dit bewijs in de hoofdzaak is geleverd. " Hierop werd bij tussenarrest van 18 december 1996 door de Raad van State een tweede prejudiciële vraag gesteld aan het Hof van Justitie die luidde als volgt: " Dient het woord "kan" in de zinsnede " ...rekening kan worden gehouden met... " in het dictum van het arrest van 14 april 1994 in de zaak C-389192 begrepen te worden als "moet"? Indien het woord "kan" in voornoemde zinsnede niet dient te worden begrepen als "moet", houdt dit in dat de betrokken lidstaat desbetreffend over een discretionaire bevoegdheid beschikt, zelfs indien de door het Hof gestelde voorwaarde is vervuld? In welke gevallen en om welke redenen dient alsdan rekening te worden gehouden met de vennootschappen die van een dominerende rechtspersoon van een groep deel uitmaken? " Bij arrest van 18 december 1997 antwoordde het Hof van Justitie hierop het volgende: " Richtlijn 71/304 van de Raad van 26 juli 1971...en richtlijn 71/305/EEG van de Raad van 26 juli 1971...moeten aldus worden uitgelegd, dat de instantie die bevoegd is te beslissen over een erkenningsaanvraag van een dominerende rechtspersoon van een groep, bij de beoordeling van de geschiktheid van die rechtspersoon overeenkomstig de criteria van de artikelen 23 t.e.m. 28 van richtlijn 71/305, verplicht is rekening te houden met de referenties van de vennootschappen van die groep, wanneer het bewijs wordt geleverd dat die rechtspersoon werkelijk kan beschikken over de middelen van de vennootschappen van de groep die voor de uitvoering van de opdrachten noodzakelijk zijn. " Bij arrest van 18 januari 2000 vernietigde de Raad van State de beslissing van 9 april 1987 gewezen door de bevoegde minister en waarin aan appellante medegedeeld werd dat zij als individuele rechtspersoon niet voldeed aan de wettelijke criteria voorzien in artikel 2 van de Besluitwet van 3 februari 1947 en artikel 2 van het M.B. van 13 augustus 1982, voor het bekomen van een erkenning en dat overeenkomstig artikel 15§1 van het K.B. van 9 augustus 1982 de geldigheid van de eertijds verleende erkenningen te vervallen kwamen. De beslissing van de minister van 9 april 1987 werd vernietigd op grond van o.m. hierna volgende overweging: " Overwegende dat de verzoekende partij met het oog op haar erkenning aan de verwerende partij een aantal gegevens heeft overgelegd en argumenten heeft ontwikkeld om aan te tonen dat zij als dominerende rechtspersoon van een groep daadwerkelijk beschikt over de draagkracht en de bekwaamheid die de groepsmaatschappen van de "groep" bezitten; dat daartegen de verwerende partij er zich in wezen toe beperkt heeft te argumenteren dat naar Belgisch recht geen rekening kan gehouden worden met de referenties van andere rechtspersonen, zonder concreet te onderzoeken of de aangebrachte gegevens al dan niet het bewijs vormden dat de verzoekende partij daadwerkelijk kan beschikken over de middelen van de vennootschappen van de groep die voor de uitvoering van opdrachten noodzakelijk zijn; dat zij m.a.w. geen rekening heeft gehouden met de verplichtingen volgend uit de ingeroepen Europese richtlijnen. " Begin 2000 vroeg appellante aan de bevoegde minister en aan de erkenningscommissie om, ingevolge het tussengekomen arrest van de Raad van State, opnieuw te kunnen beschikken over alle erkenningen die haar bij brief van 9 april 1987 ontnomen waren. Bij schrijven van 3 maart 2000 werd bij monde van de raadsman van het Vlaamse Gewest aan appellante medegedeeld dat zij inderdaad opnieuw mocht beschikken over de eertijds toegekende erkenningen. Bij brief van 9 augustus 2000 deelde de Dienst Erkenning der Aannemers echter aan appellante mede dat al haar erkenningen kwamen te vervallen indien zij binnen de 8 weken na ontvangst van dat schrijven geen volledig dossier indiende. Op 22 september 2000 herhaalde voornoemde dienst haar standpunt dat appellante genoodzaakt was een nieuwe erkenningsaanvraag in te dienen binnen de gestelde termijn. Bij schrijven van 16 mei 2001 werd aan appellante medegedeeld dat de Commissie voor Erkenningen der aannemers op 24 april 2001 besliste alle erkenningen opnieuw vervallen te verklaren. Bij besluit van de Vlaamse Minister van Mobiliteit, Openbare Werken en Energie van 20 december 2001 werd beslist " een einde te maken aan de geldigheid van de op 13 mei 1982 verleende erkenningen in de klasse 7, categorie G en in de klasse 8, categorieën A, B, C, D en E en subcategorie D1, zijnde erkenningen waarover appellante opnieuw had mogen beschikken na het tussenkomen van het arrest van de Raad van State. Deze laatste beslissing maakt het voorwerp uit van een nieuwe procedure ingeleid voor de rechtbank van eerste aanleg te Brussel bij exploot betekend op 14 december
- III. Wat de ontvankelijkheid betreft van de hogere beroepen: 3.
