← België

ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090623.29

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 23 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090623.29 Rolnummer: 2006AR2362 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2013-10-08 Raadplegingen: 90 - laatst gezien 2026-07-02 20:02 Fiche Een gerechtelijke beslissing heeft ten opzichte van derden die geen partij bij het geding waren, alleen bewijswaarde als weerlegbaar vermoeden . Uit die bewijswaarde volgt niet dat uit die beslissing verplichtingen ten laste van die derden ontstaan, waaraan ze zich slechts zouden kunnen onttrekken door het tegenbewijs te leveren UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Derdenverzet - Voorwaarden derdenverzet Vrije woorden: Derdenverzet. Ontvankelijkheid. Stedebouw. Bevel van opheffing. Zinsnede 'beslissing die zijn rechten benadeeld'. Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2009/ A.R. nr. 2006/AR/2632 Derdenverzet - ontvankelijkheid - stedenbouw - bevel stopzetting INZAKE VAN : 1) Het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, voor wie optreedt de Vlaamse Minister bevoegd voor Ruimtelijke Ordening, waarvan het kabinet gevestigd is te 1210 BRUSSEL, Koning Albert II-laan 19, 2) De STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR bevoegd voor het VLAAMSE GEWEST, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1000 BRUSSEL, Koning Albert II-laan 20, eisers op derdenverzet, vertegenwoordigd door Meester Paul AERTS, advocaat te 9000 GENT, Coupure 5, 1ste kamer TEGEN : 1) De GEMEENTE ASSE, vertegenwoordigd door haar College van Burgemeester en Schepenen, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1730 ASSE, Gemeenteplein 1, verweerder op derdenverzet, vertegenwoordigd door Meester Dirk LINDEMANS, advocaat te 1000 BRUSSEL, Keizersplein 3, 2) De naamloze vennootschap PATRIMO, waarvan de vennootschapszetel gevestigd is te 1730 ASSE, Nieuwstraat 46, verweerder op derdenverzet, vertegenwoordigd door Meester Wim DE CUYPER, advocaat te 9100 SINT-NIKLAAS, Vijfstraten 57, Een gerechtelijke beslissing heeft ten opzichte van derden die geen partij bij het geding waren, alleen bewijswaarde als weerlegbaar vermoeden . Uit die bewijswaarde volgt niet dat uit die beslissing verplichtingen ten laste van die derden ontstaan, waaraan ze zich slechts zouden kunnen onttrekken door het tegenbewijs te leveren _______________________________________________________________

  1. De procedure In dit arrest oordeelt het hof over het derdenverzet ingesteld tegen een arrest van dit hof van 13 oktober 2003 (in 2000/AR/1063, rep. nr. 2003/6160). Daarin was ASSE appellante tegen een vonnis van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 8 maart
  2. Op vordering van PATRIMO INVEST had de voorzitter daarin de opheffing bevolen van een bevel tot stopzetting van bouwwerken van ASSE van 25 november
  3. Het hoger beroep van Asse werd ongegrond verklaard. De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder artikel 24, zijn nageleefd. Het arrest wordt gewezen na tegenspraak. Het arrest werd door PATRIMO INVEST betekend aan het VLAAMSE GEWEST op 16 juni 2006; het VLAAMSE GEWEST en de stedenbouwkundige inspecteur leggen kopie voor van het exploot. Het derdenverzet bij dagvaarding van 14 september 2006 is tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld (artikel 1129 van het Gerechtelijk Wetboek).
