id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 22 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090622.3 Rolnummer: 2005AR544 Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-06-24 Raadplegingen: 93 - laatst gezien 2026-07-02 20:02 Fiche I. Uit de wettelijke mogelijkheid om, in bepaalde gevallen, de verplaatsing van leidingen te doen bevelen en de kosten ervan ten laste te leggen van de intercommunale, enerzijds, en de wettelijke mogelijkheid om, in bepaalde gevallen, vakken van gemeentewegen in te lijven bij de grote wegen, zoals die voorzien is in de wet van 9 augustus 1948 houdende wijziging van de wetgeving inzake wegen anderzijds, volgt dat een gemeenteweg, op de plaats waar hij wordt gekruist door een nieuwe rijksweg, die wordt aangelegd, door het feit zelf van zijn nieuwe bestemming zijn oorspronkelijke aard verliest en voortaan integrerend deel uitmaakt van de rijksweg waarin hij wordt opgenomen. M.a.w. op de plaats waar een gemeenteweg gekruist wordt door een nieuwe rijksweg die aangelegd wordt, verliest die gemeentewet zijn oorspronkelijke aard door het feit zelf van de nieuwe bestemming en maakt hij voortaan integrerend deel uit van de rijksweg waarin hij wordt opgenomen ( = interceptieleer: de gemeenteweg wordt geïntercepteerd door de rijksweg ).Het bevel om leidingen te verplaatsen op de plaats waar de rijksweg de gemeenteweg kruist behoort tot de handelingen die aan dit gedeelte van de gemeenteweg zijn nieuwe bestemming geven. De Staat als beheerder van het openbaar domein mag deze verplaatsing vorderen en het is niet vereist dat de gemeente vooraf wordt gehoord . II. Wat de intresten (op verplaatsingskosten van nutsleidingen betreft: Enkel ten overvloede wordt hierbij opgemerkt dat de verjaringsregeling, die is opgenomen in artikel 2277, lid 4 van het Burgerlijk Wetboek, een van het gemeen recht afwijkende verjaringsregeling is, in die mate dat, voor welbepaalde schulden, een kortere verjaringstermijn wordt bepaald. Die welbepaalde schulden zijn in dat wetsartikel opgesomd (termijnen van altijddurende renten en van lijfrenten ; die van uitkeringen tot levensonderhoud ; huren van huizen en pachten van landeigendommen ; intresten van geleende sommen, en, in het algemeen, al hetgeen betaalbaar is bij het jaar of bij kortere termijnen). De in dit geval verschuldigde intresten zijn moratoire of verwijlinteresten en geen compensatoire of vergoedende intresten, die de vertraging vergoeden in de betaling van een som die krachtens de wet verschuldigd is. Huidige schuld valt niet onder één van de categorieën, die zijn opgesomd in artikel 2277, lid 4 van het Burgerlijk Wetboek. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERJARING (BURGERLIJK RECHT) - Bijzondere verjaringen - 5 jaar - Rente (verjaring) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - OVERHEIDSGOEDEREN EN OPENBAAR DOMEIN - Algemeen (overheidsgoederen en openbaar domein) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - OVERHEIDSGOEDEREN EN OPENBAAR DOMEIN - Wegen Vrije woorden: I. Interceptieleer: betekenis en toepassing. Gemeentelijke weg kruist een rijksweg. - Beval tot verplaatsing van nutsleidingen. Artikel 13, wet van 10 maart
- Wet van 15 januari
- Wet van 9 augustus
- Cassatiearrest van 22 juli 2007 (rolnummer: C.05.0514.N): draagwijdte. II. Korte verjaring. Termijn van vijf jaar. Draagwijdte en toepassingsveld van artikel 2277, lid 4 B.W. op intresten. Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2009/ A.R. nr. 2005/AR/544 INZAKE VAN : De C.V. INTERCOMMUNALE VERENIGING IVERLEK, in haar hoedanigheid van opvolger van de intercommunale ASVERLEC, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 2800 MECHELEN, Stadhuis 31, appellante tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 29 november 2004, vertegenwoordigd door Meester Patrik DE MAEYER loco Meester Alain VERRIEST, advocaat te 1160 BRUSSEL, Tedescolaan 7, 1ste kamer TEGEN : Het VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, voor wie optreedt de Vlaamse Minister van Mobiliteit, Openbare Werken en Energie, waarvan het kabinet gevestigd is te 1000 BRUSSEL, Graaf de Ferrarisgebouw, Koning Albert II-laan 20, in zijn hoedanigheid van opvolger, enerzijds van de Belgische Staat en anderzijds, van het Wegenfonds, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Kristel VANCORENLAND loco Meester Anja CELIS, advocaat te 3000 LEUVEN, Vital Decosterstraat 46 bus 6, Gelet op de procedurestukken buiten deze reeds vermeld in het tussenarrest van 28 juli 2008: · de aanvullende conclusie na heropening van de debatten van appellante neergelegd ter griffie op 27 oktober 2008; · de syntheseconclusie na heropening van de debatten van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 8 december
- Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 11 mei 2008 en gelet op de stukken die zij neerlegden. Het tussenarrest van 28 juli 2008 verder uitwerkend, I. Verdere beoordeling. 1.1.Wat de interceptieleer betreft: 1.1.