- De Belgische Staat werpt op dat het hoger beroep ingesteld door appellante niet ontvankelijk is in zoverre tegen haar gericht. Zij is de mening toegedaan dat appellante in eerste aanleg nooit een vordering tegen haar heeft ingesteld en hiertoe eerst overging in hoger beroep. Zij besluit hieruit dat gezien appellante voor het eerst in hoger beroep om de (solidaire of in solidum) veroordeling verzoekt van een partij die zij in haar beroepsverzoekschrift niet viseerde als geïntimeerde, het hoofdberoep ingesteld door de NV Ballast niet ontvankelijk is. 3.
- In eerste aanleg vroeg appellante in het beschikkend gedeelte van haar conclusie enkel "verweerster" te veroordelen tot betaling van een totale schadevergoeding van 3.419.210.000 BEF . Met "verweerster" doelde zij op het Vlaamse Gewest. In het motiverend gedeelte van diezelfde conclusie zal appellante overigens stellen dat "het onbegrijpelijk is dat het Vlaamse Gewest overging tot een oproeping in vrijwaring (van de Belgische Staat) en zal zij om die reden schadevergoeding vragen aan het Vlaamse Gewest wegens het instellen van een tergende en roekeloze vordering in vrijwaring. Zij verantwoordde deze vordering tot schadeloosstelling door te stellen dat het Vlaamse Gewest er niet voor terugdeinsde om - nadat een dossier in staat is gesteld - nog de Belgische Staat in vrijwaring te roepen tegen alle rechtspraak in waar zijzelf procespartij was in zake (o.a. cassatie), handelwijze die appellante als foutief en ter kwader trouw kwalificeerde. Er staat dus inderdaad vast dat appellante in eerste aanleg nooit een vordering instelde tegen de Belgische Staat en voor het eerst in hoger beroep de solidaire veroordeling vraagt van het Vlaamse Gewest en de Belgische Staat. 3.
- Een dergelijke vordering maakt weliswaar een nieuwe vordering uit doch het verbod om in eerste aanleg of in hoger beroep nieuwe eisen te stellen (= toepassing van artikel 807 Ger.W. dat krachtens artikel 1042 Ger.W. tevens van toepassing is in hoger beroep) is niet van openbare orde en de ontoelaatbaarheid kan bijgevolg niet ambtshalve door de rechter ingeroepen worden . De Belgische Staat houdt immers enkel voor dat gezien in eerste aanleg de NV Ballast nooit een vordering tegen haar instelde en dit eerst deed bij conclusie neergelegd voor het hof hierdoor het principaal hoger beroep en het incidenteel beroep ingesteld door het Vlaamse Gewest niet ontvankelijk zouden zijn. De Belgische Staat neemt echter geen standpunt in m.b.t. de "nieuwe" vordering zelf ingesteld door de NV Ballast tegen haar in hoger beroep. De NV Ballast neemt desbetreffend evenmin een standpunt in. Het behoort aan partijen desbetreffend hun verweer te voeren. 3.
- Om hoger beroep in te stellen is echter niet vereist dat een appellant t.a.v. een geïntimeerde door de eerste rechter zou zijn veroordeeld of dat tussen die partijen een vordering werd ingesteld . Hoger beroep kan ingesteld worden tegen een specifieke partij indien die gedaagde aanwezig was in de rechtspleging in eerste aanleg en daarin belangen heeft verdedigd die tegengesteld zijn aan de belangen van diegene die zich van het rechtsmiddel wenst te bedienen. M.a.w. wat telt is niet zozeer dat partijen van elkaar iets hebben gevorderd, maar wel dat er in eerste aanleg tussen hen een rechtsband bestond. Een dergelijke rechtsband ontstaat wanneer de opgeroepene zich rechtstreeks in een conclusie richt tegen de eiser op hoofdeis of zich aansluit bij het door verweerder op hoofdeis gevoerde verweer ter afwijzing van de aanspraken van de eiser op hoofdeis die tevens het voorwerp uitmaken van de eis tot vrijwaring . Dit is in deze zaak het geval. 3.
- Het principaal hoger beroep is derhalve wel degelijk ontvankelijk evenals het incidenteel beroep ingesteld door de Belgische Staat. Ook het incidenteel beroep ingesteld door het Vlaamse Gewest is ontvankelijk en desbetreffend worden geen verweermiddelen ingeroepen door partijen en er zijn evenmin middelen voorhanden die ambtshalve zouden moeten opgeworpen worden. IV. Beoordeling: 4.