  4. De feiten en de voorgaande procedure Het hof verwijst naar de uiteenzetting van de relevante feiten en voorgaande procedure in het arrest van 13 oktober
  5. Onder punt 14 van het arrest wordt vermeld dat de bestendige deputatie op dat ogenblik nog niet heeft beslist over het hoger beroep van PATRIMO INVEST tegen de beslissing van ASSE tot weigering van de aanvraag van PATRIMO INVEST van 21 september 1998 tot wijziging van de bouwvergunning. PATRIMO INVEST stelt in conclusie dat zij bij ontstentenis van een tijdige beslissing van de bestendige deputatie beroep heeft aangetekend bij de minister. Diens ministerieel besluit van 25 oktober 2006 vermeldt nochtans dat het beroep van PATRIMO INVEST gericht is tegen een beslissing van de bestendige deputatie van 24 oktober 2000, waarvan kennisgeving aan PATRIMO INVEST is gedaan op 22 november
  6. De beslissing van de bestendige deputatie wordt niet voorgelegd. PATRIMO INVEST stelt dat zij na het arrest van dit hof van 13 oktober 2003 (de bestreden beslissing) de werken heeft verder gezet, tot proces-verbaal is opgesteld door de stedenbouwkundige inspecteur bevoegd voor het VLAAMSE GEWEST. Geen van partijen legt dat proces-verbaal voor. PATRIMO INVEST stelt dat de stedenbouwkundige inspecteur zich niet gebonden achtte door het arrest van 13 oktober 2003 en liet verstaan een bevel tot stillegging te zullen geven indien de werken werden voortgezet. PATRIMO INVEST stelt dat zij daarom het arrest van 13 oktober 2003 heeft laten betekenen aan het VLAAMSE GEWEST. Nadat op 14 september 2006 derdenverzet was ingesteld, heeft de minister bij het vermelde ministerieel besluit van 25 oktober 2006 het beroep van PATRIMO INVEST tegen de beslissing van de bestendige deputatie verworpen. Hij overwoog daarbij (anders dan het hof in zijn arrest van 13 oktober 2003) dat de verkavelingsvergunning van 10 december 1963 van rechtswege vervallen is en dat het verval niet is gestuit door de verkoop van de verkaveling in haar geheel. Hij overwoog verder onder meer dat de bestendige deputatie terecht de vergunning heeft geweigerd met toepassing van artikel 100 van het Decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, omdat de aanvraag betrekking had op een residentiële woning op een perceel gelegen aan een onvoldoende uitgeruste weg.
  7. Het onderwerp van de vordering In het arrest van 13 oktober 2003 heeft het hof zoals vermeld het hoger beroep van ASSE ongegrond verklaard. Eisers op derdenverzet vragen het arrest te vernietigen in zoverre werd beslist dat de verkavelingsvergunning van 10 december 1963 en de bouwvergunning van 31 maart 1964 niet vervallen zijn, en te zeggen voor recht dat de vernietiging geldt ten aanzien van alle partijen inzover de tenuitvoerlegging van het bestreden beslissing niet verenigbaar is met de tenuitvoerlegging van de te wijzen beslissing op derdenverzet. ASSE concludeert tot de inwilliging van het derdenverzet. PATRIMO INVEST vraagt de bevestiging van het bestreden arrest.
  8. De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen 4.
  9. De ontvankelijkheid van het derdenverzet Zoals vermeld stelt PATRIMO INVEST dat zij het arrest van 13 oktober 2003 heeft laten betekenen aan het VLAAMSE GEWEST omdat het zich niet gebonden achtte door het arrest. Die stelling van het VLAAMSE GEWEST is correct. Het arrest, dat het vonnis bevestigt dat de opheffing beveelt van het bevel tot stopzetting van ASSE van 25 november 1999, kan aan het VLAAMSE GEWEST of aan de stedenbouwkundige inspecteur niet worden tegengeworpen bij de uitoefening van hun bevoegdheid, omdat het arrest daarover niet oordeelt. Het handelt alleen over een concreet bevel tot stopzetting van ASSE. Het arrest heeft uiteraard geen gezag van gewijsde ten aanzien van het VLAAMSE GEWEST en de stedenbouwkundige inspecteur. Het voorwerp van de vordering is verschillend (een ander