- In het tussenarrest van 28 juli 2008 werden alle middelen opgeworpen door beide partijen onderzocht behoudens het middel m.b.t. de interceptieleer. Desbetreffend werd de heropening van de debatten bevolen teneinde partijen toe te laten het hof nader in te lichten over de exacte ligging van de verplaatste nutsleidingen. Het Vlaamse Gewest heeft desbetreffend bijkomende stukken (plannen) neergelegd. 1.1.
- IVERLEK houdt voor dat minstens een deel van de nutsleidingen die verplaatst dienden te worden, vóór hun verplaatsing, buiten het domein van de Staat gelegen waren. Zij leidt hieruit af, met verwijzing naar artikel 13 van de wet van 10 maart 1925, dat gezien de Belgische Staat geen eigenaar was van het ( gehele ) domein alwaar haar installaties zich bevonden, zij dus niet bevoegd was om een verplaatsingsbevel te nemen. Geciteerd artikel 13 bepaalt immers dat de staat, de provinciën en de gemeenten, in alle geval, op hun onderscheidenlijk domein, het recht hebben de schikkingen of het plan ener inrichting naderhand te laten wijzigen, alsmede de werken daar mede in verband. Zij voegt eraan toe dat de wettelijke verplichting tot het ten laste nemen van de verplaatsingskosten, op grond van de wet van 17 januari 1938, enkel slaat op rijkswegen en niet op gemeentewegen, en dat een gemeenteweg slechts bij een rijksweg kan ingelijfd worden voor zover daartoe een koninklijk besluit voorhanden is, op grond van artikel 7 van de wet van 9 augustus 1948 houdende wijziging van de wetgeving inzake wegen. 1.1.
- Uit de wettelijke mogelijkheid om, in bepaalde gevallen, de verplaatsing van leidingen te doen bevelen en de kosten ervan ten laste te leggen van de intercommunale, enerzijds, en de wettelijke mogelijkheid om, in bepaalde gevallen, vakken van gemeentewegen in te lijven bij de grote wegen, zoals die voorzien is in de wet van 9 augustus 1948 houdende wijziging van de wetgeving inzake wegen anderzijds, volgt dat een gemeenteweg, op de plaats waar hij wordt gekruist door een nieuwe rijksweg, die wordt aangelegd, door het feit zelf van zijn nieuwe bestemming zijn oorspronkelijke aard verliest en voortaan integrerend deel uitmaakt van de rijksweg waarin hij wordt opgenomen. M.a.w. op de plaats waar een gemeenteweg gekruist wordt door een nieuwe rijksweg die aangelegd wordt, verliest die gemeentewet zijn oorspronkelijke aard door het feit zelf van de nieuwe bestemming en maakt hij voortaan integrerend deel uit van de rijksweg waarin hij wordt opgenomen ( = interceptieleer: de gemeenteweg wordt geïntercepteerd door de rijksweg ). Het bevel om leidingen te verplaatsen op de plaats waar de rijksweg de gemeenteweg kruist behoort tot de handelingen die aan dit gedeelte van de gemeenteweg zijn nieuwe bestemming geven. De Staat als beheerder van het openbaar domein mag deze verplaatsing vorderen en het is niet vereist dat de gemeente vooraf wordt gehoord . 1.1.