- Wat de verjaring betreft: 4.1.
- Geïntimeerden werpen op dat de vordering van appellante verjaard zou zijn. Zij beroepen zich hierbij op de artikelen 100 en 101 van de wet op de Rijkscomptabiliteit en artikel 2244 B.W. stellende dat de verjaringstermijn 5 jaar bedraagt en een verzoekschrift tot nietigverklaring neergelegd bij de Raad van State geen stuitende of schorsende werking heeft. De eerste rechter volgde deze stelling. 4.1.
- Inmiddels is echter de wet van 25 juli 2008 (B.S. 22 augustus 2008) in werking getreden die zowel het artikel 101 van de wet op de Rijkscomptabiliteit als artikel 2244 B.W. wijzigde. Ingevolge deze wetswijziging wordt de verjaring van een vordering tot schadevergoeding wel gestuit door het instellen van een annulatieberoep bij de Raad van State. Artikel 4 van de wet van 25 juli 2008 bepaalt immers het volgende: " Deze wet is van toepassing op beroepen tot vernietiging die bij de Raad van State zijn ingediend vóór de inwerkingtreding ervan. Zij is evenwel niet van toepassing wanneer de vordering tot schadevergoeding vóór de inwerkingtreding van deze wet verjaard is verklaard bij een kracht van gewijsde gedane beslissing waartegen geen cassatieberoep is ingediend. " Eén en ander doet het Vlaamse Gewest als volgt besluiten: De vordering in rechte die pas bij dagvaarding van 24 maart 2000 werd ingesteld, zou op basis van de gewijzigde bepalingen inzake verjaring dan ook als tijdig dienen beschouwd te worden, aangezien de vijfjarige verjaringstermijn pas na het arrest d.d. 18 januari 2000 een aanvang zou hebben genomen . 4.1.
- Het Vlaamse Gewest, hierin gevolgd door de Belgische Staat, zijn echter de mening toegedaan dat voornoemde wet in strijd is met diverse artikelen van de Grondwet alsook met enkele algemene rechtsbeginselen. Zij werpen desbetreffend op dat vooreerst de retroactieve werking van de wet van 25 juli 2008 een schending uitmaakt van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en dat vervolgens het evenredigheidsbeginsel alsook het beginsel van de federale loyauteit, zoals opgenomen in artikel 143,§1 van de Grondwet, geschonden werden door de wijze waarop de Belgische Staat haar bevoegdheid heeft uitgeoefend. Zij vragen desbetreffend minstens een aantal prejudiciële vragen te stellen aan het Grondwettelijk Hof. Dit verzoek komt pertinent voor gelet op de aard van het geschil. Het behoort dan ook vooraleer uitspraak te doen ten gronde, hierna volgende prejudiciële vragen te stellen aan het Grondwettelijk Hof. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep en de incidentele beroepen ontvankelijk. Vooraleer uitspraak te doen ten gronde, worden hierna volgende prejudiciële vragen gesteld aan het Grondwettelijk Hof,
- Schendt artikel 4 van de wet van 25 juli 2008 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en de gecoördineerde wetten van 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in de mate dat, samen gelezen met het algemeen beginsel van het verbod op retroactieve werking zoals opgenomen in artikel 2 van het Burgerlijk wetboek, de instanties die de verjaring hebben verworven onderling ongelijk worden behandeld naargelang een op het ogenblik van de inwerkingtreding van de wet ingestelde vordering op dat ogenblik wel of niet aanleiding heeft gegeven tot een in kracht van gewijsde getreden rechterlijke beslissing?
- Schendt artikel 4 van de wet van 25 juli 2008 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en de gecoördineerde wetten van 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit het algemeen rechtsbeginsel van de evenredigheid alsook het beginsel van de federale loyauteit, zoals opgenomen in artikel 143, §1 van de Grondwet, in de mate dat de federale staat haar bevoegdheid heeft uitgeoefend op een wijze die het de deelstaten, gezien de impact van de uitgeoefende federale bevoegdheid, onmogelijk of bijzonder moeilijk maakt om de hun toegewezen bevoegdheden uit te oefenen? Verzendt de zaak naar de bijzondere rol in afwachting van een uitspraak van het Grondwettelijk Hof desbetreffend. Houdt de beslissing over de kosten aan. Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 22/6/09 waar aanwezig waren en zitting hielden : Astrid DE PREESTER, Raadsheer d.d. Voorzitter, Bart VEECKMANS, Raadsheer, Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer, bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS E. JANSSENS DE BISTHOVEN B. VEECKMANS A. DE PREESTER Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div