concreet bevel tot stopzetting), en de partijen zijn verschillend (het VLAAMSE GEWEST of de stedenbouwkundige inspecteur zijn niet ASSE, en zij zijn ook niet haar rechtsopvolger). Een gerechtelijke beslissing heeft ten opzichte van derden die geen partij bij het geding waren, alleen bewijswaarde als weerlegbaar vermoeden . Uit die bewijswaarde volgt niet dat uit die beslissing verplichtingen ten laste van die derden ontstaan, waaraan ze zich slechts zouden kunnen onttrekken door het tegenbewijs te leveren . Het is niet duidelijk wat PATRIMO INVEST met het arrest van 13 oktober 2003 zou kunnen bewijzen ten aanzien van het VLAAMSE GEWEST en de stedenbouwkundige inspecteur, behalve het feit dat het bevel dat ASSE heeft gegeven, is opgeheven. De betekening van het arrest door PATRIMO INVEST aan het VLAAMSE GEWEST wijzigt niets aan het bovenstaande. Indien derhalve de stedenbouwkundige inspecteur een bevel tot stopzetting doet en PATRIMO INVEST daarvan de opheffing vraagt, dan zal de rechter die kennis neemt van de vordering tot opheffing dat bevel toetsen op zijn externe en interne wettigheid, zonder dat hij zich bij zijn beoordeling hoeft te laten leiden door het arrest van 13 oktober
  10. Hij kan daarbij perfect anders oordelen over het verval van de verkavelingsvergunning en de bouwvergunning dan het hof heeft gedaan. Overigens merkt ASSE in conclusie op dat het verval van de verkavelingsvergunning zonder belang is voor de beoordeling van haar bevel tot stopzetting van de werken tot uitvoering van de bouwvergunning van
  11. Als niet wordt aangenomen dat de bouwvergunning van 1964 vervallen is, dan is de vraag betreffende het verval van de verkavelingsvergunning niet aan de orde. Het verval van de verkavelingsvergunning is wel relevant bij de beoordeling van een nieuwe stedenbouwkundige vergunning, maar die is er niet, gelet op het ministerieel besluit van 25 oktober 2006, dat de aanvraag van PATRIMO INVEST verwerpt. Het blijkt niet dat PATRIMO INVEST daartegen een beroep heeft ingesteld bij de Raad van State. Uit het bovenstaande volgt noodzakelijkerwijze dat het VLAAMSE GEWEST en de stedenbouwkundige inspecteur geen derdenverzet kunnen instellen tegen het arrest van 13 oktober 2003, omdat dit niet hun rechten benadeelt zoals artikel 1122 van het Gerechtelijk Wetboek vereist. Het verzet is dus niet ontvankelijk .
  12. De kosten Alle partijen vragen voor de rechtsplegingsvergoeding de toepassing van het basisbedrag. Met toepassing van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 bedraagt dat basisbedrag gelet op de niet waardeerbaarheid van de vordering 1.200,00 EUR. Ten onrechte neemt PATRIMO INVEST in haar opgave van kosten ook de kosten op van de betekening van de bestreden beslissing aan het VLAAMSE GEWEST. Dit is geen kost in huidige procedure. Het VLAAMSE GEWEST was in dat arrest ook niet de veroordeelde partij ten aanzien van wie de hoofdveroordeling met toepassing van artikel 1024 van het Gerechtelijk Wetboek ook een titel vormt voor de kosten van tenuitvoerlegging. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het derdenverzet niet ontvankelijk. Veroordeelt het VLAAMSE GEWEST en de stedenbouwkundige inspecteur tot de betaling van de kosten, begroot - in hoofde van henzelf op euro 1.521,98 (321,98 rolrecht en dagvaarding + 1.200 rechtsplegingsvergoeding), - in hoofde van de gemeente ASSE op euro 1.200 rechtsplegingsvergoeding, en - in hoofde van de N.V. PATRIMO INVEST op euro 1.200 rechtsplegingsvergoeding. Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 23/6/09 waar aanwezig waren en zitting hielden : Astrid DE PREESTER, Raadsheer d.d. Voorzitter, Marc DEBAERE, Raadsheer, Martine DE WITTE, Plaatsvervangend Raadsheer, bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS M. DE WITTE M. DEBAERE A. DE PREESTER Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.