- De wet van 9 augustus 1948 waarnaar appellante verwijst, is als zodanig in deze zaak niet van toepassing. Deze wetgeving is enkel van toepassing wanneer volledige "vakken" van provincie - of gemeentewegen worden ingelijfd en niet, zoals hier, wanneer het enkel om de inlijving gaat van beperkte gedeelten van dergelijke wegen met het oog op de aanleg van een nieuwe rijksweg. 1.1.
- Appellante werpt vervolgens op dat geïntimeerde enkel kosten terugvordert voor het verplaatsen van nutsleidingen ter hoogte van bruggen en tunnels. Appellante is de mening toegedaan dat de interceptietheorie in deze zaak hoe dan ook niet van toepassing is gezien er geen sprake kan zijn van een gelijkgrondse kruising van gemeente - en rijkswegen. Zij verwijst hierbij naar een cassatiearrest van 22 juni 2007 . In wat het Vlaamse Gewest "de aanleg van vak 4" noemt, werd inderdaad een brug B14 aangelegd over de autosnelweg, ring rond Brussel genaamd. Deze brug vormt de verbinding tussen de RW2 (= Steenweg op Leuven ) en de RW
- Op de plaats waar de verplaatsingswerken werden uitgevoerd, komen geen kruisingen voor tussen Rijkswegen en andere wegen . Er bevinden zich aldaar enkel rijkswegen waarvan een deel ervan op een bepaald punt de ring van Brussel - weliswaar bovengronds - kruist. Wat "het vak 4" betreft is de interceptieleer dus niet eens van toepassing daar er enkel sprake is van kruisingen tussen Rijkswegen en autosnelwegen. A fortiori is het cassatiearrest van 22 juni 2007 evenmin van toepassing gezien in die zaak het om een bovengrondse kruising ging tussen een hogesnelheidslijn en de Groenendaallaan ( die geen rijksweg is ). De werken - door het Vlaamse gewest "de aanleg van vak 2" genoemd ( = het heraanleggen van het Vier Armen kruispunt ) - bestonden o.m. in de aanleg van een (ondergrondse) tunnel onder het Vier Armen Kruispunt . Ook hier betreft het enkel een kruising van een hele reeks van rijkswegen en op - en afritten naar en van autosnelwegen zodat de interceptieleer andermaal niet van toepassing is. De overige op dat plan voorkomende werken hebben enkel betrekking op gelijkgrondse kruisingen waarop dan wel de interceptieleer van toepassing is ingeval van kruisingen tussen een rijksweg en een gemeente - of provincieweg. Volledigheidshalve wordt hieraan toegevoegd dat op dat plan ook nog sprake is van de aanleg van een brug boven de autosnelweg ter hoogte van de Hertogenlaan ( die geen rijksweg is ) doch de kosten voor de aanpassing van de installaties voor de aanleg van die brug maken niet het voorwerp uit van huidig geschil. 1.1.
- De eerste rechter oordeelde bijgevolg terecht dat de Staat de verplaatsing van de elektriciteitsleidingen van de toenmalige intercommunale Asverlek, thans Iverlek genoemd, op kosten van deze laatste, mocht vorderen en Iverlek derhalve gehouden was tot terugbetaling van het niet betwiste hoofdbedrag van 43.518,63 euro ( = 1.755.537 BEF ). 1.
- Wat de intresten betreft: 1.2.
- Het Vlaamse Gewest vraagt moratoire intresten vanaf de respectievelijke betalingsdata (= voorwerp van het incidenteel beroep), zijnde 15 januari 1974 en 3 januari 1975, minstens vanaf 30 januari 1998, zijnde de datum van de ingebrekestelling. De eerste rechter kende intresten toe vanaf 30 januari
- Er is geen wettelijke bepaling voorhanden die moratoire intresten van rechtswege doet lopen zodat het recht op dergelijke intresten eerst ontstaat vanaf de datum van de aanmaning tot betaling. Terecht stelde de eerste rechter vast dat het Vlaamse Gewest eerst bij brief van 30 januari 1998 overging tot het in gebreke stellen van appellante zodat slechts vanaf die datum moratoire intresten verschuldigd zijn. 1.2.
- IVERLEK houdt - in ondergeschikte orde - voor dat de verjaring vermeld in artikel 2277, lid 4 Burgerlijk Wetboek (5 jaar) moet toegepast worden, rekening houdend met de wil van de auteur van het Burgerlijk Wetboek om een schuldeiser van een geldsom te verhinderen om op dergelijke wijze te handelen dat de situatie van zijn schuldenaar verergert door de intresten op een kapitaal gedurende een zeer lange periode te laten lopen. Gezien het Vlaamse Gewest overging tot dagvaarding bij exploot betekend op 25 maart 1998 is dit argument niet ter zake dienend. Enkel ten overvloede wordt hierbij opgemerkt dat de verjaringsregeling, die is opgenomen in artikel 2277, lid 4 van het Burgerlijk Wetboek, een van het gemeen recht afwijkende verjaringsregeling is, in die mate dat, voor welbepaalde schulden, een kortere verjaringstermijn wordt bepaald. Die welbepaalde schulden zijn in dat wetsartikel opgesomd (termijnen van altijddurende renten en van lijfrenten ; die van uitkeringen tot levensonderhoud ; huren van huizen en pachten van landeigendommen ; intresten van geleende sommen, en, in het algemeen, al hetgeen betaalbaar is bij het jaar of bij kortere termijnen). De in dit geval verschuldigde intresten zijn moratoire of verwijlinteresten en geen compensatoire of vergoedende intresten, die de vertraging vergoeden in de betaling van een som die krachtens de wet verschuldigd is. Huidige schuld valt niet onder één van de categorieën, die zijn opgesomd in artikel 2277, lid 4 van het Burgerlijk Wetboek. Gezien de verjaring niet aan de orde is, bestaat er ook geen aanleiding om desbetreffend een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof. 1.
- Wat de gevraagde kapitalisatie betreft: 1.3.
- Deze vraag maakt een rechtsgeldige toepassing uit van artikel 1154 B.W. Vervallen intresten van kapitalen kunnen immers intrest opbrengen ten gevolge van een gerechtelijke aanmaning mits deze aanmaning betrekking heeft op intresten die ten minste voor een geheel jaar verschuldigd zijn. De neerlegging ter griffie van een conclusie, die geldt als betekening, is een gerechtelijke aanmaning, waarin de aandacht van de schuldenaar in het bijzonder wordt gevestigd op de kapitalisatie van de intresten. 1.3.
- Het Vlaamse Gewest is gerechtigd op kapitalisatie van de intresten als gevolg van de gerechtelijke aanmaningen bij: - conclusie in eerste aanleg van 5 maart 1999; - tweede aanvullende conclusie in eerste aanleg van 5 maart 2001; - syntheseconclusie in eerste aanleg van 2 september 2002; - conclusie in hoger beroep van 15 juni 2005; - aanvullende conclusie na heropening van de debatten in hoger beroep van 5 september
- 1.
- Wat de rechtsplegingsvergoeding betreft: 1.4.
- Beide partijen verzoeken om de toepassing van het basistarief wat de rechtsplegingsvergoeding betreft. Gelet op de omvang van de vordering van geïntimeerde bedraagt deze 2.500 euro . 1.4.
- Dit bedrag komt toe aan geïntimeerde als de overwegend in het gelijk gestelde partij. OM DEZE REDENEN, HET HOF, Recht doende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep en het incidenteel beroep beiden ontvankelijk, doch ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis. Verklaart de vordering tot kapitalisatie van de intresten per 15 juni 2005 en 5 september 2008 bijkomend gegrond. Veroordeelt IVERLEK in de kosten van hoger beroep in totaal begroot - in hoofde van appellante op euro 2.686 (186 rolrecht + 2.500 rechtsplegingsvergoeding), en - in hoofde van geïntimeerde op euro 2.500 rechtsplegingsvergoeding. Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 22/6/09 waar aanwezig waren en zitting hielden : Astrid DE PREESTER, Raadsheer d.d. Voorzitter, Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer, Marc DEBAERE, Raadsheer, Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS M. DEBAERE E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div